In de ban van Lenin: een studentenvakbond onder het communisme

In de ban van Lenin: een studentenvakbond onder het communisme

In de ban van Lenin: een studentenvakbond onder het communisme

Reacties uitgeschakeld voor In de ban van Lenin: een studentenvakbond onder het communisme
door Christiaan Brinkhuis

11 april 2015. In hartje Amsterdam ontruimt de Mobiele Eenheid het Maagdenhuis, het bestuursgebouw van de Universiteit van Amsterdam. ‘Bezet! Blokkeer! Dit beleid pik ik niet meer!’ scanderen actievoerders. Sinds de eerste bezetting in mei 1969 is er geen decennium voorbij gegaan zonder dat het roemruchte gebouw aan het Spui de onvrede van actievoerende studenten heeft moeten trotseren. In navolging van protesten in landen als Frankrijk en Duitsland gingen in 1969 ook in Nederland studenten de straat op. Net als in 2015 wilden zij een meer democratische universiteit en een flinke verbetering van de sociale en financiële positie van studenten.
Maar dit gebeurde niet overal. In Groningen was het in de jaren zestig rustig gebleven doordat het universiteitsbestuur inzag dat studenten een grotere stem in het bestuur van hun universiteit moesten hebben. Toch werden enkele jaren later duizenden Groningse studenten lid van een organisatie waar de geschriften van Karl Marx en Vladimir Lenin dagelijkse kost waren. De harde kern van deze organisatie, de Groninger Studentenbond (GSb), was kind aan huis op het kantoor van de Communistische Partij Nederland (CPN). Dissidente leden veranderden onder druk hun mening of zegden zelfs hun lidmaatschap op. Een massaorganisatie die streed voor de omverwerping van de kapitalistische maatschappij – hoe kon een dergelijke studentenorganisatie op zoveel aanhang rekenen? Waarom raakten zoveel Groningse studenten “in de ban van Lenin”?

De opmars van de studenten
Het aantal studenten in Nederland was in de decennia na de Tweede Wereldoorlog enorm toegenomen. Dat kwam niet alleen door de naoorlogse bevolkingsexplosie, de babyboom. De overheid zag ook steeds meer waarde in hoogopgeleide arbeidskrachten om de moderniserende economie draaiende te houden. Studeren was eeuwenlang een dure zaak geweest, slechts weggelegd voor de rijke bovenlaag van de bevolking. Daarom tuigde de politiek een studiefinancieringsstelsel op zodat vele tienduizenden scholieren uit de midden- en lagere klasse naar de universiteit konden gaan: 28.000 in 1950, 40.000 in 1960 en maar liefst 103.000 in 1970!
Er kwamen dus niet alleen veel meer studenten bij, ze sloten zich ook veel minder snel aan bij de studentencorpora. Bovendien vormde deze nieuwe generatie de basis van een voorganger van de GSb, de Studenten Vak Beweging (SVB), die in 1963 werd opgericht. Anders dan de doelstellingen van de corpora – zij waren een doel op zichzelf – wilde de SVB een verbetering van de materiële, sociale en financiële voorzieningen van studenten. Uit haar doelstelling bleek al dat de SVB een progressieve beweging was die de maatschappelijke positie van studenten wilde versterken.

Ton Regtien, de oprichter van de Studenten Vak Beweging. Regtien was psychologiestudent in Nijmegen in de jaren zestig. Historici zien hem als de aartsvader van de Nederlandse studentenbeweging. (Afbeelding: Wikimedia Commons.)

Het grootste deel van de SVB-leden volgde een studie waarbij maatschappelijke kwesties in de schijnwerpers stonden en die de maakbaarheid van de samenleving breeduit etaleerden. Het betrof in Groningen vooral de faculteiten Gedrags- en Maatschappijwetenschappen en Letteren. Onder sociologen, psychologen, historici en pedagogen gonsde het van de wereldverbeteraars. In de jaren zestig hadden Marx en zijn navolgers een sterke basis gekregen in de curricula van deze studies. Hun werken passeerden uitgebreid de revue. Het is niet zo heel vreemd dat het tot revolutie oproepende Communistisch Manifest met minstens zoveel passie werd gelezen als het taaie Het Kapitaal.

