David Garvelink: Vinum vita est

David Garvelink: Vinum vita est

Reacties uitgeschakeld voor David Garvelink: Vinum vita est

David Garvelink

Samenvatting

Het drinken van alcohol was in de Romeinse wereld aan de orde van de dag. Keizers, slaven, soldaten, vrouwen, barbaren – in alle sociale kringen kwam men met alcohol in aanraking. En gedronken werd er, in grote hoeveelheden. Maar het Rijk werd ook gekenmerkt door een complex netwerk van conventies en restricties die het dagelijks leven streng reguleerden. David Garvelink onderzoekt in Vinum vita est (‘Leven is wijn’) hoe de verschillende sociale groepen omgingen met alcohol. Wat was acceptabel en wat niet? Alcoholinname botst frequent met deugdzaam gedrag. Wat woog zwaarder? Het bewijs van mannelijkheid to hold one’s liquor, of het verlies van reinheid en controle over het lichaam? De Romeinse auteurs schreven in geuren en kleuren over drank. Geschiedschrijvers grepen het drankgebruik van hooggeplaatsten dankbaar aan om hen zwart te maken danwel op te hemelen. Garvelink biedt een heldere en originele analyse, die gelukkig niets inboet aan smeuïgheid.

Download de PDF

David Garvelink (pdf)

Lees met ISSUU

Volledige Tekst

INLEIDING

Je verdiepen in de manier waarop alcohol wordt geconsumeerd, houdt dus in dat je je moet afvragen hoe een maatschappij er in het algemeen tegenover
staat en welke maximale wettelijke afwijking ze tolereert’.
A. Lacroix – ‘In drank ten onder’ (2001)

De Romeinse satiricus Persius beschrijft in zijn derde satire een jongeman die voor de zoveelste keer om elf uur ’s ochtends ontwaakt met een gruwelijke kater. Het zonlicht schijnt tussen de kieren van de gordijnen de slaapkamer binnen, terwijl de buitenwereld reeds op volle toeren draait. Het vee graast vredig op de velden en de zon droogt de gewassen. De jongeman blijft echter in bed liggen en slaapt zijn roes uit, omdat de Falernische wijn nog steeds in zijn buik borrelt en het donkergroene gal in zijn lever opspeelt. Bovendien leeft hij in de veronderstelling dat alle ezels van Arcadië in zijn oor balken, waardoor zijn schedel ieder moment kan splijten. Persius geeft de jongeman de volle laag: deze dronken levensstijl is onacceptabel!
Waarom (en waar) botste het gedrag van de dronken jongeman met de Romeinse opvattingen over een deugdzaam leven? Welke normen en waarden lagen ten grondslag aan de veroordeling van zijn gedrag? Sociaal gedrag werd in de Romeinse wereld gereguleerd en voorgeschreven door een uitgebreid en complex netwerk van conventies en restricties. Het fundament van dit systeem was het morele conservatisme van de aristocratie dat bestond uit kerndeugden als dignitas (‘eer’), gravitas (‘aanzien’), continentia (‘matiging’) en gloria (‘roem). De deugdzame Romein diende te leven naar deze waarden en deugden (zie §3.1).
Het drinken van alcohol was in de Romeinse wereld aan de orde van de dag. De succesvolle wijnbouw zorgde voor wijdverbreide beschikbaarheid en aftrek van alcohol onder de Romeinse bevolking. Een onvermijdelijke consequentie van alcoholconsumptie is lichamelijke en geestelijke verandering, die op haar beurt de sociale interactie beïnvloedt, aangezien het nuttigen van alcohol (over het algemeen) plaatsvindt in een sociale setting.
Indien bovenstaande elementen – het morele conservatisme, alcoholconsumptie en de sociale impact hiervan – worden samengevoegd, ontstaat de volgende probleemstelling: ‘Welke interactie bestond er tussen het morele conservatisme van de aristocratie en alcoholconsumptie door mannen, vrouwen en non-elitaire groepen (soldaten, slaven, ‘barbaren’, het ‘gewone volk’) ten tijde van het vroege Romeinse keizerrijk, en hoe werd alcohol gebruikt om verschillende groepen te karakteriseren?’ Wat maakt het beantwoorden van deze probleemstelling interessant? Zoals reeds vermeld, leidt alcohol-consumptie tot een veranderde mentale en fysieke staat. Een overmatige alcoholinname kan daarbij uitlopen op gedrag dat geschreven en ongeschreven regels overtreedt. Het consumeren van alcohol botst frequent met ‘normaal’ en deugdzaam gedrag. Dit zorgt voor interessante situaties (bijvoorbeeld vechtpartijen en seksuele losbandigheid) die op hun beurt door de Romeinse auteurs in geuren en kleuren zijn beschreven in fascinerende anekdotes. Hierdoor is een groot deel van dit onderzoek gebaseerd op de meest onderhoudende bronfragmenten van de Romeinse literatuur.
In 1976 publiceerden Yawney en Popham postuum Jellineks ‘Drinkers and alcoholics in ancient Rome’ en deden in hun introductie de volgende bewering: ‘It still appears to be the only attempt up to now to provide an objective overview of alcohol use among the Romans (…) Previous students of the topic have tended to asses the data from the standpoint of a biased position on matters of alcohol’. De constatering van Yawney en Popham aangaande de onderbelichte status van alcoholgebruik in de historiografie van het Romeinse Rijk slaat de spijker op zijn kop: slechts een handjevol publicaties is hieraan gewijd.
Zowel over het morele conservatisme van de aristocratie als over de Romeinse eet- en (in beduidend mindere mate) drink-gewoontes, is veelvuldig gepubliceerd. Een diepgaand onderzoek naar de interactie tussen beide heeft echter nooit plaatsgevonden. Kortom, de combinatie van beide voorziet in een origineel perspectief op een niche in de historiografie van het Romeinse Rijk.
De primaire bronnen vormen het fundament van dit onderzoek. Het gebruik van deze stof vereist een kritische houding (zie §1.2). De secundaire literatuur doet dienst als hulpmiddel bij deze analyse en voorziet tevens in de nodige achtergrondinformatie. Het kan voorkomen dat historici verschillende interpretaties van een bronfragment hanteren. In dit geval worden de tegenstrijdige visies kort besproken. Op deze manier komt een levendige wisselwerking tot stand tussen de primaire bronnen en secundaire literatuur, aangevuld met interpretaties en opvattingen van de onderzoeker.

Terminologie
De terminologie van dit onderzoek vereist toelichting. Allereerst moet de voorkeur voor het gebruik van het begrip ‘alcohol’ ten opzichte van ‘wijn’ worden verklaard. Immers, wijn domineerde de alcoholische markt in het Romeinse Rijk vrijwel volledig en in de bronnen wordt alcohol als op zichzelf staande stof nooit genoemd. Toch wordt in dit onderzoek voornamelijk de term ‘alcohol’ gehanteerd, omdat de nadruk van het onderzoek ligt op het effect van wijn (beschonkenheid, losbandigheid etc.) en niet op het product zelf. Wijn is weliswaar de drager van ‘alcohol’, maar de lichamelijke en sociale consequenties zijn te wijten/danken aan de ‘alcohol’.
Een tweede terminologische toelichting richt zich op de mate van alcoholconsumptie in de gebruikte primaire bronnen. De alledaagse rol die wijn als voedingsmiddel speelde in de Romeinse wereld maakt dat alcoholconsumptie in de bronnen frequent plaatsvindt. De kwantiteit en frequentie van het drinken variëren dientengevolge per bronfragment. In dit onderzoek zal het zwaartepunt liggen op de fragmenten waarin sprake is van overmatig drankgebruik. Let wel: dit sluit vermeldingen van ‘normaal’ drankgebruik niet uit, maar waar de grens van acceptabel alcoholgebruik wordt overschreden, vindt simpelweg de levendigste interactie plaats met de Romeinse deugden. Bovendien maakt de anekdotische aard van de primaire bronnen dat buitengewone situaties eerder worden vermeld dan alledaagse zaken. Kortom, de exacte soort alcoholconsumptie waarop dit onderzoek zich richt, laat zich lastig definiëren. Er bestaat echter een voorwaarde waaraan moet worden voldaan: de alcoholconsumptie, ongeacht de mate en frequentie, moet botsen dan wel rijmen met het morele conservatisme van de Romeinse aristocratie om in aanmerking te komen voor dit onderzoek. Deze wisselwerking speelt zich te allen tijde af in de geschriften en werken van de Romeinse auteurs.
Het derde punt aangaande de terminologie behelst een korte toelichting van de wijze waarop de Romeinse normen en waarden worden weergegeven in de tekst. De Romeinse sociale kernwaarden, zoals gravitas, virtus en continentia, omvatten complexe constructies die zich slecht laten vertalen naar Nederlandse begrippen. Zo kan het begrip virtus bijvoorbeeld verwijzen naar zowel ‘mannelijk’ en ‘dapper’ als ‘krachtig’. Bovendien is de juiste vertaling afhankelijk van de context waarin het begrip wordt gebruikt. De ingewikkelde aard van deze begrippen en hun vele betekenissen worden, om verwarring te bestrijden, verder toegelicht in §3.1. Het is echter handig om te vermelden dat het gebruik van de deugden/waarden zal worden afgestemd op het onderwerp van dit onderzoek: hun interactie met alcoholconsumptie, en dat (sowieso bij het eerste gebruik) van de Latijnse termen altijd een vertaling wordt gegeven.
Als vierde moet de keuze voor Romeinse mannen (adolescenten, keizers, soldaten), vrouwen en non-elitaire/gemarginaliseerde (het ‘gewone’ volk/lagere klassen, ‘barbaren’ en slaven) groepen worden verklaard. De verklaring is drieledig. Ten eerste vertegenwoordigen deze groepen een brede laag van de Romeinse samenleving. Ten tweede vertoont hun alcoholconsumptie een eigen/unieke omgang met de waarden van het morele conservatisme. Ten derde vormen deze groepen favoriete onderwerpen van moderne historici waardoor ondersteunende secundaire literatuur niet ontbreekt.
De laatste terminologische kanttekening richt zich op de periodisering van het onderzoek. Het aantal beschikbare primaire bronnen is niet evenredig verdeeld over de Romeinse geschiedenis. Zo zijn weinig er bronnen over de Romeinse Koningstijd en de vroege Republiek aan ons overgeleverd. Het vroege Romeinse keizerrijk (ca. 14 v. Chr – 100 na Chr.) is qua bronnen daarentegen een rijke periode. Slechts bij hoge uitzondering wordt van deze periodisering afgeweken. Indien dit gebeurt, wordt hiervoor een verklaring gegeven.

‘Whatever the facts, posterity has its own uses for anecdotes’.
T. Africa – ‘Adam Smith, the wicked knight and the use of anecdotes’ (1995)

1.1 Romeinse auteurs en bronnen

In het eerste deel van deze paragraaf staan de Romeinse auteurs centraal, die de voornaamste leveranciers waren van het bronmateriaal voor dit onderzoek. Hun specifieke bijdragen aan dit onderzoek worden beknopt besproken. In het tweede deel van deze paragraaf zal worden gekeken naar de bruikbaarheid van de Romeinse satiren, geschiedschrijving en biografieën. Daarnaast zal specifiek de historische waarde van anekdotes kritisch onder de loep worden genomen. Ten derde wordt kort aandacht besteed aan de representativiteit van de auteurs voor de Romeinse samenleving. Als laatste worden kort twee aparte wijnsoorten besproken, te weten de onaangelengde/ onvermengde en de Falernische wijn, vanwege hun anekdotische aard en waarde voor dit onderzoek.

Auteurs
De biografieën van Suetonius over de Romeinse keizers zijn rijk aan menselijke details en scherpe observaties. Suetonius’ veelvuldige besprekingen van het keizerlijke drankgebruik (§4.1) en andere losse opmerkingen over acceptabel en onacceptabel drankgebruik, zijn van onschatbare waarde voor dit onderzoek.
De geschriften van de alom bewonderde Romeinse historicus Tacitus spelen op twee specifieke plekken in dit onderzoek een belangrijke rol. Allereerst doet Germania dienst als voornaamste bron voor Romeinse opvattingen over ‘barbaars’ drankgebruik (§4.3). Ten tweede wordt in zijn Annalen en Historiën veelvuldig verwezen naar acceptabel en onacceptabel drankgebruik door Romeinse soldaten (§4.1). Daarnaast worden verscheidene losse opmerkingen van Tacitus over drankgebruik gebruikt in andere paragrafen/hoofdstukken.
Het magnum opus van de Grieks-Romeinse senator Cassius Dio, genaamd Romeinse geschiedenis, bestaat uit tachtig boeken en heeft vele bronfragmenten geleverd voor dit onderzoek waarin onacceptabel en acceptabel drankgebruik wordt besproken. Cassius Dio kan niet worden aangewezen als leverancier van een specifieke paragraaf/hoofdstuk, maar dat moet niet leiden tot een onderschatting van zijn bruikbaarheid en belang voor dit onderzoek.
De lijvige studie van Plinus de Oudere, genaamd Naturalis Historia, evenaart met zijn zevenendertig boeken bijna Cassius Dio’s Romeinse geschiedenis in omvang. Plinius heeft nagenoeg elk facet van de Romeinse wereld belicht en zodoende als een van de weinige auteurs een compleet hoofdstuk gewijd aan dronkenschap. In het desbetreffende hoofdstuk trakteert Plinius zijn lezers op (o.a.) een lijst van de grootste drinkers uit de Romeinse geschiedenis. Ook voor Plinius geldt dat zijn belang voor dit onderzoek groot is geweest. Juvenalis omschreef in zijn satiren het ‘morele verval’ van de beschaving, met al haar decadentie, verdorvenheid en seksuele losbandigheid. Juvenalis maakt frequent opmerkingen over onacceptabel drankgebruik. De opmerkingen van Juvenalis hierover betreffende Romeinse vrouwen (§4.2) zijn van onschatbare waarde gebleken voor dit onderzoek. Hetzelfde geldt voor Juvenalis’ opmerkingen over het drankgebruik van het ‘gewone volk’ en over degenen die zich onderaan de maatschappelijke ladder bevonden (§4.3).
De Satyricon van Petronius is slechts ten dele aan ons overgeleverd, maar desalniettemin is dit werk een essentiële bron van informatie voor dit onderzoek omdat de satire een groot aantal verwijzingen naar onacceptabel drankgebruik bevat. Over de stereotypering van gemarginaliseerde groepen aan de hand van hun drankgebruik, verschaft Petronius tevens belangrijke informatie (§4.3). De Romeinse filosoof en redenaar Seneca heeft vele werken nagelaten, maar met name zijn Brieven aan Lucilius zijn een goudmijn als het gaat om informatie over alcoholgebruik in de Romeinse wereld. Eén brief is zelfs volledig gewijd aan dronkenschap. Seneca spreekt zich hierin duidelijk uit over acceptabel en onacceptabel drankgebruik.

Satiren
Het euvel van de Romeinse satiren wat historische objectiviteit betreft, is inherent aan de doelstelling van het genre om lezers te vermaken en niet objectief te informeren. De realiteit is bijzaak voor de satiricus, zijn werk bestaat bij de gratie van de vermakelijkheid. Zo onderhoudt Petronius zijn lezerspubliek met een humoristisch verhaal. Hij probeert de lezer niet serieus of objectief in te lichten over de maatschappelijke problemen aan de schaduwkant van de Romeinse samenleving. Anders zou de foute conclusie moeten worden getrokken dat de gehele Romeinse samenleving dagelijks zat was en uitsluitend bestond uit seksuele perverselingen.
Het grote voordeel van satire als bron voor dit onderzoek is dat het genre zich specifiek bezighoudt met het leveren van kritiek op de immoraliteit van grensoverschrijdend gedrag. Bovendien moesten de satiren gestoeld zijn op de realiteit, want iets op de hak nemen dat niet bestaat maakt geen enkele lezer aan het lachen. Zoals de historicus Cokayne constateert: ‘It is likely, however, that in order to have meaning for the audience these texts and images had some connection with reality’. De satiren zijn dus een goudmijn voor informatie over onacceptabel drankgebruik en indirect over acceptabel drankgebruik, indien de overdrijvingen en hyperbolen worden gerelativeerd en de inhoud voorzichtig benaderd.

Geschiedschrijving, biografieën en de historische waarde van anekdotes
De Romeinse geschiedschrijving confronteert onderzoekers met ongeveer hetzelfde probleem als de satirische werken. Een moderne historicus tracht na zorgvuldige analyse een waarheid boven tafel te krijgen, maar bij zijn Romeinse collega’s krijgt het opwekken van inspiratie, trots en leesplezier voorrang boven het achterhalen van de waarheid. De Romeinse geschiedschrijvers kunnen ook andere effecten op het oog hebben zoals ‘to express hostility, contempt, envy, to make sense of the world the teller lived in’. De hostility en contempt uitten zich bijvoorbeeld in het zwartmaken van politieke vijanden. De Romeinse historicus staat echter niet onverschillig tegenover historische feiten (geschiedschrijving is immers gebaseerd op historische gebeurtenissen): zijn doelen vereisen nu eenmaal een proces van overdrijven en aandikken. Een zorgvuldige analyse van deze primaire bronnen (en de motivatie achter de oordelen van de auteurs) levert een schat aan bruikbare informatie op.
Een tweede probleem met de betrouwbaarheid van de Romeinse geschiedschrijvers is het feit dat hun geschriften doorspekt zijn met smeuïge anekdotes. Deze waren in feite roddels met een dermate hoge amusementswaarde dat zij zelfs werden voorgedragen tijdens diners. De vermakelijkste en origineelste anekdotes waren ongetwijfeld het populairst, niet de meest waarheidsgetrouwe. Het is geen geheim dat Romeinse auteurs de anekdotes ook gebruikten om hun eigen doeleinden en belangen te behartigen, namelijk het behagen van hun publiek. Bovendien werden anekdotes door de generaties heen overgeleverd, zonder dat hun origine werd achterhaald. Hierdoor zijn hun scheppers en de context waarin de anekdotes moeten worden geplaatst onbekend gebleven. Daarbij hebben de Romeinse schrijvers de onhandige gewoonte om hun eigen draai aan anekdotes te geven. Ieder afzonderlijk element was onderhevig aan verandering en toevoegingen: kleine details werden ingewisseld en veranderd, maar ook de locatie, periode en zelfs de personages en crux stonden geen van allen vast. De Romeinse schrijvers beriepen zich óf op hun geheugen wanneer zij anekdotes aanhaalden óf het kon hen simpelweg niet schelen of ze de schriftelijke bronnen, waar ze de anekdotes uithaalden, nauwgezet volgden.
Ook in de biografieën van Suetonius, die een essentieel onderdeel vormen van dit onderzoek, wemelt het van de anekdotes. De Romeinse biograaf onderscheidde zich van de historicus door de opvoeding, het karakter en het sterven van zijn hoofdpersoon centraal te stellen. Anekdotes in alle soorten en maten werden hiervoor veelvuldig gebruikt. Sommige moderne historici vergelijken Suetonius zelfs met een roddeljournalist die de nadruk vooral legt op schandalen en schunnige roddels over de keizers. Dit was inherent aan een literair genre waarin de lezers persoonlijke, intieme informatie eisten van de schrijver over onderwerpen als opleiding, liefdesaffaires en karaktertrekken: informatie die de biograaf vaak niet kon achterhalen. Indien een biograaf zijn lezerspubliek aan zich wilde binden, was hij genoodzaakt gebruik te maken van zijn fantasie en creativiteit. Daarnaast zou een kritische houding ten opzichte van de herkomst en betrouwbaarheid van anekdotes niets opleveren: Suetonius had ook geen idee aan wiens geest de anekdotes waren ontsproten.
Kortom, uit bovenstaande blijkt dat het gebruik van anekdotisch materiaal voor een wetenschappelijk onderzoek de nodige problemen oplevert. Het waarheidsgehalte valt immers niet te achterhalen en de beweegredenen van personages blijven voor de moderne onderzoeker verborgen. Mogen anekdotes überhaupt worden gebruikt voor dit onderzoek? Deze vraag mag gelukkig positief worden beantwoord. Waarom? Omdat de anekdotes betekenis hebben voor de Romeinse auteurs zelf: hun eigen opvattingen en ideeën kleuren de anekdotes. Hun werkwijze van anekdotes aandikken, verdraaien en verwisselen doet daar niets aan af. Sterker nog, overdrijvingen en verzinsels zijn subjectieve elementen, die de Romeinse auteurs gebruiken om hun meningen en opvattingen te ventileren. De overtuigingen, normen en waarden van de auteur (en de sociale groepering waartoe hij behoorde) zijn te distilleren uit anekdotisch materiaal en laat dát nu het onderwerp zijn van dit onderzoek: de mentaliteit van de Romeinse auteurs ten aanzien van alcoholgebruik, gevormd door hun normen en waarden. De historicus Saller constateert dan ook: ‘Anecdotes can be valuable evidence for the attitudes and ideologies of peoples (…) Rarely serving as evidence for what actually happened, anecdotes should be evaluated and interpreted according to whether they reflected ideology or beliefs about reality (…)’.

