Edwin Bollebakker: De WAO van de oudheid

Edwin Bollebakker: De WAO van de oudheid

Reacties uitgeschakeld voor Edwin Bollebakker: De WAO van de oudheid

Edwin Bollebakker

Samenvatting

Wij leven in een verzorgingsstaat die zich verplicht voelt om zich te bekommeren om de zwakken. Mensen die niet kunnen werken, krijgen vanuit die gedachte een toelage van de staat. Moderne gedachte? Absoluut niet. Edwin Bollebakker heeft een tekst van de Griekse schrijver Lysias gelezen en kunnen vaststellen hoe de klassiek Atheense democratie uitkeringen betaalde aan de zwakken die fysiek niet tot werken in staat waren. Voor de zekerheid heeft hij ook nog een blik geworpen op Rome, maar daar had de staat andere prioriteiten.

Download de PDF

Edwin Bollebakker (pdf)

Lees met ISSUU

Volledige Tekst

INLEIDING

Cicero vertelt over een rechtszaak waar een zeer kleine getuige bij betrokken is:

‘May I question the witness?’ a lawyer called Lucius Phillipus inquired of the judge. To which the judge, being in a hurry, replied, ‘Just be short’. ‘I’ll be as short as the witness’, Phillipus quipped back. The lawyers retort badly backfired, however, since the judge happened to be even shorter than the witness.

Over invaliden werden al in de oudheid grappen gemaakt. Afgezien van een komische, zielige of enge rol komen zij amper aan bod. De geschiedschrijving van de oudheid is over het algemeen een verhaal over rijke, volwassen, gezonde mannen. Of het nu over het voeren van oorlog, regeren of filosoferen gaat, bijna altijd speelt een gezonde man de hoofdrol. Invaliden krijgen pas echt aandacht als ze keizer worden, zoals Claudius overkwam.
In dit onderzoek komt deze onderbelichte zwakke groep aan bod, de invaliden. Tegenwoordig zijn er allerlei voorzieningen en subsidies voor deze mensen. Waren er in de oudheid ook subsidies vanuit de overheid voor invaliden? En wat was de rol van de moraal en religie hierin? Opvallend genoeg is er slechts één monografie geschreven over invaliden in de oudheid, The eye of the beholder van Robert Garland. In dit werk gaat hij slechts kort in op de officiële steun voor invaliden in Athene en Rome, waarna hij de rest van het boek besteedt aan de beeldvorming van de Grieken en Romeinen over invaliden. Zo bespreekt hij onder meer de religieuze blik van Romeinen op invaliden, de grappen over en de afbeeldingen van invaliden en de medische behandeling van de verschillende soorten invaliden. Hoewel al deze onderwerpen erg interessant zijn, doet hij in zijn werk de officiële steun voor invaliden te kort. Een van de doelen van dit onderzoek is om dat tekort op te vullen.
Het onderzoek zal zich richten op Athene in de vijfde en vierde eeuw voor Christus en Rome in de eeuwen rond de geboorte van Christus. Er wordt naar zo’n lange periode gekeken omdat de bronnen voor dit onderzoek erg schaars zijn. Vaak zijn bronnen bij toeval overgeleverd of wordt er slechts zijdelings aan invalidenzorg gerefereerd. Daarom is elke bron van waarde en moeten er soms dingen aangenomen worden om verder te komen.
Redevoeringen en politieke geschriften zijn de belangrijkste bronnen in dit onderzoek. De politiek en rechtspraak waren in die tijd vooral een orale kwestie, in de redevoeringen is het beste te zien hoe er in officiële kringen over invalidenzorg gedacht werd. De geschriften van bekende politici zoals Cicero zijn onmisbaar voor dit onderzoek, simpelweg omdat er erg veel van zijn geschriften bewaard zijn gebleven en hij de mening van de rijke senatoren duidelijk verkondigt.
De aanleiding van dit onderzoek is een redevoering die op naam staat van de Griekse logograaf Lysias. Hij schreef een redevoering voor een arme Atheense burger. Deze burger moest zijn uitkering, die hij van de Atheense staat kreeg, verdedigen voor de Atheense Raad. Hij deed dit aan de hand van de verschillende voorwaarden die er gesteld werden aan een invalide voordat deze de uitkering kon krijgen. De eerste paragraaf over Athene bespreekt aan de hand van deze redevoering de Atheense invalidenzorg. In Rome was geen officiële uitkering van de overheid voor invaliden. Waar de Romeinse invalide dan terecht kon voor steun om te overleven wordt in de tweede paragraaf bekeken. Waarom er in Athene wel steun van overheidswege was en in Rome niet, wordt in de derde paragraaf verklaard.

