David de Jong: Nero en de christenen

David de Jong: Nero en de christenen

Reacties uitgeschakeld voor David de Jong: Nero en de christenen

David de Jong

Samenvatting

Tiran, moordenaar, pyromaan en de allereerste vervolger van de christenen: de Romeinse keizer Nero is de geschiedenis ingegaan als een notoire bad boy. Is het echter terecht om Nero de allereerste christenvervolgingen in de schoenen te schuiven? In dit breed opgezette essay wordt onderzoek gedaan naar de christenvervolgingen ten tijde van het bewind van Nero aan de hand van zowel primaire bronnen als wetenschappelijke literatuur. Hiernaast worden andere interessante onderwerpen zoals de grote brand in Rome van 68 na Chr., het onderscheid tussen joden- en vroege christendom en het werkelijke aantal christenen in het vroege Romeinse keizerrijk besproken. Het resultaat is een overtuigende en verrassende uiteenzetting, die vraagtekens zet bij populaire en hardnekkige mythes en daardoor mateloos intrigeert.

Download de PDF

David de Jong (pdf)

Lees met ISSUU

Volledige Tekst

INLEIDING

In 54 na Chr. werd de adoptiefzoon van keizer Claudius, Lucius Domitius Ahenobarbus keizer van het Romeinse Rijk. In onze tijd is hij beter bekend als Nero. Nero heeft de reputatie één van de meest verdorven Romeinse keizers te zijn geweest, en met de concurrentie van heersers als Caligula en Commodus is dat een twijfelachtige prestatie. De eerste vijf jaren na zijn aantreden als keizer leek Nero een ‘deugdzame’ heerser. Zijn belangrijkste adviseurs, de filosoof Seneca en de militair Burrus hielden hem op het rechte pad. Na de dood van Burrus in 62 na Chr. zou Nero zich ontpoppen als een keizer die, nadat hij in 55 na Chr. al zijn stiefbroer Brittannicus had laten ombrengen, ook nog zijn eigen moeder en twee echtgenotes van het leven beroofde. Volgens Fik Meijer in Keizers sterven niet in bed uit 2006, zou hij geobsedeerd zijn geweest door (seksueel) geweld tegen zowel mannen als vrouwen.
In 64 na Chr. legde een hevige brand grote delen van Rome in de as. Nero zou, zo gaat het bekende verhaal, de opdrachtgever zijn geweest van de brandstichting. Of Nero inderdaad bij de brand betrokken was en zo ja, in welke hoedanigheid, is tot op de dag van vandaag onderwerp van discussie. Nero’s beschuldigingen aan het adres van de christenen dat zij de brand zouden hebben aangestoken, en de daaropvolgende vervolging van deze religieuze groepering, is tevens onderwerp van verhitte discussies onder historici.
David Shotter zegt hierover in zijn boek Nero uit 2005, dat de toenemende impopulariteit van Nero in de laatste jaren van zijn regime, sterk verbonden was met de grote brand van 64 na Chr. en de gevolgen ervan. Volgens de Romeinse geschiedschrijvers Suetonius en Cassius Dio zou Nero ten tijde van de brand, terwijl hij de ravage overzag, toepasselijke poëzie geproclameerd hebben. Hoewel de brand er één was van ontzagwekkende proporties, waren branden in het Rome van de eerste eeuw niet ongewoon vanwege de opeengepakte gebouwen die vaak uit houten constructies bestonden. Toch waren er vanaf het begin bij deze brand vragen over de mogelijke betrokkenheid van de keizer dan wel voor poëtische of megalomane architecturale doeleinden. De Romeinse historicus Tacitus noemt weliswaar deze beschuldiging in zijn Historiën, maar doet deze af als onwaar. De passage waarin Tacitus als gevolg van de brand Nero’s vervolging van de christenen beschrijft, zou een eeuwenlang durend staartje krijgen.
Wie waren deze ‘christenen’? Het is de vraag of er in deze tijd al gesproken kan worden van ‘christenen’ en of de keizer in Rome op de hoogte kan zijn geweest van het bestaan van deze religieuze dissidentenbeweging. De oudste bron die aan ons is overgeleverd en over de vroege christenen en de Romeinse reactie op hen spreekt, is een briefwisseling tussen keizer Trajanus en Plinius de Jongere (de gouverneur van Asia Minor) uit 112. Deze briefwisseling dateert van ruim veertig jaar na de dood van Nero. De huidige definitie van ‘christenen’ in het Van Dale woordenboek luidt: belijder (van de leer) van Jezus Christus. Christus zou omstreeks het jaar 30 op bevel van de Romeinse gouverneur Pontius Pilatus gekruisigd zijn en in de jaren daarna was er in Jeruzalem – en later in Rome – een gemeenschap van volgelingen die zijn leer aanhingen.
De vraag die centraal staat in dit onderzoek luidt: ‘Hoe aannemelijk is het dat Nero en de Romeinse overheid de christenen als aparte religieuze groep vervolgden in de eerste eeuw na Chr. in Rome?’ Ter ondersteuning van deze hoofdvraag zal er aandacht besteed worden aan twee belangrijke deelaspecten. Ten eerste of er in de eerste eeuw een duidelijk onderscheid viel te maken tussen joden en christenen en in het bijzonder in hoeverre het aannemelijk is dat Nero en zijn bestuursapparaat dit onderscheid konden maken. Ten tweede zal er gekeken worden naar het aantal christenen in de eerste eeuw. Het onderzoek zal door haar aard en omvang zich hierbij concentreren op de wetenschappelijke discussie in de secundaire literatuur, waarin uiteraard ook de beschikbare primaire bronnen behandeld worden.