Romeinse auteurs en hun representativiteit voor de Romeinse samenleving
De representativiteit van de Romeinse auteurs voor de rest van de Romeinse samenleving is marginaal. Ten eerste waren alle schrijvers mannen die schreven voor hun seksegenoten. De mannelijke visie op vrouwen moet hierdoor te allen tijde worden gerelativeerd. Ten tweede behoorden alle auteurs tot de elite. Zo constateert Purcell: ‘There is no doubt a theoretical history of consumption habits among the low in status (…) but we will never be able to write it. We are, on this subject in the hands of the literary aristocracy’. Ten derde waren de Romeinse schrijvers allen vrije burgers van de Romeinse staat, die de overtuigingen van slavenbezitters vertegenwoordigen en ondersteunden. Ten vierde werden de Romeinen in hun denken over ‘barbaren’ gestuurd door een weinig verlicht proto-racisme. Een analyse van de auteurs is noodzakelijk om hun gebrekkige representativiteit voor de Romeinse samenleving te overkomen. Dit wordt bewerkstelligd door de motieven van de schrijvers nooit uit het oog te verliezen. Welk belang heeft de auteur bij het afschilderen armen en ‘barbaren’ als oncontroleerbare zatlappen? Waarom beschouwt de auteur drinkende vrouwen als uitermate gevaarlijk voor de gezinsstructuur? Het stellen van dit soort vragen stimuleert een kritische houding ten opzichte van het bronmateriaal en waarborgt daardoor het objectieve gehalte van het onderzoek.

Falernische wijn
In de primaire bronnen van dit onderzoek, wordt de meeste aandacht opgeëist door de beroemde Falernische wijn, die Purcell bestempelt als ‘the stock great wine of literature and anecdote’. De Falernische wijn werd verbouwd nabij de heuvel Falernus, gelegen in het westen van Italië. In de satiren van Juvenalis en Petronius staat deze wijnsoort symbool voor decadentie en misselijkmakende welvaart (een heus luxuria-product) wat vooral te wijten was aan de prijs: voor Falernische wijn betaalde men twee keer zoveel als voor andere wijn van goede kwaliteit.
De smaak van de Falernische wijn wordt door de satirici niet betwist, maar ook nooit (direct) bejubeld: hij dient voornamelijk als literair hulpstuk in het beschrijven van onbegrensde decadentie en luxe.

Onaangelengde/onvermengde wijn
Naast de hier boven besproken Falernische wijn speelt onaangelengde wijn (niet aangelengd met water) een rol bij de Romeinse auteurs. Het drinken van onaangelengde wijn wordt altijd negatief beoordeeld. Slechts ongeciviliseerde ‘barbaren’ en liefhebbers van excessen drinken onaangelengde wijn. De Romeinen leefden dan ook in de veronderstelling dat alle Keltische volkeren, die buiten de Romeinse invloedssfeer leefden, hun wijn onaangelengd dronken in tegenstelling tot wat fatsoenlijk gedrag dicteerde. Plinius de Oudere is verantwoordelijk voor de meest absurde claim over de schadelijke aard van het drinken van onvermengde wijn: ‘It is asserted that in apes, and other quadrupeds with toes, the growth will be impeded if they are accustomed to drink undiluted wine’.
Let wel, het drinken van onaangelengde wijn werd soms ook Romeinen verweten. Zo legt Cassius Dio de volgende woorden in de mond van de beroemde Boudica, die betwijfelt of de Romeinen ‘echte’ mannen zijn: ‘(…) if, indeed, we ought to term those people men who bathe in warm water, eat artificial dainties, drink unmixed wine, anoint themselves with myrrh, sleep on soft couches with boys for bedfellows (…) and are slaves to a lyre-player and a poor one too’. Aan de andere kant kan Cassius Dio nooit hebben beschikt over een speech van Boudica. Oftewel: het verwijt dat onaangelengde wijn niet voor mannen is, komt uit het Romeinse gedachtegoed voort. Het is daardoor echter niet minder opmerkelijk.
Al met al moet worden geconcludeerd dat onaangelengde/ onvermengde wijn slechts is weggelegd voor onfatsoenlijke figuren. Waarom? Ten eerste duidt het niet aanlengen van wijn op een ongekende spilzucht. Ten tweede, het hoge promillage van onaangelengde wijn leidt sneller tot dronkenschap met alle bijkomstige ellende zoals losbandigheid, lust en het verliezen van zelfbeheersing. In de loop van dit onderzoek zal de ‘undiluted wine’ vaak de revue passeren als uiting van decadentie en stimulering van incontinentia.

(…) It’s impossible to truly know—to inhabit, as it were—the bodies of the ancient dead and feel what they were feeling when they made their morning oblation or drank their cup of wine’.
Nicolas Delbanco – ‘Lastingness. The art of old age’ (2010)

1.2 Historiografie

In deze paragraaf wordt het historiografische debat over alcohol in het Romeinse Rijk besproken door de belangrijkste studies, die voor dit onderzoek zijn gebruikt, tegen elkaar af te wegen.
De oudste bijdrage aan het historiografische debat over alcoholconsumptie in de Romeinse wereld bestaat uit vier artikelen van A.P. McKinlay: ‘Early Roman sobriety’ (1948), ‘Roman sobriety in the later Republic’ (1949), ‘Roman sobriety in the early Empire’ (1950) en ‘The Roman attitude towards women’s drinking’ (1945). De grote lijn van McKinlay’s visie op het drankgebruik in de Romeinse geschiedenis is de stelselmatige toename van alcoholgebruik. In de tijd van de koningen en de vroege Republiek is het drinken van alcohol volgens hem zeldzaam, maar onder het keizerrijk begint de consumptie een opmars die resulteert in veel voorkomend onacceptabel drankgebruik. Hoe komt McKinlay’s tot deze constatering? Een gebrek aan bronmateriaal over alcohol zou volgens McKinlay wijzen op de algehele afwezigheid van alcoholgebruik in de Romeinse samenleving. Deze denkwijze omschrijft hij als volgt: ‘The brevity of this paper is a sort of mute witness of the situation in Early Rome. The paucity of Bacchic data for almost six hundred years assembled in so few pages may be indicative of the place of the wine god and his wares during those centuries’. Een gebrek aan bronnen duidt logischerwijs echter niet op de afwezigheid van drankgebruik, maar slechts op karigheid aan bronnen uit dit tijdperk.
Zoals reeds vermeld, constateert McKinlay wijdverbreide alcoholconsumptie in het vroege keizerrijk. Hij baseert deze constatering op het gezegde/de theorie ‘art imitates life’, het idee van ‘mimesis’: kunst bootst de werkelijkheid na. De Romeinse schrijvers overdrijven weliswaar, maar hun geschriften, observaties en oordelen zijn gebaseerd op de realiteit en na afzwakking van hun soms overdreven omschrijvingen, kunnen historici volgens McKinlay niet tot een andere conclusie komen dat het slecht is gesteld met het drankgebruik van de Romeinen ten tijde van het keizerrijk: de verwijzingen in de bronnen naar dronkenschap zijn immers talrijk. In deze theorie wordt McKinlay gesterkt doordat hij zich laat leiden door het ideaalbeeld van ‘de goede oude tijd’: het morele hoogtepunt van de Romeinse samenleving lag altijd in het verleden. Dit sentiment, dat grote populariteit genoot onder de door McKinlay gebruikte Romeinse auteurs, wordt door hem overgenomen. Deze moralistische opvatting van de Romeinse schrijvers bevestigt McKinlay’s conclusie dat de vroegere Romeinen sober door het leven gingen, maar dat latere perioden te kampen hadden met alomtegenwoordig drankmisbruik.
McKinlay’s bovenstaande redeneringen zijn ongegrond en foutief. Ze worden echter overgenomen in het postuum gepubliceerde artikel ‘Drinkers and alcoholics in ancient Rome’ (1976) van E.M. Jellinek. Het gebrek aan bronmateriaal over dronkenschap in een bepaalde periode duidt ook volgens Jellinek op nuchterheid en tegelijkertijd zou een grote hoeveelheid bronvermeldingen over alcoholmisbruik in een tijdperk bewijs zijn voor ongeremd alcoholgebruik.
Jellinek gaat daarbij een stap verder dan McKinlay in zijn verkeerde lezing van de beschikbaarheid van het bronmateriaal, door het alcoholgebruik in de Romeinse samenleving op te delen in vijf perioden: de sobere/nuchtere periode (ca. 600-200 v. Chr.), de toename van alcoholgebruik (ca. 200-100 v. Chr.), de opkomst van alcoholisme en dronkenschap (100-0 v. Chr.), wijdverbreid alcoholisme (0-100 na Chr.) en de afname van alcoholisme (100-400 na Chr.). Het tijdvak met de meeste primaire bronnen en logischerwijs de meeste anekdotes over alcoholgebruik (de eerste eeuw na Christus), wordt volgens Jellinek gekenmerkt door grootschalige alcoholconsumptie en alcoholisme.
In zijn boek Alcohol in western society from Antiquity to 1800 (1985) presenteert G.A. Austin een indrukwekkende verzameling aan alcohol gerelateerde bronfragmenten. De Romeinse auteurs komen ruim aan bod. Het werk van Austin is hierdoor van onschatbare waarde als startpunt voor een onderzoek naar alcoholgebruik in het Romeinse Rijk. Austin blijkt echter geen originele en kritische onderzoeker, aangezien hij Jellineks periodisering overneemt.
De beschikbaarheid of het gebrek van bronnen, en wat dit betekent voor de Romeinse alcoholinname, wordt door Jellinek, McKinlay en Austin nogmaals gebruikt: halverwege de tweede eeuw na Christus zou de populariteit van de druiventeelt zo extreem zijn gedaald dat een periode van langdurige soberheid en matiging zijn intrede zou hebben gedaan. Deze opvatting is wederom gebaseerd op een gebrek aan bronnen: over de tweede en derde eeuw na Christus zijn ons weinig bronnen overgeleverd.
John D’Arms publiceerde in 1995 ‘Heavy drinking and drunkenness in the Roman world’. In het artikel stelt hij vier vragen over alcoholconsumptie in de Romeinse samenleving: onder welke omstandigheden kon een Romein dronken worden zonder sociale conventies te breken? Leidde dronken wangedrag tot een sociaal stigma? Waar leerden jongemannen uit de bovenlaag over wijn en haar effecten? Zijn gevallen van hevig drinken en zatheid buiten de elite te ontdekken?
D’Arms gaat secuurder te werk dan zijn voorgangers en kan zich niet altijd vinden in hun opvattingen. Zo beticht hij Jellinek ervan te gemakkelijk alcoholisme te ontdekken onder de Romeinen. Volgens D’Arms zorgt het toepassen van die moderne term op Romeinse drinkers voor problemen. Nota bene: hij ziet het niet als onmogelijk, maar een onderzoeker moet voorzichtig en inventief te werk gaan, wil hij niet de fout ingaan. Hij vraagt zich af de Romeinen überhaupt ideeën hadden over alcoholisme en in hoeverre deze conformeren aan de hedendaagse opvattingen. Ook beschuldigt hij Jellinek van onzorgvuldige generalisaties over het Romeinse drankgebruik. Austin gaat volgens D’Arms voorzichtiger te werk, maar is op zijn best ‘somewhat better’ dan Jellinek. D’Arms laat zich niet uit over de periodisering van Jellinek en de door McKinlay geconstateerde toename van alcoholgebruik in de loop van de Romeinse geschiedenis. Naast bovenstaande kritiek op Jellinek en Austin leverde D’Arms een belangrijke bijdrage aan het historiografische debat door bovengemiddeld alcoholgebruik niet langer te beschouwen als een klassengebonden fenomeen, in tegenstelling tot Austin. D’Arms ging op zoek naar zware drinkers buiten de Romeinse elite. De speurtocht bleek succesvol en D’Arms concludeerde dat buitensporig drankgebruik ook buiten de bovenste lagen van de Romeinse samenleving veelvuldig voorkwam. D’Arms beriep zich onder andere op het onderzoek van N. Purcell. Het primaire bronmateriaal, dat zich weliswaar slechts sporadisch uitlaat over het drinkende arme deel van de bevolking, maakt voldoende melding om D’Arms’ constatering te ondersteunen en Austin ongelijk te geven (zie §4.3).
De reeds genoemde N. Purcell heeft via zijn artikelen ‘Wine and wealth in ancient Italy’ (1985) en ‘Women and wine in ancient Rome’ (1994) een cruciale bijdrage geleverd aan dit onderzoek. Het historiografische debat over alcohol in de Romeinse samenleving speelt bij Purcell echter geen hoofdrol. De nadruk ligt op de wijnbouw/druiventeelt en de sociale betekenis daarvan, maar er passeert voldoende relevant materiaal de revue om zijn beide werken hier te vermelden. Allereerst Wine and wealth, waarin Purcell aandacht besteedt aan de geschiedenis, herkomst en het economische belang van wijn in het Romeinse Rijk. Ook de sociale waardering (en het aanvankelijke gebrek daaraan) van wijnbouw onder de Romeinse elite en de invloed daarvan op de populariteit en productie van de alcoholische drank, worden glashelder op een rij gezet. Purcells voornaamste belang voor dit onderzoek bestaat uit het aantonen van een grote beschikbaarheid van alcohol in het vroege Keizerrijk. Het patronagesysteem met zijn schenkingen, de publieke banketten en de alomtegenwoordigheid van verkooppunten en kroegen in de stad, maakten dat de Romeinse bevolking geen dorst hoefde te lijden. De verspreiding van alcoholconsumptie onder alle lagen van de Romeinse bevolking wordt opgemerkt door Purcell, die een vigorous drinking-place culture among the urban communities of Roman cities’ constateert en een ‘great downward diffusion of wine-drinking in social terms’. De drijvende kracht achter de toenemende alcoholconsumptie was de rappe urbanisatie van het Romeinse Rijk, die vraag, consumptie en productie van wijn stimuleerde en de prijzen laag hield. In Women and wine in ancient Rome opent Purcell met enkele algemene observaties over de rol van alcohol in de Romeinse samenleving, alvorens de focus te verleggen naar alcoholconsumptie en vrouwen. Purcells observaties en onderzoeksresultaten zijn van essentieel belang voor dit onderzoek en worden in §4.2 uitgebreid behandeld.
Onzorgvuldigheid auteurs/subjectiviteit
De besproken historici, afgezien van Purcell en D’Arms, gaan de mist in wat zorgvuldigheid en subjectiviteit betreft. Allereerst moeten de opvattingen van McKinlay met een korrel zout worden genomen; de historicus was een kind van zijn tijd. Zo leidt hij zijn artikel over alcohol en vrouwen in op de volgende wijze: ‘In these latter days when women crowd the cocktail parlors so that returned soldiers have to take a back seat (…)’. Dit soort opmerkingen geven sterk het idee dat een abstinente priesterzoon er geen objectieve houding op na houdt wat alcohol (en vrouwen) betreft.
Bij de interpretatie van een bronfragment afkomstig van Plinius de Oudere door Jellinek moet evenzo een kanttekening worden geplaatst. Een Romeinse generaal bracht een offer met een kleine beker wijn, wat Jellinek ziet als bewijs voor de schaarste van wijn in vroegere tijden. De omvang van een offerbeker kan echter niet gelden als bewijs voor een dergelijk verstrekkende conclusie. De onzorgvuldige generalisaties van Jellinek leiden daarbij tot stellige beweringen, die niet zijn gebaseerd op bronnen of literatuur. Een goed voorbeeld hiervan is: ‘(…) most ancient libations were made not with wine but with milk’. Deze bewering hoeft niet per se fout te zijn, maar moet wel zijn gebaseerd op bronmateriaal of een plausibele hypothese, maar beide ontbreken.
Austin ontkomt ook niet aan kritiek als het aankomt op zijn interpretatie van bronmateriaal. Zo brandt hij zijn vingers aan generalisaties als: ‘after the death of Nero in 68, a more temperate era begins; the overall level of drunkenness appears to decline among the upper class and the imperial court’. Hoe Austin tot deze conclusie komt, blijft onduidelijk. Een ander voorbeeld van Austins neiging om te generaliseren bestaat uit zijn opmerking dat de klasse van de welvarende vrijgelatenen zoals Trimalchio, de grootste drinkers en alcoholisten herbergde. Het is niet duidelijk waarop Austin dit baseert en bovendien riekt deze opvatting naar vooroordelen van Romeinse auteurs over vrijgelatenen.
Een tweede punt van kritiek richt zich op de slordige werkwijze van Austin, die soms naar de foutieve bronnen verwijst, wat onnodig speurwerk en tijdsverlies oplevert. Een ander voorbeeld van zijn onzorgvuldigheid bestaat uit het overnemen van McKinlay’s bewering dat Juvenalis een dronken Venus in zijn Satiren zou opvoeren, terwijl de desbetreffende Venus moet worden gezien als een metafoor voor de ‘vrouw’ in het algemeen.

‘I shall show you how the branches and tendrils of the plant of Bacchus are entwined about the history and the destiny of Rome’.
G. Ferrero – ‘Characters and events of Roman history’ (1909)

2: Alcohol in de Romeinse wereld

Interactie tussen de aristocratische mentaliteit en alcoholconsumptie vereist vanzelfsprekend de beschikbaarheid van alcoholische producten in de Romeinse samenleving. In dit hoofdstuk wordt het voorhanden zijn van alcohol in de Romeinse wereld onderzocht. Let wel: de wijnbouw/handel in al zijn facetten wordt hier niet besproken. Immers sloeg Jellinek de spijker op zijn kop toen hij zei: ‘An adequate consideration of viticulture and the wine trade in ancient Italy would fill a large volume’. Wel wordt er tevens aandacht besteed aan de beschikbaarheid en waardering van bier in het keizerrijk.

