Daan van Leeuwen: Leven buiten de stadsmuur

Daan van Leeuwen: Leven buiten de stadsmuur

Reacties uitgeschakeld voor Daan van Leeuwen: Leven buiten de stadsmuur

Daan van Leeuwen

Samenvatting

Dit onderzoek gaat in op het functioneren van drie leprozerieën die in de periferie van de handels- en industriesteden Gouda, Leiden en Haarlem lagen. De basis van het onderzoek is bepaald door de vraag: Hoe functioneerden de drie leprozerieën in de late middeleeuwen ten aanzien van de organisatie van de leprozenzorg, de werkwijze, het beheer en de verplichtingen die gesteld werden door het stadsbestuur? Om de functies van leprozerieën in kaart te kunnen brengen, wordt de geschiedenis van lepra en de leprozerieën weergegeven. Deze geschiedenis is van belang om de betekenis van leprozerieën voor de samenleving in een breder perspectief te zien. Het onderzoek concentreert zich op het functioneren van leprooshuizen vanaf de veertiende eeuw, toen de stadsbesturen van Gouda, Leiden en Haarlem de gemeenschappen van leprozen onderbrachten in leprozerieën. De nadruk van dit stuk ligt op de ontwikkelingen binnen deze huizen en de interne en externe werkwijzen die gehanteerd werden.

Download de PDF

Daan van Leeuwen (pdf)

Lees met ISSUU

Volledige Tekst

INLEIDING

De Heer gaf Mozes en Aäron de volgende aanwijzingen: (…) Blijkt nu dat er op de kruin of van voren inderdaad een roodachtig wit gezwel is ontstaan dat eruit ziet als een huidziekte, dan is de man door die huidziekte aangetast. Hij is onrein, en vanwege de zieke plek op zijn hoofd moet de priester hem onmiddellijk onrein verklaren. Wanneer iemand aan een huidziekte lijdt, moet hij in gescheurde kleren rondlopen, zijn haar los laten hangen, zijn snor en baard bedekt houden en roepen: Onrein, onrein! Zolang de ziekte duurt, blijft hij onrein; in afzondering moet hij leven, buiten het kampterrein.

Deze passage heeft gedurende de middeleeuwen een grote invloed gehad op het dagelijkse bestaan van de leproos. Op grond van deze passage, Leviticus 13, werd de positie van de leproos in de samenleving bepaald. De leprozen werden na verdenking van besmetting buiten de stad gezet, geïsoleerd van familie en vrienden en moesten leven in afzondering. Voortaan vormden zij een gemeenschap van leprozen. De late middeleeuwen waren niet alleen een periode van urbanisatie met een bloeiende economie, maar ook de periode dat lepra grip kreeg op de Hollandse samenleving. De stadsbesturen moesten een oplossing bedenken voor de zorg van het toenemende aantal zieken. Vaak bouwden de stadsautoriteiten een huis buiten de stadsmuren om de leprozen op te vangen en de zorg te organiseren.
Dit comparatieve onderzoek gaat in op het functioneren van drie leprozerieën die in de periferie van de handels- en industriesteden Gouda, Leiden en Haarlem lagen. De basis van het onderzoek wordt bepaald door de vraag: Hoe functioneerden de drie leprozerieën in de late middeleeuwen (1350-1600) ten aanzien van de organisatie van de leprozenzorg, de werkwijze, het beheer en de verplichtingen die gesteld werden door het stadsbestuur? Om de functies van leprozerieën in kaart te kunnen brengen, is het van belang een geschiedenis te geven van lepra en de leprozerieën in de hoge en late middeleeuwen. De komst van lepra is te verklaren aan de hand van politieke en sociale ontwikkelingen die zich vanaf de elfde eeuw voordeden. Deze geschiedenis is van belang om de betekenis van leprozerieën voor de samenleving in een breder perspectief te zien. Het onderzoek concentreert zich op het functioneren van leprooshuizen vanaf de veertiende eeuw, toen de stadsbesturen van Gouda, Leiden en Haarlem de gemeenschappen van leprozen onderbrachten in leprozerieën. De nadruk van dit onderzoek zal liggen op de ontwikkelingen binnen deze huizen en de interne en externe werkwijzen die gehanteerd werden.
Om de drie leprozerieën te kunnen vergelijken is het van belang om eerst hun positie in de middeleeuwse maatschappij uiteen te zetten. Hiermee kunnen ontwikkelingen worden verklaard die invloed hebben gehad op het functioneren van de leprozerieën. Er wordt ook stil gestaan bij de wereldlijke en geestelijke verordeningen, die invloed hebben gehad op de handelswijzen van de stadsbesturen van Gouda, Leiden en Haarlem betreffende de leprooshuizen. Naast de context is er ook aandacht voor de leprozerieën op kleinere schaal en kijken we naar de leprooshuizen van Gouda, Leiden en Haarlem. Hierbij wordt het interne en externe functioneren bekeken. Bij het beschrijven van het interne functioneren wordt er gekeken naar de structuur binnen de muren van de leprozerie. Er wordt aandacht besteed aan de organisatie, werkwijze en zorg, maar ook aan het dagelijkse leven van de leprozen en het beheer van het leprozenhuis. Bij het beschrijven van het externe functioneren wordt er gekeken naar de relatie tussen de leprozerie en het stadsbestuur. Het is van belang om de bronnen van inkomsten te belichten, om een beeld te krijgen van de wijze waarop de zorg binnen het huis werd gefinancierd.
De behoefte om regionale diversiteit aan te stippen in dit comparatieve onderzoek komt voort uit het bestaande beeld over Nederlandse leprozerieën. In de omvangrijke literatuur, die spreekt over lepra in de dichtbevolkte gebieden van Holland, zien we een eenduidig beeld. Er wordt vooral aandacht besteed aan de ziekte en de consequenties die afzondering van de maatschappij met zich meebracht. Het onderwerp leent zich vooral voor verwijzingen naar medisch geschiedenisonderzoek dat door de eeuwen heen gedaan is. De historici lijken zich vooral te concentreren op de marginale positie van de leproos in de samenleving. Er wordt minder stil gestaan bij het functioneren van deze leprooshuizen, die een belangrijke plek innamen in het dagelijkse leven van de leprozen. In mijn uitwerking van de probleemstelling ga ik in op een institutionele invalshoek: de leprozenzorg, de werkwijze, het beheer en de reglementen die werden gehanteerd in de leprozerieën en de stad. Middeleeuws Holland lijkt voor de oppervlakkige beschouwer een homogene eenheid. Toch hebben de steden in Holland hun eigen rechten, plichten en verantwoordelijkheden, zeker wat betreft de omgang met een besmettelijke ziekte.

1
Lepra en Leprozerieën in Holland

Met de ziekte lepra (Mycobacterium Leprae) wordt een lichamelijke aandoening bedoeld die binnen de medische wereld de ziekte van Hansen wordt genoemd. De Noorse arts Armauer Hansen ontdekte in 1873 de bacterie die lepra veroorzaakt. De ziekte is besmettelijk, doordat de bacterie via niezen of hoesten kan worden overgedragen. De leprabacterie huist vooral in de ‘koelere’ delen van het lichaam, zoals de verschillende ledematen en in het gelaat. De bacterie tast de zenuwen vlak onder de huid aan, waardoor er gevoelloze rood-witte vlekken op de huid ontstaan. Doordat de lichaamsdelen gevoelloos worden, kunnen opgelopen wonden en infecties leiden tot verminkingen. De ziekte is daardoor zeer zichtbaar voor de omgeving.

De komst van lepra naar Holland

Vooral tussen 1100 en 1600 had de middeleeuwse Hollandse samenleving te maken met lepra. De ziekte kwam naar Holland door handelscontacten met het Midden-Oosten en de terugkomst van kruisvaarders. Door de kruistochten werd de ziekte al snel een pandemie. Vanwege de snelle besmettingsuitbraken en de urbanisatie verspreidde de ziekte zich ook naar andere, meer inlandse gebieden. De stedelijke autoriteiten moesten een oplossing bedenken voor het toenemende aantal leprozen en maakten vooral gebruik van de geestelijke en wereldlijke regels die reeds bestonden betreffende de isolatie van leprozen.
In de middeleeuwen was het gebruikelijk om de Bijbelboeken te raadplegen en deze letterlijk te interpreteren. In Leviticus 13 staat beschreven dat leprozen buiten de leefgemeenschap moesten worden geplaatst, om besmetting te voorkomen. Op het derde concilie van Lyon (585) werd het verbod op het vrij bewegen uitgevaardigd. Leprozen moesten zich eerst laten registreren, voordat zij zich onder andere burgers mochten begeven. Ieder bisdom moest een eigen plek hebben om de leprozenlijders af te zonderen; de bisschoppen moesten voor kleding en voedsel zorgen. Met deze regeling werd bepaald dat de zorg voor de leproos de verantwoordelijkheid zou worden van de clerici. De besluiten van de concilies hadden geen bindende kracht, maar konden aanleiding geven voor het uitvaardigen van een pauselijk decreet.
De eerste wereldlijke regeling met betrekking tot uitsluiting zien we terug in het Edict van Rothari (635), dat is afgeleid van de Bijbelse wet zoals beschreven in Leviticus. De regeling hield in dat de leprozen uit hun huis en stad werden verdreven, zodra zij door de rechter of door het volk besmet werden bevonden. Tot de dag van hun dood hadden de leprozen recht op eten. De isolatiewetten bepaalden de maatschappelijke positie van de leproos in de middeleeuwse samenleving.
De wetten zetten de stadsbesturen ertoe aan om de leprozen een eigen plaats te geven buiten de stadsmuren, maar nog wel in het rechtsgebied van de stad. Stadsbesturen bouwden een aantal eenvoudige huisjes waar de leprozen konden leven. De wijze van uitsluiting die de wereldlijke en geestelijke regels voorschreven, konden uit praktisch oogpunt niet worden nageleefd en de leprozen leefden daarom niet in een absoluut isolement. De leprozen bleven in contact staan met de gemeenschap om aalmoezen te kunnen vergaren. De isolering van de leprozen en ontwikkelingen binnen de leefgemeenschap zorgden voor een sociale kloof tussen de stadsbewoners en de leprozen. Deze afstand zorgde vervolgens voor groepsvorming en vervreemding. Dit had invloed op het beeld dat de stadsbewoners hadden van de ziekte, dat was gebaseerd op verwarring en misvattingen.
In de geschreven primaire bronnen blijkt dat er geen eenduidig beeld was van wat lepra nu precies inhield. Verschillende (huid)ziekten vielen onder één noemer: melaatsheid. Door het gebruik van pathologische kennis bij het analyseren van de historische bronnen, kunnen er bij sommige bronnen vraagtekens worden gezet of het daadwerkelijk om lepra ging. Dat er binnen de lepra nog verschillende soorten zijn, bemoeilijkt de vergelijking.
Doordat de ziekte zich zeer langzaam ontwikkelde, kon er een lange periode zitten tussen besmetting en zichtbaarheid. Dit zorgde ervoor dat de leproos de ziekte al had kunnen overdragen, voordat er maatregelen getroffen konden worden. De isolatie van leprozen heeft om deze reden niet veel kunnen bijdragen aan de verdwijning van de ziekte. De lepralijders zouden een ondragelijke lijkengeur voortbrengen die, volgens de toenmalige medische opvattingen, de medestadsbewoners zou vergiftigen. De anderen die deze geur in zouden ademen, zouden van binnen en buiten ziek worden. Hoewel de leproos geen schuld had aan de besmetting, meenden de geneeskundigen in de middeleeuwen dat lepra verband hield met losbandigheid of ontucht. Ze werden gezien als bannelingen zonder enige vorm van recht. De toegang tot de (stads-)kerken werd de leprozen ontzegd. De sacramenten werden voortaan in een kapel in de buurt afgenomen. Om deze reden moest er altijd een kapel of kerk aanwezig zijn bij de woonplaats van de leprozen.

