Anna van der Tas: Zedenverval in de ‘roaring Twenties’

Anna van der Tas: Zedenverval in de ‘roaring Twenties’

Reacties uitgeschakeld voor Anna van der Tas: Zedenverval in de ‘roaring Twenties’

Anna van der Tas

Samenvatting

Spannend of eng? De jaren twintig van de vorige eeuw worden de Roaring Twenties genoemd. Bij deze typering horen rokerige clubs waar losbandige dames in Flapperjurkjes op nieuwe muziek als Jazz dansen. Maar dit rokerige cafe laat niet het hele plaatje zien. Verandering roept ook angst op. Het overmatige gebruik van cocaine tijdens de lange nachten vol wilde en nieuwe dans maakten velen huiverig voor de moderniteit, zoals Anna van der Tas laat zien. De kranten van toen laten zien hoe er in het Nederland van na de Eerste Wereldoorlog geoordeeld werd over dansen en drugs.

Download de PDF

Anna van der Tas (pdf)

Lees met ISSUU

Volledige Tekst

INLEIDING

De jaren twintig staan bekend als een bruisend en welvarend decennium. In het groeiende uitgaansleven van grote steden als Londen, Berlijn en Parijs werd in deze jaren veel geëxperimenteerd. Nieuwe vormen van dans, muziek, mode en drugs doken op. En ook de maatschappelijke indeling veranderde, want vrouwen lieten zich steeds meer zien op de dansvloer. De ouderwetse keurigheid moest plaatsmaken voor een bobkapsel en een flapper-jurk. Deze nieuwe en hippe vrouw streed voor haar rechten op vrijwel ieder gebied van het sociale en openbare leven.
Een dusdanig grootschalige verandering vraagt om een historisch onderzoek. Was die ontwikkeling alleen maar positief? Tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog veranderde de verhouding tussen man en vrouw. Engelse, Franse en Duitse mannen waren naar het front gestuurd, en velen keerden niet of gewond terug. De vrouwen moesten het belangrijkste werk overnemen en werden zich bewust van de vrijheden die er ontstonden. Dat lijkt een belangrijke en goede verandering, maar de verovering van het nachtleven heeft ook een keerzijde. Steden als Londen, Parijs en New York werden ook berucht om hun wilde uitgaanswereld. Alles was te krijgen en alles werd geprobeerd, maar vooral cocaïne verspreidde zich in een groot tempo. Bekende actrices als Billie Carleton en Freda Kempton gingen tussen de coulissen van het Londense West End ten onder aan de drug, zoals uitgebreid werd uitgemeten in de media.
Ook in Nederland veranderde de verhouding tussen de seksen en ontdekte de vrouw verdovende genotsmiddelen. Hoewel Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog een vrijwel neutrale rol had, deinde het mee op ontwikkelingen die zich in omringende landen voordeden. Nederland was dan wel geen koploper, ook hier bloeide een bescheiden jazz- en danscultuur op, waar drugs een rol in speelden. De vraag is dan ook of dezelfde drugsproblemen zich voordeden onder de Nederlandse vrouwen. Was er hier, net als in bijvoorbeeld Engeland, sprake van een paniekstemming rond cocaïneverslaafde flappers? Schreef ook de Nederlandse pers uitgebreid en met een onheilspellende connotatie over dit onderwerp?
Om die vraag te beantwoorden zijn verschillende kranten en tijdschriften uit het interbellum geanalyseerd. Gebruikt zijn De Leeuwarder Courant en De Groene Amsterdammer, en de landelijke dagbladen Het Volk, Het Centrum, Het Vaderland, en De Nieuwe Rotterdamse Courant. Daarnaast is gezocht in het vrouwenblad De Dameskroniek.