De Romeinen waren frequente bezoekers van drinkgelegenheden zoals herbergen, cafés en andere etablissementen waar alcohol werd verstrekt. Indien een Romein zijn dorst wilde lessen buiten de deur, begaf hij zich naar een van de talrijke kroegen (diversoria) en herbergen (tabernae) in de stad. De deur werd daar platgelopen door burgers uit alle sociale lagen van de samenleving, hoewel voornamelijk de lagere klassen de vaste klandizie van dit soort kroegen vormden. Discrete tavernes genaamd ganea boden uitkomst voor de hogere klassen, die de huiskamer wensten te verruilen voor de openbare sfeer, maar liever niet werden geassocieerd met de schimmige drankholen waar prostitutie en gokken tot de dagelijkse gang van zaken behoorden. Andere standaard verkooppunten waren restaurants, bordelen, markten, badhuizen en stalletjes op straat.
Een andere bijdrage aan de beschikbaarheid van alcoholische middelen werd geleverd door weldoeners, die soms volledige gemeenschappen voorzagen van wijn. Andere gelegenheden van dezelfde filantropische aard waar alcohol werd verstrekt, waren publieke banketten, die onder andere door collegia werden georganiseerd. Ook het zogeheten ‘patronagesysteem’ droeg een steentje bij. In de Romeinse maatschappij was een belangrijke rol weggelegd voor patronage, een complex systeem van wederzijdse loyaliteit tussen patroon en cliënt. Zo ontving de patroon bijvoorbeeld politieke steun in ruil voor schenkingen aan zijn cliënten. Deze giften bestonden soms uit wijn. Deze vormen van schenkingen, maakten dat de Romeinen gewend raakten aan wijn als dagelijkse kost. Purcell constateert in het begin van het keizerrijk een stedelijke drinkcultuur die direct verband houdt met de rappe urbanisatie. De verstedelijking concentreerde de vraag en consumptie van wijn, waardoor ‘production increases; prices fall and demand receives further encouragement’ en die een explosieve groei van het aantal wijngaarden in het Romeinse Rijk teweegbracht. Dit is duidelijk terug te zien in het grote aanbod van wijnen: de Romeinen konden kiezen uit 185 verschillende wijnsoorten, waarvan tweederde was ontsproten aan de Italianische bodem. Bovendien vond geen vernietigende competitie op de markt plaats, aangezien de vraag zo groot was dat als wijnhandelaren hun producten naar Rome kregen, die altijd over de toonbank gingen. Een neveneffect was dat dit de productie van goedkope wijnsoorten stimuleerde, gericht op een alsmaar groeiende en onverzadigbare markt. De lage prijzen van deze wijnen zullen een verdere stimulans zijn geweest van de beschikbaarheid en verspreiding van alcohol onder alle lagen van de Romeinse samenleving. Let wel: grote beschikbaarheid impliceert niet een enorme toename van overmatig drankgebruik, maar zoals Jellinek opmerkt: ‘It does imply a readiness for the acceptance of the product (…) wine had become a common beverage’.
In het Romeinse Rijk leefde buiten de welvarende elite een groot deel van de bevolking in minder florissante omstandigheden aan de rafelrand van de samenleving. Zo bestonden sommige armen bij de gratie van eerder genoemde filantropische giften en graandonaties (de ‘frumentationes’), geschonken door welvarende weldoeners. De mate waarin armen zich wijn konden veroorloven, werd volgens Austin beïnvloed door de factoren prijs en beschikbaarheid. Zoals reeds aangetoond was alcohol ook voor de minder kapitaalkrachtige Romeinen in ruimte mate beschikbaar.
Ook de primaire bronnen spreken over een grote beschikbaarheid van alcohol in het keizerrijk. Zo doet Suetonius de volgende situatie uit de doeken: gedurende het bewind van Domitianus stond het verbouwen van graan op een laag pitje en ging teveel aandacht uit naar de druiventeelt. De keizer verbood daarom het planten van nieuwe wijngaarden en gaf het bevel om de helft van de provinciale wijngaarden te kappen. Aan de ware toedracht en daadwerkelijke uitvoering van Domitianus’ edict is uitgebreid aandacht geschonken door historici, maar hier is het slechts van belang om te constateren dat wijn een dominant en alomtegenwoordig aanwezig product was op de Romeinse markt.
Aan de andere kant wordt beschikbaarheid van alcohol voor Romeinse drinkers ontkend door Suetonius in het volgende fragment uit de biografie van Augustus: ‘(…) when the people complained of the scarcity and high price of wine, he sharply rebuked them (…)’. Hier kan echter net zo goed sprake zijn van een zeldzame ‘droge’ periode, zo ongewoon dat de bevolking meteen aan het klagen slaat, want normaliter was er altijd alcohol beschikbaar. Tevens kan de anekdote door Suetonius zijn gebruikt als onderstreping van Augustus’ deugdzame/nuchtere karakter (zie §5.1 over Suetonius’ stereotypering van Augustus als deugdzame keizer).
Al met al valt met zekerheid te zeggen dat wijn een grote beschikbaarheid genoot in de Romeinse wereld. Purcell constateert dan ook het volgende: ‘(…) wine was the only widely available intoxicant’.
Romeinen en bier
In de Romeinse wereld was wijn verreweg het meest gedronken alcoholische product, maar de notie dat Romeinen bier beschouwden als ‘barbaars’ vergt enige nuancering. De bewering van Ferrero bijvoorbeeld dat: ‘Rome poured out everywhere the ruddy and perfumed drink of Dionysos, and drove to the wilds and the villages, remote and poor, the national mead—the beverage of fermented barley akin to modern beer’, lijkt overdreven. Het bestempelen van bier als een ‘barbaars’ product door Romeinse auteurs, stond in dienst van een literair/cultureel doel: het afschilderen van de Germanen als ongeciviliseerd en on-Romeins. Het drinken van wijn vormde immers een cruciaal onderdeel van de Romeinse cultuur. Indien een ‘barbaarse’ stam zich toch waagde aan het drinken van wijn, was dit volgens de antieke literatuur de ongeciviliseerde, onaangelengde variant. De brieven uit Vindolanda (een Romeins fort/administratief hoofdkantoor in de buurt van de muur van Hadrianus), een belangrijke primaire bron, leveren echter bewijs van bier (zogeheten Keltische ceversa) drinkende soldaten uit het Romeinse leger. Zo doet een officier het volgende verzoek aan zijn bevelhebber: ‘Please, my lord, give instructions on what you want us to do tomorrow. Are we all to return with the standard, or just half of us? My fellow soldiers have no beer. Please order some to be sent’. Verder bewijs van bierconsumptie bestaat uit andere documenten, die volgens de historica H.E.M. Cool wijzen op het feit dat de gewone soldaat niet alleen stond in zijn bier drinken, maar werd bijgestaan door zijn bevelhebbers en leden van andere lagen van de Brits-Romeinse samenleving. Bovendien zijn in Engeland restanten gevonden die duiden op een actieve cultuur van bier brouwen.
Het is noodzakelijk om de bovenstaande vondst van bierdrinkende Romeinen in Engeland te voorzien van een kanttekening. De schrijver van de brief waarin om bier wordt gevraagd, is een ruitercommandant van een Bataafse cohort, genaamd Masclus. De Bataafse hulptroepen genoten in het Romeinse leger een speciale status die inhield dat zij hun autochtone, Bataafse karakter en cultuur gedurende hun diensttijd behielden. Het drinken van bier was hier onderdeel van. De Bataafse cohorten bestonden bovendien uitsluitend uit Bataafse soldaten, die te allen tijde door Bataafse bevelhebbers werden geleid. Vroegen hier Romeinen of ‘barbaarse’ Bataven om bier? Het antwoord ligt in het midden: de Bataven werden in hun dagelijkse leven zeker beïnvloed door de Romeinse cultuur (badhuizen, Latijnse schrift en taal), maar behielden daarnaast belangrijke elementen uit hun autochtone cultuur (o.a. religie).
In Egypte was het drinken en brouwen van bier eveneens een allesbehalve ongebruikelijk verschijnsel. Egyptenaren produceerden al bier in 3000 v.Chr. en beschouwden de drank als een onmisbaar ingrediënt in de keuken. Het is mogelijk dat de in Egypte gestationeerde Romeinse soldaten deelden in de liefde van de lokale bevolking voor bier, maar hiervoor is geen hard bewijs gevonden. Hoe dachten de Romeinse keizers over bier? Over het algemeen kan worden aangenomen dat de keizer, als boegbeeld van de Romeinse cultuur, geen drank dronk die met name populair was bij de ‘barbaren’. Een ‘echte’ Romein dronk wijn, en liet zich daarop voorstaan. ‘I know Bacchus the god of wine, for he smells of nectar; but all I know of the god of beer is that he smells of the billy goat’, zei keizer Julianus en veroordeelde daarmee bier tot het rijk van smerigheid. Daarnaast werd zijn collega Valens belachelijk gemaakt door hem een liefde voor het bierdrinken te verwijten. Om kort te gaan: het was niet onmogelijk dat een keizer bier dronk, maar het was alles behalve gewenst of geaccepteerd.
De literaire veroordeling van bier en uitgesproken voorkeur voor wijn als alcoholisch product door de Romeinse auteurs, is door moderne historici lange tijd overgenomen, mede door het gebrek aan archeologisch bewijs voor alternatieven. Inmiddels zijn echter vondsten gedaan die wijzen op de productie van bier en misschien zelfs appel-cider door Romeinen. Cool acht het daarnaast niet onmogelijk dat verjaarde wijn sterk leek op de moderne droge sherry. Neem daarbij het recept van Apicius voor de Romeinse variant van absint (‘Absinthium Romanum’), uit zijn culinaire handboek voor de Romeinse keuken De re coquinaria, en het alcoholische menu van de Romeinen lijkt niet langer beperkt tot wijn. Hoewel de archeologische vondsten van andere alcoholische dranken in vergelijking met die van wijn schaars zijn, bevestigen zij het bestaan én nuttiging van andere alcoholische producten. Het gebrek aan overblijfselen van bierbrouwerijen wordt daarbij sterk beïnvloed door het feit dat bierbrouwen, in tegenstelling tot de druiventeelt, nauwelijks archeologische sporen nalaat. Bovendien kan nooit worden uitgesloten dat tussen de archeologische vondsten en de werkelijkheid een zekere discrepantie bestaat: ‘niet gevonden’ betekent niet automatisch ‘niet bestaan’.
Bovenstaande verdediging van de Romeinse bierconsumptie en het bewijs voor het bestaan van andere alcoholische dranken dan wijn, zal niet de dominantie van wijn ontkrachten. De beperkte houdbaarheid van bier zal hierbij misschien een rol hebben gespeeld, maar bier zou sowieso nooit zo belangrijk worden voor de Romeinse cultuur als wijn. Romeinen discussieerden uitgebreid over wijn en lieten zich in vervoering brengen door de druif. Het bewijs van dezelfde interesse/liefde voor andere alcoholische dranken ontbreekt. Purcell constateert daarom terecht dat wijn werd gezien als ‘(…) the normal intoxicant to such an extent that other fermented products were either ignored or marginalised’.

‘Half the vices which the world condemns most loudly have seeds of good in them and require moderate use rather than total abstinence’.
Samuel Butler – ‘The way of all flesh’ (1903)

3.1 Alcoholconsumptie en de Romeinse deugden

Het drinken van alcohol in een sociale setting geniet over het algemeen de voorkeur boven individueel afgezonderd drinken. Iedere samenleving heeft zijn eigen systeem van conventies, gebaseerd op deugden en waarden, die sociaal wenselijk gedrag dicteren. Zo ook de Romeinse. Indien beide elementen worden samengevoegd, het sociale karakter van alcoholconsumptie en de Romeinse deugden die sociale interactie reguleerden, komen de Romeinse opvattingen over alcoholconsumptie in al zijn vormen aan het licht: de sociaal geaccepteerde en ongeaccepteerde mate van alcoholgebruik, de toelaatbare grens van dronkenschap; het drinken van alcohol vertoonde een levendige interactie met de Romeinse sociale deugden/waarden.
In dit hoofdstuk wordt gekeken naar deze interactie tussen alcoholconsumptie en de moreel conservatieve mentaliteit van de Romeinse aristocratie. In deze paragraaf wordt allereerst de mos maiorum kort toegelicht. Daarna worden verscheidene afzonderlijke deugden uit deze literaire/mentale constructie besproken. Vervolgens worden voorbeelden besproken waar deze deugden/waarden botsen dan wel rijmen met drankgebruik (3.2). Op deze wijze wordt het volgende vastgesteld: wat is acceptabel, wat wordt beschouwd als grensoverschrijdend en waar ligt de grens van het acceptabele bij alcoholgebruik.
De moralistische instelling van de Romeinse aristocratie bestond uit een complex geheel van deugden/waarden, die ieder op verschillende manieren, afhankelijk van de context, kunnen worden vertaald en geïnterpreteerd. Zo kan de kernwaarde virtus vertaald worden als ‘mannelijkheid’, ‘dapperheid’ en ‘morele deugdzaamheid’, en golden bijvoorbeeld andere conventies op het slagveld dan tijdens een convivium of commissatio. Daarnaast lopen sommige deugden geleidelijk in elkaar over waardoor de complexiteit van het deugden/ waardensysteem toeneemt.
Kortom, het is essentieel om verwarring te voorkomen door een selectie te maken van de te gebruiken deugden/waarden. Het selectiecriterium is simpel: de deugden moeten relevant zijn voor dit onderzoek. Zo zal clementia (‘genade, toegevendheid, mildheid’) niet snel in aanraking komen met drankgebruik, terwijl bij moderatio (‘zelfbeheersing’) de kans daarop groot is.

Romeinse normen en waarden
De kern van het Romeinse, moreel conservatieve gedachtegoed werd gevormd door concepten (de mores, enkelvoud mos) zoals gloria (o.a. ‘roem’) en nobilitas (o.a. ‘adel’, ‘aristocratie’ en ‘voortreffelijkheid’). Het geheel van deze kenwaarden wordt aangeduid met de term mos maiorum (‘gewoontes van de voorouders’). De mos maiorum vervulde op maatschappelijk vlak een extreem belangrijke normatieve functie. Dit werd bewerkstelligd door de concrete handelingen van de maiores te gebruiken als historische exempla virtutis (‘voorbeelden van deugdzaamheid’). De didactische en moraliserende werking bestond uit het rangschikken van deze daden (van de maiores) in een schaal die liep van goed tot slecht. Lind omschrijft het proces als volgt: ‘To summarize the great man’s [hier: een van de maiores] character in a great deed and to stamp that deed with one of Rome’s great ideas’.
In de mentaliteit van de Romeinse aristocratie was voor de deugden een prominente plek weggelegd. De mos maiorum speelde op meerdere vlakken in de Romeinse maatschappij een niet te overschatten rol, van de politiek tot aan de onderlinge sociale verhoudingen van de elite. Hieronder worden de voor dit onderzoek belangrijkste deugden kort besproken.

(In)continentia
De eerste deugd waarmee alcoholgebruik interactie vertoont, is continentia, wat moet worden beschouwd als een zelfopgelegde en moreel verantwoorde zelfbeheersing en matiging. De elite beriep zich op continentia om hun bevoorrechte positie in de samenleving te rechtvaardigen. Immers, in tegenstelling tot slaven, vrouwen en andere ‘sociaal inferieuren’ kon de elite (naar eigen zeggen) zichzelf onder controle houden. De tegenhanger van continentia is incontinentia: een gebrek aan zelfbeheersing en een vermogen tot matiging. Incontinentia kent meerdere verschijningsvormen, maar in de context van alcoholgebruik wordt het gebruikt om een gebrek aan matiging aan te duiden en de daaruit voortvloeiende consequenties. Oftewel, een grensoverschrijdende (en onacceptabele) vorm van alcoholconsumptie en het effect daarvan op het gedrag van de desbetreffende drinker.
De consequenties van incontinentia waren talrijk, maar de volgende drie zijn verbonden met een grensoverschrijdende alcoholconsumptie: licentia (‘losbandigheid’), luxuria (‘overdadige luxe/spilzucht’) en libido (‘lust’). Als direct gevolg van ongeremde alcoholconsumptie spelen licentia en libido een rol op het seksuele vlak in de primaire bronnen, waar dronken losbandigheid is verbonden met seksuele promiscuïteit. Luxuria is spilzucht – decadentie voor gevorderden. Op het vlak van alcohol betekent dit bijvoorbeeld het verkwanselen van dure wijnen door te morsen en het slaven toestaan om luxe wijnen te drinken. Tevens werd de aanschaf van kostbare wijnen gezien als luxuria, het droeg immers niets bij aan de Romeinse staat, maar was louter gericht op persoonlijk genot. Een goed voorbeeld van typisch luxuria-gedrag is de wedstrijd in verspilling tussen Marcus Antonius en zijn geliefde Cleopatra, die de Egyptische koningin won door een parel op te lossen in een glas azijn. Een ander negatief gevolg van incontinentia op het gebied van alcoholconsumptie was het verlies van de controle over het eigen lichaam. De Romeinen hadden soevereiniteit over het eigen lichaam en bescherming tegen lijfstraffen hoog in het vaandel staan. Het vormde de scheidingslijn tussen vrijgeborenen en slaven. Een dronken Romein verloor echter de macht over zijn eigen lichaam en werd feitelijk slaaf van zijn dronken geest. Zoals Edwards constateert: ‘The prodigal who eats and drinks to excess, lives by night rather than by day, has no control over his body.’

Dignitas
Het tweede element van de mos maiorum, dat een grote rol speelt in dit onderzoek, is dignitas (o.a. ‘waardigheid en eerzaamheid in andermans ogen’). Het vond zijn oorsprong in de politieke sfeer, zoals Lind constateert: ‘It was a quality demanded of candidates for office; it could also indicate the prestige or dignity of an office which a Roman gained through its tenure’. De dignitas van een belangrijk ambt verbond zich aan de magistraat die het bekleedde en bleef nadat het ambt was neergelegd van kracht. Het was de deugd bij uitstek die senatoren en ridders boven de rest van het volk uittilde. Als deugd bleef dignitas niet beperkt tot de politieke sfeer en het moet in de bredere zin worden beschouwd als een ‘eervolle status’ in de Romeinse maatschappij.
Een Romein beschermde zijn dignitas door zich te gedragen alsof hij altijd in de openbare sfeer verkeerde, waar de ogen van zijn landgenoten en medeburgers kritisch zijn gedrag gadesloegen en beoordeelden. Op deze wijze werd het noodzakelijk om ‘waardigheid’ te beschermen tegen publiekelijk gezichtsverlies. Alcohol kon echter roet in het eten gooien: het verlies van zelfbeheersing, te wijten aan buitensporige alcoholconsumptie, kon uitlopen op wangedrag, wat op zijn beurt de dignitas schaadde. Ook wangedrag van dronken familieleden was een smet op het blazoen van de dignitas.

Gravitas
De derde deugd/sociale kernwaarde, genaamd gravitas (o.a. ‘ernst’, ‘verhevenheid’ en ‘serieusheid’), doet sterk denken aan de hier boven besproken dignitas. Sterker nog, beide worden vaak in één adem genoemd. Het is daardoor overbodig om gravitas uitgebreid te bespreken. Er is echter één aspect van gravitas dat hier moet worden genoemd: de ‘outward reflection with respect to personal appearance and manners’. In andere woorden: het bereiken en handhaven van gravitas vereiste een ernstig/serieus voorkomen en deugdzame manieren, maar onmatig drankgebruik heeft over het algemeen een negatief effect op beide.

‘Octavius insisted upon playing the part of the wine-master, and mixed the wine much more strongly, with nearly equal parts of water, so that even before the first course arrived most of us were a little tipsy’.
John Williams – ‘Augustus. A novel’

3.2 Acceptabel en onacceptabel drankgebruik

Hierboven zijn de belangrijkste deugden en waarden besproken die botsen dan wel rijmen met alcoholgebruik. Hieronder zullen voorbeelden van deze interactie worden besproken aan de hand waarvan kan worden vastgesteld wat de Romeinse aristocratie beschouwde als acceptabel en grensoverschrijdend alcoholgebruik en, indien te achterhalen, waar de exacte grens van het toelaatbare lag. De commissatio is de uitgelezen plek om de zoektocht naar acceptabele en grensoverschrijdende alcoholconsumptie te beginnen, omdat de nadruk meer op drank lag dan bij het convivum (kort door de bocht; een feestelijk samenzijn in de vorm van een etentje/diner). De commissatio wordt door D’Arms treffend omschreven als een ‘post-prandial carousing’; een avondvullend programma waarin alcohol-consumptie en drankspelletjes centraal stonden. Tijdens de commissatio bepaalden bepaalde regels, vaak in spelvorm, de hoeveelheid wijn die werd gedronken. Zo kon het voorkomen dat de namen van gasten werden opgedeeld in afzonderlijke letters, waarvan ieder stond voor het drinken van een cyathus (ca. 45 ml.). Het toedrinken van personen met lange namen zal tot stevig drinken hebben geleid. Ook andere simplistische drankspelletjes, zoals het aantal gegooide ogen van een dobbelsteen drinken in cyathii, zullen hebben aangezet tot flink drinken. De mate van drinken werd echter begrensd door bepaalde regels en conventies die in acht dienden te worden genomen.
De eerste regel die van toepassing was op onacceptabel drankgebruik, is het veroordelen van het drinken van onaangelengde wijn (zie §1.2). Dit was onacceptabel, omdat het duidde op incontinentia, een gebrek aan matiging en het daarbij behorende verlies van zelfbeheersing. Bovendien werd licentia gestimuleerd door het hoge alcoholpercentage in het bloed. Slechts ‘barbaren’ en liefhebbers van excessen maakten zich schuldig aan het drinken van dit product. Een tweede regel bestaat uit de afkeuring van het drinken op een lege maag. Plinius de Oudere verweet keizer Tiberius de invoering van dit onwenselijke gebruik. Ook Juvenalis maakt melding van een Romeinse vrouw ‘[who] downs two pints before dinner, to create a raging appetite’. Het drinken van wijn voor de maaltijd is niet deugdzaam, want het duidt op gulzigheid en een gebrek aan zelfbeheersing. Aan de andere kant blijkt het vergeeflijk indien de frequentie beperkt blijft, aangezien keizer Augustus, die volgens Suetonius uitblonk in deugdzaam drankgebruik, ‘rarely drank before dinner’. Een derde conventie die alcoholconsumptie beperkte, bestond uit het aanstellen van een gast als magister bibendum (de ‘meester van het drinken’), een soort scheidsrechter. De magister zorgde dat de dosering alcohol en water werd afgestemd op de drinkcapaciteiten van de individuele disgenoot. Het was echter niet ongewoon dat de magister aan de kant werd geschoven en de regels overboord gegooid. De aanwezigheid van een scheidsrechter duidt op een zekere begrenzing van het drankgebruik, waar desalniettemin flexibel mee om kon worden gegaan. In bepaalde sociale kringen en culturen bestaat een verband tussen mannelijkheid en de capaciteit om zoveel mogelijk alcohol te drinken. Een goed voorbeeld hiervan is de Amerikaanse drinkcultuur, die het onderwerp vormt van Lori Rotskoffs Men, women, and alcohol in post-World War II America. Rotskoff constateert dat saloons, biljartlokalen, boksringen, goktenten en andere ‘mannelijke’ instellingen dienst deden als locaties waar mannen hun viriliteit konden bewijzen door te participeren in aan alcohol gerelateerde rituelen en wedstrijden. Een essentieel component van deze competitie was ‘to hold one’s liquor’, aangezien dit bewees dat ‘a man could compete successfully with his peers’. Hetzelfde sociale fenomeen dat Rotskoff beschrijft, ziet Jellinek terug in de Romeinse drankcultuur, waar ‘the ability to drink large quantities of wine already had become a matter of prestige and there were expressions corresponding to the American phrase, “to hold one’s liquor” well or poorly’. Het voorbeeld dat Jellinek aanhaalt, verhaalt over een senator genaamd Tillius Cimber. De senator is een gewoontedrinker, maar moet eerlijk toegeven dat hij zijn drank niet binnen kan houden. Cimber vraagt zich dan ook af: ‘What glory is there in being able to hold much?’ Jellinek beschouwt deze opmerking als het Romeinse equivalent van ‘to hold one’s liquor’. Let wel: overgeven was toegestaan om ruimte te maken voor meer drank, maar niet uit misselijkheid, sterker nog: overgeven op eigen initiatief was een teken van zelfbeheersing en continentia. Het verliezen van controle over de maaginhoud door overmatige alcoholconsumptie duidde daarentegen op het verlies van macht over het eigen lichaam.
Een uitgebreidere bespreking van het Romeinse prestatie- en prestigedrinken is terug te vinden in Seneca’s Brieven aan Lucilius. De filosoof vraagt zich het volgende af:

What glory is there in carrying much liquor? When you
have won the prize, and the other banqueters, sprawling
asleep or vomiting, have declined your challenge to still
other toasts; when you are the last survivor of the revels;
when you have vanquished every one by your magnificent
show of prowess and there is no man who has proved himself of so great capacity as you, you are vanquished by the cask.