Ontstaan van de leprozerieën in Holland

Vanaf de veertiende eeuw zien we in Holland de eerste leprozerieën ontstaan uit de gemeenschap van leprozen. Het is opmerkelijk dat er top het hoogtepunt van het aantal leprozen, in de tweede helft van de dertiende eeuw, nog geen pasklare oplossingen waren voor de opvang van de leprozen. Het onderbrengen van leprozen in een leprozerie liet in Holland nog ongeveer een eeuw op zich wachten. De meeste Hollandse leprozerieën stammen uit de tweede helft van de veertiende eeuw. De oorzaak van de late overgang naar georganiseerde leprozenopvang is vermoedelijk te verklaren door het urbanisatieproces van de Hollandse steden. Het stadsbestuur begon zich in deze eeuwen steeds meer verantwoordelijk te voelen voor minderheden binnen de stad en was nauw betrokken bij de bouw en de organisatie van de leprozerieën. Daarnaast veroorzaakte de bevolkingsgroei in de Hollandse steden een grotere kans op besmetting binnen de stadsmuren, waardoor uitsluiting meer maatschappelijk gewenst en aanvaard zou worden.
Het is interessant om de Hollandse steden met Vlaamse steden te vergelijken, omdat ze een soortgelijk proces hebben doorgemaakt. De Vlaamse steden ondergingen al in de twaalfde en dertiende eeuw een proces van verstedelijking. In deze periode zien we ook de eerste instituten van georganiseerde leprozenzorg ontstaan. Doordat de situatie in Vlaanderen vergelijkbaar is met de ontwikkeling in Holland van de veertiende en vijftiende eeuw, is het voorstelbaar dat het urbanisatieproces aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de leprozerieën.
Bij de bouw van een leprozerie werd een ziekenverblijf gebouwd met een aantal bijgebouwen, zoals we ook kunnen zien bij de leprozerieën van Haarlem, Gouda en Leiden. Naast de kapel was er altijd een grafkelder of begraafplaats aanwezig, ze mochten immers niet bij het ‘gewone’ volk begraven worden. De verblijven van de melaatsen waren afgescheiden van de eventueel aanwezige bakkerij, keuken, brouwerij, moestuin, stallen en boomgaard. Er was een gemeenschappelijke eetzaal of woonkamer waar het haardvuur brandde. De leprozen woonden ieder in een eigen huisje of in een van de bijgebouwen. Mannelijke en vrouwelijke leprozen werden vaak gescheiden, ook als ze gehuwd waren. Er werd niet alleen een onderkomen gebouwd voor de leprozen, maar ook voor het dienstpersoneel.
De leprozerie vormde een afgesloten entiteit met een eigen status binnen de samenleving. Het huis had door de verworven positie een geheel nieuwe relatie ontwikkeld met de stad. Het moest voor zichzelf zorgen, maar was desondanks afhankelijk van de stad. De leprozen zorgden, voor zover mogelijk, voor hun eigen onderhoud door arbeid op een eigen boerderij, door visvangst in hun toegewezen viswater of met turfsteken. De grootste inkomstenbron was het muntgeld dat men verkreeg door te bedelen buiten de muren van de leprozerie. De beheerders waren vaak aangewezen op schenkingen en het bezit dat leprozen meebrachten. Bij intreding moesten alle bezittingen van waarde worden overgedragen aan de beheerders van de leprozerie. Vaak kwam het erop neer dat leprozerieën financieel in moeilijkheden bleven, wat ten koste ging van de zorg en de voorzieningen.
Naast de functie van het beschermen van de burgers tegen de besmette medeburgers, had de leprozerie ook de functie van het beschermen van de leproos tegen de maatschappij. De positie die de leproos had gekregen bij het constateren van besmetting, zorgde voor een degradatie in de burgerbehandeling. Tegen daadwerkelijke vervolgingen kon zelfs de leprozerie de zieken niet beschermen. Overal in Europa zijn er voorbeelden te vinden van grootschalige klopjachten op leprozen, waardoor vele leprozerieën leeg kwamen te staan.
Vanaf 1530 werden in Haarlem de leprozen na het ‘schouwen’ geregistreerd. Hierdoor kon er een berekening gemaakt worden van het aantal leprozen. Historicus Ketting schat het aantal leprozen in de Noordelijke Nederlanden in 1564 op ongeveer 13.000, wat overeenkomt met ongeveer 1% van de bevolking. Deze raming is een algemene schatting, het aantal leprozen kon vanzelfsprekend per regio verschillen. Veel zekerheid over dit aantal kan er niet geboden worden, omdat leprozen pas in de late zestiende eeuw lokaal geregistreerd werden.
Het is moeilijk om te concluderen hoeveel Hollandse leprozenhuizen er precies gesticht zijn. Verschillende historici noemen uiteenlopende aantallen. Dit kan onder andere worden verklaard, doordat in een aantal gevallen de lepralijders inwoning namen in een klooster. Historici verschillen van mening of deze kloosters dan als leprozenhuizen moeten worden gezien. Bij het schatten van het aantal leprozenhuizen in Holland kan er gebruik worden gemaakt van hulpbronnen zoals die van de cartografen Jacob van Deventer en Blaeu. Zo heeft Jacob van Deventer tussen 1558 en 1575 een groot aantal steden en hun leprozenhuizen in kaart gebracht. Het aantal leprozerieën dat in Holland in de middeleeuwen heeft bestaan, kunnen we schatten op ongeveer twaalf.

2
Binnen de muren van de leprozerieën van Gouda, Leiden en Haarlem

Organisatie en beheer

Wie het functioneren van een leprozerie wil begrijpen, moet kijken naar de voorwaarden waaronder het huis gebouwd werd, op welke manier het werd beheerd en welke instellingen betrokken waren bij de organisatie. Bronnenonderzoek naar de bouwinitiatieven wijst uit dat de leprozerieën van Gouda, Leiden en Haarlem onder verschillende voorwaarden zijn ontstaan en georganiseerd, maar dat zij ook overeenkomsten kenden.
Uit de Goudse archiefbronnen omtrent de bouw blijkt dat het moeilijk is om in te schatten wanneer de gemeenschap van zieken werd ondergebracht in een leprozerie. Een aanknopingspunt voor het begin van de leprozerie is een Goudse stichtingsbrief. Aernd Pic Dyrcxz stelde in 1394 een huis met erf ter beschikking voor de opvang van de leprozen van Gouda. Alleen de Goudse leprozen (‘die beziect sijn mitter lazarijen’) werden aangesproken om inwoning te nemen in het beschikbaar gestelde huis. De bron bevestigt noch ontkracht de aanwezigheid van een gemeenschap leprozen buiten de stadsmuren. Er zijn geen primaire bronnen bekend, waaruit blijkt dat er voor de bouw van de leprozerie een kolonie van leprozen buiten de stadsmuren leefden. In 1423 dienden de zieken het erf te verlaten om te gaan wonen in een nieuw gebouw bij de Sint Jobskapel buiten de Potterspoort, langs de Kromme Gouwe.
Vanaf het moment dat de leprozerie van Gouda een duidelijke bestemming had gekregen, wees Aernd Pic Dyrcxz per direct het Heilige Geestcollege aan voor het beheer van de leprozen. Het college van de Heilige Geestmeesters was een instelling binnen de parochie van Gouda en speelde de hoofdrol binnen de armenzorg. Het college werd krachtig ondersteund door het Goudse stadsbestuur. De Heilige Geestmeesters verstrekten voedsel voor de gehele gemeenschap van wereldlijke en geestelijke armen in Gouda. Naast het uitdelen van voedsel zorgden zij ook voor hout en turf in de wintermaanden. Het college bood het leprooshuis vooral charitatieve en logistieke diensten aan. In 1408 werd het beheer van het college overgegeven aan leproosmeesters, die verantwoording verschuldigd waren aan het stadsbestuur.
De ordonnantie over het leprooshuis van 1408, waarin er voor het eerst sprake was van leproosmeesters, werd op verzoek van het Heilige Geestcollege vastgesteld. In Gouda werd vanaf 1484 een lijst bijgehouden van de regenten die namens het stadsbestuur als leprozenmeesters dienst deden als beheerders van de leprozerie. Het stadsbestuur nam tevens de verantwoordelijkheid om het onderhoud van het leprooshuis te bekostigen. De leprozenmeesters waren belast met het beheer, het onderhoud, de organisatie en de inkomsten van het huis.
De woonplaats van de Leidse leprozen is diverse keren van plaats veranderd. Nadat het aantal Leidse leprozen te groot werd voor de plaats aan de Rijndijk, werden in 1386 buiten de Wittepoort bij de Sint Anthoniuskapel nieuwe ziekenverblijven gebouwd. In tegenstelling tot Gouda en Haarlem lijkt er wel bewijs te zijn voor de aanwezigheid van een gemeenschap van leprozen vóór de bouw van de Leidse leprozerie. Historica Ligtenberg zegt daarover dat er in 1385 al leprozen aan de Rijndijk woonden. Ze verwijst hiervoor naar een verhuurbrief voor een deel van de Uiterdijk. Hieruit blijkt dat het niet om een eigenlijk leprooshuis gaat, maar dat de leprozen in huisjes of hutten samenwoonden.
Naar middeleeuws gebruik vormden de kapel en de ziekenzaal één ruimte. Daarnaast was er nog een keuken en een eetzaal waar de leprozen samen kwamen om te eten en zich te warmen aan het vuur. De leprozenwoningen stonden daar omheen. Nadat de bouw werd voltooid werd het huis ingericht door de schepen Willem Foytkijn en ontving het diverse privileges van het stadbestuur.
De oprichting van Leidse zieken- en armenhuizen, zoals het leprozenhuis, was in de eerste plaats een initiatief van rijke burgers, die op medewerking van het Leidse stadsbestuur konden rekenen. Hoewel de bouw van de leprozerie een particulier initiatief was, bleef het stadsbestuur nauw betrokken bij het leprozenhuis. De stedelijke autoriteiten doneerden geld voor de bouw en het onderhoud van het complex.
Het stadsbestuur van Leiden stelde eveneens twee leprozenmeesters aan als schakel tussen de inwoners van het ‘ziekenhuis’ en het stadsbestuur, zoals we dat ook zagen in Gouda. Jaarlijks werden dezen door het gerecht aangewezen. Later werden er zelfs drie of vier meesters aangesteld. De meesters legden verantwoording af aan de stedelijke overheid, maar van de rekeningen is niets bewaard gebleven. De leprozenmeesters namen een ‘sluiter’ (portier) en een ‘lavengierster’ (zorgmoeder) aan om de huishoudelijke taken uit te voeren. Uit de reglementen blijkt dat het dienstpersoneel medeverantwoordelijk werd gehouden voor de controle op het naleven van de regels. Bij overtredingen van de reglementen door een inwoner van de leprozerie, kon het dienstpersoneel gebruik maken van het stedelijk gerecht. In dit opzicht was het Leidse gerecht verbonden met de interne reglementen van de leprozerie, aangezien deze wetten werden opgesteld door het stadsbestuur.
In de Haarlemse archiefbronnen werd de Sint Jacobskapel in 1319 al genoemd. Deze diende voornamelijk als stopplaats voor de voorbijtrekkende pelgrims. Haarlem ligt op één van de routes naar Santiago de Compostella, waar de apostel Jacobus begraven ligt. Het lag bovendien op de noordzuidroute door Holland. De kapel was het enige stenen gebouw en vormde het middelpunt van de gemeenschap van leprozen. Gerrit Haren (Heeren) Arnouts Sone van Egmunde schonk een bedrag om een onderkomen te realiseren voor de gemeenschap van leprozen bij de kapel. Vanaf de tweede helft van de veertiende eeuw werden er rond de kapel kleine houten huizen gebouwd en akkers aangelegd. De leprozerie zal waarschijnlijk na 1350 gebouwd zijn. In 1393 werd er voor het eerst in de bronnen gesproken van een leprozerie, nadat het gebouw verbouwd was. Er moet wel opgemerkt worden dat in de primaire bronnen niet expliciet over een kolonie van leprozen wordt gesproken. Er zijn geen bronnen beschikbaar die het bestaan van een gemeenschap leprozen voor 1393 kan bevestigen. Hollandse leprozen werden niet in gasthuizen opgevangen vanwege het besmettingsgevaar dat de ziekte met zich meebracht. Daarom is het zeer onwaarschijnlijk dat de leprozen voor de fundatie van het Haarlemse leprozenhuis in het Sint Elisabethgasthuis werden opgevangen.
Voor het opzetten van de Haarlemse leprozerie golden andere omstandigheden dan voor de bouw van de leprozerieën te Gouda en Leiden. Als gevolg van de groei van de gemeenschap van leprozen besloot het Sint Elisabethgasthuis, en niet het stadsbestuur, tot de bouw van een leprozerie. Het stadsbestuur had geen vermelding gemaakt van een nieuwe fundatie, maar bevestigde de bouw van het leprooshuis als onderdeel van het gasthuis. Over de vraag of de leprozerie als dependance van het gasthuis functioneerde, zijn de historici het oneens. Er zijn geen bronnen die bevestigen dat het een onderdeel was van het Haarlemse gasthuis. In de ordonnantie van 1393 is wel te lezen dat het om een instelling met een eigen bestuur ging.
De bouw van een nieuw onderkomen was opmerkelijk, omdat er al een liefdadigheidsinstelling bestond voor leprozen. In Haarlem bevonden zich huizen van de Orde der Lazarieten, die in 1141 in Jeruzalem waren ontstaan en die zich wijdden aan de verpleging van leprozen. De orde had een klooster aan de buitenste gracht bij Den Hout. Het klooster is echter nooit tot bloei gekomen. De orde werd in Haarlem in 1311 door de orde van de Johannieten overgenomen of afgeschaft. Hier zijn historici het overigens niet over eens. Het heeft als ‘zorghuis’ voor leprozen nooit veel waarde gehad, ondanks het grote aantal leprozen in de stad. De reden daarvoor is echter onbekend.
Het omringende terrein van de nieuwe leprozerie werd grotendeels ingenomen door de stadsboomkwekerij, waardoor het in relatief isolement lag. De weg die tussen de bomen door naar de kapel en ziekenverblijf leidde, werd ‘Het Zieken’ genoemd, vernoemd naar de inwoners van de leprozerie.
Het beheer kwam in handen van regenten en zorgmoeders, op een manier die vergelijkbaar is met Leiden en later ook met Gouda. Dit onderdeel van het stadsbestuur vormde een apart college. De regenten, ook wel de leprozenmeesters genoemd, hadden dezelfde taken als de meesters van de leprozerieën van Gouda en Leiden. Ze waren altijd verantwoording verschuldigd aan het stadsbestuur en waren belast met het beheer van de leprozerie en het aansturen van het dienstpersoneel. Het stadsbestuur nam ook verantwoordelijkheid voor het financiële beleid van de leprozerie. Door contracten af te sluiten reguleerden de regenten een aantal inkomstenbronnen. Tot 1541 moesten de leprozenmeesters de administratie en de distributie van gelden naar de zieken bijhouden. Na dit jaar werd het overgenomen door de administrateurs van de stad.
Vanaf 1413 werd er een nieuw onderdeel van het complex geopend. Het ‘loopershuis’ (passantenvertrek) diende als ‘schouw’, waar leprozen uit Holland, Zeeland en Friesland naartoe trokken om zich te laten keuren. Voor 1413 bleef dit voorbehouden aan leprozen uit de omgeving van Haarlem. In 1413 gaf graaf Willem VI middels een ordening Haarlem het monopolie op lepraonderzoek. Dit bleef vrijblijvend tot het jaar 1586, toen prins Maurits van Oranje een ‘ordre op ’t schouwen en bedelen der leprosen’ uitvaardigde om alle vermeende zieken te laten schouwen in de kapel buiten de stadsmuren van Haarlem. Dit moest eenheid brengen in de verscheidenheid van stedelijke ordeningen omtrent de leprozenzorg. Dit verzoek werd niet alleen door de prins van Holland uitgesproken, maar ook door de schout en de schepenen van Haarlem. Volgens het centralisatiebeleid van de prins moesten alle stadsbesturen gebruik maken van de Haarlemse leprozerie om hun zieken te laten diagnosticeren op lepra. Zodra de leproos positief werd gediagnosticeerd verkreeg hij een ‘vuylbrief’, waarmee hij kon aankloppen bij de leprozerie in zijn stad van herkomst. De leproos zou met deze brief ook het bedelrecht verkrijgen. Na vier jaar moest de zieke opnieuw gekeurd worden en werd er een ‘schoonbrief’ of wederom een ‘vuylbrief’ uitgegeven.