1: LYSIAS EN ATHENE

Eén van de belangrijkste bronnen voor onderzoek naar de zorg voor invaliden in het Athene van de vijfde eeuw is een redevoering die op naam van Lysias staat. Voordat er dieper op de inhoud van deze redevoering wordt ingegaan, zal eerst Lysias als persoon en de Atheense manier van rechtspraak bestudeerd worden.
Lysias is geboren rond 445 voor Christus in Syracuse. Volgens Dionysius van Halicarnassus was het in 459, omdat bekend is dat Lysias toen hij vijftien jaar was een tocht naar Thurii maakte. Deze stad werd in 444 gesticht. Tegenwoordig neemt men aan dat deze tocht enkele jaren later was en dat hij dus later geboren is. Omdat de vader van Lysias uit Syracuse kwam, konden hij en zijn zoon Lysias nooit het burgerrecht krijgen als hij in Athene bleef wonen. Ze hadden in Athene de status van ‘metoik’, een vreemdeling. Deze mensen waren wel vrij, maar hadden geen burgerrecht en konden dus niet aan de politiek deelnemen. Ook moesten ze meer belasting betalen aan de Atheense staat dan echte burgers en konden ze geen Atheens land bezitten. Het is zeer waarschijnlijk dat ze om deze reden rond 430 verhuisd zijn naar Thurii, een kolonie van Athene in Zuid-Italië. In de kolonie konden ze namelijk wel als volwaardige burgers leven.
Thurii was in die tijd een stad waar vele geleerden samenkwamen. Herodotus had hier geleefd, de filosoof Empedokles zou hier een school hebben gesticht om les te geven in zijn leer en de grondwet voor de nieuwe kolonie was er op verzoek van Perikles opgesteld door Protagoras. In deze geleerde sfeer heeft Lysias zijn opleiding in de retorica gevolgd, volgens de traditie bij de school van Tisias. Deze opleiding in een geleerde stad als Thurii zal hem aangespoord hebben om later met de retorica zijn geld te gaan verdienen.
Athene en Sparta hadden al enkele decennia conflicten, onder meer over de zeebond waar Athene de leider van was, de Delisch-Attische Zeebond. Hierover werd tussen 431 en 421 de eerste Peloponnesische Oorlog uitgevochten die eindigde in een wapenstilstand. In 415 viel de Atheense vloot Sicilië aan. Deze oorlog verliep rampzalig voor de Atheners en heeft hun het grootste deel van de vloot gekost, een verlies dat Athene niet snel te boven is gekomen. Belangrijker voor Lysias was dat er in de steden in het zuiden van Italië een stemming tegen Athene heerste door de aanval. Lysias en zijn broer Polemarchus werden te veel ‘Atheens’ beschouwd en moesten vluchten. In 412 kwamen ze in Athene aan.
Lysias begon in Athene te werken als logograaf, iemand die redevoeringen voor anderen schrijft. In de Atheense rechtspraak was het namelijk verboden om het woord te doen voor iemand anders. Hadden twee burgers een ruzie dan moesten ze allebei naar de rechtzaak komen en zichzelf verdedigen. Natuurlijk waren vele Atheners niet geschoold in de retorica, zij konden dan bij een logograaf tegen betaling een redevoering op maat laten maken. Ook de redevoering van de zaak van de invalide die een belangrijke rol speelt in dit onderzoek is zo’n op maat gemaakte redevoering voor een burger en zal dus waarschijnlijk zijn uitgesproken in een rechtszaak. De versie die is overgeleverd, is wel bewerkt. Als een redevoering goed was, kon de logograaf hem namelijk na gebruik bewerken en uitgeven om wat extra geld te verdienen. We hebben slechts dertig uitgegeven redevoeringen van Lysias over, maar hij zal er vele honderden hebben geschreven in Athene.
Ondertussen was de oorlog tussen Athene en Sparta weer hervat. In 404 verloor Athene de laatste Peloponnesische Oorlog en kwam de stad onder het bewind van Dertig Tirannen te staan. Eén van de eerste maatregelen van dit schrikbewind was om rijke vreemdelingen te arresteren op valse gronden en zo hun fortuin te confisqueren. Lysias en Polemarchus hadden veel geld geërfd van hun vader en stonden dus op de lijst van arrestanten. Lysias wist op tijd te vluchten naar Megara. Zijn broer had niet zoveel geluk: hij werd veroordeeld tot de doodstraf en moest dolle kervel drinken, hetzelfde gif dat later de bekende filosoof Sokrates zou doden.
Na de val van het bewind in 403 keerde Lysias terug naar Athene en speelde een belangrijke rol in de vervolging van leden van de Dertig. De redevoering van Lysias tegen Eratosthenes, één van de Dertig en de moordenaar van Polemarchus, is bewaard gebleven. De rol van Lysias in de vervolgingen van de Dertig heeft hem beroemd gemaakt in Athene en hij kreeg in de jaren daarop veel goede opdrachten. In 388 mocht hij zelfs de feestrede bij de Olympische Spelen houden. Hij is tot ongeveer 380 actief gebleven met schrijven, dat jaartal wordt dan ook als zijn sterfjaar genomen.
De eerste keer dat er gesproken wordt over een uitkering voor invaliden is in het begin van de zesde eeuw voor Christus. Herakleides van Pontos vertelde dat de tiran Peisistratos een wet had ingesteld:

‘which provided that those maimed in war should be maintained at public expense’.

Uit deze zorg voor oorlogsinvaliden is de uitkering waar Lysias over geschreven heeft waarschijnlijk ontstaan. De aanleiding voor de rechtszaak waarvoor Lysias de redevoering heeft geschreven was de jaarlijkse controle van de Raad op uitkeringen. De Raad onderzocht of de mensen die een uitkering kregen, daar wel recht op hadden. Iedere burger die vond dat een andere burger die een uitkering kreeg daar geen recht op had, kon de invalide burger aanklagen. Dit was het geval bij de man die de op opdracht voor de redevoering heeft gegeven, ondanks dat hij al jaren een uitkering ontving. Zowel hij als de aanklager moesten hun zaak voor de Raad komen bepleiten. De kreupele man bestelde een redevoering bij Lysias en deze is bewaard gebleven.
Een Griekse redevoering bestond normaal uit vier delen, ieder met een eigen stijl. In de inleiding probeerde de aangeklaagde de interesse van de rechters voor zijn zaak te wekken en zette hij zijn standpunt uiteen. Hierna volgden de voor het betoog van de aangeklaagde belangrijke feiten. Dit deel was vaak het meest zakelijk, want het was belangrijk voor de spreker om op de luisteraars goed en duidelijk over te brengen hoe de zaak volgens hem in elkaar stak en wat er gedaan moest worden. Als derde kwam hij met de argumenten die zijn plan en denkwijze ondersteunden. Tegelijkertijd probeerde hij de argumenten van de tegenstander onderuit te halen en deze in diskrediet te brengen. Persoonlijke aanvallen werden hierbij niet geschuwd. Het was vaak zo dat dit het meest emotionele deel van een redevoering was, en dat de levenswandel van aanklager of aangeklaagde erbij werd gehaald. Als afsluiting werd nog eenmaal het standpunt van de spreker herhaald en deed hij een persoonlijk beroep op de rechters om hem vooral te helpen.
De opening van de betreffende redevoering was meteen zeer sarcastisch:

‘Het scheelt niet veel of ik ben mijn aanklager dankbaar, heren leden van de Raad, dat hij dit proces tegen mij begonnen is’.