1: RELIGIO ROMANA

Nero staat bekend als de eerste vervolger van de christenen. Dit wordt tot op de dag van vandaag door de meeste wetenschappers volgehouden, maar er zijn ook wetenschappers die stellen dat het bewijs hiervoor ontbreekt. De discussie gaat niet alleen over de vraag of Nero wel of niet (als eerste) christenen vervolgde, maar ook over de context van de Romeinse religie en de manier waarop de Romeinse overheid reageerde op vreemde goden en culten.
Jakob Engberg schrijft in zijn boek Impulsore Chresto, Opposition to Christianity in the Roman Empire c. 50-250 AD uit 2007 dat de Romeinse christenvervolging altijd werd gezien als een opvallende uitzondering in het Romeinse beleid ten aanzien van vreemde godsdiensten. In veel gevallen was de Romeinse overheid bereid om de aanbidding van inheemse goden van door hen overwonnen volken toe te staan en in sommige gevallen zelfs op te nemen in het Romeinse pantheon. Deze tolerante houding is deels te verklaren door de polytheïstische aard van de Romeinse godsdienst in ogenschouw te nemen. De Romeinen waren gewend om meerdere goden te vereren al naar gelang de situatie zich voordeed. Het is daarom niet vreemd dat zij de verering van vreemde goden vaak ongemoeid lieten.
Het gaat echter te ver om de Romeinen tolerant te noemen en te stellen dat iedere god welkom was in het Romeinse pantheon. Meijer zegt in Vreemd volk. Integratie en discriminatie in de Griekse en Romeinse wereld uit 2008 dat er onder de Romeinen geen twijfel kon bestaan over het feit dat de Romeinse religio, de Romeinse verzamelterm voor hun eigen religieuze gebruiken en uitgangspunten, superieur was aan de godsdiensten van de overwonnen volkeren. In de woorden van Meijer:

Van de verslagenen verlangden ze [de Romeinen] dat ze zich loyaal aanpasten aan de Romeinse religie, die nooit onveranderlijk of statisch was geweest, maar mede gevormd door invloeden van buitenaf en daardoor ook voor niet-Romeinen aantrekkelijk.

De mate van argwaan waarmee de Romeinen vreemde culten bekeken, was zoals Mary Beard in haar artikel ‘Shamanism, History and the State’ uit 1994 zegt, afhankelijk van plaats en tijd en van de aard van de overheersing en het volk in kwestie. Zeker als het ging om de incorporatie van vreemde culten in hun eigen religio zullen de Romeinen enige mate van voorzichtigheid in acht hebben genomen. Er zijn twee elementen die steeds terugkomen in de literatuur met betrekking tot de Romeinse benadering van vreemde goden en culten. De eerste betreft de mate van staatsgevaarlijkheid en de tweede de mate van het Romeinse karakter van de vreemde goden en culten. Een treffend voorbeeld hiervan is het artikel De bacchanalia van Alette Bakkers uit 2005, waarin zij laat zien dat de tot dan toe ongekende repressie van de Romeinse staat tegenover de Bacchuscultus zich met name baseerde op de angst van de senatoren voor oncontroleerbaarheid en de morele kenmerken (voornamelijk in zedelijke opvattingen) van deze cultus.
Uit het bovenstaande kan worden opgemaakt dat een mogelijke vervolging van christenen al lag opgeslagen in de grondslagen van de Romeinse religio en uitgangspunten van de christelijke godsdienst. Voor de christenen was hun god namelijk niet één van de, maar de enige god. De hieruit voortvloeiende weigering van christenen om de Romeinse goden eer te bewijzen en mee te doen aan gemeenschappelijke rituelen, zorgde ervoor dat de Romeinen het christendom als superstitio aanduidden. Er wordt aangenomen dat dit de hoofdzakelijke reden was voor de Romeinen om de christenen op enig moment te gaan vervolgen. Er zijn ook wetenschappers die ervan uitgaan dat het bovenstaande motief voor vervolging pas vanaf de tweede helft van de 2de eeuw van toepassing is en dat voor deze periode ideeën over christelijke immoraliteit aan vervolgingen ten grondslag lagen. In dit werkstuk zal verder niet worden ingegaan op het mogelijke onderscheid, omdat deze overweging buiten de context van het onderzoek valt.