Conclusie

Aan het einde van de veertiende eeuw werden gelijke initiatieven genomen voor de bouw van de drie leprooshuizen in Gouda, Leiden en Haarlem, door particulieren die konden rekenen op steun van de stedelijke autoriteiten. Alle drie ontstonden ze onder verschillende omstandigheden. In Gouda herkennen we een particuliere bouw van een ziekenverblijf, dat werd ondersteund door het Heilige Geestcollege en later door de Goudse stedelijke autoriteiten. De Leidse leprozerie verschilde hiervan, omdat het gekarakteriseerd moet worden als een complex, een lazarusterrein met verschillende kleine gebouwen. Bij Haarlem is het moeilijk in te schatten onder welke omstandigheden de leprozerie gebouwd werd. Er is geen stichtingsbrief en het stadsbestuur heeft alleen het bestaan geconformeerd als een onderdeel van het Sint Elisabethgasthuis. Het was wel een instelling met een eigen beheer.
In vele aspecten van het beheer komen de leprozerieën in organisatie overeen. Er zijn meerdere instellingen betrokken bij de organisatie van de huisvesting en zorg van de leprozen. Het beheer en de organisatie vielen onder de verantwoordelijkheid van de leprozenmeesters, die namens het stadsbestuur de dienst uitmaakten in het huis. Zij waren voornamelijk betrokken bij het handhaven van de orde, het reguleren van de inkomsten en het aansturen van het dienstpersoneel. Het dienstpersoneel was verantwoordelijk voor de zorg, het bereiden van het eten en de controle op de wetten. Vanwege het installeren van de ‘schouw’ in 1413 kreeg de leprozerie van Haarlem er meerdere taken bij. De ‘schouw’ was een regionaal keurstation voor leprozen. Stadsbesturen konden hun inwoners naar de leprozerie buiten de stadsmuren van Haarlem sturen, als zij deze zieken wilden laten diagnosticeren op de mogelijke aanwezigheid van lepra.
Geestelijk leven

Een groot deel van het dagelijks leven van de leproos stond in het teken van God, godsdienstige rituelen en verplichtingen, zoals in de middeleeuwen gebruikelijk was. In de reglementen die golden binnen de muren waren er dan ook diverse wetten opgenomen die te maken hadden met religieuze verplichtingen. Dit blijkt uit de reglementen en rechtsbronnen die uitgevaardigd werden door het stadsbestuur. Het is aannemelijk deze verplichte devotie te ontlenen aan de middeleeuwse kijk op leprozen. Zij werden immers beschouwd als zondaars, die als boetedoening met lepra gestraft werden.
Het Goudse stadsbestuur oefende een soort van oppervoogdij uit over alle godshuizen binnen de stad, waartoe ook het Goudse leprozenhuis werd gerekend, ondanks dat het huis geen geestelijke instelling was. De leprozenmeesters, het dienstpersoneel en de zieken waren allen leken. Alleen binnen de kapel werkten geestelijken.
In de reglementen, opgesteld door het Goudse stadsbestuur in 1408 en 1604, werd er met regelmaat verwezen naar de religieuze aspecten van het dagelijkse leven binnen de leprozerie. Zo moesten de leprozen driemaal per dag het Ave Maria opzeggen en elke week deelnemen aan de mis. Onder de strenge huisorde viel ook seksuele onthouding van de leprozen. Het stadsbestuur zette op het ontlopen van godsdienstverplichtingen een straf, die kon variëren van geen avondeten als er geen gebed werd gedaan tot opsluiting in een strafhuisje bij godslastering. De schepenen controleerden niet zelf of de leprozen de regels naleefden, dit deden de leproosmeesters, de portier en de zorgmoeders. Zij konden rekenen op steun van het Goudse gerecht als een leproos de huisregels bleef overtreden.
In 1441 stelde het Leidse stadsbestuur reglementen op voor het leprooshuis die, net als de Goudse reglementen, religieuze wetten bevatten. Net als de leprozerie van Gouda, had ook Leiden een avondklok. Bij het luiden moesten alle bewoners van het huis knielen en driemaal het Ave Maria opzeggen en bidden voor allen die het huis aalmoezen geschonken hadden. Met Pasen, Pinksteren en op kerstavond mochten de zieken die mobiel genoeg waren naar de priester in de stad, om het heilige sacrament te ontvangen en daarnaast kregen zij de mogelijkheid om te biechten.
Het stadsbestuur verleende de leprozerie vanaf het begin af aan het recht op eigen missen in de kapel. Het leprooshuis was geen onderdeel van de Leidse parochies en de kapel van Sint Anthonis werd nooit gewijd. Het belangrijkste deel van het religieuze leven van de zieken bestond uit het bijwonen van de missen, het opzeggen van de gebeden en het danken voor de donaties. De leprozenmeesters konden een kapelaan aannemen voor de gebeden en sacramenten voor de leprozen die niet meer mobiel waren. Als de leproos wilde biechten kon hij een beroep doen op de priester van de Onze Lieve Vrouwe Kerk te Leiden; deze werd dan bij uitzondering toegelaten tot het verblijf. Tegen betaling kon de priester ook missen voor de patroonheilige opdragen.
In Haarlem zijn de bronnen omtrent de religieuze aspecten van het dagelijkse leven beperkt, zeker wat betreft de vijftiende eeuw. Het ontbreekt in de bronnen dan ook aan reglementen of leprozenwetten waaruit kan blijken wat de rol van de godsdienstrituelen binnen het dagelijkse leven van de leproos was. Wel is bekend dat in 1494 met de pastoor van de parochiekerk een contract werd afgesloten, waarin stond beschreven dat de pastoor de wijze van de godsdienstrituelen in de leprozerie zou gaan regelen.