Den Haag schiet zichzelf in de voet
De kiem van het studentencommunisme was bewust of onbewust dus al gezaaid door de hoogleraren en docenten. Maar de CPN bleek nodig om te oogsten. Dit kwam in de eerste plaats doordat de CPN een goede reputatie had opgebouwd door het verzet in de Tweede Wereldoorlog. Dat leidde tot “romantisch ontzag voor het verzetsverleden” en werd zelfs tot “heroïek van het antifascisme” bestempeld. Zoals de communisten in de oorlog tegen de Duitse bezetter streden, zo hadden de studenten een eigen verzetsrol in gedachten. Ten tweede bewonderden de studenten de daadkracht van de CPN. Onder hen heerste het verlangen om deel uit te maken van een strijdbare arbeiderscultuur. Buiten werktijden gingen communisten de wijken in en trokken ze naar bedrijven om mensen te winnen voor het communistische ideaal van absolute gelijkheid.
Ten derde hadden veel studenten behoefte aan een alternatief theoretisch kader. Het bleven jonge mensen die zich graag wilden afzetten tegen autoriteit, of dat nou hun ouders of de universiteit betrof. De CPN verschafte dat kader. De partij belichaamde het radicale wereldbeeld dat de bestaande kapitalistische samenleving door middel van revolutie moest worden vervangen door een socialistische. Dat zou alle ongelijkheid en al het onrecht in de wereld oplossen. Tenslotte hadden de andere linkse, progressieve partijen – de PvdA, D66 en de PPR – met hun deelname aan het kabinet-Den Uyl in 1973 de studentenbeweging ‘verraden’. Tegen hun belofte in om de verhoging van het collegegeld van 200 naar 1000 gulden (!) terug te draaien, stemden die drie partijen in met een verhoging naar 500 gulden. De CPN bleef echter als trouwe bondgenoot aan de kant van de studenten staan.

Mauk de Brauw, onderwijsminister in het kabinet Biesheuvel (1971-1973), verdedigt in de Tweede Kamer het wetsvoorstel om het collegegeld van 200 naar 1000 gulden te verhogen. Deze maatregel leidde tot enorme protesten van studenten. Hun taaie verzet noodzaakte de opvolger van De Brauw, Jos van Kemenade, het collegegeld te verlagen naar 500 gulden. (Afbeelding: Wikimedia Commons.)

Die collegegeldverhoging greep de Groninger Studentenbond aan om op enorme schaal studenten tegen het onderwijsbeleid van het kabinet-Biesheuvel (1971-1973) te mobiliseren. De GSb was in de zomer van 1971 opgericht als reactie op het onvermogen van de Groninger Studentenraad (Gronstra). De Gronstra was aanvankelijk een overlegorgaan van allerlei studentenorganisaties. Onder druk van de SVB kreeg dit overlegorgaan in 1964 een parlementaire structuur, compleet met verkiezingen. De Gronstra ging als een Universiteitsraad avant la lettre in overleg met het universiteitsbestuur om de RUG te democratiseren. Dit universitaire poldermodel betrok studenten al vroeg bij de democratiseringsslag en noodzaakte hen dus veel minder om met veel bombarie hun eisen kracht bij te zetten zoals in Amsterdam gebeurde. Maar in het najaar van 1970 nam het parlement de Wet Universitaire Bestuurshervorming (WUB) aan. Door die wet belandden de verworvenheden van het Groningse experiment voor een groot deel in de prullenbak. De Gronstra had haar meerwaarde verloren en was in de ogen van veel studenten overbodig geworden. De paradox van het hele verhaal is dat de WUB de studentenrevolte tot bedaren moest brengen maar in Groningen juist voor meer onrust zorgde.

Gerard Veringa, onderwijsminister in het Kabinet De Jong (1967-1971) spreekt demonstrerende studenten toe. In 1970 voerde hij de Wet Universitaire Bestuurshervorming in. Deze wet gaf studenten vergaande inspraak in het bestuur van hun universiteit. (Afbeelding: Wikimedia Commons.)

Van studentenraad naar studentenvakbond
Het grootste probleem was dat de studenten, in Groningen althans, geen organisatie meer hadden die hun belangen kon behartigen: de Gronstra was immers in verval geraakt. Een nieuwe organisatie, de Groninger Studentenbond, moest deze belangenbehartiging op zich nemen. De aanwezigen bij het seminar waar de GSb het levenslicht zag, namen de organisatievorm van de Amsterdamse studentenvakbond ASVA (Algemene Studenten Vereniging Amsterdam) over. De ASVA had het op haar beurt afgekeken van de CPN. Die organisatievorm was het concept van de politieke vakbond. ‘Politiek’ betekende hier dat de belangenbehartiging van de GSb niet op zichzelf stond maar dat de bond moest samenwerken met andere bewegingen en organisaties. GSb’ers demonstreerden niet alleen gebroederlijk met leraren en scholieren maar ondersteunden ook stakende arbeiders – net als de CPN.
Het politieke vakbondsconcept ging uit van het democratisch centralisme. Vladimir Lenin, het brein achter de Russische Revolutie van 1917, had deze organisatiestructuur al in 1902 ontwikkeld in het pamflet Wat te doen?. Lenin zelf legde het democratisch centralisme uit als “vrijheid in discussie, eenheid in actie”. In de praktijk kwam het erop neer dat eenmaal genomen beslissingen bindend waren voor alle lagere eenheden van de partij. Zij moesten uitvoeren wat de partijtop wilde. Discussie was achteraf niet mogelijk en critici werd de mond gesnoerd. De GSb nam dus de organisatievorm over zoals die bij de communistische partijen te vinden was, in ieder geval de partijen die zich oriënteerden op de Sovjet-Unie.
Het bleef niet bij democratisch centralisme alleen. Er waren nog drie andere leidende principes die de fundamenten van de GSb vormden. Het eerste principe was de hiërarchie op basis van politieke ervarenheid. De bond bestond uit basis- of actiegroepen die elk een afgevaardigde naar de beleidsraad stuurde. De beleidsraad zette de grote lijnen uit en controleerde het dagelijks bestuur van de bond. De studenten die zitting hadden in de beleidsraad of het dagelijks bestuur zouden meer kennis hebben van en ervaring hebben in de belangenbehartiging dan de gewone leden. Het tweede principe, namelijk de scholing van de leden, maakte die kennis mogelijk. De werken van Marx, Lenin en latere theoretici werden bekend verondersteld en vormden vaak uren stof voor discussies. Maar die discussies mochten geen bedreiging vormen voor de officiële lijn van de GSb. Het derde principe tenslotte was dan ook het “absolute informatiemonopolie van het bondsbestuur”: het bestuur heeft altijd gelijk.