1: HET FEESTENDE EUROPA TIJDENS HET INTERBELLUM

Op 29 november 1918 stierf de Britse actrice Billie Carleton op achttienjarige leeftijd aan een overdosis cocaïne. Haar dood werd in Engeland het startsein voor een zogenaamde drug scare. Krantenkoppen schreeuwden over de gevaren van drugsgebruik. Het ging niet alleen om de fysieke, maar vooral ook de morele bezwaren. Het was namelijk niet zozeer de dood van Billie Carleton en andere Britse actrices die voor deze ophef zorgde, maar door de maatschappelijke connotatie ervan. Het moreel en zedelijk verval van de samenleving manifesteerde zich. Critici wezen op de verzwakking van de nieuwe en zelfstandige vrouw.
Sinds het uitbreken van de oorlog veranderde er veel. Vrouwen deden plotseling mee in de maatschappij, ze staken de handen uit de mouwen en werkten op plekken die voorheen door mannen werden gemonopoliseerd. Vrouwen kregen bijvoorbeeld banen in fabrieken, in de wapenindustrie en in het openbaar vervoer. Deze gebeurtenissen tijdens de Eerste Wereldoorlog zorgden ervoor dat de suffragettes, na ruim een halve eeuw felle strijd, eindelijk konden zegevieren. Het kiesrecht voor vrouwen werd rond 1919 in veel landen een feit.
Het was echter niet alleen op het gebied van de emancipatie dat de Britse samenleving zich in korte tijd veranderd had. Er waren ook andere factoren die de nieuwe angst versterkten. De grote groepen immigranten zijn daar een belangrijk voorbeeld van. Londen was door de toestroom van vluchtelingen en gastarbeiders steeds meer bevolkt geraakt door buitenlanders, onder wie een groot percentage Chinezen.
Dit gold niet alleen voor Londen, ook andere westerse steden hadden hier aan het begin van de twintigste eeuw mee te maken. Zo waren er in de Amsterdamse en Rotterdamse havens Chinezen te vinden, en stond San Francisco bekend om het grootschalig gebruik van Chinese spoorwegarbeiders. In Frankrijk vulde men de lege plaatsen die vechtende soldaten in de arbeidsmarkt achterlieten met Chinese immigranten. Ook New York had er begin twintigste eeuw een grote Chinese populatie bij gekregen.
Deze immigranten namen hun tradities en gebruiken uit China mee. Een daarvan was het verdovende middel opium. De Chinezen werden begin twintigste eeuw en tijdens het interbellum berucht om het gebruiken en verspreiden van opium. Steeds meer autochtonen, waaronder veel vrouwen, begonnen de opium te gebruiken. Er ontstond in de westerse wereldsteden een heftige xenofobie. En die was niet alleen op de Chinezen gericht. Zo waren er bijvoorbeeld de Amerikaanse Chorus Girls die rond 1911 in het Engelse theater kwamen te werken. De notie heerste dat zij de Britten aan de cocaïne hadden geïntroduceerd. De schuld van het grootschalig cocaïne-, morfine- en opiumgebruik onder autochtone vrouwen werd dan ook al snel bij deze buitenlanders gelegd.
Hoe de middelen dan ook in Engeland terecht kwamen, buiten kijf staat dat in de hoofdstad vooral de theaterwereld berucht werd om haar opium- en ook cocaïnegebruik. Actrices die hun heil zochten in het nachtleven van West End werden het slachtoffer van de grote drugsepidemie. Zo werd het dragen van een medaillon om de nek om de drug in te bewaren, een sjiek modeobject onder actrices.
Kranten stonden bol van meningen over dit nieuwe gevaar. Angstige artikelen bepaalden het beeld in de media, met als achtergrond de hulp van Amerikaanse antidrugs-films als The Curse of the Nation, The Curse of the Poppy en Black Fear. In juni 1916 berichtte The Evening News over ‘the cocaine curse, evil habit spread by night clubs’. Veel kranten hielden er vergelijkbare meningen op na. Zo zijn ook in The Times veel berichten met cocaïne als onderwerp te vinden, zoals een artikel dat zich richtte op de nieuwe gevaarlijke cocaïnecultus die zich in Engeland had gemanifesteerd.
Zoals hierboven al is aangegeven, was de achtergrond van deze drug scare de diepere angst voor het zedelijk verval van de Engelse samenleving. De angst richtte zich dan ook niet slechts op het cocaïnegebruik, maar ook op de nieuwe dans- en jazzcultuur in het algemeen. Dokters waarschuwden voor de slechte bijwerkingen die de jazz zou hebben. Bladen als het Ladies’ Home Journal startten een waar offensief tegen jazz, met als doel die nieuwe soort van vermaak uit te bannen. Er bestond een angst dat de flappers de mannen mee zouden slepen in hun zelfdestructieve levensstijl. De benaming voor dit soort vrouwen was aanvankelijk bedoeld als denigrerend, maar zou in de literatuur tot geuzennaam uitgroeien. De flapper stond voor zwakte. Het stond voor een soort vrouw dat zich gemakkelijk door foute zaken liet meeslepen. Ze was een bedreiging voor de gehele morele zedelijke wereld, die mee zou worden getrokken in haar val. Dit lijkt een overdrijving.
Vooral het erotische aspect werd opgeblazen. Een belangrijke aanname was dat Aziatische mannen, en dan met name Chinezen, de flappers verleidde. Seks en sensualiteit hadden hier alles mee te maken. Het leek alsof de ‘erotische rust’ die oosterse mannen uitstraalden een aantrekkingskracht had op zwakke blanke vrouwen. Deze waren fragiel en kwetsbaar. De beruchte drugshandelaar Brilliant Chang bijvoorbeeld, behaalde internationale faam door het oosterse mysterie dat om hem vergezelde. Het was dus niet slechts de angst voor de drugs zelf die de drug scare inleidde, maar vooral ook de angst dat vrouwen verloren zouden worden aan een nieuwe wereld van onzedelijkheden en mysterie, iets waar de gemiddelde Britse man geen greep meer op had.
Maar deze ontwikkelingen waren niet beperkt tot Engeland en Amerika. Ook in Berlijn en Parijs was een grote dans-, uitgaans-, en drugsscene op gang gekomen tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. In de jaren twintig verspreidde het nachtleven zich over de hele Westerse wereld, en daarmee het drugsgebruik evenzeer. Hoe zat dat in Nederland?

2: DE ‘DRUG SCARE’, OVERGEWAAID NAAR NEDERLAND OF NIET?