Conclusie

Nadat de leproos zich het recht op zorg binnen de leprozerie had verworven, moest hij zich houden aan strenge regels. Er heerste een strenge discipline en er werd van leprozen verwacht dat zij zoveel mogelijk deelnamen aan de kloosterlijke leefwijze, de missen en gebeden binnen het huis. De leden van het huis hadden alleen gemeenschappelijke bezittingen. Zij deelden een tafel, slaapzaal en alle inkomsten, naar de wijze van kloosterlingen. Zij leefden echter zonder het aanvaarden van een erkende regel, wat bij kloosters wel gebruikelijk was. Ook buitenstaanders in Holland en ver daarbuiten beschouwden de leprozerieën als (of onderdeel van) een klooster.
Het dagelijkse religieuze leven van de leprozen in de drie leprooshuizen verschilde volgens de bronnen niet veel. In de reglementen waren er wetten opgenomen die het religieuze leven van de inwoners bepaalden. Er heerste een strenge discipline die vaak werd vergeleken met een kloosterlijke levenswijze.

Het leven in de leprozerie

Als we de bronnen over het dagelijkse leven van de leprozen vergelijken, valt op dat er bijna niet werd gerefereerd aan de zorg voor de zieken. De woorden ‘verplegen’, ’zorg’ en ‘ziekenhuis’ moeten in een ander daglicht worden gezien in de middeleeuwen. Het verplegen in moderne ziekenhuizen kan niet los worden gezien van de geneeskunde, terwijl dat in de middeleeuwen wel het geval was. Er moet duidelijk onderstreept worden dat de zorg zo was ingericht dat de leproos alleen verpleegd werd, omdat de ziekte, volgens de middeleeuwse visie, als ongeneselijk werd gezien. De behandeling in de Goudse, Leidse en Haarlemse leprozerie bestond uit het verzorgen van wonden, het schoonhouden van het lichaam en het brengen van voedsel en drank. Niet alle leprozen waren overigens bedlegerig, de dagelijkse zorg bij mobiele leprozen bestond uit het verbinden van de zweren en wonden.
Een verblijf in de leprozerie betekende een bed, een maaltijd en een haard om aan te warmen. Er staat beschreven waaraan de leproos zich moest houden, wilde hij recht hebben op deze basisbehoeften. Een voorwaarde was bijvoorbeeld het dragen van een lijfbrief, waarin stond beschreven wat zijn rechten en plichten waren.
Wat betreft de rechten van de leproos valt er bij de bestudering van de bronnen nog iets op. De rechtsbronnen van de steden geven aan dat er absoluut geen vreemde leprozen welkom waren binnen de stad. De zieken konden daarmee ook geen beroep doen op zorg en langdurig onderdak in de leprozerie. De stad zorgde wel voor de leprozen binnen de stadsgrenzen. Dit zegt veel over de waardering van de stedelijke gemeenschap en is veelzeggend over de benadering van de zorg voor leprozen en de motieven daarvoor.
Vreemde leprozen mochten alleen als passant gebruik maken van de leprozerie. Het verblijf bleef dan beperkt tot enkele nachten. In de Goudse en Leidse leprozerie mochten leprozen één à twee nachten blijven. In Gouda hadden ze de regel dat niemand in het leprozenhuis mocht worden ontvangen als hij geen loden teken had van de leprozenmeesters. Deze meldingsplicht gold voor iedere leproos, zowel voor vreemde als voor Goudse zieken. Het stadsbestuur behield daarmee de controle op het toelatingsbeleid aan de deur van de leprozerie. In Haarlem golden andere wetten, omdat vreemde leprozen regelmatig de stad bezochten in verband met de ‘leprozenschouw’. In de rechtsbronnen en wetten omtrent het verblijf van vreemde leprozen in Haarlem staat beschreven dat vreemde leprozen alleen toegang hadden tot het ‘loopershuis’ (passantenvertrek), waar de schouw was gevestigd. Hier werden vreemde leprozen gedefinieerd als zieken die niet binnen West-Friesland, Zeeland of Holland geboren waren. De burgemeesters bepaalden dat, zodra leprozen besmet waren bevonden en een ‘vuylbrief’ hadden ontvangen, zij per direct moesten terugreizen naar de stad van herkomst om daar inwoning te nemen in de leprozerie. Haarlem werd vanaf het installeren van de ‘schouw’ gezien als regionaal keuringsstation en middelpunt van de leprozenzorg van de drie westelijke gewesten. In een memorie van circa 1540 werd beschreven hoe de regenten moesten omgaan met vreemde leprozen en welke straffen er stonden op overtredingen door deze ‘gasten’. Haarlemse rechtsbronnen uit de zestiende eeuw bewijzen dat er pogingen werden gedaan om een groter verschil te maken tussen (vreemde) leprozen en de stedelingen. Een voorbeeld hiervan is het registratiesysteem waarmee werd bijgehouden wie er gekeurd was en het recht had om te bedelen. Of het motief nou bij de wil om de zorg te verbeteren lag, of bij de waarborging van stedelijke rust en hygiëne, werd niet beschreven. Dit punt is zeer actueel in de hedendaagse discussie in de geschiedschrijving over zorg in de middeleeuwen.
Omdat vele armen en zieken graag wilden intreden was er een streng toelatingsbeleid. Als een leproos aanspraak wilde maken op zorg in het Goudse leprozenhuis, moest hij zich melden bij het stadsbestuur. De leproos moest een lood met daarop het stadsteken meenemen, zodat hij als Goudse stedeling toegang kon krijgen tot het leprooshuis. Voordat de regeling van de ‘schouw’ bestond, stelde een delegatie van de stedelijke autoriteiten een diagnose. Na de komst van de ‘schouw’ en tot de uitvaardiging van de orde van prins Maurits in 1586, besloot het stadsbestuur of de leproos naar Haarlem werd gestuurd om onderzocht te worden. Het stadsbestuur betaalde voor de kosten van de reis en van de ‘schouw’.
De inwoners moesten zelf hun inkomsten genereren en de meeste mobiele leprozen verwierven dat door middel van bedelarij op de leprozenbegraafplaats, die aan de weg richting de stadsmuren lag. Eén van de zieken mocht voor de kapel staan om bezoekers en voorbijgangers om een aalmoes te vragen. De leprozen waren bovendien verplicht om deel te nemen aan het huishouden en om agrarische werkzaamheden te verrichten. Ze onderhielden kleine akkerlanden of deden aan veeteelt en visserij.
Dagelijks kregen de leprozen, na het doen van hun dagtaak, twee pinten bier van het Sint Catherina Gasthuis. Het Goudse gasthuis verkocht het bier aan het leprooshuis zonder accijnzen te heffen. Er werden simpele maaltijden gegeten aan een lange tafel bij het haardvuur, waarbij alle leprozen aanwezig moesten zijn. Als de avondklok sloeg, moesten de leprozen hun gebeden doen en zich verplaatsen naar hun bed.
In Gouda en Haarlem was er een wet, opgesteld door de stedelijke autoriteiten, die bepaalde dat de leproos verplicht was zich te melden als er sprake was van besmetting. Een keur die bepaalde dat alle leprozen zich moesten laten opnemen in de leprozerie, heeft in Leiden nooit bestaan. De leprozen konden niet gedwongen worden in het leprooshuis te gaan wonen. Een aantal rijke leprozen had er daarom voor gekozen om geen inwoning te nemen in het huis. De leprozenmeesters bepaalden in de laatste plaats of de nieuwe leprozen mochten intreden. De Leidse leprozen gingen geregeld naar Haarlem om zich te laten onderzoeken, waarbij de heelmeesters van het Sint Katrijnengasthuis reisgeld meegaven. Het kwam ook voor dat men op kosten van het gasthuis de schouwers liet overkomen om een groter aantal besmette stedelingen te laten onderzoeken.
Het dagelijkse leven in Leiden kunnen we vergelijken met het dagelijkse leven in Gouda en bestond voornamelijk uit activiteiten om het leprozenhuis draaiende te houden. De leprozen hadden dezelfde rechten als de Goudse zieken, maar hadden daarnaast ook het recht om opmerkingen te maken over het voedsel dat ze kregen. Een groot verschil met de leprozerie van Gouda en Haarlem is dat Leiden al snel werd gezien als een regionale leprozenopvang in plaats van een stadsleprozerie. Het Leidse archief heeft nog diverse contracten van leprozen uit diverse dorpen uit Rijnland. De Leidse leprozerie ontving tevens giften uit verschillende kerken uit Rijnland.
Net als de Goudse leprozen moesten Haarlemse leprozen zich melden bij het Haarlemse stadsbestuur. Omdat intreding verplicht was, kende de Haarlemse leprozerie twee groepen bewoners: een groep gegoede leprozen en de overige leprozen. De eerste groep kon het zich permitteren om in de kamers van het complex te wonen en had de beschikking over een eigen dienstbode. De tweede groep leprozen at, sliep en werkte in de leprozenzaal, die in 1463 werd gebouwd.
Het dagelijkse leven in de leprozerie van Haarlem verschilde niet veel van dat van de leprozen van Gouda en Leiden. De arme leprozen moesten vaak bedelen aan de wegen die naar de stad leidden. Als een leproos te ziek of immobiel was om te bedelen, deelden ze toch in de ontvangsten die de overige leprozen hadden opgehaald. Naast het bedelen werd er ook gewerkt op de landerijen rondom het erf. De producten konden worden verkocht op de Haarlemse markten door derden. Vanzelfsprekend hoefden de gegoede leprozen niet te bedelen of te werken op de landerijen.
In het leprozenvertrek was één haardvuur waar de leprozen omheen konden zitten. Wijn en goed voedsel bleven voorbehouden aan de gegoede leprozen die in hun eigen kamers hun etenswaren mochten eten. De sociale status was, net als buiten de muren van de leprozerie, een belangrijk aspect in het dagelijkse leven van de leprozen.

Conclusie

Het intreden van leprozen werd verschillend geregeld in de leprozerieën van Gouda, Leiden en Haarlem. In Gouda moest elke leproos die wilde intreden aantonen dat hij een Goudse stedeling was door een loden teken met zich mee te brengen. Dit bevorderde de controle op de zieken en werd preventief gebruikt om vreemde leprozen uit het leprooshuis te weren. In Leiden was het niet verplicht voor de leprozen om toe te treden tot de leprozerie, waardoor er alleen arme leprozen toetraden. In de Haarlemse leprozerie namen wel rijke leprozen inwoning, maar deze hadden niet hetzelfde leven als de arme zieken.
De arme zieken vulden hun dagen met bedelen om de zorg en het onderdak te kunnen betalen. Deze gewoonte deelden de leprozen van alle drie de leprozerieën. Rond de leprozerieën lagen akkerlanden waarop de leprozen producten konden verbouwen voor eigen onderhoud of om voor een klein bedrag te verkopen op de stedelijke markt. De arme leprozen uit de drie leprozerieën kenden ook een aantal rechten die ze gekregen hadden bij intreding. Het recht op een bed, maaltijd en warm haardvuur hoorden tot de basisbehoeften van de zieken. In Leiden kenden ze bovendien het recht om opmerkingen te maken over het voedsel dat ze kregen.