Vladimir Lenin was het brein achter de Russische Revolutie van 1917. Hij vormde een inspiratiebron voor de GSb. Zijn doctrine van het democratisch centralisme vormde de basis van de organisatiestructuur van de GSb. Het bestuur kreeg hiermee bijna absolute macht en dicteerde wat de rest van de vakbond moest doen. (Afbeelding: Wikimedia Commons.)

Een verlengstuk van de CPN?
Achter de schermen van de massale demonstraties, waar soms duizenden studenten aan deelnamen, heerste er een dogmatische sfeer die de GSb tot een Sovjet-Unie in het klein maakte. Het bestuur deed pogingen om het studentenblad Der Clercke Cronike over te nemen toen die té kritische artikelen over de GSb ging schrijven. Niet lang daarna ging dat blad ter ziele. De Nait Soez’n, het actiekrantje van de bond dat nog altijd verschijnt, zou bij tijd en wijle slachtoffer zijn geworden van censuur door het bestuur. GSb’ers intimideerden en bedreigden op de faculteiten studenten en soms ook docenten. De eerste voorzitter van de GSb, Thewis Wits, hield volgens de verhalen een boekje bij waarin hij de namen noteerde van dissidente, “onbetrouwbare” leden.
In de schaarse literatuur over de GSb hebben enkele historici gesuggereerd dat de studentenvakbond een mantelorganisatie van de CPN zou zijn geweest. Het is waar dat de harde kern voor een groot deel CPN-lid was en vaak over de vloer kwam op het partijkantoor. Beide organisaties werkten nauw met elkaar samen, maar de GSb was zeker niet ondergeschikt aan de CPN. De GSb-top legde vaak genoeg verzoeken en instructies van de communisten naast zich neer. Desalniettemin straalde deze vakbond voor studenten een communistische gloed uit. Het vertoonde de schijn van een met straffe hand geleide organisatie die de massa’s van de studenten in verzet moest laten komen tegen de boeman in Den Haag en in het Academiegebouw. Zij waren immers de revolutionaire voorhoede zoals Lenin zich had voorgesteld.
In de geest van Karl Marx’ Communistisch Manifest zou de GSb zichzelf vast en zeker als volgt hebben gepresenteerd: ‘Dat de heersende professoren sidderen voor de studentenrevolutie! De studenten hebben daarbij niets anders te verliezen dan hun ketenen. Zij hebben een universiteit te winnen. Studenten aller faculteiten, verenigt u!’

Christiaan Brinkhuis (1996) volgt de master History Today aan de Rijksuniversiteit Groningen. In 2017 rondde hij aan dezelfde universiteit de bachelor Geschiedenis af. Tijdens zijn studie was hij actief in diverse commissies en besturen. Zijn taken voor de Groninger Studentenbond (GSb) vormden de aanleiding voor het schrijven van zijn scriptie over de radicalisering binnen de studentenbond. Vanuit zijn passie voor onderwijs en geschiedenis geeft hij bijles in onder andere Geschiedenis. Bovendien maakt hij filmpjes om de eindexamenstof van Geschiedenis helder uit te leggen. Momenteel is hij lid van een adviesorgaan dat het College van Bestuur van de RUG adviseert over het beleid aangaande studentenorganisaties, waaronder bestuursbeurzen en subsidies.

DE SCRIPTIE WAAR DEZE LONGREAD OP GEBASEERD IS VERSCHIJNT HIER BINNENKORT. BEKIJK HIER ONDERTUSSEN ALLE SCRIPTIES VAN DE UITGEVERIJ.

WIL JIJ OOK JE SCRIPTIE PUBLICEREN EN EEN LONGREAD SCHRIJVEN? STUUR DAN NU JE STUK OP.

 

About the author:

Nieuwsbrief

Back to Top