Hoewel de tragische dood van Billie Carleton in Engeland voor een drug scare zorgde die in het vorige hoofdstuk behandeld is, werd er in de Nederlandse kranten niet eens over haar dood geschreven. Dat wil niet zeggen dat het drugsgebruik helemaal geen aandacht kreeg. De actrice was in Nederland minder beroemd en populair, wat de schaarse berichtgeving kan verklaren. Hoewel Carleton al in 1918 stierf aan een overdosis cocaïne, werd er in Nederland door de kranten en dagbladen pas in de jaren twintig met bezorgde toon gesproken over het uitgaansleven in het buitenland.
Zo werd er onheilspellend geschreven over zaken als het cocaïnegebruik in de Parijse wijk Montmartre. In de socialistische krant Het Volk werd de nadruk gelegd op de krankzinnigheid die deze drug zou veroorzaken. ‘Het einde is gewoonlijk het gekkenhuis.’ Een artikel van dezelfde strekking was een dag later in De Leeuwarder Courant te lezen over de ‘epidemie van de cocaïnomanie’ te Parijs, waar mensen zich vergrepen aan het vergif dat zich cocaïne liet noemen, zoekend naar troost en vergetelheid. Het vermeende gevaar van le coco werd niet onder stoelen of banken gestoken, want ook dit artikel berichtte over de gevaarlijke werking van het middel. Zowel fysieke aandoeningen als de uiteindelijke krankzinnigheid werden veelvuldig aangehaald.
Het bericht ‘Brieven uit Parijs’ uit 1922 in dezelfde krant ging eveneens geheel over het nieuwe cocaïnegevaar in Parijs, waarin ook duidelijk werd gemaakt dat vooral vrouwen een groot slachtoffer waren. Dit omdat zij zich ‘overgaven aan deze lichaam en geest ondermijnende zonde’. Dus zowel de angst voor drugs als de nadruk op het verval van de vrouw zijn terug te vinden in de Nederlandse media. Maar het verschil met het buitenland was groot.
Het was bekend dat de Verenigde Staten op het gebied van drugsgebruik ver op Nederland vooruitliepen. De Leeuwarder Courant berichtte hierover in 1920, door te stellen dat het morfine- en cocaïnegebruik daar in verhouding tien maal hoger lag dan het gebruik in Nederland. Een verontrustend beeld, maar dus wel duidelijk anders dan wat in ons eigen Nederland het geval was.
Dat de vrouwenemancipatie in Engeland grote gevolgen had gehad voor het uitgaansleven van de gemiddelde vrouw en men dit dus kritisch moest benaderen, daar waren Nederlandse kranten zich van bewust. Een berichtje in De Leeuwarder Courant sprak over de schaduwzijde van de vrouwenemancipatie. Vrouwen gingen te vaak op stap, en werden door oosterse mannen tot gokken en drugsgebruik verleid. De op vrouwen gerichte drug scare uit Engeland waaide dus zelfs over naar het nuchtere, dunbevolkte Friesland.
Dat het buitenlandse problemen zijn, is ook te zien aan de berichtgeving. Alle verhalen over cocaïne en wilde vrouwen leken ver weg. Het was er wel, maar er was geen enkele reden tot paniek in eigen land. Dit is een belangrijk punt omdat het een groot verschil duidelijk maakt. In Frankrijk zelf was men, zo blijkt uit het laatstgenoemde bericht, wél geïrriteerd en angstig door het veelvuldig cocaïnegebruik.
Deze angst heeft in Nederland eigenlijk nooit echt de overhand gekregen. Men maakte zich wel zorgen over het zedelijke verval. Berichten over deze zedeloosheid die de algehele dansmanie met zich mee bracht in andere landen, zijn namelijk ruimschoots te vinden. Een bericht in Het Centrum is hier een goed voorbeeld van. In Engeland was de ‘danswoede’ destijds al goed op gang, en de katholieke krant keek hier met argusogen naar. De danswoede moest gestopt worden, vond men. In Nederland was het dan misschien nog niet zoals aan de overkant van het Kanaal, maar angstaanjagend was het wel. De Engelse vrouwen zagen er vermoeid uit omdat ze ’s nachts dansten en overdag naar hun werk gingen. De danswoede was volgens Het Centrum een ‘dwaas modeverschijnsel’, dat hoe dan ook gestopt diende te worden.
Ook Het Vaderland schreef in 1922 een stukje over het schokkende dansgedrag, ditmaal in Berlijn. De verslaggever had de danswoede ervaren als een ‘epidemie’ toen hij in Berlijn op de Kurfürstendamm twee nachtclubs bezocht. Hij vergeleek wat hij zag met een krankzinnigengesticht. Hij schreef: ‘Zieken zijn het, normale mensen doen niet zo raar.’ De auteur zag de danswoede als een tijdelijke naoorlogse ziekte die vanzelf weer over zou waaien, net als dit bij andere epidemieën het geval was geweest. Maar dat maakte het niet minder erg volgens hem, hij vond het een walgelijke bedoeling.
In 1924 was er in De Leeuwarder Courant een berichtje te lezen over hoe de dansmanie wat af leek te nemen. Er sprak een soort opluchting uit het artikel, een opluchting die aantoont dat men in Nederland niet al te zeer te spreken was geweest over de wilde dansfestijnen in het buitenland. Deze voorgestelde afname gold echter allerminst voor Berlijn. Het uitgaansleven van deze stad bleef bestaan en beschreven worden.
In 1928 berichtte men nog steeds over de onophoudelijke danswoede die Berlijn in een greep hield. Een artikel in De Leeuwarder Courant betoogde dat dit dansgedrag het gevolg was van de moeilijke periode die eraan vooraf ging De nauwe Duitse betrokkenheid bij de Eerste Wereldoorlog werd afgereageerd op de dansvloer, en dat had vervelende gevolgen. Volgens het artikel werden er in Berlijn ‘dagelijks honderden kinderzielen vermoord’. Doordat de kinderen in een ‘overprikkelende toestand’ werden gebracht, zou de Duitse jeugd reeds voor de achttiende verjaardag in ziel en lichaam bedorven zijn. Een paar maanden later was in dezelfde krant een bezorgd berichtje te lezen over de vrouwen. ‘Die dames met bleeke gelaten en met slang-achtig slanke figuren, die dames die cocaïne smokkelen, wij kennen haar – gelukkig – slechts uit de bioscoop’. Maar het artikel ademde een angst dat ook dit ook wel eens in Nederland zou kunnen gebeuren.
Kortom, het gebruik van cocaïne bleek een zorgwekkend maar buitenlandse ontwikkeling. De Nederlandse pers maakte zich niet veel zorgen over de eigen burgerbevolking. Het was een ontwikkeling die ver van het bed stond en waar de nuchtere Hollanders niet voor zouden bezwijken. Er was een lange tijd meer verbazing dan zorg terug te vinden, maar dat veranderde in de loop van het decennium. Aan het einde van de jaren twintig werd de berichtgeving angstiger. Zoals we echter in de volgende hoofdstukken zullen zien, berichtte men over de algemene uitgaans- en danscultuur met meer herkenning en hierdoor ook automatisch met meer zorg, aangezien deze ontwikkeling zich wél in de Nederlandse samenleving leek te nestelen.