3
Buiten de muren van de leprozerieën van Gouda, Leiden en Haarlem.

Invloed van het stadbestuur

In de veertiende en vijftiende eeuw werden er in Holland, door het proces van staatsvorming en de daarmee gepaard gaande toename van bestuurlijke bemoeienis, verschillende (zorg)instellingen in het leven geroepen om verschillende bevolkingsgroepen op te vangen. Op deze wijze hielden de stedelijke autoriteiten de greep op armen en zieken die in de marges van de samenleving verkeerden. Het onderbrengen van leprozen in een leprozerie onder beheer van het stedelijk bestuur is daarvan een praktisch voorbeeld. De invloed van het stadsbestuur bleef niet beperkt tot het opstellen van de reglementen binnen de leprozerie en het aanstellen van leproosmeesters voor het beheer van het huis. Het bestuur gaf ook richtlijnen voor de leproos en leprozerie buiten de muren van het huis.
De Goudse leproos kon niet onbeperkt bedelen aan de wegen die naar de stadspoorten leidden. Het stadsbestuur vaardigde in de vijftiende eeuw meerdere keuren uit om het bedelgedrag van leprozen aan banden te leggen. De reden van de uitvaardiging van de keuren was de zorg om de toestroom van vreemde leprozen. Uit een keurboek van 1411 blijkt dat leprozen alleen mochten bedelen als ze een leprozenklepper met zich meebrachten. De klepper bestond uit drie plankjes die bij het op en neer bewegen op elkaar sloegen. Het inperken van het bedelgedrag hield in dat er plaatsen en tijden werden aangewezen voor de leprozen om te kunnen bedelen. De leprozen mochten op de jaarlijkse ‘ommegangh op coppermaandag’, veertig dagen voor Pasen, binnen de stadsmuren collecteren. Ze waren welkom op kermissen en liepen mee in de processie van de stadspatroon. Ze hielden dan een bedeloptocht met trommelslag om zoveel mogelijk medelijden te wekken bij de Goudse burgers. Aan het einde van de tocht aten de leprozen een warme maaltijd in het Sint Elisabethgasthuis. Vreemde leprozen werden op de Goudse kermis geweerd, zodat de plaatselijke leprozen de kans kregen om meer op te halen; dit werd besloten in het reglement van 1470.
Naast het aan banden leggen van het bedelgedrag, probeerde het Goudse stadsbestuur de pseudo-leprozen zo veel mogelijk te weren. Pseudo-leprozen waren arme bedelaars die zelf een ‘vuylbrief’ vervaardigen of deze overnamen van overleden zieken. Ook trokken uitgetreden monniken of zwervers door de landen, die een ‘vlieger’ (een soort mantel) droegen als leproos te bedelen. Als antwoord op dit misbruik trof het stadsbestuur harde maatregelen en straffen.
Leprozen werden gezien als een aparte groep binnen het rechtsgebied van de stad. Om ze binnen de stadsmuren te weren werd het ook verboden om leprozen bier te verkopen, aldus een Goudse keur op de bierverkoop aan leprozen. Opvallend is dat het alleen gold voor leprozen en niet voor andere minderheden binnen het Goudse rechtsgebied, zoals zigeuners, zwervers en joden. Degene die het wel verkocht aan de zieken riskeerde een hoge boete.
De leproos werd overigens niet alleen door gedragsregels onderscheiden van de gewone stedeling, maar ook door het dragen van attributen en voorgeschreven kleding. Een klepper is daarvan een voorbeeld dat reeds gegeven is. In tegenstelling tot Leiden en Haarlem is er geen voorbeeld van een keur waarin er voor de Goudse leprozen bepaald werd wat de kledingvoorschriften waren. Het is aannemelijk dat er wel voorschriften of wetten omtrent de kleding zijn geweest in Gouda, maar er is geen reden om te denken dat het in Gouda anders werd geregeld dan in Leiden of Haarlem. Anno 1586 kwam er een kledingvoorschrift voor heel Holland, toen prins Maurits van Oranje de ‘ordre op ’t schouwen en bedelen der leprosen’ uitvaardigde. De kledingvoorschriften werden daarin nauwkeurig beschreven: de leproos moest een vliegermantel en een hoed met witte band dragen.
Uit de bestudering van de Leidse keurboeken van 1450 en 1545 blijkt dat het aantal keuren over het bedelgedrag van de leprozen toenam. De boeken bevatten wetten waarin staat beschreven wat de plaats en de voorwaarden van de bedelarij waren. Een voorbeeld van een keur is het verbod op bedelen in de kerk. Alleen stedelingen die een gebed wilden doen in de Leidse kerken waren welkom, bedelaars werden niet meer getolereerd. In Leiden was er ook een keur die bepaalde dat leprozen jaarlijks binnen de stadsmuren mochten komen. Op Vastenavond mochten zij, op door de leprozenmeesters aangewezen plekken, de voorbijgaande stoet gadeslaan.
De leprozen moesten herkenbaar zijn. In Leiden werd bepaald dat ze herkenbaar moesten zijn aan de mantel (‘vliegers’), klepper en een bedelzak (‘nap’). Waarschijnlijk was het een zwarte mantel met op de voorzijde een grote, witte L genaaid.
Hoewel het stadsbestuur de gehele verantwoordelijkheid over het beheer van de leprozerie op zich nam, bleven de uitgaven aan de leprozerie minimaal. Dit gold overigens voor de gehele ‘gezondheidszorg’ binnen het rechtsgebied van Leiden. In de vijftiende eeuw kwam het incidenteel voor dat het stadsbestuur de hoogte van de accijnzen opvoerde om de stijgende uitgaven van de leprozerie het hoofd te kunnen bieden. In de tweede helft van de vijftiende eeuw ging het stadsbestuur op zoek naar andere inkomstenbronnen om de kosten te dekken. Het gerecht van Leiden sloot een overeenkomst met de pastoors, kapelaans en baljuws van Rijnland om in alle kerken en kapellen te collecteren voor de onkosten van de leprozerie. Omdat de Leidse leprozerie een regionaal opvanghuis was, werden er in alle parochiekerken van Rijnland personen aangewezen om de donaties op te halen. Vanaf 1470 zouden er ook proveniers toegelaten worden in de leprozerie. Zij brachten met giften uitkomst voor de hoge onkosten van de leprozerie. Doordat de leprozen in Leiden geen eigen bezittingen mochten hebben, werden zij vanaf 1429 vrijgesteld van het betalen van accijnzen, ondanks dat dit in strijd was met het beleid van het stadsbestuur om zo veel mogelijk inkomsten te vergaren.
De keuren van Haarlem laten dezelfde ontwikkelingen zien als in Gouda en Leiden. Het Haarlemse gerecht bepaalde de plek binnen het rechtsgebied van de stad waar de leprozen mochten komen en wat de voorwaarden waren om er te bedelen. In de vijftiende en zestiende eeuw zijn er keuren uitgegeven om het bedelgedrag zoveel mogelijk aan banden te leggen. Het grote verschil met de keuren van Gouda en Leiden was het grote aantal Haarlemse keuren dat de ‘schouw’ betrof. Deze keuren gingen voornamelijk over bezoekende leprozen en de rechten en plichten die een keuring met zich meebracht. Iedereen die een ‘vuylbrief’ had gekregen in de ‘schouw’ van Haarlem zou een klepper krijgen waarin het Haarlemse stadswapen was gegraveerd. Goudse en Leidse leprozen liepen eveneens met een Haarlemse klepper.
In Haarlem was er met de bouw van de leprozerie een complexe situatie ontstaan. In tegenstelling tot Leiden en Gouda lag de stadsleprozerie buiten de jurisdictie van de stad, maar viel zij wel onder het beheer van het stedelijk bestuur. De Haarlemse leprozen waren buiten het stedelijk rechtsgebied niet gebonden aan de beperkingen die het stadsbestuur oplegde. De leprozerie behoorde namelijk tot de ambachtsheerlijkheid Adijkendam (of Akendam).
Toen het vanaf 1450 economische slechter ging in Haarlem kochten gegoeden zich als provenier in liefdadigheidsinstellingen in om hun goede oude dag tegemoet te kunnen zien. Vanaf 1457 werd dit ook gedaan in de Haarlemse leprozerie. Het leprooshuis ging tot de toelating over om te kunnen beschikken over de gelden om de zorg en onderdak van de armen te kunnen bekostigen. Haarlem was hier vrij vroeg mee.

Conclusie

Als we de invloed van het stadbestuur van Gouda, Leiden en Haarlem vergelijken, zien we dat er vele overeenkomsten waren. Door de toevoer van vreemde en pseudo-leprozen werden er veel wetten uitgevaardigd waarin het bedelgedrag werd beperkt. Het aantal bedelplaatsen, bedeltijden en de vrije toegang tot de stad werd aan banden gelegd en er werd een kledingvoorschrift uitgegeven. In de drie steden werden er door de stedelijke autoriteiten oplossingen gezocht om de kosten van de leprozenzorg te kunnen dekken. Door middel van wetten en collectes werden er inkomstenbronnen gevonden voor de onkosten van het huis. Voor alle drie de leprozerieën bracht de toelating van proveniers uitkomst.
De opvang van leprozen in een leprozerie werd beheerd door het stadsbestuur. De drie stadsbesturen probeerden op verschillende manieren het huis te beheren. Het Goudse stadsbestuur spendeerde weinig van zijn inkomsten uit belastingen en accijnzen aan de leprozenzorg, ondanks dat de leprozerie onder stedelijk beheer stond. De Goudse burgenmeesters zochten daarom naar alternatieve inkomstenbronnen en verplichtten een aantal instellingen om wekelijkse donaties te doen. Door een wet uit te vaardigen waarin alle kerkleiders werden opgeroepen te collecteren voor het onderhoud van de leprozerie, probeerde het Leidse stadsbestuur de kosten te dekken. Dat er ver buiten de parochie werd gecollecteerd geeft aan dat het leprooshuis werd gezien als een regionaal leprozenopvang en niet als stadsleprozerie, zoals Gouda en Haarlem. De Haarlemse leprozenmeesters namen vanaf de vijftiende eeuw al gezonde proveniers op in de leprozerie om te kunnen beschikken over meer financiële middelen om de zorg en het onderdak van de leprozen te kunnen bekostigen. De archiefbronnen ten aanzien van wetten, kledingvoorschriften en de toenadering van alternatieve inkomstenbronnen bewijzen dat de invloed van het stadsbestuur op het functioneren van de leprozerieën altijd groot is geweest. Doordat de leprozenregenten functioneerden als schakel tussen het stadsbestuur en de leprozen, is er altijd sprake geweest van een afhankelijk instituut voor leprozenzorg. Dit past zeer goed in het laatmiddeleeuwse beleid van stadsbesturen om de greep te houden op marginale bevolkingsgroepen en deze groepen te controleren in het dagelijkse leven buiten de stadsmuren.