De strenge veroordeling van Seneca van het competitiedrinken kan niet verbloemen dat een Romeinse drinker blijkbaar bewondering kon oogsten door zijn disgenoten gedurende het verloop van een convivium/commissatio onder tafel te drinken. Hij werd zelfs beloond met een ‘prijs’. Het wedstrijdelement, waarbij dronkenschap onvermijdelijk was, moet ertoe hebben geleid dat de regels aangaande intoxicatie werden versoepeld of aan de kant geschoven.

Seneca over drankgebruik
Zoals hierboven blijkt, had Seneca een uitgesproken mening over drankgebruik. In één van zijn Brieven aan Lucilius doet hij uitgebreid de consequenties van dronkenschap uit de doeken. Zo gedraagt een zat persoon zich op een wijze die hem achteraf doet blozen en laat het iedere karakterfout naar boven komen – van loslippigheid, gewelddadigheid, arrogantie, wreedheid tot hatelijkheid. Bovendien zijn de fysieke effecten allesbehalve rooskleurig: de dronkaard vergeet wie hij is, praat onduidelijk, kijkt glazig, strompelt, is duizelig en krijgt last van een op tilt slaande maag. Het voortdurende verkeren in een dronken staat heeft zelfs waanzin tot gevolg. Het is opmerkelijk dat Seneca, met het oog op bovenstaande waslijst van negatieve consequenties van dronkenschap, geen pleitbezorger is van algehele onthouding. Sterker nog, bij tijd en wijle een beneveling door alcohol ondergaan wordt door de filosoof zelfs aangeraden:

At times we ought to reach the point even of intoxication,
for it washes away troubles, and stirs the mind from its very depths and heals its sorrow just as it does certain ills-of the body; and the inventor of wine is not called the Releaser [de god Liber] on account of the licence it gives to the tongue, but because it frees the mind from bondage to cares and emancipates it and gives it new life, and makes it bolder in all that it attempts.

Nota bene: Seneca prijst hierboven dronkenschap niet. Hij geeft een duidelijke grens aan van wat acceptabel is: onder invloed van alcohol geraken mag, maar ‘drowning ourselves in drink’ is verwerpelijk. Bij het drinken van wijn moet immer moderatio/continentia worden nagestreefd, want overmatige consumptie leidt tot kwaadaardige verslaving. Seneca stond niet alleen in zijn oproep tot matiging. Zo beaamde (o.a.) Plinius de Jongere de onschuld (‘quia non nocet’) van een gematigde alcoholconsumptie: ‘I take baths, as they do me good and wine, which can do no harm, but only very sparingly; this has always been my way’.

Marcus Antonius en Cato
In de Romeinse literatuur worden Cato de Jongere en Marcus Antonius als tegenstrijdige karakters geportretteerd. Cato is de geschiedenis ingegaan als compromisloze verdediger van de Romeinse Republiek, terwijl Marcus Antonius als opportunistische bon vivant Julius Caesar bijstond in het definitief beëindigen van Cato’s geliefde Republiek. Het tweetal vond elkaar echter op de bodem van het wijnvat, want beiden stonden bekend als de grootste drinkers van hun tijd.
De vanwege zijn soberheid geprezen ‘Cato de Censor’ zal zich in zijn graf hebben omgedraaid als hij op de hoogte was geweest van het drankgebruik van zijn achterkleinzoon, Cato de Jongere: ‘The passers-by whom Cato met when drunk, blushed when they discovered who he was, and (says Caesar) “You would have thought they had been found out by Cato, not Cato by them.” What better tribute to Cato’s prestige than to show him still awe-inspiring when drunk!’ Dit fragment, afkomstig van Plinius de Jongere, laat zien dat een dronken persoon (met name indien betrapt) schade opliep aan zijn auctoritas/dignitas/gravitas. Een deugdzame Romein hoorde zijn alcoholinname onder controle te houden, maar Cato gaf weinig blijk van zelfbeheersing/continentia. Het is daarom opvallend dat het prestige van Cato niet leed onder zijn dronkenschap. Het aanzien van Cato bleek hiervoor simpelweg té formidabel: de zatte senator bleef ‘awe-inspiring’. Het feit dat Cato werd vereerd door de Romeinse auteurs als de belichaming van Republikeinse deugdzaamheid, zal hem ook geen windeieren hebben gelegd. Desondanks kan worden aangenomen dat dronkenschap van een Romein uit de elite een negatieve invloed had op diens eerzaamheid in de ogen van anderen.
In de primaire bronnen wordt Marcus Antonius afgeschilderd als een zware drinker. Niet verwonderlijk met het oog op dit fragment, afkomstig van Cicero:

You (…) drank such quantities of wine (…) that you were
forced to vomit the next day in the sight of the Roman people. O action disgraceful not merely to see, but even to hear of! If this had happened to you at supper amid those vast drinking-cups of yours, who would not have thought it scandalous? But in an assembly of the Roman people, a man holding a public office, a master of the horse, to whom it would have been disgraceful even to belch, vomiting filled his own bosom and the whole tribunal with fragments of what he had been eating reeking with wine.
Antonius had hier volgens Cicero duidelijk de grens van toelaatbaar alcoholgebruik overschreden. Allereerst gaf de mate van zijn alcoholinname blijk van incontinentia. Ten tweede had hij de dignitas van zijn ambt (en dientengevolge zichzelf) besmeurd door over te geven terwijl hij zijn ambt bekleedde (boeren was al schandelijk!) en de openbare ruimte te bevuilen met zijn braaksel. Bovendien gebeurde dit alles in het bijzijn van het Romeinse volk. Het verwijt van Cicero dat de vriendengroep van Antonius bestond uit een verzameling dronkenlappen die zich uitleefden in Antonius’ wijnkelder, die zonder blikken of blozen hele vrachten wijn schonk aan deze ‘waardeloze’ figuren, ligt in lijn met Antonius’ karakterisering als levensgenieter met een voorkeur voor luxuria (hier: ‘spilzucht’).
Let wel: de informatie over Antonius’ drinkgewoontes is louter ontsproten aan vijandelijke bronnen, die hem om politieke redenen brandmerkten als ‘bibulous Antony’. Het startschot hiervoor werd gegeven door Cicero’s Philippica, waaruit hierboven werd geciteerd. Cicero besprak in hyperbolische termen Antonius’ dronkenschap. Antonius zag zich genoodzaakt om zijn drankgebruik te verdedigen door het pamflet ‘De ebrietate sua’ (‘Over zijn dronkenschap’) uit te geven, dat de tand des tijds (helaas) niet heeft doorstaan. Meerdere historici hebben desondanks een gok gedaan naar de strekking van het werk. Een bespreking van de inhoud van ‘De ebrietate sua’ zal jammer genoeg het niveau van speculatie niet ontstijgen.
Cicero’s karaktermoord werd door andere Romeinse auteurs overgenomen. Zo onderstreept Seneca de wreedheid van Antonius met behulp van diens drankgebruik:

(…) amid the most elaborate feasts and royal luxury he would identify the faces and hands of men whom he had proscribed; a when, though heavy with wine, he yet thirsted for blood. It was intolerable that he was getting drunk while he did such things how much more intolerable that he did these things while actually drunk.

Indien een politieke vijand werd getypeerd als wreedaard, kon alcohol dienen als hulpmiddel. Immers versterkt de beschonken staat van Antonius het beeld van de hoogst ongepaste manier waarop hij beslist over andermans noodlot (tijdens het eten). Tegelijkertijd toont het de ware wreedheid van zijn karakter. Het is dus belangrijk om te constateren dat een politieke aanval met als één van de voornaamste beschuldigingen extravagant drankgebruik, iemands imago kon schaden, zelfs zo erg dat het slachtoffer het noodzakelijk achtte om zich te verdedigen. Immers, dit geeft aan dat het zwartmaken van iemands drankgebruik een effectief wapen was in een politiek conflict.

Conclusie

In deze paragraaf werd gezocht naar opvattingen over acceptabel en grensoverschrijdend drankgebruik, en naar een eventuele grens van toelaatbare alcoholinname. Welke opvattingen zijn aan het licht gekomen? Allereerst dat het drinken van onaangelengde wijn niet werd geaccepteerd en ten tweede dat hetzelfde gold voor het drinken van een grote hoeveelheid wijn op een lege maag. Tevens duidt de functieomschrijving van de magister bibendum op een zekere begrenzing van drankgebruik. De mannelijke machocultuur liet echter zien dat prestige ontleend kon worden aan buitensporig drankgebruik, maar dat zo ver gaan dat overgeven volgde niet werd geaccepteerd. Hier is dus duidelijk sprake van een ambivalente houding ten opzichte van onmatige alcoholconsumptie.
De wijze waarop de alcoholische uitspattingen van Marcus Antonius en Cato de Jongere door de Romeinse schrijvers werden beoordeeld, gaf blijk van een botsing tussen dronkenschap en auctoritas, incontinentia, dignitas en gravitas. Daarbij kwam aan het licht dat openbare ‘betrapte’ dronkenschap extra schandalig werd bevonden, maar dat een legendarische mate van auctoritas, zoals in het geval van Cato, deze reputatieschade kon voorkomen.
Seneca’s mening over alcoholgebruik blijkt niet zwart-wit; hij vindt gematigde beneveling acceptabel, maar vervloekt frequente, buitensporige alcoholconsumptie. Moderatio vormt de maat. Plinius de Jongere beaamt dit.
Bovenstaande zoektocht naar acceptabel en onacceptabel drankgebruik heeft weliswaar interessant materiaal opgeleverd, maar de Romeinse opvattingen daarover, en waar de grens lag en waarom, tekent zich vooralsnog niet scherp af. Alleen Seneca’s grens van het grijze gebied tussen zeldzame en gecontroleerde beneveling en losgeslagen dronkenschap is een enigszins duidelijke demarcatie. In de volgende hoofdstukken worden daarom de Romeinse deugden en waarden besproken, en hun interactie met alcoholgebruik afgestemd op specifieke groepen (§4.1-4.3). Op deze wijze ontstaat een scherper beeld van wat werd gezien als aanvaardbaar drankgebruik en voor wie, en waar de Romeinse mentaliteit de grens trok. Tevens zal worden gekeken hoe deze groepen werden gekarakteriseerd aan de hand van hun drankgebruik door de Romeinse auteurs.

The vice president was delighted by his son swearing off alcohol, though he denied in public that George W. was ever ‘an alcoholic’. It’s just he knows he can’t hold his liquor.
N. Hamilton – ‘American Caesars’ (2010)

4.1 Alcoholconsumptie en de Romeinse man

In deze paragraaf wordt gekeken naar de interactie tussen het morele conservatisme van de aristocratie en de alcoholconsumptie van de Romeinse man. De Romein wordt hier vertegenwoordigd door drie groepen: adolescenten/jongemannen uit de elite, soldaten en keizers. Per groep zal worden onderzocht wat werd gezien als acceptabel en onacceptabel drankgebruik, en waar de grens van het acceptabele lag bij alcoholgebruik.

4.1.1. Romeinse adolescenten

Het afwerpen van de mantel der puberteit gaat in vele samenlevingen gepaard met een rite de passage. Hierop volgt een fase waarin adolescenten loskomen van de ouderlijke macht en hun jeugdige onbezonnenheid de vrije loop laten om hun ‘wilde haren’ te verliezen. De Romeinen vormden hierop geen uitzondering: op het moment dat de toga virilis om de schouders werd geslagen, kwamen de jonge Romeinse aristocraten in de lubrica aetas (‘glibberige leeftijd’) terecht waarin hen (o.a.) de fijne kneepje van het drinken werd bijgebracht. Zoals D’Arms constateert: ‘Most Roman upper-class males will have first ‘learned’ to be drunk at this stage in the life cycle, in the company of their youthful peers.’ Wat zag de aristocratische mentaliteit als acceptabel en onacceptabel drankgebruik van deze groep?
Vele schandalen staan in verband met Nero, en zijn turbulente nachtleven vormt daarop geen uitzondering. Suetonius heeft een riant aantal anekdotes verzameld over het wangedrag van de keizer, die allen moeten worden gezien in het licht van literaire zwartmakerij. Zo begon Nero’s doorsnee uitgaansavond volgens Suetonius met een verkleedpartij, die zich vervolgens naar de kroeg verplaatste en verder voornamelijk bestond uit ‘playing pranks (…) which however were very far from harmless’, zoals vecht- en steekpartijen met willekeurige slachtoffers die na een aframmeling in het riool werden gegooid. Het gedrag van Nero was blijkbaar kwaadaardig genoeg, maar de achterliggende gedachte die hier van belang is, is dat Nero’s vandalisme niet kan worden weggewuifd als jeugdige frivoliteit.
De toelichting van Suetonius gaat als volgt: ‘Although at first his acts of wantonness, lust, extravagance, avarice and cruelty were gradual and secret, and might be condoned as follies of youth, yet even their nature was such that no one doubted that they were defects of his character and not due to his time of life’. Suetonius staat niet alleen in zijn kritiek op het verschil tussen het gedrag van een adolescente kwajongen en het op latere leeftijd voortzetten hiervan: ‘Someone will defend his behaviour, saying to me, “We too behaved like that when we were young.” That’s as may be, but you surely stopped, and didn’t foster the mistake any further’. Juvenalis’ afkeuring sluit exact aan bij die van Suetonius. Een zekere mate van ferocitas (‘onstuimig’) wangedrag, waar buitensporige alcoholgebruik een onderdeel van kon vormen, was adolescenten toegestaan, maar een voortzetting hiervan op latere leeftijd was onacceptabel: op den duur moest het serieuze leven aanvangen en de alcoholinname worden gematigd.
Een andere wildebras was Marcus Tullius Cicero Jr., zoon van de beroemde advocaat, redenaar en politicus. Cicero Jr. werd door zijn vader naar Athene gestuurd om daar een opleiding in de retorica te volgen, maar hij had volgens Plinius zijn zinnen gezet op het voorbijstreven van Marcus Antonius op het gebied van de zatlapperij: ‘No doubt young Cicero wanted to deprive his father’s murderer, Mark Antony, of his fame in this department (…)’. De ironie is verbluffend: Cicero had aartsvijand Antonius frequent afgeschilderd als zatlap (zie §3.2), maar zijn eigen zoon trachtte juist Antonius te overtreffen in dronkenschap. Cicero Jr. maakte het zelfs zo bont dat hij in een dronken woede-uitbarsting een drinkbeker naar het hoofd van Agrippa, de rechterhand van keizer Augustus, gooide en in één teug zes liter wijn verzette. Toen de waarheid aan het licht kwam, verbood Cicero Sr. hem de omgang met zijn drinkmaatjes en overwoog deze zelfs een reis naar Athene te maken om aldaar orde op zaken te stellen.
Het desbetreffende hoofdstuk uit Plinius’ Naturalis Historae behelst een aangedikte opsomming van de grootste drinkers uit de Romeinse geschiedenis, waardoor het waarheidsgehalte van deze anekdotes niet hoog kan worden aangeslagen. Desondanks spreken de fragmenten, indien gerelativeerd en benaderd vanuit het juiste perspectief, boekdelen over Romeinse opvattingen over onmatig alcoholgebruik door adolescenten. Bovenstaande kritiek op het drankgebruik van Nero en Cicero Jr. is rechtstreeks te herleiden tot het moreel conservatisme van de aristocratie. Het gedrag van Cicero Jr. schaadt allereerst de dignitas van zijn vader en was in strijd met diens gravitas. Hetzelfde geldt voor de jonge keizer Nero, wiens ambt een serieuze toewijding vereist en geen (bezopen) wangedrag dat breekt met de sociale voorschriften aangaande het keizerschap. Ten tweede duidt het ongecontroleerde drinken van Cicero Jr. op een gebrek aan continentia/moderatio. De grens van jeugdige onstuimigheid was overschreden; zijn drankgebruik onacceptabel.

But the greatest of loves,
The quintessence of loves.
even greater than that of a mother,
Is the tender, passionate, infinite love,
of one drunken Marine for another.
General Louis H. Wilson (1978)

4.1.2. Soldaten

‘Roman armies were getting drunk, running amuck (…) fumbling an attack and thus imperiling a whole campaign, rioting in defiance of military discipline, wasting away in taverns, getting drunk and killing their commander, getting surprised and butchered while carousing’; McKinlay’s omschrijving van het turbulente Vierkeizerjaar (69 na Chr.) windt er geen doekjes om, maar is duidelijk zowel op zijn fantasie gebaseerd als op een oppervlakkige lezing van de primaire bronnen, wiens opvattingen over drank en soldaten bestaan uit twee elementen. Ten eerste: een soldaat zal zich altijd bezatten indien hij de kans krijgt. Ten tweede zal een dronken soldaat altijd gewelddadig gedrag vertonen. Dit patroon van ongecontroleerd wangedrag van soldaten kon door Romeinse auteurs worden gebruikt om bevelhebbers zwart te maken. Immers, dronken soldaten waren een direct gevolg van een gebrek aan controle/gezag. Hier worden drie fragmenten van Tacitus (allen afkomstig uit het Vierkeizerjaar) behandeld aan de hand waarvan bovenstaande constateringen verder worden uitgewerkt. In het eerste fragment doet zich de volgende situatie voor: Piacenza, een Romeinse stad in Noord-Italië, wordt belegerd door de Romeinse generaal Caecina. In plaats van voorbereidingen te treffen alvorens Piacenza te bestormen, staat Caecina zijn soldaten toe de lunch weg te spoelen met een hoeveelheid drank die niets met continentia/moderatio vandoen heeft. Een ‘vigorous but careless assault’ volgt, uitgevoerd door beschonken soldaten die tevergeefs katapulten en brandbare projectielen aanwenden om de verdedigers van Piacenza op de knieën te dwingen. De aanvallers hadden zich moed ingedronken en waren ‘heavy with food and wine’. Door de alcohol waren ze tevens roekeloos geworden en handelden ongecoördineerd, waardoor het offensief uitliep op een fiasco. Alleen het buiten de stadsmuren gelegen amfitheater werd platgebrand. Caecina wordt hier door Tacitus afgeschilderd als een prutser die de controle/het gezag over zijn soldaten verliest. Iedere Romeinse bevelhebber hoorde te weten dat indien een soldaat de kans kreeg om zich te bezatten, hij dit nimmer naliet.
Aan de andere kant moet een kanttekening worden geplaatst bij Tacitus’ veroordeling van Caecina’s onprofessionele optreden. De historicus had namelijk belang bij het zwartmaken van de generaal. Immers, Caecina was een voormalige aanhanger van de ‘verkeerde’ keizer (Vitellius) en werd in 79 na Chr. veroordeeld en geëxecuteerd omdat hij deel zou hebben genomen aan een samenzwering tegen Titus, zoon van keizer Vespasianus. Neem daarbij het feit dat Tacitus’ schrijven over het Vierkeizerjaar sterk is beïnvloed door Flavische propaganda; het oordeel over Caecina’s optreden als militaire bevelhebber is politiek gemotiveerd en niet een realistische weergave van het verloop van beleg van Piacenza.
Het tweede fragment van Tacitus speelt zich af in Rome. De soldaten van de Pretoriaanse Garde vrezen een complot tegen het leven van keizer Otho. De vlam slaat in de pan op het moment dat een ander militair cohort uit Ostia als onderdeel van de mobilisatie wordt voorzien van wapens uit het pretoriaanse kamp. Deze wapens worden ‘s nachts opgehaald om een soepele wapendistributie te bewerkstelligen, maar de pretorianen reageren achterdochtig en gewelddadig:

The hour gave rise to suspicion (…) while the sight of arms in
the hands of drunken men roused a desire to use them (…)
A part of the soldiers were ignorant of the circumstances and
heavy with wine; the worst of them wished to make this an
opportunity for looting; the great mass, as is usual, were ready
for any new movement (…).

