Column: De veldkijker

Een paar jaar geleden kocht ik een oude verrekijker bij een dumpzaak. Volgens de verkoper was het een veldkijker uit de Tweede Wereldoorlog, van het Amerikaanse leger. In kleine letters stond ‘8×30 Field 75’ in het matzwarte metaal gegraveerd. Toegegeven waren het vooral het laagje stof en de krassen die mij overtuigden van de echtheid. Even stond ik stil bij de mogelijkheid dat de veldkijker die ik in mijn handen hield, gedragen was door een Amerikaanse frontsoldaat. Een gekke gedachte misschien. Toen ik buiten door de lens keek was het beeld troebel, maar door te draaien aan de glazen werd het beeld scherp. De horizon leek grauwer dan met het blote oog. Wellicht kwam het door de krasjes op de lens, of door het oude stof. Wat zou mijn denkbeeldige Amerikaanse soldaat door de veldkijker hebben gezien?

De persoonlijke ervaringen van soldaten leveren vaak even boeiende als gruwelijke verhalen op. Een aantal historici is door die verhalen geïnspireerd geraakt. Zij hebben geprobeerd om het verhaal van de vechtende soldaat zo goed mogelijk uit te leggen aan een breed lezerspubliek. John Keegans The face of battle en Richard Holmes’ Acts of War zijn voorbeelden van militair-historische literatuur over de actualities of war. Daarmee wordt bedoeld dat de effecten van zaken als vermoeidheid, angst en honger op het individu worden onderzocht. Het gaat in deze boeken dus vooral om de persoonlijke beleving van soldaten in een historische context. Het gaat om wat zij zagen en wat zij voelden. Bronnen die de auteurs hebben gebruikt zijn bijvoorbeeld brieven, dagboeken en foto’s. Commercieel zijn deze werken overigens erg succesvol. Waarom mensen geïnteresseerd zijn in gewelddadige gebeurtenissen kun je je afvragen, maar hoezeer daarvan geprofiteerd wordt staat vast. Kijk maar eens naar de miljoenen-business van videogames en actiefilms. Natuurlijk draaien historici hun hoofd om voor geweldsfascinatie. Maar zelfs aan serieuze militair-historische literatuur kun je een schuldig gevoel overhouden. Je wilt eigenlijk niet toestaan dat het gewelddadige element in deze boeken je zo makkelijk meesleept. Totdat je weer beseft dat de boeken niet geschreven zijn voor de sensatie van de lezer. De werkelijkheid van de oorlog is bloedig, en militair historici benadrukken dat gegeven heel terecht, ook al hebben de auteurs meestal zelf nooit gevochten.

veldkijker

Uiteraard is de persoonlijke observatie  van soldaten in de loop van de geschiedenis sterk veranderd. In de Middeleeuwen en Vroegmoderne Tijd waren belegeringen de reguliere vorm van oorlog. Eén van beide partijen zat verschanst in een fort. Gevechten waren relatief overzichtelijk. Als we door de veldkijker van Napoleon konden kijken, bij de Slag bij Waterloo in 1815, dan zagen we Franse soldaten in blauwe uniformen en Engelsen in rode jassen. Geen belegering maar een confrontatie in het open veld. In visueel opzicht een heel ander strijdtoneel. Rond 1900 verdwenen de opvallende kleuren. De Britse koloniale troepen waren de eersten die het kaki uniform introduceerden. Andere legers volgden, vaak met tegenzin, omdat het aanvankelijk nog als laf werd beschouwd om je te verbergen op het slagveld. Vooral de Fransen waren hardnekkig traditioneel. Zij bleven tot en met het begin van de Eerste Wereldoorlog vasthouden aan een blauwe overjas met rode pantalon en kepi. Zij vormden een opvallend doelwit. Pas na afschuwelijke verliezen zagen de Fransen in dat hun rood-blauwe uniformen in een museum thuishoorden. Het tijdperk van de schutkleuren was begonnen.

De waarneming van soldaten en de manier van vechten verschilt dus per tijdsvlak. Maar de emotionele beleving op een slagveld  –angst, paniek en gevoelloosheid– is een gegeven. Deze actualities of war zijn een continuïteit in de militaire geschiedenis. Hedendaagse soldaten met gevechtservaring zullen begrijpen hoe de soldaten bij Waterloo in 1815 zich gevoeld moeten hebben. Maar het blijft natuurlijk abstract. Hoe leg je die ‘militaire beleving’ uit aan burgers die nog nooit een wapen in handen hebben gehad? Militairen zijn geen schrijvers, op een enkele uitzondering na. Het blijft dus de taak van academici om aan de hand van bronnen en hun eigen voorstellingsvermogen een reconstructie te maken van het verleden. En zij doen dat zonder de damp van cordiet, zonder modder en zonder bloed. In het comfort van de studeerkamer verandert de totale chaos van het slagveld in een geordend verhaal, gezien door oog van de historicus.


tommyTommy Duurland (1986) studeerde Militaire Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Naast zijn werk als publieksbegeleider in het Joods Cultureel Kwartier is hij druk met het bewerken van zijn masterscriptie voor een publicatie in de tweejaarlijkse bundel De Grote Oorlog, kroniek 1914-1918 van Uitgeverij Aspekt. 

 

Leave a comment

Back to Top