Inkomsten van leprozen en de leprozerie

De leprozen van Holland hoefden geen geld te betalen om gebruik te maken van de diensten die het huis aanbood. Pas na de dood van de leproos werd er betaald; een deel van de erfgelden werd ingenomen. Daar stond wel tegenover dat de zieken moesten bedelen of werken op de landerijen. Met de inkomsten van de bedelarij kon er niet worden voorzien in alle onkosten van de leprozerie.
Een onderzoek naar de inkomsten van het Goudse leprooshuis in de archieven wijst uit dat er op vele manieren inkomsten werden vergaard. De leprozerie ontving giften uit testamenten van rijke stedelingen en ambachtslieden; die vormden een wezenlijk onderdeel van de inkomsten. Per jaar werden drie- tot zevenmaal bedragen van zes tot honderd guldens overgedragen aan het leprooshuis. Ook giften in natura kwamen voor, van gouden ringen tot landerijen met melkkoeien. Het was aan de leproosregenten om deze te verkopen of er pacht over te heffen. Het kwam incidenteel ook voor dat misdadigers die een wet hadden overtreden het boetegeld moesten betalen aan het leprozenhuis, als een verplichte blijk van weldadigheid.
De leprozen mochten geen beroep uitoefenen, ze konden immers de vervaardigde producten niet verkopen op de Goudse markten. Wel konden de leprozen werken op de landerijen rondom de leprozerie om gewassen te verbouwen voor het huis. De overschotten werden door derden verkocht op de markt. De arme leprozen moesten bedelen langs de wegen die naar de stad leidden. In de stad mochten ze niet komen, met uitzondering van de jaarlijkse ‘ommegang’. Dit bezoek vormde een hoogtepunt van het jaar voor de zieken, omdat ze op de kermissen veel geld konden binnenhalen. Uit enkele keuren blijkt dat het stadbestuur en de leprozenmeesters betrokken waren bij het bedelproces. Door andere instellingen te verplichten om collectes te houden en wekelijkse donaties te doen, reguleerde het stadsbestuur een vast inkomen naast de bedelarij van de leprozen. Het Goudse stadbestuur bepaalde in 1489 dat de leprozenmeesters bij kerkmeesters, gasthuismeesters en getijdenmeesters om donaties mochten vragen. Vanaf 1509 kwam er een keur waarin het stadsbestuur het Goudse gasthuis en het Heilige Geestcollege verplichtte om elke week een vast bedrag te doneren aan het leprooshuis. De Goudse leprozen konden ook collecteren langs de vaarroutes die langs Gouda liepen. Er werd aan de schippers een bedrag gevraagd voor de leprozen.
In Gouda, maar ook in de andere twee leprozerieën, zien we dat melaatse proveniers zich voor de rest van het leven hadden ingekocht in de leprozerie. In de tweede helft van de vijftiende eeuw werden er ook gezonde proveniers toegelaten tot de leprozerie. Wanneer de eerste provenier inwoning nam in het Goudse huis is niet bekend, maar het eerste provenierscontract dat is bewaard stamt uit 1571. In vergelijking met Leiden en Haarlem was dit vrij laat. De bronnen wijzen niet uit of er voor dit contract ook al rijke leprozen binnen de muren van de leprozerie woonden. Later gingen er in Gouda ook gezonde proveniers zich vestigen.
In Leiden zien we dezelfde variatie in inkomsten. Uit testamenten, erfpachten en giften in natura werd er een deel van de inkomsten gegenereerd. Vanwege het feit dat het bij de Leidse leprozerie om een regionaal leprozenhuis ging, konden de leprozenmeesters over een groter inkomstengebied beschikken. Dit is in eerste instantie te zien aan de plaatsen waar in dorpskerken en kapellen de collectes werden gehouden. Minder voor de hand liggend zijn de plaatsen waar de erfpachten werden geïnd. Uit een zestiende-eeuws inkomstenregister blijkt dat het om plaatsen als Katwijk en Alphen (aan de Rijn) ging. Daarnaast bleven de particuliere stichters van de leprozerie nog jarenlang na de bouw van het huis geld doneren aan de leprozerie van Leiden.
Een groot deel van de inkomsten werd verkregen door de collectes die werden gehouden in de kerken van Rijnland. Een keur uit 1457 bewijst dat veel geestelijken werden aangesproken om een collecte te houden ten behoeve van de leprozerie. In de bron staat te lezen dat de baljuw van Rijnland en het stadsbestuur van Leiden, de pastoors (‘cureiten’) en kapelaans van Rijnland verzochten in de kerken te collecteren, omdat het leprooshuis door de opname van vele leprozen noodlijdend was geworden. Wanneer deze collecte werd geweigerd zouden er geen zieken uit die parochie meer worden opgenomen.
Er werden proveniershuizen gebouwd rond de kapel en er gingen (zieke) proveniers wonen. De proveniers vormden een schakel tussen de stad en de leprozerie. De meeste proveniers waren gezond en konden de markt bezoeken. Daarnaast leverden ze allerlei hand- en spandiensten in huis. Ze hielden toezicht op de huishouding, namen de kosterdiensten over en gingen zelfs in Leiden voor de zieken bedelen. Mogelijk waren zij ook betrokken bij de collecten die georganiseerd werden voor de melaatsen in de stad en de omgeving. In de zestiende eeuw werden er zelfs collectecontracten gesloten met de dorpen Zwammerdam, Noordwijk en Leiderdorp. Naast deze inkomsten kon de Leidse leprozerie ook rekenen op een vrijstelling van belasting door de stadsautoriteiten. Vanaf 1424 werden alle geestelijke instellingen, armenhuizen en zorginstellingen, net als het leprooshuis, geheel vrijgesteld van accijnzen. Het verbod op verkoop van bier aan derden was de enige voorwaarde van de vrijstelling.
Voor Haarlem golden andere omstandigheden, omdat het belast was met de ‘schouw’. Dit bracht extra inkomsten met zich mee, maar ook extra lasten. Aan de bezoekende leprozen moest immers onderdak gegeven worden, omdat zij vaak op meerdaagse reisafstand van Haarlem woonden. Net als in Gouda en Leiden kon het Haarlemse leprozenhuis rekenen op een variatie in giften: erfpachten, giften in natura, donaties en collectes. In het archief van Haarlem zijn vele contracten te vinden met daarin renteovereenkomsten van landerijen en huizen, geschonken door donateurs en rijke inwoners van het leprooshuis. In bronnen uit 1474 wordt er voor het eerst melding gemaakt van proveniers die in de leprozerie gingen wonen, ondanks de strikte bepaling van 1394 waarin stond beschreven dat alleen zieken inwoning mochten nemen. De reden voor opname van stedelingen was waarschijnlijk het financiële gewin. De provenier kocht zich in en liet na zijn dood de erfenis na aan de beheerders van de leprozerie. Dit was een uitermate lucratieve handel die door meerdere instellingen binnen Haarlem werd toegepast. Het is overigens niet juist om de inwoners van de Haarlemse leprozerie in te delen in de groepen leprozen en proveniers, er waren bijvoorbeeld ook proveniers die leproos waren. Het is beter om de bewoners in te delen naar het functioneren binnen de leprozerie, waarbij de inkomsten een grote rol speelden. De arme leprozen moesten gaan bedelen buiten de muren van de instelling, terwijl de gegoede leprozen zich hadden ingekocht voor zorg en inwoning.
In 1541 nam de controle op de inkomsten en uitgaven toe, doordat het stadsbestuur de gehele administratie van de leprozenmeesters overnam. De ordonnantie hield in dat de burgenmeesters alle inkomsten en uitgaven vanaf dat jaar konden controleren. Er werd bepaald dat elke zondag na de mis een vergadering werd georganiseerd om het financieel beleid van de leprozerie in de komende tijd te bekijken.

Conclusie

Ondanks verschillen tussen de inwoners van de drie leprozerieën, kan er geconcludeerd worden dat er in alle drie de leprozerieën op vergelijkbare manieren inkomsten werden verkregen. Zowel uit de verordeningen ten aanzien van het bedelen als de mogelijkheid van akkerbouw, bleek dat van absolute isolering van zieken geen sprake was. Een groot deel van de inkomsten werd verkregen door giften en donaties van mensen van buiten de muren van de leprozerie. Onderdeel daarvan waren de renten die de leproosmeesters verkregen op de pacht van huizen en landerijen, soms ver buiten het rechtsgebied van de stad. De toetreding van proveniers leidde eveneens tot een vergroting van de inkomsten van de leprozerieën.
Met zo veel overeenkomsten zitten de verschillen in de details. De Leidse leprozerie was een regionaal leprozencentrum en kon daardoor beschikken over een groter inkomstengebied. Er werden collectes gehouden in omringende dorpskerken en kapellen. Haarlem had met de ‘schouw’ te maken met andere inkomsten en uitgaven. Deze brachten extra kosten en extra inkomsten met zich mee.

Nieuwe bestemmingen voor de leprozerieën

Een tegenstrijdige ontwikkeling is dat er ten tijde van de bouw van de meeste leprozerieën, aan het begin van de vijftiende eeuw, een einde kwam aan de toename van het aantal zieken. De eerste leprozerieën ontstonden aan het begin van de veertiende eeuw in Dordrecht en Utrecht. Vanaf het einde van de veertiende en het begin van de vijftiende eeuw ontstonden de meeste leprozerieën in Holland. Het is kenmerkend voor deze eeuw dat het om een periode van hoogconjunctuur en urbanisatie ging. In de zestiende eeuw begon lepra langzaam te verdwijnen uit de Nederlanden, terwijl de huizen nog goed functioneerden. Historici en medici kunnen nog niet verklaren wat de reden was van de afname van de ziekte. Vaak wordt dit in verband gezien met andere ziektes als de pest. Met de afname van het aantal leprozen lieten de stadbesturen steeds vaker gezonde proveniers toe in de huizen en zochten ze naar nieuwe bestemmingen voor de leprozenhuizen.
De Goudse leprozerie werd op last van het stadsbestuur in 1574 gesloten, ten gevolge van de dreiging van de Spaanse invasie. Het stadsbestuur wilde het gebouw afbreken en de leprozen in het Magdalenenconvent onderbrengen, dat overigens midden in de stad lag. Het aantal proveniers nam aan het begin van de zeventiende eeuw sterk toe terwijl het aantal leprozen afnam. Pas in 1735 werd er voor het eerst melding gemaakt van het ‘proveniershuis’. De laatste keer dat er een leproos werd opgenomen, was in het jaar 1652 volgens de Goudse keurboeken. Door de proveniers kon het leprooshuis reserves opbouwen en het stadsbestuur ging zich actiever bemoeien met de boekhouding. Regelmatig kwam het voor dat het stadsbestuur bedragen uit de reserves van het leprooshuis nam en aan een Gouds gasthuis en aan het Schiedammer leprozenhuis schonk.
De Leidse overheid nam ook preventieve maatregelen door de dreiging van de Spaanse invasie en verplaatste de leprozen. De leprozerie stond te dicht bij de stadsmuur en dit gebied zou eventueel onder water gezet kunnen worden. Het stadsbestuur probeerde de verhuizing te legitimeren door een beroep te doen op de wet dat niets binnen vijftig roede van de stadsmuur mocht worden gebouwd. Ondanks de toename van mildere visies van stedelingen op de isolering van de leprozen, bleven ze geweerd binnen de stadsmuren. De leprozen werden verhuisd naar het verlaten Sint Catharineklooster (1573) en later naar het Nazarethklooster (1576) op last van de Staten van Holland en het Leidse stadsbestuur. In 1592 greep het stadsbestuur weer in door de leprozen naar het Elisabeth-gasthuis te verhuizen. Omdat het aantal leprozen afnam, besloot het stadsbestuur om ze bij een gasthuis in te lijven in het voormalige Sint Ursulaklooster. Dit was eveneens een goed geïsoleerde locatie aan de Achtergracht.
In tegenstelling tot de leprozerie van Gouda en Leiden staat het gebouw waarin de leprozerie van Haarlem was gevestigd nu nog steeds op de oorspronkelijke plaats aan de Schotersingel. In 1564 kregen de leprozen en proveniers gezelschap van een dertigtal krankzinnigen. Het ‘dolhuys’ werd een verzamelplek voor zieken uit de gehele omgeving vanwege de goede locatie en de ommuring. Door de uitbreidingen van de stad naar het noorden werd de plaats ten opzichte van de stadsmuren in 1686 gewijzigd. Door het sterk uitgebreide verdedigingsstelsel van de stad was de Schotersingel niet langer een doorgaande weg maar een doodlopend pad. De toegangsweg werd door het stadsbestuur verlegd naar de noordkant van het complex. Doordat het complex nu aan een doodlopend pad en in bepaalde mate geïsoleerd lag, was het uiterst geschikt voor de opvang van zieken. Ook pestlijders werden vanaf de zestiende eeuw opgenomen in de instelling. De ‘schouw’ bleef tot het einde van de achttiende eeuw bestaan, maar na de sterke afname van het aantal zieken kwam het nog maar incidenteel voor dat een leproos zich liet keuren in Haarlem. Wat dat betreft heeft de Haarlemse leprozerie altijd als een regionaal experticecentrum gefunctioneerd. Het was vanaf de bouw tot het midden van de negentiende eeuw een toevluchtsoord voor degenen die niet in de Haarlemse samenleving geaccepteerd konden worden vanwege een (besmettelijke) ziekte. Zo bood het huis onderdak aan leprozen, krankzinnigen, prostituees met geslachtsziektes en demente ouderen.