3: NEDERLAND IN HET INTERBELLUM, BRAAF OF SCHULDIG?

Hoewel de grote mogendheden van Europa tussen 1914 en 1918 in een wereldoorlog verwikkeld waren, bleef Nederland gedurende deze tijd een neutrale positie behouden. Omdat Nederland zich niet in de loopgraven liet zien, onderging het een andere ontwikkeling dan de strijdlustigere landen. Zaken die het straatbeeld daar bepaalden, bleven in Nederland uit. ‘Geen dagelijkse dodenlijsten, geen grote aantallen verminkte en geestelijk kapotte mensen. Geen verwoestingen. Geen terugkeer van frontsoldaten die zich niet of nauwelijks meer konden vinden in de maatschappij.’ En dit had ook invloed op het verschil tussen man en vrouw.
De Nederlandse vrouw hoefde geen maatschappelijk gat te vullen dat de vertrekkende soldaat achterliet. Misschien is dat de reden dat het land de vrouwenemancipatie zoals die zich in andere landen als Engeland had voorgedaan wel volgde, maar bepaald geen koploper was. Anders dan in Engeland, lag het percentage aan werkende vrouwen uit de hogere en middenklasse in Nederland relatief zeer laag. Het burgerlijk waardepatroon van de vrouw als huismoeder stond hier nog hoog in het vaandel.
Dat Nederland officieel gezien neutraal bleef wil niet zeggen dat er voor Nederland geen rol op het wereldtoneel was weggelegd. Nederland had zich ontwikkeld tot een belangrijke handelspartner van de grote mogendheden. Vooral Rotterdam werd tijdens de Eerste Wereldoorlog een belangrijke ‘luchtpijp’ naar de wereld. Al die handel was natuurlijk niets dan welkom, en Nederland verdedigde het oude handelsimperium dat ze nog had dan ook met hand en tand. Er ontstond een vervlechting tussen de overheid en het particuliere bedrijfsleven. Vooral de Nederlandse Handels-Maatschappij kreeg veel invloed. Door middel van de Nederlandsche Overzee Trustmaatschappij kon de handel met Engeland en Duitsland zo goed mogelijk door blijven gaan, zonder dat de Nederlandse neutraliteit verloren ging.
Tussen al die handelswaren die in Rotterdam werden overgeslagen, bevonden zich ook verdovende middelen. Op het gebied van handel in narcotica was Nederland een prominente rol toebedeeld. Er ontstond een grootse handel in cocaïne tussen Nederland en de oorlogvoerende landen, waarbij Nederland een doorvoer- en handelspositie bekleedde. Maar er werden niet alleen verdovende middelen verplaatst. Nederland werd gezien als Gidsland dat niet op basis van macht maar op morele gronden haar politiek bedreef, en om deze reden ook goed kon functioneren als gastland voor verschillende soorten conferenties. Veel van die conferenties behandelden het drugsprobleem. Zoals Rolf Schuursma het in zijn boek omschreef: ‘Het kleine land verwierf aanzien als een oord voor rustige overweging in een woelige wereld.’ Naast internationale vredesconferenties in het nieuwe Vredespaleis in Den Haag (1913) vonden in ons land ook diverse internationale opiumconferenties plaats (in 1912, en wederom in 1913 en 1914), die bindende restricties legden aan het gebruik van, de verkoop van en de behandeling door de overheid van narcotica. Ze wilde het gebruik van opium, morfine en cocaïne versmallen naar legitiem medisch gebruik. Dit bleek eerst moeilijk en later onmogelijk. In Nederland speelden verdovende middelen dus op een aantal manieren een grote rol tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Gekoppeld aan de Vrede van Versailles werd in 1919 een nieuwe Opiumwet ingevoerd in Nederland. Deze stelde dat het verboden was om bepaalde middelen, zoals morfine en cocaïne, te maken, verkopen of verwerken. Formeel gezien was alleen medisch gebruik toegestaan. Echter, het was nog niet verboden om deze verdovende middelen in bezit te hebben. Pas tijdens de herziening van de Opiumwet in 1928 werd hier verandering in gebracht.
Op het moment dat de Opiumwet in 1919 van kracht werd, bestond er in Nederland helemaal geen behoefte om de drugshandel aan banden te leggen. Nederland zelf kende nauwelijks interne problemen met drugs en de daarmee verbonden criminaliteit. Men richtte zich veel meer op de drank. In de berichtgeving werd het zedeloze gedrag van de Nederlandse vrouw aan de fles verweten. De (christelijke) zedenprediker was niet te spreken over de avonden vol feest en drank waar menigeen Nederlandse vrouw van genoot.
Zoals eerder al bleek, bestond er in Nederland wel een besef van het internationale drugsprobleem, maar alleen als iets uit het buitenland. Rotterdam stond bekend als een plaats waar veel drugshandel plaatsvond, maar dat kwam niet in de laatste plaats door de grote aanwezigheid van Chinezen aldaar. Het waren dus vooral buitenlandse invloeden die schadelijk zouden zijn. Men was in het algemeen bang voor veel zaken die niet binnen de Nederlandse samenleving hoorden. Hieronder vielen ook politieke zaken als revolutie, socialisme en bolsjewisme. Maar ook cabaret, jazz, film en misdaadromans. Nederland moest Nederlands gehouden worden.
Daar hoorden bepaalde opvattingen over de jeugd bij. Er bestond een paradoxale geaccepteerde methode om de jeugd in bedwang te houden, maar ook de toekomst te laten inluiden. Men wilde dat de jeugd hen naar de nieuwe tijd bracht, maar ze wilden tegelijkertijd dat die nieuwe tijd er vertrouwd uitzag. Om de controle over te behouden werd de jeugd daarom streng gedisciplineerd volgens oude en vertrouwde waarden en opvattingen. Uiteraard speelde hierbij in het verzuilde Nederland de verbinding van een jongere aan een zuil, en in het verlengde daarvan aan de maatschappelijke ordening der verzuiling, ook een rol.
Maar ondanks deze strenge voornemens en verwachtings-patronen over niet alleen de vrouw, maar de jeugd, zouden beide groepen beïnvloed worden door het buitenland. De jeugd en de vrouw deinden mee op de ontwikkelingen die in andere landen al begonnen waren. Het was onontkoombaar.