Natuurlijk was hij niet blij dat hij zich moet verantwoorden, maar het gaf hem wel de mogelijkheid over zijn eigen leefwijze te vertellen. Dat hij daar graag gebruik van maakte wekte de indruk dat hij niet helemaal van onbesproken gedrag was. Vervolgens zei hij dat dit proces hem was aangedaan uit afgunst, want hij had de aanklager nooit persoonlijk schade toegebracht. De aanklager moest dus wel jaloers zijn. En wie jaloers was op iemand die medelijden wekt, zoals de kreupele spreker, moest wel een schurk zijn. Na de opening kwamen de feiten. Eerst herhaalde de spreker de aanklacht:

‘Mijn aanklager beweert dat ik de uitkering van de stad ten onrechte ontvang: ik zou krachtig van lijf en leden zijn en niet tot de invaliden behoren, en ik zou een vak verstaan dat mij in staat stelt ook zonder die toelage te leven. Als bewijs voor mijn lichamelijke fitheid voert hij aan dat ik paard rijd, en voor de winstgevendheid van mijn vak dat ik in staat ben om te gaan met koopkrachtige mensen.’

Hier ligt de kern van de zaak in besloten: een burger had recht op uitkering van een obool per dag als hij aan twee eisen voldeed, die beiden door de aanklager bestreden werden. Hij moest blijvend invalide zijn en zijn eigen vermogen mocht niet meer bedragen dan drie mna. Aristoteles gaf halverwege de vierde eeuw dezelfde kwalificaties aan, maar sprak van een bedrag van twee obolen. Blijkbaar was de steun voor invaliden in de loop van de vierde eeuw verhoogd. In de derde eeuw werd de uitkering verhoogd naar vijf obolen, volgens Philochoros.
De standaard eenheid voor geld in het oude Athene was de drachme, wat het dagloon van een geschoolde arbeider was. Zes obolen vormden samen een drachme, dus deze uitkering was niet veel. Een mna was honderd drachmen, dus iemand die drie mna bezat was een welvarend man. Voor echt grote bedragen werd gerekend in talenten: een talenton was zestig mna, of zesduizend drachmen. Hieruit valt op te maken dat je zelfs recht zou kunnen hebben op de uitkering als je een klein eigen huis bezat. De staat zorgde zo voor vermogensbehoud van de burgers, zelfs als ze door invaliditeit getroffen zouden worden. De burger hoefde door de minimale uitkering namelijk niet zijn huis op te geven. Zo werd voorkomen dat families die al eeuwenlang goede burgers leverden, door één generatie invaliden te arm werden om nog voor de legerdienst en het bijbehorende stemrecht in aanmerking te komen.
Vervolgens begon de spreker de Raad te vertellen dat hij wel degelijk aan de voorwaarden voldeed. Over zijn financiële toestand zei hij het volgende:

‘Hoe het gesteld is met de winstgevendheid van mijn vak en mijn verdere middelen van bestaan weet u, denk ik, allemaal. Toch zal ik er kort iets over zeggen. Mijn vader liet mij niets na; mijn moeder heb ik tot haar dood, twee jaar geleden, onderhouden; ik heb nog geen kinderen die voor me zouden kunnen zorgen. Ik heb een vak, maar dat helpt niet veel en ik oefen het met steeds meer moeite uit, terwijl ik me nog niemand kan veroorloven om het van me over te nemen. Geen andere bron van inkomsten heb ik dan deze, en als u mij die afneemt kan ik in de diepste ellende terechtkomen.’