Conclusie

Als we de situatie aan het begin van de zeventiende eeuw willen vergelijken, zien we dat de dreiging van de Spaanse invasie een grote rol speelde bij de leprozerieën van Gouda en Leiden. De stadsbesturen kozen er in beide steden voor om de leprozen te verplaatsen naar andere onderkomens en de leprozerieën af te breken. In Haarlem zien we dat, door de afgezonderde locatie van de leprozerie, het stadsbestuur er voor koos om de gebouwen te laten staan en er andere zieken in op te vangen. Dit had eveneens te maken met de ‘schouw’ die tot ver in de achttiende eeuw in de Haarlemse leprozerie was gehuisvest. De ziekte kwam immers nog incidenteel voor in Holland. Haarlem gold vanaf de installatie van de schouw in 1413 als een regionaal expertisecentrum voor Holland en Zeeland.

CONCLUSIE

Vanaf de twaalfde eeuw verspreidde de bacterieziekte lepra zich over Europa. Door de intensieve handelscontacten en urbanisatie breidde de ziekte zich uit over de Lage Landen en kwam tevens in Holland terecht. De stadsbesturen van Gouda, Leiden en Haarlem kampten met dezelfde problemen en wilden de leprozen in relatief isolement laten leven in leprozerieën buiten de stadsmuren. De huizen werden gebouwd op de plekken buiten de stadsmuren, waar de gemeenschap van verstoten leprozen reeds woonden. Het leprooshuis werd een plek om de leprozen te huisvesten en de zorg te organiseren. De leprozerie was een huis met een afgesloten entiteit en een eigen status binnen de samenleving. In een periode van urbanisatie zien we in de veertiende eeuw de eerste Hollandse leprozerieën ontstaan.
De drie leprozerieën werden weliswaar onder dezelfde omstandigheden gebouwd, maar bronnenonderzoek naar de bouwinitiatieven wijst uit dat ze onder verschillende voorwaarden zijn ontstaan en georganiseerd. In Gouda herkennen we een particuliere bouw van een ziekenverblijf die werd ondersteund door het Heilige Geestcollege en later door de Goudse stedelijke autoriteiten. Na de bouw bleven deze Goudse instellingen verantwoordelijk voor het beheer. De Leidse leprozerie verschilde hiervan, omdat het ging om een complex, bestaande uit een erf met verschillende kleine gebouwen. De Haarlemse leprozerie was net als Gouda een huis bij een kapel, maar viel nog lang onder het beheer van het Haarlemse gasthuis.
Er was een aantal overeenkomsten in het beheer en organisatie van de drie leprozerieën. Aan het hoofd van het beheer in de huizen stonden de leproosmeesters, die namens het stadsbestuur de dienst uitmaakten in het huis. De meesters vormden een schakel tussen de leproos en het stadsbestuur. Zij bepaalden voornamelijk hoe het huis functioneerde en waren betrokken bij het handhaven van de orde, het reguleren van de inkomsten en het aansturen van het dienstpersoneel. Het dienstpersoneel was verantwoordelijk voor de zorg, het bereiden van het eten en de controle op naleving van de wetten. Door het installeren van de ‘schouw’ in 1413 kreeg de leprozerie van Haarlem er meerdere taken bij. De ‘schouw’ was een keurstation voor leprozen uit Holland, Zeeland en West-Friesland waar zieken heen gezonden konden worden om zich te laten diagnosticeren op lepra.
In de huizen was er veel aandacht voor de dagelijkse godsdienstrituelen die werden bepaald in de reglementen, opgesteld door de stadsbesturen. Er heerste een strenge discipline en van de leprozen werd verwacht dat zij zoveel mogelijk deelnamen aan de mis, de gebeden en de kloosterlijke leefwijze binnen het huis. Zij leefden echter zonder het aanvaarden van een erkende regel, wat bij kloosters wel gewoon was. De verschillen in het dagelijks leven tussen de drie leprozerieën werden voornamelijk bepaald door de samenstelling van de bewoners. In Gouda waren de bewoners arme leprozen die moesten bedelen voor hun inkomsten. Er is daar aanvankelijk geen sprake geweest van rijke leprozen die zich inkochten. In Leiden was het niet verplicht om toe te treden, omdat het in Leidse reglementen ontbrak aan een keur die leprozen verplichtten om inwoning te nemen in de leprozerie, waardoor rijke leprozen ervoor kozen om niet in de leprozerie te gaan wonen. De Haarlemse leprozerie was de enige waar ook gegoede leprozen toetraden, echter leidden deze zieken niet hetzelfde leven als de arme leprozen. Zij kochten zorg door bij intreding een vaststaand bedrag te betalen en waren bovendien niet verplicht om te bedelen of te werken op de akkers. Omdat er bij de Goudse leprozerie een streng toelatingsbeleid gold, is het aannemelijk dat de leprozen allemaal Goudse stedelingen geweest zijn. In Leiden was er ook sprake van toelating van niet-Leidse leprozen, waardoor er leprozen werden opgenomen uit het gehele Rijnland.
De arme zieken uit de drie leprozerieën vulden hun dagen met bedelen om de zorg en het onderdak te betalen. Rond de leprozerieën lagen akkerlanden waarop de leprozen producten konden verbouwen voor eigen onderhoud of om ze voor een klein bedrag te laten verkopen op de lokale markt. De arme leprozen uit de drie leprozerieën kenden ook een aantal rechten, dat ze kregen bij intreding. Het recht op een bed, warme maaltijd en een haardvuur vervulde de basisbehoeften van de zieken. In Leiden kenden ze bovendien het recht om opmerkingen te maken over het voedsel dat ze kregen.
Voor het ontstaan van de leprozerieën beperkte de invloed van het stadsbestuur zich tot het uitzetten en het controleren van de gemeenschap van leprozen. Vanaf de bouw van de leprooshuizen ontstond er een geheel nieuwe relatie met het stadsbestuur. Alles werd vanaf dit moment bepaald door het stadsbestuur. Binnen de muren werd dat gedaan door de leproosmeesters, buiten de muren door wetten en verordeningen van de stad. Dit is kenmerkend voor het laatmiddeleeuwse beleid van Hollandse stadsbesturen om de greep te houden op marginale bevolkingsgroepen. Als we de invloed van het stadbestuur van Gouda, Leiden en Haarlem vergelijken, zien we dat er vele overeenkomsten waren. Door de toename van zwervende en pseudo-leprozen werden er vele wetten uitgevaardigd waarin het bedelgedrag werd ingeperkt. Het aantal bedelplaatsen nam af, de bedeltijden werden korter, de vrije toegang van de leprozen tot de stad werd ontzegd en er werden kledingvoorschriften uitgegeven door het stadsbestuur. De archiefbronnen met wetten, kledingvoorschriften en de toenadering van alternatieve inkomstenbronnen bewijzen dat de invloed van het stadsbestuur op het functioneren van de leprozerieën altijd groot is geweest.
De stadsbesturen van Gouda, Leiden en Haarlem hadden tevens de verantwoordelijkheid voor het inkomstenbeleid van de leprozerieën. Hieruit blijkt dat de inkomsten uit de bedelarij niet genoeg waren om de onkosten van de zorg en huisvesting te dekken. Zowel uit de keuren ten aanzien van het bedelen als de mogelijkheid tot akkerbouw, bleek dat van absolute isolatie van zieken geen sprake was. Ondanks verschillen tussen de inwoners van de drie leprozerieën, kan er geconcludeerd worden dat er in alle drie de leprozerieën op vergelijkbare manieren inkomsten werden verkregen. Een groot deel van de inkomsten werd verkregen door giften en donaties van gezonde stedelingen. Onderdeel daarvan waren de renten die de leproosmeesters verkregen op de pacht van huizen en landerijen, die soms ver buiten het rechtsgebied van de stad lagen. De verschillen tussen inkomstenbronnen van de leprozerieën liggen in de keuzes die de stadsbesturen maakten. De Goudse burgenmeesters verplichtten een aantal instellingen binnen het Goudse rechtsgebied om wekelijkse donaties te doen. In Leiden werd door het uitvaardigen van een keur, waarin alle kerkleiders binnen Rijnland werden opgeroepen te collecteren voor het onderhoud van de leprozerie, een poging gedaan om de kosten het hoofd te bieden. De Haarlemse leprozenmeesters hoefden door bestaande fondsen niet op zoek te gaan naar alternatieve inkomstenbronnen en begonnen bovendien al halverwege de vijftiende eeuw met het toelaten van gezonde proveniers. Haarlem had door de ‘schouw’ te maken met een ander inkomsten- en uitgavenpatroon. Dit bracht extra kosten en inkomsten met zich mee. Uiteindelijk gold voor alle drie de leprozerieën dat de toelating van (gezonde) proveniers uitkomst bracht in moeilijke financiële tijden.
Het aantal proveniers nam in alle drie de leprozerieën toe, zeker aan het einde van de zestiende eeuw. Dit had te maken met de afname van het aantal leprozen. De stadsbesturen van Gouda en Leiden kregen bovendien te maken met de dreiging van de Spaanse invasie en kozen er voor om de leprozerieën af te breken en de leprozen in andere gebouwen buiten de stadsmuren te huisvesten. In Haarlem kreeg de leprozerie een nieuwe groep inwoners, omdat het stadsbestuur er voor koos om het gebouw te laten staan en er psychiatrische patiënten op te vangen. Ondanks de afname van het aantal zieken in de zeventiende eeuw bleef in de Haarlemse leprozerie de ‘schouw’ als regionaal expertisecentrum tot ver in de achttiende eeuw gehuisvest.

BIBLIOGRAFIE

Afkortingen

NHA Noord-Hollands Archief.
RAL Regionaal Archief Leiden.
SMH Streekarchief Midden-Holland.

Bronnen

Gouda, Streekarchief Midden-Holland
Archief van het leproos- en proveniershuis te Gouda, 1354-1902
Toegangsnummer 0075
Inv. 6, Reglement voor het opnemen van patiënten in het Leprooshuis, 1470
Inv. 7, Fundatieboek, aangelegd ca. 1657. Met: Afschriften van de reglementen van 1408 en 1604 en van de instructies voor de binnenvader en -moeder van 1775 en 1780. Een lijst van de regenten van 1484 – 1795. Een lijst van giften 1562 – 1641. Een lijst van de proveniers 1571 – 1794.
Inv. 16, Akte van transport van 1½ morgen land in de Korte Akkeren en van twee melkkoeien om daarop te weiden, door Aernd Hermansz en zijn vrouw en Diert Oedziersz en zijn vrouw, 1408.
Inv. 39, Akte waarbij lazarusmeesters verklaren een vergulde riem ontvangen te hebben van Agnes, vrouw van Adriaen Gherytsz, 1489.