2: DE WETENSCHAPPELIJKE DISCUSSIE

Als Nero en zijn vermeende christenvervolgingen onder de loep worden genomen, rijst de volgende vraag: welke primaire bronnen onderschrijven het feit dat Nero daadwerkelijk christenen vervolgde? Allereerst is er een document overgeleverd uit de 2de eeuw waarin gesproken wordt over christenen die worden vervolgd door Nero. Dit document is van de hand van de christelijke apologeten (verdedigers) Meliton en Tertullius. Zij beweren in het document dat Nero de eerste keizer was die christenen vervolgde. Engberg trekt de betrouwbaarheid van deze bewering echter in twijfel. Hij doet dit omdat de uitspraken van Meliton en Tertullius waren gericht aan het Romeinse gezag met het doel ‘nieuwe’ vervolgingen te voorkomen door de keizer voor te houden dat de ‘slechte’ keizer Nero de eerste was die dit deed.
Een tweede document dat over de christenvervolgingen van Nero verhaalt, is van de hand van christelijke historicus Sulpicius Severus (c. 363 – c. 425). Severus beweert dat Nero na de vervolgingen van christenen in Rome wetten en edicten uitgevaardigde waarin het christenen werd verboden om überhaupt te bestaan. Ook deze bewering wordt door Engberg in twijfel getrokken en hij wijst er in dit verband op dat de Deense historicus Søby Christensen stelt dat deze bewering in het licht gezien moet worden van latere vervolgingen van christenen onder de keizers Decius en Diocletianus. Engberg concludeert dat vandaag de dag de meeste vooraanstaande wetenschappers, zoals Sherwin-White, Ste. Croix en Barnes, het idee dat Nero wetten en edicten tegen de christenen uitgevaardigde, verwerpen. Hij wijst er echter op dat sommige wetenschappers nog steeds beweren dat Nero wetten en edicten tegen de christenen uitgevaardigde. Kortom, de kwestie is nog steeds onderwerp van discussie.
De wetenschappelijke discussie over antichristelijke edicten en wetten van Nero mag overwegend rekenen op scepsis van academici; de these dat Nero de allereerste vervolger van de christenen was, wordt door de meeste wetenschappers ondersteund. Engberg noemt als grote uitzondering hierop de academicus T. D. Barnes. Barnes schrijft in zijn artikel Legislation against the Christians uit 1968 over de briefwisseling tussen gouverneur Plinius de Jongere en keizer Trajanus uit 112 na Chr.:

There is no evidence to prove earlier legislation by the Senate or the emperor. Indeed, the exchange of letters between Pliny and Trajan implies that there was none. [..] There is no justification for assuming either that this [the earliest trial and condemnation of Christians] must have happened first in Rome or that it had any connection with the fire of Rome in 64 or
that the emperor was consulted.

Engberg wijst er in zijn boek ook op dat het Jodendom in de eerste eeuw na Chr. door de Romeinen als een religio licita werd beschouwd. Dit is belangrijk omdat in deze tijd nog geen duidelijk onderscheid viel te maken tussen joden en christenen, sterker nog: vermoedelijk beschouwden de meeste christenen zich als joden en werden zij ook als zodanig gezien door anderen. Engberg merkt terecht op dat de status van religio licita niet betekende dat de joden en vroege christenen niet konden worden vervolgd, maar het gaf hen een zekere bescherming vanuit de Romeinse overheid.

