Column: Haat en liefde bij historici

30 oktober 2013

Waarom historici de schijn van neutraliteit niet langer moeten ophouden.

Twee weken geleden was de uitreiking van mijn bachelordiploma kunstgeschiedenis. Elke scriptie werd kort toegelicht, zoals bij meer studies gebeurt, maar er viel me iets op: de enorme liefde van de docenten voor hun onderwerp. Zeg dat Michelangelo een genie is, Picasso briljant en dat je favoriete stijl het Duits Expressionisme is en niemand die ervan opkijkt. Dat begrijp ik ergens wel, maar ik vond het nu – net als eerder bij colleges – toch goed om te weten dat een docent op deze manier betrokken was bij zijn haar of onderwerp. Het maakte me extra waakzaam bij het palet aan lofuitingen dat daarna vaak volgde.

Hoe zit dat bij historici? Mijn eerste indruk dat vooral kunsthistorici zo met hun onderwerp omgaan is bij nader inzien niet waar. Ik verdenk bijvoorbeeld enkele van mijn medestudenten maritieme geschiedenis ervan dat ze zelf ook wel piraat willen zijn. Een docent, gespecialiseerd in de geschiedenis van het socialisme, lijkt soms graag zelf op de barricade te willen staan. Maar waar houdt het op met de onschuldige, romantische, bewondering, zonder dat er twijfels over het oordeel van de historicus gaan ontstaan? Bij Thorbecke, Churchill, Lenin? Om dit te kunnen beoordelen moeten ook historici hun persoonlijke betrokkenheid bij een onderwerp beter uitleggen.

Academische historici kiezen hun onderwerpen om redenen die betrekking hebben op de bestaande historiografie of het eerdere, onjuiste, oordeel van een collega. Daarnaast komt er misschien het maatschappelijke belang bij: het onderwerp zegt iets over onze cultuur en samenleving. Echter, op die manier kan alles wel verkocht kan worden. Is dit echt de oorspronkelijke reden waarom je nu net bij dit onderwerp of deze specialisatie terecht bent gekomen? De historicus heeft wel degelijk iets gemeen met zijn collega’s bij kunstgeschiedenis.

Ik doe nu bijvoorbeeld onderzoek naar Brits socialisme tijdens de Eerste Wereldoorlog en zag laatst de Russische propagandafilm Oktober (1928) over de bolsjewistische machtsovername. Het was een sterk geïdealiseerde verbeelding en de geschiedvervalsing was overduidelijk. Maar ik vond het mooi, hoopgevend zelfs. Ik begrijp dat de mensen die ik onderzoek na 1917 de hoop gingen koesteren dat het radicaal veranderen van een samenleving echt mogelijk was. Dat was volgens henzelf de reden achter hun handelen en ik denk dat dit, tot op zekere hoogte, ook echt zo was. Maar misschien wil ik wel dat het zo was, is dat willen ‘bewijzen’ een reden dat ik bij dit onderzoek terecht ben gekomen. Het is in ieder geval niet de enige reden, maar het risico bestaat wel dat ik uitspraken met deze strekking (‘Ik doe dit voor jullie, niet voor mezelf!’) eerder geloof dan wanneer ik het idee van loyaliteit aan een sociale revolutie belachelijk zou vinden.

Het is niet het enige voorbeeld dat ik kan bedenken. Hoe zit het bijvoorbeeld met de historicus die in het dagelijks leven monarchist is en het volk gelooft, als het zegt dat het alleen de koning is die hen kan binden? Of, waar Esther Ladiges hier vorige week over schreef: wat als je een nationale geschiedenis bestudeerd omdat het een ‘onschuldig bindmiddel’ kan zijn? Iets wat in haar ogen duidelijk iets positiefs is. Emotionele betrokkenheid heeft dus niet alleen invloed op de keuze van het onderwerp, maar kan dat ook hebben op de inhoud en conclusies van het onderzoek.

Ik lees weleens een boek waarin de auteur in de proloog zijn persoonlijke betrokkenheid bij een onderwerp toelicht. Dat zou ik graag verplicht stellen. Het gebeurt weinig omdat het misschien niet bij de academische omgangsvormen past, maar ik denk dat ik het vooral weinig zie omdat het de historicus in aanraking zou brengen met zijn eigen vooroordelen en emoties.

Dat geen mens volledig objectief kan zijn, weten we al lang. Maar historici houden vaak de schijn van neutraliteit op en weten het eigenlijke gebrek daaraan soms goed te verpakken in hun argumentatie. Het kan heel goed dat emotionele betrokkenheid geen invloed heeft op het oordeelsvermogen, dat is ook mijn eigen doel, maar dat wil ik graag zelf kunnen bepalen.

Arthur Westerhof (1989) is na het behalen van de bachelors geschiedenis en kunstgeschiedenis bezig met zijn scriptie voor de research master ‘Political Cultures and National Identities’ aan de Universiteit Leiden. Begin september schreef hij hier een column over de Maand van de Gesch… ehh, Gezelligheid.

Leave a comment

Back to Top