4: DE MEDIA EN HET ZEDELOZE DANSGEDRAG IN NEDERLAND

In het begin van de twintigste eeuw werd nog gesproken over de Europese en overzeese cocaïne- en dansmanie als fenomenen die geen greep zouden krijgen op de nuchtere Hollanders. Maar dat veranderde in de loop van de jaren twintig. Enigszins, moet hierbij gezegd worden, want niet alleen richtte de Nederlandse media zich vooral op de zich steeds meer ontwikkelende danswoede en nauwelijks op het cocaïnegebruik, er viel ten aanzien van deze danswoede ook een zekere ambivalentie in de Nederlandse media te bespeuren. Aan de ene kant leek Nederland alles wat zich in andere grote steden afspeelde verre van zich te willen houden. Maar tegelijkertijd deden verschillende (vaak vrouwelijke) auteurs in het progressieve weekblad De Groene Amsterdammer hun beklag over de saaiheid van Amsterdam. Steden als Londen, Parijs of Berlijn zouden veel bruisender zijn.
Zoals al in het vorige hoofdstuk naar voren kwam, verkeerde Nederland in de lucratieve, maar ook in toenemende mate lastige positie van internationale drugsleverancier. Het recreatief gebruiken van verdovende middelen werd als iets slechts gezien, maar tegelijkertijd werd de medische potentie niet onderschat. De Groene Amsterdammer meldde in haar ‘Medische Kroniek’ dat we de medische industrie dankbaar zouden moeten zijn voor het ontwikkelen van verdovende middelen als morfine en cocaïne. Waar zouden we immers zijn zonder al deze middelen? Ook Het Pharmaceutisch Weekblad bedankte de Nederlandsche Cocaïnefabriek in een berichtje uit 1925 voor het ontwikkelen van deze hedendaagse medicijnen, en tevens voor de goede handelsmogelijkheden die cocaïne ons bood tijdens het interbellum. Hoewel cocaïne en morfine op medisch en handelsgebied goedgekeurd werden, vielen de veranderingen in het uitgaansleven niet in de smaak.
Er heerste een bijna fobische angst over de moderne jazzcultuur en het nieuwe dansen in de Nederlandse media. Een belangrijke reden daarvoor was het raciale aspect. Men meende dat de jazzcultuur geïnspireerd was door negroïde invloeden, die vooral met betrekking tot de zedelijkheid de overhand zouden nemen. De angst voor de competitie met de (vaak als seksueel overtreffend beschouwde) negroïde man, had grote invloed op de reacties die de nieuwe dans- en muziekcultuur in Nederland ontving. Het dansvermaak kenden ook een seksuele aard, die zich ook binnen de huiselijke omgeving van het huwelijk zou kunnen gaan manifesteren. Het was vooral ook het idee dat het zedenverval de heilige verbintenis van het huwelijk zou corrumperen, waardoor de angst zich verspreidde. De moderne dans zou misbruikt worden voor zondige zinnenprikkeling, hetgeen een bedreiging vormde voor het instituut van het huwelijk.
Niet alleen de christelijke kant van Nederland, maar ook de SDAP was ernstig tegen deze hele ‘dansmanie’. Dit betoogde De Leeuwarder Courant in een artikel over een verbod op dansen op zondagen in Den Haag. Hoewel de krant zich bij te grote excessen een angstige houding aanmat, vond het dat deze maatregel te ver ging. Want men moest toch gewoon (zij het met gepaste mate) kunnen genieten van het jonge leven! Aldus de auteur.
In 1926 werd er in de Algemeene Beschouwingen van Het Vaderland voor gepleit om de ‘zondige jeugdige danswoede’ bij de wortels aan te pakken, aangezien het de jonge generatie te gronde zou richten. Niet alleen in Amsterdam keek men angstig naar de jeugd, ook in de andere Nederlandse steden deden zich dilemma’s en frustraties voor. Zo werd in 1927 in Almelo besloten de danswoede onder de jeugd flink aan te gaan pakken , en werd ook in Den Bosch in 1928 door de plaatselijke jeugdcommissie besloten het zedeloze dansgedrag te gaan beteugelen.