3: JODEN EN CHRISTENEN IN NUMMERS

Het is algemeen bekend dat het christendom is voortgekomen uit het jodendom. In onze tijd worden de twee religies als afzonderlijke geloofsovertuigingen beschouwd. Uit deze constatering vloeit de vraag voort wanneer de scheiding, of zoals het in de Engelstalige literatuur veelvuldig wordt aangeduid, the parting of the ways plaatsvond? In wetenschappelijke kringen was tot aan het eind van de vorige eeuw de consensus dat het christendom en het jodendom aan het einde van de eerste en het begin van de tweede eeuw na Chr. elk hun eigen weg gingen. Volgens Annette Y. Reed en Adam H. Becker in hun introductie in de bundel The Ways that Never Parted, uitte die overtuiging zich in twee hoofdzaken. Ten eerste was men van mening dat het jodendom en het christendom zich los van elkaar hadden ontwikkeld. Ten tweede werd aangenomen dat de interactie tussen joden en christenen vanaf de tweede eeuw voornamelijk uit vijandelijkheden en wederzijds onbegrip bestond. Reed en Becker stellen dat in tegenstelling tot het parting-model, zowel archeologische vondsten als schriftelijke bronnen suggereren dat ook na de tweede eeuw tussen de twee religies interactie plaatsvond, en dat beide zich naast elkaar bleven ontwikkelen, waardoor de scheiding veel minder duidelijk was. De discussie over het al dan niet scheiden van de wegen tussen het jodendom en het christendom is daarmee nu weer actueel en allesbehalve afgrond.
Met betrekking tot dit onderzoek zijn in het bijzonder twee zaken uit bovenstaande bundel van belang. Ten eerste stellen Reed en Becker dat zelfs na de tweede eeuw het onderscheid tussen joden en christenen in veel gevallen vaag blijft. Deze bewering sluit aan bij Engbergs overtuiging dat de meeste christenen in de tijd van Nero zichzelf waarschijnlijk als joden beschouwden en door de Romeinen ook zo werden gezien. Ten tweede wijzen Reed en Becker erop dat het parting-model een eigen leven is gaan leiden. Zij stellen dat het model in eerste instantie slechts een middel was om de bronnen te analyseren, maar dat het zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld tot de standaard waartegen de informatie uit de bronnen moet worden afgemeten. Dit heeft ertoe geleid dat het middel de norm is geworden en daarmee onterecht als een onbetwistbare waarheid wordt gebruikt. Reed en Becker sluiten een parting of the ways niet uit, maar wijzen erop dat de informatie niet eenduidig is en dat een voortdurende discussie over dit onderwerp van belang is.
Het lijkt geen uitgemaakte zaak dat de scheiding tussen joden en christenen had plaatsgevonden in de eerste eeuw na Chr. Het onderscheid tussen verschillende religieuze facties was hierdoor voor de Romeinen lastig vast te stellen. Een andere bepalende factor voor het maken van een onderscheid in een groep mensen is de omvang van de te onderscheiden groep. In dit onderzoek is het daarom van belang om na te gaan hoe groot de groep christenen aan het einde van de eerste eeuw na Chr. vermoedelijk was. Keith Hopkins schrijft in zijn artikel Christian Number and Its Implictions (1998) dat de oude christelijke schrijvers de term ‘christenen’ gebruikten om groepen mensen aan te duiden die zichzelf waarschijnlijk geen christenen noemden of dit niet als de belangrijkste pijler van hun identiteit beschouwden. Bovendien is het problematisch om vast te stellen wat de criteria moeten zijn om iemand een christen te noemen in een polytheïstische wereld waar de trouwheid van gelovigen veel meer onderhevig was aan de actuele omstandigheden.
Los van deze overwegingen is het zeer de vraag of het aantal christenen groot genoeg was om als aparte groep te worden onderscheiden en als ‘interessant’ genoeg beschouwd te worden door de Romeinse overheid om te vervolgen. Hopkins concludeert dat in het jaar 100 na Chr. ongeveer zevenduizend christenen leefden in het Romeinse Rijk en dat deze, als percentage van de totale rijksbevolking van ongeveer zestig miljoen mensen, slechts een marginale 0,01% van de bevolking vormden. Uit deze cijfers maakt Hopkins op dat het hoogst onwaarschijnlijk lijkt dat de christenen een religieuze groep vormden die voor de Romeinse overheid interessant genoeg was om te vervolgen. Hoe verklaart Hopkins dan de talloze christelijke documenten waarin wordt gesproken over vervolgingen door de Romeinse overheid? Hij stelt dat de christenen mogelijk de vervolgingen gebruikten om hun eigen groep af te bakenen en hun zelfbeeld te versterken. Hopkins hamert er zelfs op dat de absolute getallen die hij noemt slechts een benadering van de werkelijke getallen zijn, maar zijn onderzoek laat in ieder geval zien dat het aantal christenen in de eerste eeuw gering was geweest.