De aanwezige pretorianen zien in het nachtelijke uitdelen van wapens een complot tegen het leven van de keizer en gaan tot actie over. ‘Under this misapprehension a group of drunken Praetorians themselves seized the arms, killed Crispinus [de tribuun die de leiding had over de bevoorrading] and two of their own centurions, and rushed off in what was meant to be a rescue operation’. De pretorianen haasten zich vervolgens naar het keizerlijk paleis om te achterhalen of Otho nog leeft. De keizer weet daar de gemoederen tot bedaren te brengen door op zijn eettafel te klimmen opdat de soldaten empirisch bewijs krijgen van zijn voortbestaan, en hen vervolgens geruststellend toe te spreken. Het kwaad is echter reeds geschied.
Het karakteristieke gebrek aan zelfbeheersing/matiging op het gebied van alcoholgebruik maakte volgens Tacitus de soldaten temerus (‘onbezonnen/slecht oordelend’) en dit gegeven mondde uit in de moord op drie officieren. Otho wordt door Tacitus geportretteerd als een slechte bevelhebber die de pretorianen de mogelijkheid bood om zich te bezatten. Dat duidt op een gebrek aan controle en gezag. Tacitus had echter dezelfde beweegredenen om Otho in een kwaad daglicht te zetten als in het geval van Caecina: de Flavische keizers zaten niet te wachten op een positieve beoordeling van een ‘slechte keizer’ die, in tegenstelling tot henzelf, op onrechtmatige wijze de macht had gegrepen. Tevens valt op dat de verwoestende combinatie van alcohol en soldaten wederom een rol speelt: indien mogelijk zal de militair zich altijd bezatten, en geweld volgen.
In het derde fragment spelen de Germaanse bondgenoten van Julius Civilis, de instigator van de Bataafse Opstand, de hoofdrol. Het volgende speelt zich af voor de muren van Vetera, een Romeinse legerkamp aan de Rijngrens dat werd belegerd door Civilis:

The assailants lighted piles of wood about the town, and while
they feasted, as man after man became inflamed with wine, they rushed to battle with unavailing recklessness, for their weapons, thrown into the darkness, were of no effect: but the Romans aimed at the barbarians’ line, which they could clearly see, and especially at anyone who was marked by his courage or decorations.

In dit fragment blijkt wederom dat een onmatige alcoholconsumptie door soldaten temeritas, een gebrek aan zelfbeheersing/controle over geest en lichaam, en gewelddadige uitspattingen tot gevolg heeft. Op het moment dat zij zichzelf hebben volgegooid met wijn, gaat elke vorm van professionaliteit overboord en worden fortificaties ondoordacht aangevallen. Het resultaat: een slachtpartij gelijk de bestorming van Piacenza. Tacitus legt de schuld hiervoor bij de bevelhebber, Julius Civilis, die zijn troepen niet onder controle heeft. Wederom laat Tacitus zich in zijn beoordeling leiden door politieke doeleinden: Julius Civilis ging de geschiedenis in als een overloper/verrader, die tijdens het Vierkeizerjaar voor veel slachtoffers en chaos zorgde in het Romeinse Rijk. Kortom, Tacitus had geen enkel belang bij een vlijende beschrijving van Julius’ militaire verrichtingen.
Het volgende excerpt uit Tacitus’ Historiën spreekt boekdelen over geaccepteerd en ongeaccepteerd drankgebruik door Romeinse soldaten: ‘In the army of Vitellius complete disorder and drunkenness prevailed – things which belong rather to night revels and bacchanalian routs than to the discipline appropriate to an army camp’. Tacitus geeft vervolgens een voorbeeld van deze wanorde: een dronken worstelpartij resulteert in een dodelijke steekpartij (let wel: een dronken soldaat is altijd gewelddadig). De beschonken toestand van het leger onder Vitellius wordt later nogmaals genoemd door Tacitus: ‘All the enthousiasm and courage that his soldiers ever had is being dissipated in taverns, in debauches, and in imitation of their emperor’. Tacitus portretteert Vitellius hier op dodelijke wijze als slechte bevelhebber, wiens on-Romeinse liefde voor lusten en kortstondig genot overslaat op zijn troepen, wat resulteert in gebrekkige discipline en alomtegenwoordig dronkenschap: schandelijk! Het Romeinse leger kenmerkte zich immers door duritia (‘hardheid’) en ferocia (‘strijdlust’), niet door incontinentia en een gebrek aan moderatio op het gebied van alcohol. Zoals in alle voorgaande fragmenten blijkt Tacitus zich te schikken in de wensen van de Flavische keizers: Vitellius, de vijand en door Vespasianus verstoten voorganger wordt afgeschilderd als slechte bevelhebber.

Philip’s abstemious general Antipater was once singled out in the king’s ritualistic announcement of his intention to get drunk: “Now we must drink; for it is enough that Antipater is sober.
John Maxwell O’Brien – ‘Alexander the Great. The invisible enemy’ (1992)

4.1.3. Romeinse keizers

In de bespreking van de interactie tussen de mentaliteit van de aristocratie en het alcoholgebruik van de Romeinse keizers, wordt het spits afgebeten door keizer Domitianus, die op het gebied van alcohol nimmer zijn boekje te buiten gaat: ‘[Domitianus] lunched to the point of satiety, so that at dinner he rarely took anything except a Martian apple and a moderate amount of wine from a jug. He gave numerous banquets, but usually ended them early; in no case did he protract them beyond sunset, or follow them by a drinking bout.’ Domitianus wordt in de geschiedschrijving van de Romeinse wereld afgeschilderd als een verschrikkelijke tiran. Suetonius hield er geen andere mening op na; de keizer was een potentaat die politieke terreur niet schuwde, maar zelfs Suetonius, een rabiate Domitianus-hater, moest constateren dat de dictator zich aan tafel uitzonderlijk netjes gedroeg. Zelfs de commissatio met zijn bijkomstige drankspelletjes en formidabele alcoholgebruik had aan de abstinente Domitianus een slechte bondgenoot. Oftewel, Domitianus was het boegbeeld van moderatio en continentia op het gebied van alcoholgebruik. Dit was de dignitas van een keizer waardig. Domitianus’ deugdzaamheid kon echter niet voorkomen dat hij de geschiedenis inging als slechte keizer.
In het volgende fragment is keizer Augustus aan de beurt. Suetonius zag Augustus als het schoolvoorbeeld van een deugdzame heerser. Zo ook op het gebied van alcoholgebruik:

He was by nature most sparing also in his use of wine. Cornelius Nepos writes that in camp before Mutina it was his habit to drink not more than three times at dinner. Afterwards, when he indulged most freely he never exceeded a pint; or if he did, he used to throw it up. He liked Raetian wine best, but rarely drank before dinner.

Het is opmerkelijk dat Suetonius het drinken van Augustus typeert als moderatio en continentia, waarna hij in één adem meedeelt dat de keizer zich tijdens het diner drie keer liet inschenken en soms al voor het eten alcohol dronk. Augustus was blijkbaar niet scheutig met de wijn, maar Suetonius typeert het niet als ondeugdelijk gedrag en zag het door de vingers. Aan de andere kant moet worden geconstateerd dat Suetonius één essentieel woord niet gebruikt in de beschrijving van Augustus’ alcoholconsumptie: dronkenschap. De keizer lijkt nooit de controle te verliezen over de dosis alcohol die hij inneemt en corrigeert zelfs een overmaat aan drank door over te geven. Augustus nuttigde weliswaar alcohol, maar bereikte nooit het punt van incontinentia.
Als derde is keizer Nero aan de beurt. In zijn biografie van Nero heeft Tacitus geen goed woord voor hem over en voeren de wandaden en het verdorven karakter van de keizer logischerwijs de boventoon. Zo ook op het gebied van alcohol, waarin Nero volgens Suetonius geen maat wist te houden: ‘His health was good, for though indulging in every kind of riotous excess, he was ill but three times in all during the fourteen years of his reign, and even then not enough to give up wine or any of his usual habits’. Daarnaast verhaalt een andere primaire bron over hoe Nero (in de middag nota bene) overmand door alcohol zijn libido niet kan bedwingen en ingaat op de incestueuze avances van zijn moeder. Tacitus gebruikt op effectieve wijze deze anekdote om zowel Nero als zijn gehate moeder zwart te maken. Immers, een familie waarin dronken incest plaatsvindt verdient niets anders dan de minachting van het Romeinse volk. Het feit dat Nero over twee favoriete drinkbekers beschikte, voorzien van Homerische taferelen, pleit ook niet voor zijn nuchterheid. Moderne historici twijfelen dan ook niet aan Nero’s excessieve drankgebruik. Het gedrag van Nero viel niet te rijmen met de dignitas van het keizerschap en zijn gewelddadige excessen en alcoholische uitspattingen duidden op een groot gebrek aan continentia en moderatio. Het drankgebruik van Nero was onacceptabel. Tenminste, volgens de primaire bronnen, die het alcoholgebruik van de keizer gebruikten om hem neer te zetten als gevaarlijke gek, als slaaf van oncontroleerbare lusten en perverse verslavingen. De vierde keizer is Vitellius. Suetonius is op zijn zachts gezegd geen fan. Zo omschrijft hij Vitellius’ fysieke voorkomen als moddervet, abnormaal lang, voorzien van een enorme buik en een ‘face usually flushed from hard drinking’. Hij dankte zijn welgevormdheid aan een eetlust ‘that was not only boundless, but also regardless of time or decency (…)’. De drinkgewoontes van Vitellius worden ook bekritiseerd door Tacitus, die benadrukt dat de keizer al ’s middags in beschonken toestand verkeerde. Vitellius ging zijn vrijwel onverzadigbare gulzigheid te lijf met een strikte routine van drank- en schranspartijen; drie luxueuze en even uitgebreide maaltijden per dag met als afsluiting een ‘drinking bout’. De overtreffende trap van zijn gulzigheid bestond uit het geforceerde overgeven na de maaltijden om ruimte te maken voor het volgende diner (welke schande daaraan kleefde is reeds in 3.2 besproken). Het moge duidelijk zijn: Vitellius scoorde hoog op de ranglijsten van incontinentia, wat de dignitas en gravitas van zijn ambt schaadde. Op zijn beurt blijkt ook dat Suetonius en Tacitus op geslaagde wijze Vitellius hebben afgeschilderd als een ‘slechte’ keizer, met zijn walgelijk voorkomen, overmatige alcohol- en voedselconsumptie.
De vijfde keizerlijke kandidaat doet nauwelijks onder voor de zesde op alcoholisch vlak, maar Claudius’ karakter werd volgens Suetonius meer gevormd door een gebrek aan ruggengraat dan liefde voor alcohol. De stotterende keizer had in onzekerheid en in wanhoop over zijn financiën geleefd gedurende het bewind van zijn neef Caligula, maar tijdens zijn keizerschap compenseerde Claudius zijn voormalige marginale bestaan door zich geen maaltijd of wijnglas te laten ontzeggen:

He was eager for food and drink at all times and in all places
(…) He hardly ever left the dining-room until he was stuffed
and soaked; then he went to sleep at once, lying on his back
with his mouth open, and a feather was put down his throat
to relieve his stomach.

De keizer verliet negen van de tien keer de dis ‘nat’ (‘soaked’) van de drank en viel vervolgens op een keizeronwaardige manier in slaap, niet langer in staat om eigenhandig zijn maaginhoud te legen. Het beproefde verwijt dat Claudius zowel fysiek (wiebelende knieën en een spraakgebrek) als mentaal zwak was (de keizer zou zich hebben laten manipuleren door een entourage van machtige vrijgelatenen als Pallas en Narcissus, en zijn echtgenotes), wordt versterkt door de notie dat hij geen controle had over zijn drank- en eetlust. Het onacceptabele drankgebruik van Claudius was inherent aan zijn karakter, maar daardoor niet minder een direct gevolg van incontinentia. Let wel: Suetonius’ beschrijving van Claudius’ drankgebruik is niet realistisch, maar een literair topos: een keizer die zich laat sturen manipuleren door vrouwen en vrijgelatenen, bezit natuurlijk ook geen zelfbeheersing op alcoholisch vlak.
Op het gebied van onacceptabele alcoholconsumptie spant Tiberius de kroon. Hij zocht volgens Levick reeds op jonge leeftijd toevlucht tot ‘convivial drinking’ om de verantwoordelijken en verwachtingen van zijn stiefvader (keizer Augustus) te verlichten. Tiberius maakt in Suetonius’ biografie naam als notoire alcoholist, met een ‘excessive love of wine’ . Volgens een tweede primaire bron, Plinius de Oudere, was het Tiberius die het drinken op een lege maag pionierde en populair maakte onder zijn drinkebroeders. Tevens deden volgens Suetonius de volgende dichtregels over Tiberius de ronde: ‘That man does not care for wine, since now he is thirsty for blood / He drinks it as greedily as he drank undiluted wine before’. De adoptiezoon van Augustus wordt door de Romeinse auteurs afgeschilderd als grootse drinker van alle Romeinse keizers. Tiberius genoot de dubieuze eer om door zijn biograaf te zijn voorzien van drie bijnamen die direct waren gerelateerd aan zijn bovengemiddelde drankgebruik: Tiberius Claudius Nero werd Biberius (van bibo, drinken) Caldius (van cal(i)dus – sommige wijnen werden warm gedronken) Mero (van merum, onvermengde/onaangelengde wijn).
Tiberius verruilde de hoofdstad van het Romeinse Rijk voor een riant paleizencomplex op het eiland Capri. Zowel moderne als klassieke historici hebben meerdere verklaringen gezocht en gegevenvoor Tiberius’ verhuizing. De reden achter de zoektocht naar privacy op het afgelegen eiland blijkt voor Suetonius echter minder interessant dan de bezigheden van de keizer óp het eiland: ‘Moreover, having gained the licence of privacy, and being as it were out of sight of the citizens, he at last gave free reign at once to all the vices which he had for a long time ill concealed (…)’. Het dagelijkse leven van de keizer speelde zich af achter gesloten deuren, onttrokken aan het zicht van de bevolking, wiens fantasie op hol sloeg en de volgende conclusie trok: Tiberius vulde zijn dagen met perverse seks en alcoholmisbruik.
Suetonius komt op de proppen met twee significante voorbeelden van alcoholische uitspattingen: ‘Later, when emperor and at the very time that he was busy correcting the public morals, he spent a night and two whole days feasting and drinking with Pomponius Flaccus and Lucius Piso (…)’ en ‘he gave a very obscure candidate for the quastorship preference over men of noblest families, because at the emperor’s challenge he had drained an amphora of wine at a banquet’. Suetonius hekelt de hypocrisie van Tiberius, die het Romeinse volk op moralistische wijze de les las, terwijl hij in het gezelschap van de notoire zatlap Pisodeze maatstaven niet navolgde. Bovendien ging de keizer zo ver in zijn verdorvenheid dat hij indrukwekkende drinkprestaties beloonde met belangrijke posities binnen de regering. Al met al botste Tiberius’ liefde voor alcohol met de vereiste dignitas van een keizer en hield hij geen enkele maat wat inname betrof. Wederom geldt hier echter dat Suetonius nooit een realistische beschrijving van Tiberius’ drankgebruik voor ogen had: de keizer ging de geschiedenis in als een ‘slechte’ heerser en zijn drankgebruik werd daarop afgestemd. De onacceptabele wijze waarop hij zich vergreep aan drank was voor Suetonius (en zijn lezers) een bevestiging en evenzo gevolg van zijn duivelse karakter. Het is echter een moderne historicus, Jellinek, die Tiberius zelfs bombardeert tot volwaardig alcoholist en tevens zijn vertrek naar Capri in het licht ziet van zijn alcoholisme:

However, since Tiberius was undoubtedly a heavy drinker, and his brooding nature, touchiness, and the many frustrations he suffered before his accession to the throne are frequently the making of the pathological drinker, it is quite probable that he was an alcoholic in the modern sense of the term. His retirement to Capri is in keeping with the alcoholic’s tendency to withdraw from his customary social milieu to prevent interference with his drinking.

Jellinek’s diagnose van Tiberius’ drankprobleem en het daaruit voortvloeiende vertrek van de keizer naar een verlaten eiland, is opvallend. Het is op zijn minst ironisch te noemen dat een moderne onderzoeker zich tweeduizend jaar na Tiberius’ omstreden vertrek, schaart onder de tijdgenoten van de keizer wat betreft het speculeren en fantaseren over het doen en laten van de keizer op Capri.
Al met al blijkt dat het drankgebruik van keizers werd gebruikt (en misbruikt) door Romeinse schrijvers om de staatshoofden in een kwaad daglicht te stellen. Zo versterkte het drankgebruik de knulligheid van Claudius, de vraatzucht van Vitellius en de wreedheid van Tiberius. Het keizerlijke alcoholgebruik kon daarentegen ook worden aangewend om te complimenteren; het drinken van Augustus werd gezien als een bevestiging van zijn deugdzame karakter. Zelfs het drinken voor de maaltijd (zie §3.2) kwam hem niet op kritiek te staan. De doorslaggevende factor aangaande de ambivalente beoordeling van het keizerlijke drankgebruik door de primaire bronnen, was de populariteit van de keizer onder de aristocratische gemeenschap, waar alle Romeinse auteurs toebehoorden. Indien een keizer bijvoorbeeld op grote schaal senatoren had geliquideerd, was de kans klein dat de geschiedschrijving hem genadig zou zijn. De beoordeling van zijn alcoholgebruik werd hierop afgestemd, zoals A. Van Hooff constateert in zijn biografie van keizer Nero: ‘Maar het is nu eenmaal zo dat alles wat de vorstelijke schurk betrof negatief werd opgevat’. Let wel: Domitianus is de uitzondering op deze regel, want de Flavische keizer bleef volgens de Romeinse bronnen een vreselijke tiran ondanks zijn consequente nuchterheid.

Conclusie

In deze paragraaf werd gekeken naar de interactie tussen het morele conservatisme van de aristocratie en alcoholconsumptie door Romeinse mannen, onderverdeeld in drie groepen: welvarende jongemannen, soldaten en keizers. Allereerst bleek dat overmatig drankgebruik, incontinentia op alcoholisch gebied, door adolescenten voor een zekere periode werd getolereerd, maar dat een lange voortzetting van deze jeugdige uitspattingen onacceptabel was. Tevens viel op dat jongemannen de dignitas van hun vaders konden schaden door zich te misdragen en dat jonge keizers zich dienden te gedragen naar de dignitas en gravitas van hun ambt.
In §4.1.2. bleek dat de combinatie van alcoholconsumptie en soldaten volgens Tacitus nooit goed uitpakte. Wanneer soldaten dronken, gebeurde dit altijd op onmatige wijze. Hun dronkenschap resulteerde typisch in gewelddadige uitspattingen. Het morele conservatisme van de aristocratie vereiste duritia (‘hardheid’) en ferocia (‘strijdlust’) van de Romeinse soldaat, niet incontinentia en een gebrek aan moderatio. De schuld voor het dronken wangedrag van soldaten legde Tacitus bij slechte militaire bevelhebbers, die hun troepen niet in bedwang hielden. Op deze manier hanteerde Tacitus de alcoholconsumptie van de Romeinse soldaten enerzijds om hen af te schilderen als gevaarlijke en onstuimige figuren en anderzijds om de reputaties van politieke vijanden zwart te maken. Winston Churchill zei ooit: ‘Vergeet nooit dat ik meer uit alcohol heb gehaald, dan dat alcohol uit mij heeft gehaald.’ De staatsman stelde geen grenzen aan zijn alcoholconsumptie, maar loodste desalniettemin zijn land door de Tweede Wereldoorlog zonder dat zijn capaciteiten als regeringsleider werden ondermijnd of zijn reputatie serieus werd geschaad door zijn liefde voor drank. De keizers Tiberius, Claudius en Vitellius bleken weliswaar volgens de bronnen op alcoholisch gebied niet onder te doen voor Churchill, maar de Engelsman is niet zoals zij de geschiedenis ingegaan als tiran. Dat viel te verwachten. Immers, deze Romeinse keizers werden gehaat en geminacht door de Romeinse aristocratie (waar de Romeinse auteurs toe behoorden), omdat die onder hun regeringsperioden te lijden had gehad. Hierdoor werd het drankgebruik van deze ‘slechte’ keizers gebruikt om hen af te schilderen als bloeddorstig tiran (Tiberius), knullige sul (Claudius) en onmatige drinker en vreetzak (Vitellius). Het verwerpelijke gehalte van het drankgebruik van een keizer werd afgestemd op hoe hij door de geschiedenis en het politieke klimaat werd beoordeeld. Nota bene: de kritiek op de keizers blijkt niet consistent. Populaire heersers werd simpelweg meer vergeven (Augustus) en impopulaire keizers werden niet geprezen voor hun nuchterheid (Domitianus).
Vrouwen hebben overal en altijd net zo graag gedronken als mannen, alleen mochten ze het niet altijd en overal.
Kurt Kusenberg

4.2 Alcoholconsumptie en de Romeinse vrouw

Indien het bovenstaande citaat van Kurt Kusenberg voor waar wordt aangenomen, zou alcoholconsumptie de Romeinse vrouw niet vreemd zijn geweest. Het bewijs hiervoor is echter bij voorbaat gekleurd. Immers, de wensen, verlangens en verrichtingen van vrouwen zijn slechts indirect aan ons overgeleverd via mannelijke auteurs, die vrouwen slechts een rol achter de schermen toebedeelden. Het is daarbij onduidelijk in hoeverre vrouwen het mannelijke gedachtegoed deelden. Desalniettemin poogt deze paragraaf de interactie tussen het vrouwelijke drankgebruik en het morele conservatisme van de aristocratie te achterhalen, opdat acceptabel en onacceptabel vrouwelijk drankgebruik, en waar de grens lag van de geaccepteerdheid bij alcoholgebruik, aan het licht komen.