Maar er klonk ook een uitgesproken anders geluid. Vooral voor De Groene Amsterdammer werden er in de jaren twintig een aantal kritische artikelen geschreven over de saaiheid van het Nederlandse uitgaansleven. In het buitenland was dit wel anders. Al in 1924 publiceerde het weekblad een artikel waaruit bleek dat er bij de Amsterdamse bevolking wel degelijk een vorm van protest bestond tegen het onderdrukkende gezag van de saaie calvinistische stroming. De Zeedijk was in Amsterdam zo ongeveer de enige plek waar dansen mogelijk was, voor de rest van de stad bestond er een dansverbod, omschreven in de Algemeene-Politie-Verordeningen.
Het was niet slechts de calvinistische stroming die zich op het dansgedrag van de jeugd stortte. Binnen de gemeenteraad in Amsterdam waren het ook de katholieken, de socialisten en de religieuze Tucht-Unie die zich richtten op het bewaken van de algemene zedelijkheid en het afstraffen van ongehoorde praktijken. Zo vond de Tucht-Unie dat er een duidelijk verband tussen dans en prostitutie aanwezig was. Zij vonden dat er maatregelen getroffen moesten worden met betrekking tot drankmisbruik en minderjarige bezoekers van de dancings. Het algemene dansverbod werd in het jaar 1924 opgeheven door zeven dansgelegenheden rond de Zeedijk een vergunning te verlenen, mits er aan bepaalde regels gehoor gegeven zou worden. Zo moesten de dancings om twaalf uur ’s nachts alweer hun deuren sluiten, mocht de muziek geen aanleiding geven tot ongehoord gedrag. Bovendien moest de minimale toegangsleeftijd achttien jaar zijn.
Een veel voorkomende aanpak binnen de artikelen in De Groene Amsterdammer was het niet te hard bekritiseren van de moderne jeugd. Dat de moderne jeugd anders was dan de oudere garde, was duidelijk. In het artikel met de bijpassende titel ‘Moderne jeugd’ werd geprobeerd te pleiten voor een milde kijk op de jongere generatie. De auteur was het zeker niet eens met wilde uitspatten die zouden kunnen resulteren in een alomtegenwoordige ‘dansmanie’, en uitte zich positief over initiatieven die een bepaalde tegenbeweging zouden kunnen veroorzaken. Zo waren er in Chicago de Slowclubs, waar men probeerden om het ouderwetse dansen in stand te houden. Toch vond hij dat de jeugd de jeugd moest blijven, en zeker niet de ogen moest sluiten voor vormen van moderniteit. Begrip voor de naoorlogse jeugd tezamen met een voorzichtig benaderen van jongeren was volgens hem de enige juiste manier.
Een ander artikel dat niet zoveel later verscheen in De Groene Amsterdammer, pleitte ook voor het mild bekritiseren van de jeugd. Emmy Belinfante schreef een kritisch stuk over de negatieve publiciteit die zich rond het nieuwe soort dansen had gevormd, en was van mening dat hier voorzichtiger mee diende te worden omgegaan. Zo stelde ze zich in het artikel de vraag waar men nu zulke problemen mee had. Had men problemen met het dansen zelf, of met het wereldje om het dansen heen? Want, maakte ze wel duidelijk, ‘in de dansles moesten geen elementen toegelaten worden die de atmosfeer konden bederven’. Met het dansen zelf was echter niets mis, aldus de auteur, en dans verandert ook met de jaren, in iedere cultuur. De angst voor deze nieuwe soort dans was dus ongegrond, omdat ook deze dans weer vervangen zou worden.
Jongeren moesten, zij het uiteraard met mate, blootgesteld worden aan nieuwe soorten dans, afscherming zou geen uitkomst bieden en was daarbij in deze moderne tijd ook nog eens schier onmogelijk. Ook stelde ze dat de omgang tussen de geslachten altijd een moeilijk punt zal blijven. Daar hadden de nieuwe soorten dans verder niet veel mee te maken. Hier was een bijeengekomen groep pastoors het echter niet mee eens. In Het Centrum werd hun bijeenkomst in 1928 omschreven, waarin zij onder andere stelden dat van dansen alleen maar slechts kon komen, omdat de mens nu eenmaal slecht was.
Wanneer we een paar jaar vooruitblikken en kijken wat de katholieke D.A. Linnebank in zijn boekje Moderne Amusementsproblemen schreef, zien we de bezwaren van katholieke kant duidelijk in stelling gebracht. Over de dansproblematiek schreef hij het volgende:

[Over het dansen, AvdT] Is dat dan zoo verschrikkelijk? Neen, op zichzelf genomen natuurlijk niet. God heeft nu eenmaal dien wederzijdschen drang in beide sexen neergelegd. ’t Is dus heel begrijpelijk dat man en vrouw, jongen en meisje elkander zoeken. (…) Maar het is nu geheel anders. Men is in de leer gekomen bij wilde volksstammen. Men danst en walst gelijk de kaffers, men waggelt en wiegelt als ganzen.

Het was volgens ook Linnebank vooral de omgeving die het dansen tot zo’n vreselijke zonde maakte. ‘’n Zwoele, verhitte atmosfeer, bedwelmende parfums, zoete weekelijke of wild hartstochtelijke muziek, een verblindende schittering van licht, het gebruik van alcohol-houdende dranken en, last but not least, de kleeding.’
Ondanks protesten van katholieke kant, bleef de berichtgeving in De Groene Amsterdammer het oneens met de oproepen tot redding van de algemene zedelijkheid. Soms ging de berichtgeving zelfs verder dan het er slechts mee oneens te zijn. Dit gebeurde bijvoorbeeld in een artikel uit 1928 waarin Kitty van der Hagen stelde dat het Nederlandse uitgaansleven maar saai was. Nederlandse vrouwen genoten volgens haar niet genoeg van het leven, terwijl vrouwen in andere buitenlandse steden pas echt wisten wat leven was. In haar opiniestuk ergerde ze zich aan een aanvaring die ze had gehad met een man wiens dochter gelijk na haar school als verpleegster was gaan werken. Van der Hagen zag dit als een negatieve keuze en stelde dat genieten van het wilde jonge leven belangrijker was dan de maatschappij tot nut te zijn. Ook zij vond dat dit niet meteen zou moeten eindigen in een ongeremde danswoede, maar een gulden middenweg was volgens de auteur wel noodzakelijk voor jonge vrouwen en het genot dat ze in hun jonge leven konden en moesten hebben.
Ook de visie van De Dameskroniek op de danscultuur kan genoemd worden, waarin mondjesmaat positief gesproken werd over deze nieuwerwetse danscultuur. In De Amsterdamsche Dameskroniek werd voor het vrouwelijk publiek geadverteerd voor een dansschool, ‘aangezien iedereen tegenwoordig de nieuwste dansen wil leren’. Het artikel ‘Wij dansen!’ uit het jubileumnummer van De Rotterdamsche Dameskroniek getuigde van een enthousiasme wat betreft de nieuwe dansen zoals de Twist en de Charleston. Hoewel dit alles uiteraard onder controle gehouden moest worden en onder het strenge doch rechtvaardige begeleiden van een dansinstructeur diende plaats te vinden, was er een zekere zelfingenomenheid en tevredenheid te ontwaren over het feit dat de moderne vrouw dánste. Want hoe de berichtgeving er ook tegen aan keek, een feit bleef het wel: de moderne jeugd, en daarmee de moderne vrouw, danste!