CONCLUSIE

Nero’s reputatie als allereerste christenvervolger in de menselijke geschiedenis is onlosmakelijk verbonden met de brand die in 64 na Chr. Rome verwoestte. De catastrofale brand is opgenomen in het collectieve geheugen van Nero’s tijdgenoten en heeft via de primaire bronnen zijn weg gevonden naar het heden. Nero was na de brand geen populaire keizer meer en kwam vier jaar later in juni te overlijden, nog voor zijn dertigste verjaardag. Het verhaal gaat dat hij een dolk in zijn keel stak terwijl hij de woorden ‘welk een kunstenaar sterft er in mij?’ uitsprak. Of dit nu waarheid of mythe is: de woorden doen recht aan een keizer die onverschillig toekeek en poëzie proclameerde, terwijl de hoofdstad van zijn rijk in vlammen opging.
Als staatshoofd werd Nero al dan niet terecht verantwoordelijk gehouden voor de grote brand. De bronnen zijn niet eenduidig over de toedracht. Zo beschouwde Tacitus Nero niet als de brandstichter of opdrachtgever, hoewel hij desalniettemin de beschuldiging aan het adres van de keizer vermeldde. De verwijzing die Tacitus maakte naar de vervolgingen die Nero mogelijk had geïnitieerd ten koste van de christenen in Rome naar aanleiding van de brand, is van groot belang gebleken. Vandaag de dag zijn veruit de meeste historici het erover eens dat Nero daadwerkelijk de eerste keizer was die de christenen liet vervolgen. Over de vraag of dit per keizerlijk edict of wet is afgekondigd, is meer discussie en het lijkt erop dat in dit geval de meeste historici reserves hebben over de betrouwbaarheid van deze bewering. Wet of geen wet: het is aannemelijk dat de keizer van Rome de macht en de middelen had om een religieus afwijkende en vermoedelijk niet al te grote groep te vervolgen. Bovendien is het ontbreken van een keizerlijk decreet in de fragmentarisch overgeleverde bronnen uit de oudheid in deze kwestie geen reden om de mogelijkheid van een vervolging uit te sluiten. Het is in zekere zin plausibel dat Nero als eerste de christenen als religieuze groep liet vervolgen.
Dit betekent echter niet deze mogelijkheid de meest waarschijnlijke is, integendeel. De these dat Nero als eerste keizer de christenen liet vervolgen, is in het licht van dit onderzoek minder aannemelijk dan de these dat Nero de christenen niet heeft laten vervolgen. Het bewijs voor de eerste these roept op haar zachtst gezegd vragen op. De antieke christelijke schrijvers Meliton en Tertullius zijn terecht door Engberg als onbetrouwbaar bestempeld. Meliton en Tertullius leefden weliswaar in een tijd die relatief dicht bij die van Nero lag, maar zij schreven voor een bepaald publiek en met een bepaald doel voor ogen. Zonder directe steun van andere bronnen kunnen zij de toets van kritiek niet doorstaan. Sulpicius Severus schreef twee eeuwen na de dood van Nero over de christenvervolgingen en door de historicus Christensen is geopperd dat deze uitlatingen mogelijk werden gekleurd door de vervolgingen die de latere keizers Decius en Diocletianus gelastten. De gerenommeerde academicus T. D. Barnes komt na bestudering van de eerder genoemde klassieke auteurs en verschillende andere schrijvers als Eusebius en Suetonius, tot de conclusie dat er één specifiek document is dat van groot belang is in deze kwestie: de briefwisseling tussen keizer Trajanus en gouverneur Plinius de Jongere. Barnes stelt dat uit deze briefwisseling blijkt dat er geen precedent was voor het vervolgen van christenen in 112 na Chr. Volgens Barnes zou gezien het karakter van de Romeinse bestuurlijke wetmatigheden een dergelijk precedent waarschijnlijker zijn geweest dan het ontbreken ervan. Daarnaast concludeert Barnes dat er geen rechtvaardiging is voor de bewering dat de eerste christenvervolgingen in Rome plaatsvonden, er een causaal verband was met de brand van 64 na Chr. en dat de keizer deze had ingesteld.
Indien Nero christenen heeft laten vervolgen, was hij op de hoogte van het bestaan van deze groepering. Het sluitende bewijs hiervoor, valt niet te leveren, maar in dit geval kan er worden gekeken naar welke mogelijkheid als meest aannemelijk kan worden aangemerkt. Alvorens een keizer het bestaan van een religieuze groep ontdekte, valt te verwachten dat desbetreffende groepering uit een opmerkelijk/aanzienlijk aantal leden bestond. Keith Hopkins schat echter dat het aantal christenen in het Romeinse Rijk in de eerste eeuw slechts rond de zevenduizend lag. Hij geeft toe dat zijn onderzoek door een gebrek aan harde gegevens speculatief is en dat het hier gaat om een schatting. Toch geeft dit aantal op een bevolking van ongeveer zestig miljoen te denken, zeker ook gezien het feit dat niet alle christenen in Rome zullen hebben gewoond. Dit is natuurlijk geen direct bewijs voor de these dat Nero niet op de hoogte was van het bestaan van de christenen, maar het kan wel als ondersteunend bewijsstuk worden gezien. Hopkins vraagt zich dan ook terecht af of het aannemelijk is dat Nero, zelfs als hij van hun bestaan op de hoogte was, de christenen als interessant genoeg had beschouwd om te vervolgen.
Dan is er nog de kwestie van jodendom en christendom als aparte religies. Het is lang niet zeker dat in de eerste eeuw na Chr. een parting of the ways tussen joden en christenen plaatsvond. Reed en Becker achten het waarschijnlijk dat de afbakening tussen joden en christenen veel minder duidelijk was ten tijde van Nero dan in latere jaren. Engberg ondersteunt deze these en voegt hieraan toe dat in deze periode de meeste christenen zichzelf waarschijnlijk als joden beschouwden en tevens als zodanig door de Romeinen werden gezien.
Derhalve moet, aan de hand van de onderzoeksresultaten, de conclusie worden getrokken dat Nero waarschijnlijk niet de eerste keizer was die christenen liet vervolgen.
Het is aannemelijker dat Nero niet op de hoogte was van het bestaan van de christenen. Er is daarom onvoldoende grond om aan te nemen dat Nero de christenvervolgingen verordende. De bewijslast is niet eenduidig en verre van compleet, maar dit geldt evengoed voor de academici die het wel aannemelijk achten dat Nero de eerste vervolger van de christenen was. Het komt er uiteindelijk op neer dat het bewijs dat voorhanden is met betrekking tot dit onderwerp, Nero voorlopig ontslaat van de zware beschuldiging en dat de twijfelachtige eer van de allereerste christenvervolger is toe te schrijven aan één van zijn opvolgers.