In het eerste deel over vrouwelijk drankgebruik worden vier anekdotes opgedist die gesitueerd zijn in de vroege Romeinse Republiek en daardoor ver buiten de periodisering van dit onderzoek vallen. Waarom wordt deze chronologische afbakening genegeerd? Ten eerste is de anekdote overgeleverd door Plinius de Oudere, die als uitdrager van het morele conservatisme van de aristocratie leefde in de eerste eeuw na Christus. Ten tweede gebruikt Plinius de anekdote niet om te informeren over de drinkende vrouwen in de Republiek, maar om het morele verval in zijn eigen tijd aan te kaarten en zoals Purcell constateert ‘as a way of making sense of their own times’. Het fragment is weliswaar gesitueerd in een ver verleden, maar informeert desondanks over de aristocratische mentaliteit uit het vroege keizerrijk. Hier volgt de anekdote:

At Rome women were not allowed to drink wine. Among various instances we find that the wife of Egnatius Maetennus was clubbed to death by her husband for drinking wine from the vat, and that Romulus acquitted him on the charge of murder. Fabius Pictor has written in his Annals that a matron was starved to death by her relatives for having broken open the casket containing the keys of the wine-cellar; and Cato says that the reason why women are kissed by their male relations is to know whether they smell of ‘tipple’ – that was then the word denoting wine, and also the word ‘tipsy’ comes from it. Judge Gnaeus Domitius once gave a verdict that a certain woman appeared to have drunk more wine that was required for the sake of her health without her husband’s knowledge, and he fined her the amount of her dowry.

Het idealiseren van het verleden versterkt logischerwijs het sentiment van ‘vroeger was alles beter’. Zo zijn er geen aanwijzingen dat vrouwelijk alcoholgebruik werd bestraft met de dood of een boete van een bedrag gelijk de bruidsschat. Bovendien wijst Plinius’ toon op (‘among the various anecdotes connected with this subject’) opmerkelijke gewoontes uit een bijna mythisch verleden, die in historische tijden geen navolging vonden en dientengevolge geen weergave zijn van de realiteit, maar een idealisering van het verleden.
Toch valt aan het fragment informatie te ontlenen over wat als acceptabel en onacceptabel drankgebruik werd beschouwd door vrouwen. Ten eerste spreekt uit het fragment overduidelijk angst voor dronken vrouwen. Waarom? Als een dronken vrouw zich misdroeg, vormde dat een ondermijning van de dignitas en gravitas van haar echtgenoot en zijn gezag als pater familias. Immers, de ongeremde alcoholconsumptie van de vrouw en de daaropvolgende losbandigheid gaven zowel blijk van haar gebrek aan continentia/moderatio als van zijn falende auctoritas (‘gezag’). Een dronken vrouw was sociaal onacceptabel en gezagsondermijnend. Ten tweede blijkt uit het fragment de onwenselijkheid van vrouwelijk drinken zonder toezicht. De vrouwen in de bovenstaande anekdotes kunnen, door het verbod, slechts ‘stiekem’ drinken. Het gevaar hiervan loopt langs de volgende lijnen: een dronken vrouw verliest de controle over haar lichaam en dientengevolge over haar pudicitia (‘kuisheid/zedigheid’), wat (volgens de mannelijke denkwijze) resulteerde in overspel, want het mannelijke overzicht/controle ontbreekt.
Juvenalis trakteert in zijn satiren de lezer op legio dronken vrouwen die zich aan allerhande alcoholisch getinte vergrijpen schuldig maken. Zo vragen zij om Falernische wijn alsof het niets kost, laten zij echtgenoten drinkbekers delen met figuren die ‘(…) the blonde whore from the dilapidated tomb would refuse to join for a drink, even if the wine were from Alba or Surrentum’ en consumeren zij grote hoeveelheden onaangelengde wijn. De gevolgen zijn verschrikkelijk. Zo kent een dronken vrouw het verschil tussen hoofd en kruis niet, vermengt parfum met onvermengde wijn, gaat zichzelf te buiten aan drank tot het plafond draait, de tafel rondjes door de kamer danst en de lampen zichzelf dupliceren. Juvenalis vraagt zich dan ook af: ‘After all, when she’s drunk does your Venus care about anything?’ De climax van grensoverschrijdend drinken door vrouwen, schotelt Juvenalis aan zijn lezers voor in het volgende fragment:

Eventually, she arrives, face flushed and thirsty enough for the
whole flagon of wine which is set at her feet bulging with full three gallons. From this she downs two pints before dinner, to create a raging appetite, until it all comes back up and hits the ground along with her washed-out insides: streams are running all over the marble floors and the gilded basin stinks of Falernian. It’s like a snake that’s fallen into a deep vat, that’s exactly how she boozes and spews up. No wonder her husband feels sick and closes his eyes to keep down his bile.

De (letterlijk) misselijkmakende manier waarop de gastvrouw in kwestie het vat wijn aan haar voeten laat plaatsen om zich vervolgens volledig over te geven aan het drinken, is een directe consequentie van haar incontinentia, wat op zijn beurt desastreuze gevolgen heeft; de dronken vrouw voorziet de marmeren vloeren en vergulde vijvers van braaksel en brengt bovenal de dignitas van haar familie ten schande. Het gezichtsverlies van haar echtgenoot staat hier centraal. Daarnaast springt de Falernische wijn, de drank der luxuria, in het oog.
In Petronius’ Satyricon wordt veelvuldig melding gemaakt van onacceptabel drankgebruik door vrouwen. In het huis van de decadente Trimalchio vloeit de drank rijkelijk en doet zich de volgende situatie voor: ‘Meanwhile the tipsy wives laughed together, and gave each other drunken kisses, one prating of her merits as a housewife, the other of the favourites of her husband and his own demerits’. De beschonken groep vrouwen is sans gêne aan het opscheppen en roddelen (zelfs over hun echtgenoten!). Het schouwspel wordt abrupt opgebroken door een onstuimige actie van Habinnas, de boezemvriend van Trimalchio, die in een vlaag van beschonken bravoure de gastvrouw bij de benen grijpt en op een bank slingert waardoor haar jurk omhoog vliegt tot over de knieën. De schaamteloze verrichting resulteert in een vernederende situatie (‘She took refuge in Scintilla’s arms, and buried her burning red face in a napkin’), waarmee Petronius haarfijn het gevaar van de drinkende/dronken vrouw aantoont: op onacceptabele wijze worden sociale barrières doorbroken en de vrouwen verliezen hun pudicitia (‘kuisheid’), omdat continentia een vrouw niet eigen is.
Het volgende fragment over vrouwen en alcohol komt van Seneca de Jongere, die stoïcijnse wijsheden verwerkt in de correspondentie met een fictieve penvriend genaamd Lucilius. Seneca schetst een kritisch beeld van de moralistische stand van zaken in de Romeinse samenleving. In dat licht moet de volgende opmerking over het drinken van vrouwen worden gezien: “They [vrouwen] keep just as late hours, and drink just as much liquor: they challenge men to wrestling and carousing, they are no less given to vomiting from distended stomachs and to thus discharging all their wine again”. Seneca fulmineert tegen decadentie en luxueuze genotsmiddelen zoals verfijnde gerechten en overbodige medicijnen, die het menselijke gestel verzwakken. Hoe groter het aanbod van dit soort artikelen, des te groter het aantal ingewikkelde ziektes. Het vrouwelijke lichaam is volgens Seneca ‘veroverd’ door dezelfde verlangens, die voorheen slechts mannen kwelden. Sterker nog, de vrouwen gedragen zich op alcoholisch vlak als mannen. Drinken tot diep in de nacht en het daaropvolgende overgeven was hiervan onderdeel. Seneca voegt zich bij de rest van de Romeinse auteurs: vroeger was alles deugdzamer (‘the men of former days were better men by far’) en het vrouwelijke gedrag, inclusief drinkgewoontes, vormt daarop geen uitzondering. Met name het uitdagen van mannen tot worstelen, drinken tot diep in de nacht en overgeven, worden gezien als volledig onacceptabel. Het verontrustende gevolg hiervan is namelijk wat Edwards beschrijft als een ‘subversion of ‘natural’ patterns of gender-specific behaviour’: een heuse bedreiging van de ‘natuurlijke’ stand van zaken.
In de tot dusver besproken bronfragmenten werd vrouwelijk drankgebruik afgeschilderd als een kwaadaardig fenomeen. Vrouwen konden volgens de Romeinse auteurs geen weerstand bieden aan de verleiding die alcohol bood en bleken tegelijkertijd extreem vatbaar voor de directe effecten van alcoholconsumptie zoals het verlies van zelfbeheersing en controle over het lichaam en de daaropvolgende seksuele losbandigheid, onkuisheid en overspel. Zowel de zwakheid als de inherente onbetrouwbaarheid van de vrouwelijke natuur werd bevestigd door haar reactie op alcoholgebruik. Waar kwam dit hardnekkige stereotype vandaan? De angst van de Romeinse man voor het verlies van zijn gezag, oncontroleerbare elementen, de rigide sociale hiërarchie in het Romeinse gezinsleven, het mannelijke ideaalbeeld van de Romeinse vrouw/matrone en haar kuisheid als steunpilaar van de deugdzaamheid – deze elementen zullen de basis hebben gelegd voor de negatieve verbintenis tussen vrouwen en alcohol.

Julia’s verbanning
In voorgaande bronfragmenten resulteert de interactie tussen de moralistische mentaliteit van de Romeinse auteurs en vrouwelijk drankgebruik in louter negatieve veroordelingen. Een berucht voorval uit de Romeinse geschiedenis nuanceert deze constatering (via een omweg)enigszins. De ware toedracht achter Julia’s verbanning door haar vader, keizer Augustus, blijft een punt van verhitte discussies tussen historici, maar met name de volgende opmerking van Suetonius is van belang voor dit onderzoek: ‘After Julia was banished, he denied her the use of wine and every form of luxury (…)’. Deze opmerking impliceert dat het vrouwen, in ieder geval zij die zich een zekere mate van luxe kunnen veroorloven, vrijstaat om alcoholhoudende dranken te nuttigen. De auteur vermeldt immers specifiek dat Julia deze vrijheid wordt ontnomen. Kortom, een zekere mate van alcoholgebruik (niet grensoverschrijdend) is welvarende vrouwen toegestaan. Hier blijkt dus een verschil te bestaan tussen het ideaal (vrouwelijk drinken is niet acceptabel) en de realiteit (vrouwelijk drinken werd in de praktijk geaccepteerd).
Een noemenswaardige overeenkomst bestaat tussen de verbanningsaffaire en de eerdergenoemde anekdotes van Plinius en de satiren van Juvenalis en Petronius: een pater familias hoort zijn auctoritas en dignitas te handhaven. De reactie van Augustus op het schaamteloze gedrag van zijn dochter lijkt overdreven, maar zoals Purcell terecht constateert schaadde haar overspelige gedrag het fundament van Augustus’ macht bestaande uit het imago/dignitas van een deugdzame familieman/heerser, en ondermijnde hierdoor zijn gezag/auctoritas over het Romeinse volk. De verbanning van Julia kon niet uitblijven: de dochter van de keizer bekleedde geen uitzonderingspositie.
D’Arms brengt een alternatieve verklaring voor Julia’s verbanning te berde. Hij benadrukt dat dronkenschap in hogere politieke kringen ‘especially damaging consequences’ kon hebben. De Romeinen waren zich terdege bewust van loslippigheid door overmatige alcoholconsumptie. Zo waarschuwde Plinius de Oudere: ‘‘Then it is that the secrets of the heart are published abroad: some men specify the provisions of their wills, others let out facts of fatal import, and do not keep to themselves words that will come back to them through a slit in their throat – how many men having lost their lives in that way!’ Dat Julia op de hoogte was van politieke geheimen is plausibel. Ze verkeerde immers in de nabijheid van haar vader en andere politieke kopstukken. Kortom, Julia’s losse tong, te wijten aan dronkenschap, maakte haar een politieke tijdbom, die Augustus onschadelijk moest maken. Bovenstaande theorieën omtrent de verbanning van Julia zijn gebaseerd op plausibele hypothesen, maar dat een historicus soms te ver doorslaat met fantaseren, bewijst McKinlay: ‘Some inference as to the attitude of the Romans of the First Century after Christ toward reveling may be got from the strong pressure the populace brought to bear on Augustus to recall Julia’. Het verzoek om Julia’s verwijdering ongedaan te maken, duidt volgens McKinlay op de acceptatie van buitensporige dronkenschap als een alledaags fenomeen door de Romeinen, en dat is op zijn minst een opmerkelijke conclusie.

Anus ebria en Dipsas de ‘lena’
De anus ebria en de hoermadam Dipsas behoren tot een grote reeks literaire beelden, zowel visueel als literair, die de grenzen van onacceptabel en acceptabel gedrag op moreel en sociaal vlak laten zien. Hier wordt hun functie binnen het morele conservatisme van de Romeinse aristocratie, en hun verhouding tot alcoholconsumptie door vrouwen besproken.
In de Romeinse literatuur is de anus (‘oude vrouw’) een veel voorkomend fenomeen, dat bestaat uit een ‘versleten’ dame van middelbare leeftijd. De anus is een van origine Griekse creatie die door de Romeinen werd geïmporteerd. Zij is over het algemeen een ‘verlopen’ weduwe, verraden of verlaten door haar kinderen. De anus is daarbij hoogst onaantrekkelijk: mannen willen alleen het bed met haar delen indien dat geld of politieke connecties oplevert. Deze vrouw kan alleen op sympathie rekenen als haar kinderen komen te overlijden. De reeks negatieve associaties kan eindeloos worden uitgebreid; de anus is afgetakeld, een toverkol en praatziek. Er is echter één eigenschap waardoor deze treurige figuur een plek verdient in dit onderzoek: ‘[she] drinks more, and loves the gifts of the teeming vine’.
Welke functie had deze troosteloze figuur in de Romeinse literatuur? De anus was een ideologische constructie, een soort van kapstok waar schrijvers negatieve eigenschappen aan ophingen om haar seksuele tegenhanger, de senex (‘oude man’), te prijzen. Hoe ging dat in zijn werk? De schrijver noemt bijvoorbeeld simpelweg de anus praatziek en wijst daardoor indirect op de eerzame gereserveerdheid van de senex, die geen tijd verspeelt aan kletspraatjes. Elke negatieve karaktereigenschap van de anus werd zo gespiegeld aan een nobele kwaliteit van de senex, waardoor ‘by imputing the opposites of these positive “male” attributes to the anus Roman society thus gave its most privileged member, the senex, an easy way to feel good about himself’. Om kort te gaan, door de anus als ebria (‘dronken’) te bestempelen, benadrukte de Romeinse schrijver de continentia, moderatio en temperantia van zijn mannelijke seksegenoten. Let wel: dit sluit dronkenschap onder mannen niet uit, maar een dronken senex is niet ondeugdzaam. Zo vergelijkt Purcell het beeld van de dronken Hercules met de dronken anus en komt tot de volgende conclusie: ‘The sexual undertones are clearly that the old woman is passively out of control, whereas Hercules retains a certain bravado; he is still an agent, and he is a figure of fun, it is a temporary and tolerant joke, not expressed with disdain’.
Het beeld van de dronken oude vrouw wordt ook gebruikt door Ovidius in zijn De kunst van de liefde. Dipsas, een oude vrouw die het liefje van de dichter overspoelt met duivels advies, is een lena (‘hoermadam’) en soortgenoot van de anus ebria. Deze komt viermaal naar voren in het gedicht van Ovidius. Als eerste is daar de omschrijving van Ovidius, die Dipsas bestempelt als ‘never in a sober state’ met alle gevolgen van dien: ‘[never] does she behold dark Memnon’s daughter with her steeds of roseate hue’. De heks kijkt blijkbaar graag zo diep in het glas dat ze nooit het ochtendgloren aanschouwt. De derde en vierde vermelding van Dipsas’ drankzucht komen ter sprake tijdens de confrontatie tussen de dichter en de heks. Op het moment dat de verbolgen dichter uit de schaduw stapt en de lena te lijf gaat, laat hij de gewelddadige verwijdering van de kwade heks, die ‘drunken tears’ schreit van ellende, van een vervloeking vergezeld gaan: ‘May the gods (…) reject thee, and send thee a miserable old age, endless winters and an everlasting thirst’. De ‘dronken tranen’ benadrukken Dipsas’ beschonken staat en de verwensing is een woordspeling op haar naam, die ‘de dorstige’ betekent. De drankzucht van de Dipsas wordt voornamelijk aangewend om haar kwaadaardigheid aan te duiden, wat op zijn beurt bevestigt dat voor dronken vrouwen in het morele conservatisme van de aristocratie geen plaats was.

Conclusie

De anekdotes van Plinius de Oudere over onacceptabel drankgebruik leiden tot de conclusie dat een dronken vrouw, te wijten aan haar incontinentia, zowel de dignitas en gravitas van haar echtgenoot als zijn gezag als pater familias ondermijnt. Ook blijkt dat drinken haar pudicitia schaadde door een verlies aan zelfbeheersing, wat op zijn beurt kon leiden tot overspel.
Ten eerste kan worden vastgesteld dat Juvenalis’ mannen immer het slachtoffer zijn van het drinkgelag van hun partners, aangezien hun dignitas (reputatie, familienaam etc.) aan diggelen valt op de door hun echtgenotes ondergekotste marmeren vloertegels.
Ten tweede passeren vergelijkbare omstandigheden bij Petronius de revue; dronken eega’s laten zich niet langer aan banden leggen, schudden het door de maatschappij opgelegde juk van zich af en brengen prestigeverlies en reputatieschade teweeg door middel van schaamteloos gedrag.
De tirade van Seneca over het alcoholische wangedrag van zijn vrouwelijke tijdgenoten, voorziet in een specifieke uiting van onacceptabel dronken wangedrag: het aangaan van worstelpartijtjes met mannen (geen eufemisme), drinken tot diep in de nacht en overgeven uit opgerekte magen.
Het vierde fragment behelsde de vermelding van Suetonius dat de keizersdochter Julia haar verbanning uit Rome zonder wijn moest doorstaan. Ondanks de onzekerheid omtrent de motivatie achter haar verbanning en de verscheidene plausibele en minder plausibele verklaringen hiervoor, levert deze gebeurtenis significant bewijs voor de daadwerkelijke drinkgewoontes van de Romeinse vrouwen. Het feit dat Julia een nuchtere verbanning werd opgelegd, impliceert indirect dat een zekere mate van drinken, indien niet aanstootgevend, acceptabel was.
De bestudering van de anus ebria en Dipsas de lena levert interessante bevindingen op. Zo blijkt de beschonken status van de anus ebria een morele verwerping van vrouwelijke dronkenschap in zich te dragen, die in contrast staat met de mannelijke deugdzaamheid. De kwaadaardigheid van Dipsas werd voorts versterkt door haar benevelde toestand; een verdere bevestiging dat dronken vrouwen een ongewenst verschijnsel waren.
Al met al is het een veilige constatering dat vrouwelijk drankgebruik door het morele conservatisme van de Romeinse aristocratie werd afgekeurd. Een dronken vrouw viel niet te rijmen met het ideaalbeeld van de nobele matrone – de steunpilaar van Romeinse deugdzaamheid en kuisheid – en was bovendien een gevaar voor de eerzaamheid van haar familie.