CONCLUSIE

Na de Eerste Wereldoorlog vonden er in Nederland en diens buurlanden belangrijke veranderingen met betrekking tot sociale verhoudingen plaats. Grote West-Europese en Amerikaanse steden hadden te maken met een nieuw soort gevaar: het gevaar van de losgeslagen vrouw en de zelfdestructieve jeugd. In de theaterwerelden van Londen en Parijs speelden tevens het gebruik van drugs als cocaïne en morfine hierbij een belangrijke rol.
Het grootschalig cocaïnegebruik door vrouwen tijdens het interbellum lijkt, wanneer men naar de berichtgeving kijkt, niet echt naar Nederland te zijn overgeslagen. Aangezien dit onderzoek zich enkel op de pers, en daarbinnen maar een aantal kranten heeft gericht, blijft het de vraag of dat beeld gegrond was. Het feit dat er niet zo veel over geschreven werd zoals dit in Engeland gebeurde, wil niet per se zeggen dat drugsgebruik in Nederland niet voorkwam.
Nederland had tijdens het interbellum een belangrijke rol gekend op het gebied van de internationale drugspolitiek. Deze rol had twee kanten, aan de ene kant was Nederland gastland voor meerdere internationale conferenties met als doel het reduceren van drugs, maar aan de andere kant was Nederland een groot afzetter van verdovende middelen op de internationale markt. Het is goed om te bedenken dat dit wel degelijk van invloed kan zijn geweest op het Nederlandse drugsbeleid en op de Nederlandse berichtgeving over drugsgebruik in eigen land.
Over het algemeen keken de Nederlandse media met argusogen naar ontwikkelingen die zich in steden als Londen en Parijs voordeden, maar de angst leek vooral bij de zogenaamde ‘dansmanie’ of ‘danswoede’ te liggen. Zowel katholieke, calvinistische als socialistische bewegingen zetten zich in om deze onaangename ontwikkeling binnen het openbare zedelijke leven, die zich in de jaren twintig ook in Nederland voordeed, een halt toe te roepen. Zoals Madelon de Keizer stelde in haar boek Moderniteit, was Nederland vrij afkerig ten opzichte van nieuwigheden die een gevaar voor de Nederlandse samenleving konden vormen. Uitzonderingen zoals bepaalde artikelen in De Groene Amsterdammer daargelaten, kan gesteld worden dat er in vele kringen over het algemeen niet positief gedacht werd over de nieuwe moderne ontwikkelingen in ons land.
Er is een verband te ontwaren tussen de Eerste Wereldoorlog en het wilde uitgaansleven van flappers tijdens het interbellum. Britse vrouwen, die door de afwezigheid van mannelijke werknemers tijdens de Eerste Wereldoorlog werkten en hiermee ook geld verdienden, dat vervolgens aan nieuwe nachtelijke vrijheden uitgegeven kon worden, kunnen hierbij als voorbeeld genomen worden. In Nederland was deze ontwikkeling niet aanwezig, hier was het oude waardepatroon van de thuiswerkende vrouw nog niet zover losgelaten als in andere landen het geval was. Nadat echter de grootste schok van tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog voorbij was, leken ook Nederlandse vrouwen en de Nederlandse jeugd zich in de jaren twintig over te geven aan de nieuwe internationale mode.
Concluderend kan er gezegd worden dat in Nederland dezelfde ontwikkelingen zich voordeden, zij het een aantal jaren later dan in de landen die een beduidende rol hadden gespeeld in de Eerste Wereldoorlog. De schok die deze inmenging in de oorlog had veroorzaakt in deze landen, een reden wellicht om de verschrikkingen snel te doen vergeten door wilde excessen in het uitgaansleven, bleef in Nederland uit. Maar langzamerhand volgde het brave Nederland toch, zij het zonder het kennen van uitersten en extremen. Ook Nederland danste, ook in Nederland veroverde jazz het nachtleven, en ook in Nederland kwam de ontwikkeling van de moderne vrouw en de moderne jeugd steeds meer op gang. Ook Nederland kende haar eigen roaring twenties, zij het een min of meer gekuiste versie.

LITERATUURLIJST

Blom, Hans en Emiel Lamberts, De geschiedenis van de Nederlanden (Baarn 2006).

Braam, Connie, De handelsreiziger van de Nederlandsche cocaïnefabriek (Amsterdam 2009).

Bodek R., ‘The not-so golden twenties: Everyday life and Communist agitprop in Weimar-era Berlin’, Journal of Social History, 30:1 (1996) 55-78.

Elpers, Susanne, Zwischenkriegszeit: Frauenleben 1918-1939 (Berlijn 2004).

Guerassimoff, C., ‘The new Chinese migrants in France’, International Migration, 41:3, issue 1 (2003) 135-154.

Janssens, Anne J., Bewaker van zedelijkheid of ondaadkrachtige bemoeial? (Scriptie aan de Universiteit van Amsterdam 2009).

Keizer, Madelon de (red.), Moderniteit. Modernisme en massacultuur in Nederland 1914-1940 (Zutphen 2004).

Kohn, Marek, Dope Girls. The birth of the British drug underground (Londen 1992).

Kort, Marcel de, Tussen patiënt en delinquent (Hilversum 1995).

Linnebank, D.A., Moderne Amusementsproblemen (Nijmegen 1934).

Melmen, Billie, Women and the popular imagination in the Twenties. Flappers and Nymphs (Londen 1998).
Moore, Lucy, Anything goes. A biography of the Roaring Twenties (Londen 2009).

Musto, David F., The American Disease. Origins of narcotic control (Oxford 1973).

Nicholson, Virginia, Singled Out. How two million British women survived without men after the First World War (Oxford 2008).

Rooy, P. de (red.), Geschiedenis van Amsterdam 1900-2000. Tweestrijd van een hoofdstad (Amsterdam 2007).

Rooy, P. de, Republiek van rivaliteiten. Nederland sinds 1813 (Haarlem 2002).

Schuursma, Rolf, Vergeefs onzijdig. Nederlands neutraliteit 1919-1940 (Utrecht 2005).

Bronnen

De Amsterdamsche Dameskroniek (20 september 1924).
Het Centrum (6 november 1920 – 3 september 1928).
De Groene Amsterdammer (6 november 1920 – 29 december 1928).
De Leeuwarder Courant (4 december 1912 – 18 december 1926).
De NRC (14 maart 1928 – 30 juni 1928).
De Rotterdamsche Dameskroniek (Jubileumnummer 1915 – 1928).
The Times (16 december 1918).
Het Vaderland (19 augustus 1922 – 1 januari 1927).
Het Volk (3 december 1912).

About the author:

Back to Top