Leiden, Regionaal archief Leiden
Archief van de Gasthuizen
Toegangsnummer 0504
Inv. 1317, Overeenkomst met de pastoor van Onser Liever Vrouwenkerk betreffende de betaling van de door het convent van Sinte Agatha aan de pastoor verschuldigde rechten, de parochierechten en de kapelaan, 1572, met toestemming van het Gerecht, 1572.
Inv. 1318, Reglement voor het Lazarushuis aan de Nuwenwech buiten Leyden, 1441.
Inv. 1323, Overeenkomst tussen de ambachtsheer van Noortwijck, de Heilige Geestmeesters en de pastoor van Noortwijck, enerzijds, en het ziekenhuis, anderzijds, betreffende opneming van leprozen uit Noortwijck en Noortwijck opt Zee, 1552.
Inv. 1325, Verklaring van de gemene gezworenen van Sint Jacobscapelle buiten Haerlem dat Mees Cornelisz. van Oestgheest melaats is, 1554.
Inv. 1340, Register van den incoemsten van den armen Leprosen, 1547-1565.
Inv. 1349, Aanschrijving van de provisor en deken van Rijnlandt, de baljuw van Rijnlant en Schout, Burgemeesters, Schepenen en Raad van Leyden aan de parochies en dorpen in Rijnlandt betreffende de collecten voor het Lazarushuis, 1457.
Inv. 1352, Kalendarium met aantekeningen van de verplichte uitkeringen aan de zieken, (16de eeuw).

Haarlem, Noord-Hollands archief
Archief leprooshuis te Haarlem 1387-1856
Toegangsnummer 3310
Inv. 5, Ordonnanties van Burgemeesteren voor het gesticht, 1542.
Inv. 6, Cartularium, 1387-1581.
Inv. 52, Register voor van inkomsten uit landerijen en huizen, 1460-c.1490.
Inv. 53, Register voor van inkomsten uit landerijen en huizen, 1558-1590.
Inv. 54, Register voor van inkomsten uit landerijen en huizen, 1590-c.1611.
Inv. 88, Memorie betreffende het houden van de schouw, c.1540.
Inv. 92, Manuaal van uitgaven (en van enige inkomsten door verkoop van producten), 1586-1617.

Uitgegeven bronnen

Bik, J. G. W. F., Vijf eeuwen medisch leven in een Hollandse stad (Gouda 1955).
‘Keurboek 1604’ (SMH, Archief van de stad Gouda, inv. 296) p. 446.
‘Reglement voor het leprooshuis, 1408’ (SMH, Archief van het leproos en proveniershuis te Gouda, inv. 5.) p. 518-519.
‘Keurboek, 1595’ (SMH, Archief van de stad Gouda, inv. 295) p. 521.

Hamaker, H.G., De Middeneeuwsche keurboeken van de stad Leiden (Leiden 1873)
‘Keurboek van 1450’, p. 155, 186.
‘Keurboek van 1545’, p. 355, 492.

Huizinga, J., Rechtsbronnen der stad Haarlem (’s-Gravenhage 1911).
‘Van die bidt bi den husen, Keurboek 1390-1412’, p. 54.
‘Ordonnatie daerop de burgemeesteren der stede van Haerlem lasten den Heiligen Geest-gasthuys ende leprosenmeesteren nu ende hiernaemaels wesende, de goeden van denselven goodtshuysen te regieren ende te administreren, 31 december 1541’, p. 260.

Ligtenberg, C., Armezorg te Leiden tot het einde van de zestiende eeuw
(’s Gravenhage 1910).
‘Reglement voor het Lazarushuis aan de Nuwenwech buiten Leyden, 1441.’ (RAL, Archief van de Gasthuizen,
inv. 1318) p. 329-331.

Meerkamp van Embden, A., Stadsrekeningen van Leiden (1390-1434), Deel II (Amsterdam 1914).
‘Homansrekening – 1427’, p. 206.

Rollin Couquerque, L.M. en Meerkamp van Embden, A., Rechtsbronnen der stad Gouda (’s-Gravenhage 1917)
‘Lazarussen ofte Leprosen, 6 december 1411’, p. 57-58.
‘Van den Menschen die Lazarus zijn, te ontvangen’, p. 125-126.
‘Den Lazarussen niet te setten om bier te vercoepen’, p. 240.
‘21 maart 1489’, p. 489.
‘Leprosenhuys, 9 december 1509’, p. 502.

Tóth – Ubbens, M., Verloren beelden van miserabele bedelaars, leprozen
armen – geuzen (Lochem 1987).
’Vervattende placaten op ’t onderhoud vanden Armen, item, jegens Egyptenaers, leproosen, bedelaers, vagebonden, lant-loopers, verspieders en dieven. Placaet van Keijser Karel (7 oktober 1531)’ p. 95-98.
‘Ordre op ’t schouwen en bedelen der Leprosen. Den 13 october 1568’, p.98-99.

Secundaire literatuur

Abels, P.H.A.M. (red.), Duizend jaar Gouda, een stadsgeschiedenis (Hilversum 2002).

Allan, F., Geschiedenis en beschrijving van Haarlem, deel I (Haarlem 1973), deel IV (Haarlem 1973).

Alnæs, K., De geschiedenis van Europa, 1300-1600 (Amsterdam 2004).

Ampzing, S., Beschrijving ende lof der stad Haerlem in Holland (Amsterdam 1974).

Bethune, E. de, e.a., ´De Kortrijkse leprozerie (1233-1944)’, Archelogische en Historische Monografieen van Zuid-West- Vlaanderen, 11 (Kortrijk 1985).

Bik, J. G. W. F., Vijf eeuwen medisch leven in een Hollandse stad (Gouda 1955).

Blok, P.J., Geschiedenis eener Hollandsche stad (’s-Gravenhage 1910).

Bouwen door de eeuwen heen in Brussel, Inventaris van het cultuurbezit in België, Stad Brussel, Binnenstad, deel 1b (Brussel 1993)

Brand, H., Over macht en overwicht, Stedelijke elites in Leiden (1420-1510) (Apeldoorn 1996).

Bulte, M., Kleverparkkwartier en Frans Halsbuurt, Twee stadsbuurten tussen Bolwerk en Kleverlaan
(Haarlem 2005).

Carlier, J.H., ‘Het leprooshuis met de Sint Jobskapel en de leprozen te Gouda’, Die Goude (1943) 50-74.
Conink, C. de, en Blockmans, W., ‘Geschiedenis van de Gentse leprozerie ‘Het Rijke Gasthuis’ vanaf de stichting (ca.1146) tot omstreeks 1370’, Annalen van de Belgische vereniging voor hospitaalgeschiedenis,5 (1967), 5-44

Ebbinge Wubben, S., Leven als doodverklaarden, leprozenzorg in Europa (500-1800) (Zeist 1993).

Ell, S., ‘Leprosaria’ in J.R. Strayer (red.), Dictionary of the Middle Ages, 7 (New York 1986).

Ell, S., ‘Plague and leprosy in the Middle Ages: a paradoxial cross-immunity’, International Journal of Leprosy, 55 (1987) 345-350.

Forrier, M., ‘Lepra, verspreiding in tijd en ruimte’ in E. Persoons (red.), Lepra in de Nederlanden (Brussel 1989) 15-23.

Forrier, M., ‘De evolutie van de georganiseerde leprozerieën’ in E. Persoons (red.), Lepra in de Nederlanden (Brussel 1989) 57-75

Gonnet, C.J., ‘De Lazaristen te Haarlem’, Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem, deel III (1875)
137-152.

Goudriaan, K., ‘Die Frühgeschichte des Hospitalwesens in den Grafschaften Holland und Seeland und im Niederstift Utrecht’ in M. Pauly (red.), Einrichtungen der sozialen Sicherung im mittelalterlichen Lotharingien (Luxemburg 2008) 197-255.

Goudriaan, K., ‘Gilden en broederschappen in de middeleeuwen’ in K. Goudriaan e.a., De gilden in Gouda
(Zwolle 1996) 21-63.

Hamaker, H.G., De Middeneeuwsche keurboeken van de stad Leiden (Leiden 1873).

Huizinga, E., Bitterzoete balsem, Geneeskunde, chirurgie en farmacie in de late Middeleeuwen (Hilversum 2004).

Huizinga, J., Rechtsbronnen der stad Haarlem (’s-Gravenhage 1911).

Jacobs, J.M.M., Leproos-, Pest- en Dolhuis, korte beschrijving van de bouwgeschiedenis (Haarlem 1999).

Ketting, G.N.A., Bijdrage tot de geschiedenis van Lepra in Nederland (’s Gravenhage 1922).

Keyzer, W. de, ‘Leprozerieën, het uitzicht’ in E. Persoons (red.), Lepra in de Nederlanden
(Brussel 1989) 48-56.

Kossmann-Putto, J., Armen- en ziekenzorg in de Middeleeuwen (Deventer 1987).

Ligtenberg, C., Armezorg te Leiden tot het einde van de zestiende eeuw (’s-Gravenhage 1910).

Lindeboom, G.A., Inleiding tot de geschiedenis der geneeskunde (Rotterdam 1993).

Maanen, R.C.J. van (red.), Geschiedenis van een Hollandse stad, Deel I (Leiden 2002).

Marsilje, J.W., Financieel beleid van Leiden in de laat-Beierse en Bourgondische periode (1390-1477)
(Hilversum 1985).

Meerkamp van Embden, A., Stadsrekeningen van Leiden (1390-1434), Deel II (Amsterdam 1914).

Moore, R.I., Ketters, heksen en andere zondebokken, Vervolging als middel tot macht, 950-1250 (Baarn 1988).

Naphy W. en Spicer, A., De pest, de Zwarte Dood in Europa (Amsterdam 2007).

Nolet, W. en Boeren, P.C., Kerkelijke instellingen in de Middeleeuwen (Amsterdam 1951).

Oerle, H. van, Leiden binnen en buiten de stadsvesten, beschrijving (Leiden 1975).

Oerle, H. van, Oud Leiden (Leiden 1943).

Rollin Couquerque, L.M. en Meerkamp van Embden, A., Rechtsbronnen der stad Gouda (’s-Gravenhage 1917).

‘Standen en Landen’, International Commission for the History of Representative and Parliamentary Institutions,
Section belge, 103 (1978).

Temminck, J.J., Haarlem door de eeuwen heen (Haarlem 1982).

Tóth – Ubbens, M., Verloren beelden van miserabele bedelaars, leprozen – armen – geuzen (Lochem 1987).

Westerink, K., Het leprooshuis bij Haarlem (Utrecht 1985).

Wijnands – Van der Leij, L. (red.), Meer dan steen, De Haarlemse kerken en andere gebedsbuizen, vroeger en nu
(Haarlem 2007).
Digitale bronnen

www.dbnl.org/tekst/prev002prin01_01/prev002prin01_01_0017.php (geraadpleegd op 7 juli 2012)
www.groenehartarchieven.nl (geraadpleegd op 12 juni 2012)
www.hetdolhuys.nl/kennis/historie-gebouw (geraadpleegd op 1 juni 2012)
www.leprazending.nl (geraadpleegd op 7 december 2011)
www.noordhollandsarchief.org (geraadpleegd op 12 juni 2012)
www.regionaalarchiefleiden.nl (geraadpleegd op 12 juni 2012)

Archieven en archiefdiensten

Gouda, Streekarchief Midden-Holland, Groene Hart archieven.
‘s – Gravenhage, Koninklijke bibliotheek.
Haarlem, Noord-Hollands archief, locatie Jansstraat te Haarlem.
Leiden, Regionaal archief Leiden.

About the author:

Back to Top