Work is the curse of the drinking classes of this country.
Frank Harris – ‘Oscar Wilde. His life and confessions Vol. 1’ (2005)

4.3 Alcohol en non-elitaire groepen

In deze paragraaf wordt gekeken naar de interactie tussen het morele conservatisme van de aristocratie en alcoholconsumptie door verscheidene gemarginaliseerde groepen (‘barbaren’ en slaven) en het ‘gewone volk’. Zoals hiervoor, zal de aandacht uitgaan naar wat werd gezien als acceptabel en onacceptabel drankgebruik, en waar de grens lag van het acceptabele bij alcoholgebruik. Het ‘gewone’ volk is als eerste aan de beurt, gevolgd door wat de Romeinen ‘barbaren’ noemden en als laatste de slaven.

4.3.1 Het alcoholgebruik van de Romeinse lagere klasse

In zijn biografie wordt Augustus door Suetonius afgeschilderd als een deugdzaam politicus, die ‘desired the public welfare rather than popularity’. Het is daarom niet verwonderlijk dat Augustus de volgende eis van het volk negeerde: ‘(…) the people complained of the scarcity and high price of wine, he sharply rebuked them by saying: “My son-in-law Agrippa has taken good care, by building several aquaducts, that men shall not go thirsty”. Suetonius zag in deze weigering een bevestiging van Augustus’ nobele karakter. De keizer beschouwde wijn als een genotsmiddel, een luxuria-product, weliswaar populair onder het volk, maar geen onvervreemdbaar consumptiemiddel. De voorkeur voor wijn boven water getuigde daarbij niet van duritia (‘strenge levenswijze, soberheid, hardheid’). Het volk mocht wijn drinken, maar in tijden van schaarste moest water voldoen.
In de derde satire van Juvenalis klaagt Umbricius over de onveiligheid op straat in Rome. Hij fulmineert over de fatale gevolgen van vallende dakpannen en bloempotten alvorens hij gevaarlijke criminelen een verbale veeg uit de pan geeft: ‘The drunken thug is in agony from failing, by some chance, to attack anyone (…) It takes a brawl to make him sleep’. Umbricius vermeldt vervolgens dat de misdadiger zijn beschonken staat te danken heeft aan een fikse dosis onversneden wijn; een levensgevaarlijk gegeven in combinatie met zijn ‘jeugdigheid’. Oftewel, het drinken van onversneden wijn had ook voor het ‘gewone’ volk onacceptabele consequenties zoals dronken agressiviteit.
Een ander voorbeeld van dronken Romeinen die overduidelijk niet tot de Romeinse elite behoorden, is te vinden in Petronius’ Satyricon. De protagonisten van het incident zijn Encolpius, zijn kompaan Eumolpus en het object van hun beider lusten, genaamd Giton. Na een lange avond aan Trimalchio’s dis, waar de drank rijkelijk heeft gevloeid, bevinden de mannen zich in een Romeinse insula (een appartementencomplex enigszins vergelijkbaar met een modern flatgebouw). In de strijd om Giton krijgen Eumolpus en Encolpius het met elkaar aan de stok. Ze rollen vechtend over de vloer en worden door een bediende aangezien voor dronken slaven. De situatie ontaardt bliksemsnel in een verhitte vechtpartij die reeds door D’Arms werd omschreven als ‘perhaps the most explicit evidence’ voor dronkenschap onder leden van de lagere klasse:

The man hurled a little earthenware pot, which was empty, all
the guests having drunk from it, at Eumolpus’s head, broke the
skin of his forehead in the midst of his clamour, and rushed out
of the room. Eumolphus would not brook an insult; he seized a
wooden candle stick and followed the lodger out, and avanged
his bloody forehead with a rain of blows. All the household ran
up, and a crowd of drunken lodgers.

In de heftige vechtpartij, aangevuurd door alcohol en opvliegerige temperamenten, verdedigt Eumolphus zich met een kandelaar tegen de ‘crowd of drunken lodgers’, bestaande uit koks en huurders, die hem bestoken met sissend vlees, honden en vorken. De rumoerige en overbevolkte insulae stonden bekend onder de Romeinse bevolking als locaties voor moreel onacceptabel gedrag. Alcohol speelde daarin een niet geringe rol.
In het volgende fragment houdt een naamloze spreker een preek tegen de jongeman Ponticus. De spreker probeert hem bij te brengen dat hij moet uit moet gaan van zijn eigen prestaties en kwaliteiten (en niet die van zijn voorouders). De spreker zet zijn wijze les kracht bij door voorbeelden te noemen van Romeinen die zich minder deugdzaam gedragen. Zoals de consul Lateranus, die de dignitas van zijn ambt (en logischerwijs zichzelf) bezoedelt door zich te begeven in kringen die een Romeinse hoogwaardigheidsbekleder onwaardig waren:

Dispatch your lieutenant [Lateruanus] to Ostia, Caesar, but first look for him in a huge – diner. You’ll find him reclining next to some hit man, mingling with sailors and thieves and runaway slaves, among executioners and coffin-makers and the now silent tom-toms of a priest sprawled flat on his back.
There, it’s “freedom” for all alike, shared cups. There, no one gets a separate couch or a table set apart.

Een consul hoorde zich niet te begeven onder schunnige types als huurmoordenaars, matrozen, dieven, weggelopen slaven, beulen en begrafenisondernemers. Het was niet deugdzaam, hoogst ongepast en in strijd met iedere vorm van dignitas en gravitas om te drinken in het gezelschap van ‘lagere’ figuren. Met name de gelijkwaardige wijze waarop het ‘gewone’ volk bekers en banken deelt, blijkt onacceptabel.

‘Thor: We go into battle. Do you know what this means? Beer!’
Warren Ellis – ‘Marvel’s Ultimate Secret III’ (2010)

4.3.2 ‘Barbaren’ en alcohol

Het eerste fragment over ‘barbaars’ drankgebruik wordt geleverd door Tacitus, die beweert dat Germanen (in de ogen van de Romeinen ‘barbaren’) dagen zonder eten kunnen en geen behoefte hebben aan smaakmakers zoals appetijtelijke sauzen. Maar ‘(…) if you humour their drunkenness by supplying as much as they crave, they will be vanquished through their vices as heavily as on the battlefield’. Het drinken van de ‘barbaar’, indien niet geremd door een beperking van de drankvoorraad, leidt tot de climax van incontinentia: een vernietiging door ‘zonden’ gelijk aan verlies op het slagveld. In feiten beschuldigt Tacitus de Germanen van een genetische aanleg voor alcoholisme met alle destructieve gevolgen van dien. De ongeremde en ongeciviliseerde ‘barbaar’ bezit immers geen van de Romeinse deugden zoals moderatio en continentia, die lusten en verlangens beteugelen.
De opvatting van Tacitus dat alcohol en ‘barbaren’ een fatale combinatie vormen, wordt onderschreven door Cassius Dio. Het volgende vindt plaats in Noord-Afrika, waar de Nasamonen – een ‘barbaarse’ stam woonachtig in wat nu Libië is – een veldslag winnen van de Romeinen en vervolgens een grote drankvoorraad in het Romeinse kampement ontdekken: ‘(…) having discovered the wine and other provisions there, they gorged themselves and fell asleep, and Flaccus [de Romeinse gouverneur van Noord-Afrika], learning of this, attacked them and annihilated them, even destroying all the non-combatants’. Hetzelfde, beweert Cassius Dio, overkwam de Cimbren (een Germaanse stam uit Denemarken) die de Povlakte binnenvielen: ‘The Cimbri, when once they had halted lost much of their spirit and consequently became enfeebled and sluggish in both mind and body’. De ruige ‘barbaren’ waren niet gewend aan de ongekende luxe van het Italiaanse leven; overdekte woon- en slaapplaatsen, warme baden, gekookt en gekruid vlees én de beschikbaarheid van wijn en andere sterke dranken waren allen nieuw voor de Cimbren, die zich te buiten gingen aan deze gevaarlijke luxe, want al gauw: ‘These practices extinguished all their fiery spirit and enervated their bodies, so that they could no longer bear toils or hardships, whether heat or cold or loss of sleep’.
Het corrumperende effect van alcohol op ‘barbaren’ wordt ook vermeld door Julius Caesar. Zo schreef hij over de Nervii, een Belgische stam uit Noord-Gallië, het volgende: ‘Traders had no means of access unto them, for they allowed no wine nor any of the other appurtenances of luxury to be imported, because they supposed that their spirit was likely to be enfeebled and their courage relaxed thereby’. Benjamin Isaac constateert dat in deze passage twee traditionele ideeën zijn terug te vinden; de corrumperende invloed van handel en de verslappende effecten van het goede leven en wijn op het ‘barbaarse’ gestel. Wederom blijkt de lokroep van alcohol voor ‘barbaren’ onweerstaanbaar en de oorzaak van hun ondergang.
Bovenstaande fragmenten over ‘barbaren’ die zich niet kunnen beheersen en zichzelf het graf in drinken, vormen onderdeel van de negatieve en proto-racistische stereotypering van de ‘barbaar’, die niets zegt over de daadwerkelijke drinkgewoontes van de ‘barbaren’. Desondanks valt twee belangrijke opvattingen af te leiden uit de overtuiging van de Romeinen dat alcohol als wapen kan worden gebruikt. Ten eerste het verband tussen de onbeschaafdheid en de bijkomstige mateloosheid van de ‘barbaar’, die haaks staan op de beschaafdheid en het deugdzaam matigen van de Romeinen: een geciviliseerd mens kent zijn grenzen (continentia), maar een onontwikkelde ‘barbaar’ beschikt niet over de deugd der matiging. De Romeinse auteurs benadrukken op deze wijze de woeste inborst van de Germanen door hun dranklust te contrasteren met Romeinse nuchterheid. Het tweede punt vloeit voort uit het eerste punt: alcohol heeft volgens de Romeinen de kwaliteit om iemand van zijn zelfbeschikking te beroven, maar alleen een ongeciviliseerde ‘barbaar’ zal het altijd zo ver laten komen, terwijl de beschaafde Romein zich zelf in toom (tracht) te houden. De ‘barbaar’ wordt een slaaf van de alcohol, maar de vrije Romein laat zich niet knechten door de drank.
Een tweede fragment uit Tacitus’ De Germania is een relaas over de manier waarop Germaanse stammen vergaderen:

To make day and night turn into one in drinking is a reproach to no man: brawls are frequent, naturally, among heavy drinkers: they are seldom settled with abuse, more often with wounds and bloodshed; nevertheless the mutual reconciliation of enemies, the forming of family alliances, the appointment of chiefs, the question even of war or peace, are usually debated at these banquets; as though at no other time were the mind more open to obvious, or better warmed to larger, thoughts. The people are without craft or cunning, and expose in the freedom of the occasion the heart’s previous secrets; so every mind is bared to nakedness: on the next day the matter is handled afresh: so the principle of each debating
season is justified: deliberation comes when they are incapable of pretence, but decision when they are secure from illusion.

In bovenstaand citaat komt alcohol naar voren als een onmisbaar en bovenal geaccepteerd supplement bij het vergaderen over belangrijke beslissingen: vrede, bondgenoten, de benoeming van stamhoofden en oorlogsverklaringen worden allen besproken in dronken staat, ‘as though at no other time were the mind more open to obvious, or better warmed to larger, thoughts’. De losse tongen en open harten zorgden weliswaar voor hevige discussies (vechtpartijen waren niet uitzonderlijk), maar de volgende dag werd ieder onderwerp nogmaals nuchter besproken, zodat ‘(…) deliberation comes when they are incapable of pretence, but decision when they are secure from illusion’. In het fragment heeft alcohol voornamelijk positieve bijwerkingen; in dronken staat komt de waarheid boven borrelen, illusies vallen weg en het hart wordt gelucht. Hierdoor kan de volgende dag op eerlijke en realistische wijze een besluit worden genomen. Tevens blijken de Germanen niet zo gemakkelijk vatbaar voor de verslavende kwaliteiten van alcohol als Tacitus ons in het eerste fragment wil doen geloven. Sterker nog, de Germanen lijken goed bekend met de bijwerkingen van alcohol en de dronkenschap en benaderen het hele drinkproces met een weldoordachte aanpak. Deze valt echter niet te rijmen met moderatio of continentia op alcoholisch gebied, want dronkenschap wordt zelfs nagestreefd. In tegenstelling tot bij Romeinen lijkt het niet alsof dronkenschap gevolgen heeft voor de dignitas en gravitas van de ‘barbaren’. Dit is echter niet opmerkelijk: ‘barbaren’ hadden immers (volgens de Romeinen) geen dignitas of gravitas.
De historicus Bejamin Isaac betoogde dat de Grieks-Romeinse wereld de bakermat was van het proto-racisme, een verre voorloper van het moderne racisme. Het negatief karakteriseren van ‘barbaarse’ volkeren was een essentieel onderdeel van dit proto-racisme. Ook hun alcoholgebruik werd hiervoor aangewend. Zo werd ‘barbaren’ stelselmatig in de schoenen geschoven dat zij onaangelengde wijn dronken (§1.4). De Romeinse auteurs typeren daarbij de ‘barbaarse’ inborst als gemakkelijk te corrumperen door middel van luxuria-goederen. Dit proces werd vergemakkelijkt door het simpele, zuivere karakter van de ongecultiveerde ‘barbaar’, dat geen mentale weerstand kon bieden tegen de verleiding van (o.a.) alcoholische dranken.
Indien alle aspecten worden samengevoegd, blijkt dat alcohol werd gebruikt om de ‘barbaren’ te karakteriseren als ongeciviliseerde creaturen met een simpele, en zuivere, inborst. De Romeinse auteurs stereotypeerden de ‘barbaar’ op een dubbelzinnige en racistische manier.

Conquer thyself. Till thou hast done that, thou art a slave; for it is almost as well to be in subjection to another’sappetite as thine own.
Robert Burton (1821-1890)

4.3.3 Slaven en alcohol

In een onderzoek naar de interactie tussen de aristocratische mentaliteit en het drankgebruik van slaven wordt het spits afgebeten door de in december gevierde Saturnalia, ook wel het ‘merriest festival of the year’ genoemd, waar joligheid en zatheid hoogtij vierden. Tijdens het festival werd de sociale hiërarchie op zijn kop gezet. Zo ruilden slaven en meesters van rol en mochten de slaven zelfs met hun meesters de draak steken. De verbintenis tussen de Saturnalia en alcohol blijkt uit de volgende opmerking van Juvenalis: ‘In those days rewards matched genius. In those days many [weldoeners/patronen] found it worth their while to turn pale and go without wine for the whole of December’. In vervlogen tijden waren weldoeners bereid om de Saturnalia nuchter door te brengen, nadat hun wijnvoorraad als beloning aan dichters was geschonken, maar Juvenalis claimt dat de patronen uit zijn tijd slechts de creaties van pruldichters waarderen en genialiteit onbeloond laten. Met name de bewondering die spreekt uit Juvenalis’ opmerking over ouderwetse patronen, die bereid waren de festiviteiten nuchter te vieren, zinspeelt op de acceptabele status van alcoholconsumptie tijdens de Saturnalia. Volgens de historicus Austin, werden slaven hierin niet uitgesloten: ‘It always seems to have been especially marked by feasting and revelry, and by the license granted to slaves to get drunk (…)’.
Bovenstaande ondervindingen vormen geen hard bewijs, maar wijzen in de richting van alcoholgebruik door slaven. Tegelijkertijd dringt de volgende vraag zich op: indien de slaven mochten drinken tijdens de Saturnalia, waar ‘there was a noticeable relaxation of social ways’ en de onderlinge verhouding tussen slaaf en meester op zijn kop werd gezet, valt daaruit af te leiden dat over het algemeen alcoholconsumptie door slaven werd gezien als onacceptabel? Dit is een lastige vraag, maar een fragment van Persius biedt enigszins uitkomst. Persius bespreekt in zijn vijfde satire het onbetrouwbare karakter van een slaaf genaamd Dama. De Romeinse satiricus omschrijft hem als een ‘worthless lackey, runny-eyed with cheap wine’. De waterige ogen van Dama duiden op een dagelijkse, al dan niet frequente alcoholconsumptie. Dama is echter een stijlfiguur die door Romeinse auteurs zoals Persius en Horatius wordt gebruikt om de vrijgelaten slaaf te stereotyperen, en is daardoor ver verwijderd van de realiteit. Desondanks bewijst het uitblijven van een hard oordeel over Dama’s drankgebruik door Persius (afgezien van enige walging over de fysieke consequenties) dat enige mate van alcoholconsumptie onder slaven niet ondenkbaar is.
Het volgende fragment komt uit een tirade van Juvenalis over de onbetrouwbaarheid van slaven, wiens losse tongen Juvenalis beschouwde als ‘the very worst part of a bad slave’: And there’ll always be someone [een slaaf] who’ll seek you out at the crossroads, even if you don’t want to hear, who’ll drench your poor ear in his drunken story (…) But they actually like betraying secrets better than drinking stolen Falernian wine’. Evenals bovenstaand fragment van Persius moet Juvenalis’ preek met een korrel zout worden genomen. Desalniettemin is het belangrijk om vast te stellen dat de combinatie van slaven en alcohol een hoogst onacceptabel (‘worst part of a bad slave’) gevolg heeft, namelijk loslippigheid.
Het gebruik van het volgende fragment vergt een versoepeling van de chronologische beperking van dit onderzoek, aangezien het fragment afkomstig is van Cato de Oudere (234 – 149 v. Chr.). Het is echter een realistische aanname dat Cato’s uiteenzetting over de wijndistributie onder zijn slaven niet slechts aan zijn tijd is voorbehouden. Ook Jellinek beschouwt het fragment van Cato’s als toepasbaar op latere tijden: ‘And perhaps more than in Cato’s time, wine was the due of farm hands and workmen in general (…)’. In De agricultura presenteert Cato de volgende lijst van de wijndistributie onder zijn ‘werknemers’:

Wine ration for the [‘slave’] hands: for three months following
the vintage let them drink after-wine. In the fourth month issue a hemina a day, that is, 2 1/2 congii a month; in the fifth, sixth, seventh, and eighth months a sextarius a day, that is, 5 congii a month; in the ninth, tenth, eleventh, and twelfth months 3 heminae a day, that is, an amphora a month. In addition, issue 3 1/2 congii per person for the Saturnalia and the Compitalia. Total of wine for each person per year, 7 quadrantals; and an additional amount for the chain-gang proportioned to their work. Ten quadrantals of wine per person is not an excessive allowance for the year.

De bovenstaande term slave hands (in het Latijn meestal aangeduid als operarii) kon duiden op vrije landarbeiders, maar kon ook verwijzen naar slaven. Over het algemeen wordt aangenomen dat van Cato’s slave hands een deel bestond uit ingehuurde arbeidskrachten, maar dat zeker tien van zijn slave hands daadwerkelijke slaven waren. Wat blijkt? De slaven (hier: de chain-gang, in het Latijn con/mpeditis van compedire, ‘in de voetboeien slaan’) wordt wijn verstrekt. Het is echter de vraag in hoeverre deze wijn enige vorm van lichtzinnigheid kon bewerkstelligen, aangezien de kwaliteit zeer te wensen overliet: ‘Have this [de druivenschillen] sealed tight, to feed to cattle through the winter; or if you wish you can soak some of it a while and you will have an after wine for the hands to drink’. Indien de druivenschillen niet de vorm van veredeld veevoer aannamen, werden uitsluitend inferieure druiven, die reeds drie keer waren uitgeknepen, gebruikt om bocht in elkaar te draaien voor verdeling onder de landarbeiders en slaven. Jellinek concludeert dan ook dat ‘the alcohol content of this beverage must have been very low’.
Het volgende fragment is afkomstig uit Petronius Satyricon en speelt zich af in een Romeinse badhuis: ‘Three masseurs sat there drinking Falernian wine under his eyes. They quarrelled and spilt a quantity. Trimalchio said that this was his health being drunk’. In dit geval drinken slaven daadwerkelijk drank. Petronius impliceert dat Trimalchio’s luxuria/spilzucht geen grenzen kent; hij staat toe dat zijn slaven Falernische wijn drinken en bovendien morsen. Petronius’ overdrijving maakt Trimalchio tot de vleesgeworden decadentie/luxuria en toont tegelijkertijd aan dat volgens de conservatieve mentaliteit van de Romeinse auteurs het drinken van dure wijnen, laat staan morsen, door slaven ongehoord was.
In de primaire bronnen bestaat een interessante gelijk-schakeling bij de Romeinse auteurs tussen dronkaards en weggelopen slaven. Het eerste fragment hierover wordt geleverd door Petronius in zijn Satyricon en bestaat uit de volgende opmerking, gemaakt door een bediende tegen twee over de grond rollende vechtersbazen: ‘Are you drunk, or run-away slaves, or both?’ Enkele regels later maakt Petronius nogmaals de vergelijking tussen ontsnapte slaven en zatlappen, als een vechtpartij wordt opgebroken door de hoofdopzichter van een appartementencomplex: ‘In a furious vulgar voice he made a long oration against drunkards and escaped slaves’.
Juvenalis maakt zich eveneens schuldig aan het over één kam scheren van zatlappen en ontsnapte slaven in zijn achtste satire. De verteller probeert een jonge aristocraat deugdzaamheid bij te brengen door op de wanstaltige praktijken van een Romeinse consul te wijzen: ‘You’ll find him reclining next to some hit man, mingling with sailors and thieves and runaway slaves, among executioners and coffin-makers and (…) a priest sprawled flat on his back. There, it’s “freedom” for all alike, shared cups’. In de kroeg bevinden zich weggelopen slaven, die het glas delen met ongure types; dieven, beulen en huurmoordenaars. Dronkaards en weggelopen slaven; volgens Juvenalis van hetzelfde laken een pak.
De curieuze vergelijking tussen ontsnapte slaven en dronkaards klinkt minder vergezocht als wordt geconstateerd dat beide groepen als paria’s buiten de samenleving stonden; de sociale wetten van de samenleving waren niet langer van toepassing op zatlappen en ontsnapte slaven waren niet te controleren. Alcohol werd op deze wijze indirect gebruikt om de slaaf te karakteriseren als een persoon die onder toezicht hoorde te staan; hij was immers van nature onzelfstandig en slaafs.