LITERATUURLIJST

Bakkers A., “De Bacchanalia” Leidschrift 20 (2005) afl. 1, 36-54.

Barnes, T. D., ‘Legislation against the Christians’ The Journal of Roman Studies 58 (1968) afl. 1 en 2, 32-50.

Beard M., “The Roman and the Foreign: The Cult of the ‘Great Mother’ in Imperial Rome” in: Nicholas Thomas e.a. ed., Shamanism, History and the State (The University of Michigan press 1994) 163-190.

De Blois, L. en R.J. van der Spek, Een kennismaking met de Oude Wereld (Bussum 2001).

Frend, W.H.C., ‘Persecution in the early church’ Christian History 9 (1990) afl. 3, 5-?.

Jakob Engberg, Early Christianity in the context of antiquity (Frankfurt am Main 2007).

Hopkins, K., ‘Christian Number and Its Implications’ Journal of Early Christian Studies 6 (1998) afl. 2, 185-226.

Meijer, F., Keizers sterven niet in bed. Van Caesar tot Romulus Augustulus 44 v.Chr.-476 n.Chr. (Amsterdam 2006).

Meijer, F., Vreemd volk. Integratie en discriminatie in de Griekse en Romeinse wereld (Amsterdam 2008).

Reed, A. Y., en A. H. Becker, “Introduction” in: A. Y. Reed en A. H. Becker (eds.) The Ways that Never Parted (Mohr Siebeck 2003).

Shotter D., Nero. second edition (New York 2005).

About the author:

Nieuwsbrief

Back to Top