Conclusie

In dit hoofdstuk werd gekeken naar de interactie tussen het morele conservatisme van de Romeinse aristocratie en alcoholconsumptie door het ‘gewone’ volk, ‘barbaren’ en slaven. Wat werd gezien als acceptabel, onacceptabel en waar lag de grens voor deze verschillende groepen? Het drankgebruik van het ‘gewone’ volk diende te voldoen aan de eis van gepaste matiging. Het drinken van alcohol werd zeker niet verboden, maar indien de wijn te duur was, moest water volstaan. Het nuttigen van onversneden wijn moest het ‘gewone’ volk, net zoals iedere rechtgeaarde Romein uit de elite, te allen tijde vermijden. Het is opvallend dat in de voor dit onderzoek gebruikte bronnen dronkenschap van het ‘gewone’ Romeinse volk vooral geweld tot gevolg heeft. Ongeremde alcoholconsumptie door het ‘gewone’ volk leidde tevens tot een onacceptabele versoepeling van hygiënische en sociale regels: in de kroegen van Ostia werden drinkbekers en zitbanken gedeeld. Ruwweg moet worden geconstateerd dat de grens lag bij dronkenschap; ook van een ‘gewone’ Romein werd continentia op alcoholisch vlak verwacht.
De Romeinse aristocratie hanteert een weinig rooskleurige visie op ‘barbaarse’ alcoholconsumptie. Zo beticht Tacitus de Germanen van een natuurlijke en onbeperkte lust naar alcohol, die zelfs kan uitlopen op dood door consumptie. De ongeciviliseerde ‘barbaar’ bezit immers niet de Romeinse deugden zoals moderatio en continentia, die hun alcoholgebruik beteugelen. Het idee over deze corrumperende invloed van alcohol op de woeste ongeciviliseerde ‘barbaar’ speelt ook een rol bij Julius Caesar en Cassius Dio. In een tweede fragment gooit Tacitus daarentegen het roer om en beschrijft hij in detail de Germaanse vergadercultuur en de positieve uitwerking van alcohol bij dit proces. Dit valt niet te rijmen met Tacitus’ eerdere bewering dat Germanen gemakkelijk vatbaar waren voor de verslavende kwaliteiten van alcohol. Sterker nog, hier zijn de Germanen volgens Tacitus goed bekend met de bijwerkingen van dronkenschap en benaderen het hele drinkproces met een weldoordachte aanpak die echter niet valt te rijmen met moderatio en continentia; dronkenschap wordt immers nagestreefd. In de De Germania van Tacitus wordt geen melding gemaakt van negatieve gevolgen voor de dignitas of gravitas van de ‘barbaren’ door onacceptabel drankgebruik, omdat ‘barbaren’ überhaupt niet over deze eigenschappen konden bezitten. Dat slaven dronken blijkt uit De Agricultura van Cato de Oudere. Ook de aanname dat slaven zichzelf bezatten tijdens de Saturnalia lijkt niet onaannemelijk. Het vaststellen van onacceptabel en acceptabel drankgebruik volgens het moreel conservatieve gedachtegoed van de aristocraten, blijkt echter problematisch. Slechts vage indicaties, zoals het achterwege blijven van een hard oordeel over de waterige alcoholistische ogen van een slaaf en een satirische overdrijving van Petronius, geven enige idee van aristocratische opvattingen over alcoholconsumptie door slaven. Wel kan met enige zekerheid worden geconstateerd dat het verschaffen van dure wijnen aan slaven, werd gezien als verwerpelijk, een uitvloeisel van luxuria: een slaaf mocht slechts goedkope wijn van slechte kwaliteit drinken.

Lalitha: ‘Seriously, Walter. That kind of man is very primitive. All he has is dignity and self-control and attitude. He only has one little thing, while you have everything else’.
Jonathan Franzen – ‘Freedom’

CONCLUSIE

In het voorafgaande werd onderzoek gedaan naar de volgende probleemstelling: ‘Welke interactie bestond er tussen het morele conservatisme van de aristocratie en alcoholconsumptie door mannen, vrouwen en non-elitaire groepen (soldaten, slaven, ‘barbaren’ en het ‘gewone volk’) ten tijde van het vroege Romeinse keizerrijk, en hoe werd alcohol gebruikt om verschillende groepen te karakteriseren?’. De belangrijkste paragrafen en hoofdstukken werden afgesloten met een conclusie, waardoor het herhalen van de onderzoeksresultaten dubbelop is en hier ruimte overblijft voor bespiegelingen en enkele generalisaties op grond van de bevindingen van dit onderzoek. In The Roman mother (1988) van Suzanne Dixon trekt de auteur de volgende conclusie: ‘I have attempted in this work to strike a balance between scholarly caution and legitimate extension of the evidence’. In dit onderzoek is getracht om dezelfde delicate balans tussen primaire bronnen en redelijke gevolgtrekkingen te vinden. Het gebruik van Romeinse geschriften als bron vergt analytisch vermogen en een voorzichtige benadering, omdat simpele verklaringen voor het geschrevene en de motivatie van de auteurs zelden voorkomen. Zo is een van de paradepaardje van Juvenalis – de dronken vrouw die zich schandalig gedraagt – een literair stijlfiguur en hoogst waarschijnlijk geen daadwerkelijke ervaring van de auteur, maar verschaft zijn subjectieve omschrijving tegelijkertijd informatie over welke waarden en deugden een belangrijke rol spelen in de mentaliteit van de Romeinse aristocratie. Het fragment is daardoor in feite een opvatting van Juvenalis overgoten met een literair sausje en door de schrijver gepresenteerd als een waarheid/werkelijke ervaring. De complexiteit van Juvenalis is niet uniek: bijna ieder fragment in dit onderzoek kan op meerdere manieren worden geïnterpreteerd. Hetzelfde geldt ook vaak voor de motieven en mentaliteit van de auteur.
Indien bovenstaande problemen in ogenschouw worden genomen, lijkt het begrijpelijk dat het vaststellen van een zuiver oordeel van het morele aristocratische conservatisme over alcoholconsumptie de nodige dilemma’s oplevert. Het meest voor de hand liggende antwoord op de probleemstelling is als volgt: de Romeinen hadden over het algemeen, op een enkele uitzondering na, geen goed woord over voor onmatige alcoholconsumptie. Dit is echter een botte simplificatie. Immers, de dronken adolescent, soldaat, keizer, vrouw, ‘gewone’ burger, ‘barbaar’ en slaaf worden weliswaar geen van allen geprezen om hun beschonken status, maar dit onderzoek heeft lang niet alle Romeinse auteurs in beschouwing genomen, de archeologie genegeerd en zich beperkt tot een korte onderzoeksperiode.
Nota bene: dit is geen klaagzang op de beperkte bruikbaarheid van de gebruikte bronnen voor wetenschappelijk onderzoek naar alcoholconsumptie in de Romeinse wereld. Sterker nog, de bronnen zijn stuk voor stuk juwelen, die uitnodigen tot creatieve interpretatie en kundig analyseren stimuleren. Het is alleen onvermijdelijk dat sommige onderzoeken niet een glasheldere waarheid boven tafel krijgen. Dit onderzoek valt in deze categorie.
Is het überhaupt mogelijk om iets zinnigs te melden over alcoholconsumptie in het Romeinse Rijk? Ja. Ten eerste is het interessant dat beschuldigingen van alcoholmisbruik machtige wapens waren in het arsenaal van de literaire zwartmakerij en stereotypering. Politieke vijanden, generaals, keizers en hele bevolkingsgroepen – de Romeinse auteurs gebruikten naar lieverlee (vermeende) drinkgewoontes als ammunitie voor karaktermoord en racistische en discriminerende classificaties. Dit soort aantijgingen raakten blijkbaar een gevoelig snaar en sorteerden zonder meer effect, want de primaire bronnen zijn doorspekt met verwijten over onacceptabel drankgebruik aan het adres van zowel individuen als groepen.
Ten tweede kwam gedurende het onderzoek aan het licht dat informatie over de realistische alcoholconsumptie van Romeinse bevolkingsgroepen (bv. armen, slaven en vrouwen) moeilijk is te achterhalen aan de hand van literaire bronnen. Het drankgebruik van personages in de Romeinse geschiedschrijving, biografieën en satiren mag slechts dienen als een voorzichtige indicatie (zie bv. §4.2 over Julia’s drankgebruik) van het werkelijke drankgebruik. De archeologie is een stuk beter geschikt voor onderzoek naar de realistische alcoholconsumptie in het Romeinse Rijk. Al met al is gebleken dat het drinken van alcohol op een onmatige wijze door de Romeinen werd gezien als een gevaarlijke en onacceptabele bezigheid. Een dronken persoon kon zich schaamteloos, gewelddadig, roekeloos, seksueel losbandig, loslippig en ‘smerig’ gedragen, terwijl de positieve effecten van alcohol zoals vreugde, toenemend zelfvertrouwen, aangename lichtzinnigheid en prettige overmoed niet tot nauwelijks worden benoemd. De lichamelijke effecten van dronkenschap rijmen nu eenmaal niet met de Romeinse obsessie voor zelfbeheersing, matiging, decorum, eer en kuisheid. De jongeman uit de inleiding die door Persius de les wordt gelezen, besteedt – in alle waarschijnlijkheid – de rest van de dag aan het lamenteren van zijn dronken gedrag van de afgelopen nacht, omdat het genieten van vrolijke alcoholische uitspattingen met terugwerkende kracht niet in hem opkomt. Tenminste, indien hij deugdzaam is aangelegd; een ware aanhanger van de mos maiorum en gesneden uit het hout van de ouderwetse ‘echte’ Romeinen.

Suggesties voor verder onderzoek

Dit onderzoek heeft slechts een tipje van de sluier opgelicht. Een volledige bespreking van het Romeinse gedachtegoed over alcoholconsumptie vergt een breed opgezet en langdurig onderzoek. Zo zijn lang niet alle primaire bronnen gebruikt. Enkele belangrijke omissies zijn de werken van Horatius, Plutarchus en Martialis. Hetzelfde geldt voor archeologisch materiaal, dat slechts een marginale bijdrage aan dit onderzoek heeft geleverd. Kortom, een uitgebreider bronnenonderzoek, een bredere periodisering en een multidisciplinaire invalshoek/aanpak zijn vereist voordat een volledig sluitend antwoord kan worden gegeven op de probleemstelling van dit onderzoek. Indien dit wordt bereikt, kan vervolgens onderzoek worden gedaan naar andere klassieke samenlevingen, zoals het Macedonië van Alexander de Grote en het oude Griekenland, om interessante overeenkomsten en verschillen vast te stellen.

LITERATUURLIJST

Secundaire literatuur

Africa, T.W., ‘Adam Smith, the wicked knight and the use of anecdotes’, Greece and Rome 42 (1995) 70-75.

Austin, Gregory A., Alcohol in western society from Antiquity to 1800. A chronological history (Santa Barbara 1985).

D’Arms, John H., ‘Heavy drinking and drunkenness in the Roman world. Four questions for historians’ in: Oswyn Murray en Manuela Tecusan ed., In vino veritas (Londen 1995) 304-317.

D’Arms, John H., ‘The culinary reality of Roman upper-class convivia. integrating texts and images’, Comparative studies in society and history 46.3 (2004) 428-450.

Beard, Mary, Pompeii. Het dagelijkse leven in een Romeinse stad (Amsterdam 2008).

Beer, Michael, Taste or taboo. Dietary choices in antiquity (Blackawton 2010).

Bowman, Alan K., Life and letters on the Roman frontier. Vindolanda and its people (New York 1994).

Butler, Samuel, The way of the flesh (New York 1998).

Champlin Edward, Nero (Cambridge 2003).

Chilver, G.E.F., A historical commentary on Tacitus’ Histories I-II (Oxford 1979).
Cool, H.E.M., Eating and drinking in Roman Britain (Cambridge 2006).

Cokayne, Karen, Experiencing old age in ancient Rome (2003).

Delbanco, Nicholas, Lastingness. The art of old age (2011).

Dixon, Suzanne, The Roman mother (Londen 1988).

Donahue, J.F., The Roman community at table during the Principate (Ann Arbor 2004).

Dunbabin, Katherine M.D., ‘Scenes from the Roman convivium. Frigida non derit, non derit calda petenti’ in: Oswyn Murray en Manuela Tecusan ed., In vino veritas (Londen 1995) 252-265.

Edwards, C., The politics of immorality in ancient Rome (Cambridge 1993).

Ellis, Waren, Marvel’s Ultimate Secret III (2010).

Fagan, Garrett G., Bathing in public in the Roman world (1999).

Ferrero, G., Characters and events of Roman history (New York 1909).

Ferrill, A., ‘Augustus and his daughter. A modern myth’ in: Carl Deroux ed., Studies in Latin literature and Roman history II, 332-346.

Franzen, Jonathan, Freedom (Londen 2010).

Goldsworthy, A., Caesar. The life of a colossus (Londen 2006).

Goldsworthy, A., Antony and Cleopatra (Londen 2010).

Hamilton, N., American Caesars. Lives of the presidents from Franklin D. Roosevelt to George W. Bush (2010).

Harris, Frank, Oscar Wilde. His life and confessions Vol. 1 (2005).

Harrison, J.R., ‘The social context’ in: Mark Harding, Alanna Nobbs ed., The content and the setting of the gospel tradition (Grand Rapids 2010) 105-126.

Hemelrijk, Emily, ‘Women and sacrifice in the Roman Empire’ in: Olivier Hekster, Sebastian Schmidt-Hofner en Christian Witschel ed., Ritual dynamics and religious change in the Roman Empire. Proceedings of the eigth workshop of the International Network Impact of Empire (Heidelberg, july 5-7, 2007) (Amsterdam 2007) 253-267.

Van Hooff, A., Nero en Seneca. De despoot en de denker (Amsterdam 2011).

Jellinek, E.M., ‘Drinkers and alcoholics in ancient Rome’, Journal of studies on alcohol 37 (1976) 1718-1741.

Lauren Hackworth Petersen, The freedman in Roman art and art history (Cambridge 2006).

Harvey, R.A., A commentary on Persius (Leiden 1981).

Isaac, Benjamin, The invention of racism in Classical Antiquity (Princeton 2004).

Jongman, Willem, ‘Beneficial symbols. Alimenta and the infantilization of the Roman citizen’ in: Willem Jongman en Marc Kleijwegt ed., After the past. Essays in ancient history in honour of H.W. Pleket (Leiden 2002).

Lacroix, A., In de drank ten onder. Schrijvers en alcohol (Parijs 2001).
Laes, Christian en Strubbe, Johan, Jeugd in het Romeinse Rijk. Jonge jaren, wilde haren? (Leuven 2008).

Levick, Barbara, Tiberius the politician (Abingdon 1976).

Levick, Barbara, Claudius (Abingdon 1990).

Levick, Barbara, Vespasianus (Abingdon 1999).

Lind, L. R., ‘The tradition of Roman moral conservatism’ in: Carl Deroux ed., Studies in Latin literature and Roman history I (Brussel 1979) 7-58.

McKinlay, A., ‘The Roman attitude toward women’s drinking’, Classical Bulletin 22 (1945) 14-15.

McKinlay, A., ‘Early Roman sobriety’, Classical Bulletin 24 (1948) 52.

McKinlay, A., ‘Roman sobriety in the later Republic’, Classical Bulletin 25 (1949).

McKinlay, A., ‘Roman sobriety in the early Empire’, Classical Bulletin 26 (1950) 30-36.

Morton Braund, Susanna, Juvenal Satires Book I (Cambridge 1996).

Mouritsen, H., The freedman in the Roman world (Londen 2011)

O’Brien, John Maxwell, Alexander the Great. The invisible enemy (Londen 1992).

Purcell, N., ‘Wine and wealth in Ancient Italy’, The journal of Roman studies 75 (1985) 1-19.

Purcell, N., ‘Women and wine in Ancient Rome’ in: Maryon McDonald ed., Gender, drink and drugs (Oxford 1994).

Rosivach, Vincent, ‘Anus. Some older women in Latin literature’, The Classical World 88.2 (1994) 107-117.

Van Rossum, J.A., ‘Teksten uit het barre Noorden. Nederlandse Romeinen in Engeland’ in: Lampas 36 (2003) 211-225.

Rotskoff, Lori, Love on the rocks. Men, women, and alcohol in post-World War II America (Chapel Hill 2002).

Saller, Richard, ‘Anecdotes as historical evidence for the principate’, Greece & Rome 72.1 (Cambridge 1980).

Salmon, E.T., A history of the Roman world 30 B.C. to A.D. 138 (Londen 2004).

Vegdahl, S. en Seunghwa Hur, B., Culture Shock! Korea. A guide to customs and etiquette (Singapore 2004)

Waldhauer, Oscar, ‘Myron’s Anus Ebria and the Drunken Woman in Munich’ American Journal of Archaeology 50 (1946) 241-246.

Wellesley, Kenneth, The Year of the Four Emperors (Londen 1975).

Williams, John, Augustus. A novel (Londen 2003).

Westermann, William Linn, The slave systems of Greek and Roman antiquity (Philadelphia 1955).

Wrigley, Chris, Winston Churchill. A biographical companion (2002).

Bronnen (behalve Apicius allen uit de Loeb Classical Library)

Apicius, Cookery and dining in imperial Rome, Joseph Dommers Vehling ed. (1977).

Cato, M., On agriculture, Hooper W. en Ash H. ed. (Cambridge 1936).

Caesar, J., The Gallic War, H.J. Edwards ed. (Cambridge 2004).

Cicero, On duties, Walter Miller ed. (Cambridge 1913).

Cicero, Philippics 1-6, D.R. Schackleton Bailey, John T. Ramsey en Gesine Manuwald ed. (2010).

Cicero, Letters to Atticus vol. III, E.O. Winstedt ed. (Cambridge 1961).

Dio, Cassius, Roman history, E. Cary ed. (Cambridge 1924-1927).

Juvenalis, Satires, G. Ramsay ed. (Cambridge 1918).

Ovidius, Fasti, J. Frazier ed. (Londen 1929).

Ovidius, Heroides and amores, G. Showerman ed. (Cambridge 1921).

Petronius Arbiter, Satyricon, M. Heseltine en W.H.D. Rouse ed. (Cambridge 1939).

Plinius The Elder, Natural history, H. Rackman, W. Jones en D. Eicholz ed. (Cambridge 1938-1962).

Seneca, Epistles vol. I (66-92) & II (93-124), R. Gummere ed. (Cambridge 1925).

Seneca, Moral Essays. De Consolatione ad Marciam. De Vita Beata. De Otio. De Tranquillitate Animi. De Brevitate Vitae. De Consolatione ad Polybium. De Consolatione ad Helviam vol. II, John W. Basore ed. (1932).

Suetonius, Lives of the caesars vol. I & II, J.C. Rolfe ed. (Cambridge 1913).

Tacitus, Histories and annals vol. III, C. Moore en J. Jackson ed. (Cambridge 1935-1937).

About the author:

Nieuwsbrief

Back to Top