De manier waarop de aangeklaagde zijn vaders erfenis beschreef is heel standaard in erfenisprocessen: Demosthenes gebruikte precies dezelfde woorden in één van zijn redevoeringen. De zorg voor je ouders was in Athene een heilige plicht voor kinderen. Als iemand zich verkiesbaar stelde voor een publieke functie kon hij afgewezen worden wanneer uit het bijbehorende onderzoek bleek dat hij verzuimde om te zorgen voor zijn ouders. Voor invaliden kon deze plicht twee kanten op werken, zoals ook bij de aangeklaagde het geval was. Had hij zelf kinderen, dan was dit een zegen voor de invalide. Hij kon dan rekenen op de steun van zijn kinderen naast de uitkering die de staat hem verschafte. Leefden zijn ouders echter nog, dan was dat een extra last. Naast zijn eigen invaliditeit had hij ook nog eens de verplichting om voor zijn ouders te zorgen, die met de jaren waarschijnlijk minder gezond werden. Zo verging het ook de spreker van deze redevoering: als last gaf hij aan dat hij wel voor zijn moeder had moeten zorgen, maar zelf nog geen kinderen had die hem zouden kunnen helpen.
De aangeklaagde gaf hierna toe dat hij een ambacht uitoefende, maar zei er meteen bij dat het hem weinig opleverde. Ook stelde hij dat hij niemand had om het werk over te nemen: hij had niet genoeg geld om ook maar één slaaf te kopen. In de tijd van Demosthenes (384-322 v.Chr.) kostte een slaaf in Athene zo’n vijf tot zes mna, dit zal in de tijd waarin deze redevoering werd uitgesproken waarschijnlijk net iets lager zijn. Dat de spreker geen slaaf kon kopen klopte dus met de eerder genoemde eis van een vermogen van minder dan drie mna. Geen slaaf kunnen bekostigen was in een tijd waarin veel ambachtslieden meerdere slaven in dienst hadden een duidelijk teken van armoede. Zo is bekend dat Lysias en zijn broer in hun bedrijf honderdtwintig slaven als schildenmakers hadden werken.
Voordat de spreker verder ging met de tweede beschuldiging, namelijk dat hij paard kon rijden, maakte hij eerst nog een keer duidelijk dat hij arm was en maakte hij tegelijk zijn aanklager zwart. Hij vond het vreemd dat een zo rijk iemand een arme invalide zijn kleine uitkering betwistte. De aanklager had volgens hem liever tien keer een heel koor voor een tragedieopvoering bekostigd dan een vermogensruil te doen met de aangeklaagde, als hij één van beide zou moeten kiezen. Of dit meer zegt over de rijkdom van de aanklager of over de armoede van de aangeklaagde is onduidelijk. In ieder geval moet de aanklager heel rijk geweest zijn, want een koor bekostigen was een dure vorm van liefdadigheid waar alleen de allerrijksten voor werden aangewezen.
Vervolgens ging de spreker in op het tweede verwijt. Zijn paardrijden zou een duidelijk teken van goede lichamelijke gesteldheid zijn geweest. Dit probeerde hij in zijn verdediging om te draaien. Hij maakte duidelijk dat hij juist op paarden van anderen reed omdat hij arm en invalide was. Als hij dat niet was geweest zou hij wel op een muildier met een luxezadel zijn gaan zitten, in plaats van een paard te lenen. Ook zei hij dat hij om dezelfde reden twee stokken gebruikte om te lopen in plaats van één. Dit leek misschien pure luxe, maar was hoognodig door zijn fysieke toestand.
Na de poging tot het neerhalen van de twee delen van de aanklacht ging de spreker verder met een argument dat voor dit onderzoek heel interessant is. Hij stelde dat als hem zijn uitkering werd ontzegd, hij niet meer belet werd om deel te nemen aan de lotingen voor één van de negen archontplaatsen. De themosteten, de laatste zes archonten die zich voornamelijk met rechtspraak bezighielden, zouden immers geen gezonde man beletten om mee te loten. Op deze manier zou hij zelf zijn obool hebben kunnen verdienen die hem nu dreigde te worden ontzegd: de beloning voor de functie van archont was immers ook één obool per dag. Hierna meldde hij dat de Raad dan net zo goed de aanklager invalide kon noemen en hem de uitkering kon geven. De spreker dreef hier de hypothetische situatie erg ver door.
Of dit argument steek houdt is verder niet belangrijk. Wat zo interessant hieraan is, is de blik die we hier kunnen werpen op het uitgebreide Atheense rechtsstelsel. Blijkbaar waren verkiezingen en uitkeringen verbonden, en mocht je alleen meedoen aan verkiezingen voor de belangrijke archontplaatsen als je geen uitkering kreeg. Dit was een heel slimme maatregel, want het had twee positieve effecten: ten eerste zorgde je zo dat je alleen gezonde archonten kreeg. Dit was belangrijk omdat de archonten verantwoordelijkheden hadden zoals het aanvoeren van legereenheden en daarnaast een aantal religieuze functies uitvoerden. Ten tweede zouden mensen die graag archont wilden worden minder snel de uitkering aanvragen. Pas als mensen echt hulpbehoevend waren vroegen ze de uitkering aan, en precies voor deze mensen was de uitkering ook bedoeld.
Het volgende argument is voor de hedendaagse lezer erg vreemd. Het komt erop neer dat de aangeklaagde nooit zo onfatsoenlijk kon zijn als de aanklager beweerde, omdat hij arm was. Arme mensen konden het zich niet veroorloven om risico’s te nemen, terwijl de rijken die risico’s konden afkopen. Het was dus duidelijk dat alleen rijke mensen zich onfatsoenlijk konden gedragen. Uiteindelijk beweerde de spreker daarom dat juist de rijke aanklager de onfatsoenlijke was. Hierna probeerde hij ook nog de bewering van de aanklager dat er slechte mannen in zijn winkel kwamen neer te halen, door te zeggen dat de meeste van zijn klanten ook naar andere winkels gingen, dus dat er nu beweerd werd dat er in alle winkels slechte mensen kwamen.
Aan het begin van het slot refereerde de spreker naar de achterliggende gedachte van de uitkering:

‘Het was mijn geluk deel te krijgen aan alleen deze voorziening van mijn vaderstad: beroof mij niet daarvan op gezag van deze man. Vroeger hebt u gezamenlijk tot een toelage voor mij besloten: laat nu niet deze man in zijn eentje u overhalen deze weer in te trekken. Want, heren leden van de Raad, omdat de godheid mij van het belangrijkste beroofd heeft, heeft de stad tot deze uitkering besloten, vanuit de gedachte dat voor- en tegenspoed allen zonder uitzondering treft. Zou ik dan niet de ongelukkigste mens zijn als ik, door mijn ongeluk al verstoken van het mooiste en belangrijkste in het leven, ook nog door toedoen van mijn aanklager zou verliezen wat de stad aan mij heeft gegeven uit zorg voor mensen die er zo aan toe zijn? Nee, heren leden van de Raad, breng uw stem niet zo uit!’

Het is opvallend dat de aangeklaagde deed alsof de Raad nog steeds uit dezelfde mensen bestond als toen hij voor het eerst een uitkering kreeg: vroeger hebt u dat besloten, en nu zou u ontrouw zijn aan uzelf als u het weer zou intrekken. Natuurlijk was dit niet letterlijk waar. De Raad wisselde ieder jaar van samenstelling, en deze mensen waren dus niet aan te spreken op wat hun voorgangers hadden besloten. Toch mocht er wel enige consequentie van de verschillende Raden verwacht worden, aangezien de wet nog wél dezelfde was.
Vervolgens werd voor het eerst in de hele toespraak religie aangehaald: omdat een godheid of het lot mensen invalide maakt, is er ooit besloten door de stad om deze uitkering in te stellen. Het lot was iets dat ieder mens kon treffen, dus werd er ook voor iedere burger gezorgd. De andere burgers wilden namelijk ook dat er voor hen gezorgd werd als hen een dergelijk lot ten deel viel. Dat de burgers voor elkaar zorgden wilde overigens niet zeggen dat de Atheners geen hoop vestigden op de goden. Er zijn vele gebeden bekend van gewone burgers die weer gezond wilden worden of financiële steun of advies vroegen. Ondanks het verwijt aan de goden dat ze invaliden het beste hebben ontnomen werd hen toch verzocht om te helpen.
Het einde van de rede werkte vervolgens nog meer op het gemoed van de Raad. De spreker ontkende achtereenvolgens dat hij iemand onrechtmatig voor het gerecht had gesleept, bemoeizuchtig en een ruziemaker was, gewelddadig was en Athene verraadde door met de Dertig Tirannen samen te werken. Vooral dit laatste was belangrijk: hij wilde erg graag aantonen dat hij net zo’n goede burger was als de aanhoorders en ook in de Atheense politiek aan de goede kant had meegevochten. Het was geen toeval dat dit argument door Lysias is opgeschreven. Hij zag zichzelf namelijk als een belangrijk slachtoffer van de Dertig en had ook meegewerkt aan hun veroordeling.
Het slot bevat nog één tegenstelling. De spreker beweerde:

‘Ik hoop dat u daarbij bedenkt dat ik hier geen verantwoording afleg over het beheer van gemeenschapsgeld en geen rekenschap geef na het bekleden van een ambt, maar enkel en alleen spreek over één obool.’
Dit is zeer onlogisch. Hoewel hij gelijk heeft dat hij geen verantwoording aflegde over grote bedragen of belangrijke ambten, was ook die ene obool per dag een deel van het gemeenschapsgeld en had de Raad het volste recht om hem die te ontzeggen.
Dit was niet het enige moment waarop de argumenten van de spreker onlogisch of weinig overtuigend waren. Door de opeenstapeling van sarcastische en onlogische argumenten wekte de spreker bij mij de indruk niet geheel eerlijk te zijn over zijn situatie. Ik zal hier wat voorbeelden geven die er op wijzen dat de spreker er waarschijnlijk beter voor stond dan hij de Raad had willen laten geloven. De spreker begon de redevoering al zeer sarcastisch en met enkele verdacht-makingen tegen de aanklager. Vervolgens ging hij in op de eerste voorwaarde voor de uitkering, namelijk zijn financiële situatie. Hierover was hij erg vaag en hij bediende zich van opmerkingen als:

‘Hoe het gesteld is met de winstgevendheid van mijn vak en mijn verdere middelen van bestaan weet u, denk ik, allemaal’.

Op deze manier werd het niet echt duidelijk wat nou echt zijn inkomsten waren, dat was waarschijnlijk omdat de Raad hem minder gunstig gezind zou zijn wanneer zijn inkomsten wel duidelijk waren. Het argument dat hij niemand had die voor hem kon zorgen had natuurlijk ook tegen hem gebruikt kunnen worden: hij had geen ouders, kinderen of personeel om voor te zorgen en hij verdiende ook nog eens geld met zijn bedrijf. Als je het zo bekijkt leek het logisch om de spreker geen uitkering toe te delen.
Na nog meer zwartmakerij ging de spreker in op de tweede voorwaarde voor de uitkering: hij zou gezond zijn, want de aanklager had hem gezien terwijl hij paard reed. De spreker beweerde dat hij dit juist deed omdat hij arm en kreupel was. Slechts door paarden te lenen zou hij nog enigszins comfortabel kunnen reizen. Dit argument kwam niet helemaal van de grond. Het was immers nog steeds heel moeilijk om paard te rijden, dus erg invalide kon hij niet zijn. Het is opvallend dat Lysias hier viermaal het werkwoord ‘ἀναβαίνω’ gebruikte, wat meer opstijgen betekent dan paardrijden. Dit komt omdat stijgbeugels in de oudheid nog niet waren uitgevonden en dus juist voor het opstijgen de lichamelijke inspanning nodig was die hij wilde bewijzen te missen. Maar de aanklager heeft nooit beweert dat hij de spreker had zien opstijgen. Dit zou hij best gedaan kunnen hebben met hulp van een vriend of een krukje. Het weerleggen van juist het opstijgen is dus absurd, want het was de aanklager en de Raad onbekend hoe dat gebeurd was. Hierna begon de spreker een hypothetische situatie die hij zo ver doortrok dat het niet meer geloofwaardig was. Als hem de uitkering ontzegd werd, zou hij zich net zo goed kunnen aanmelden voor de loting voor archonten. En dan had de Raad net zo goed de aanklager zijn uitkering kunnen geven! Dit is een erg vreemde conclusie die niets anders doet dan de mogelijke beslissingen van de Raad belachelijk maken. Het volgende argument was een psychologische. Hij kon helemaal geen slecht mens zijn, omdat hij dat zich niet kon veroorloven. De aanklager was echter een rijk man en rijke mensen konden de risico’s die horen bij onfatsoenlijk handelen afkopen. De aanklager was dus de slechte en hij het slachtoffer. Deze argumenten zijn, zoals wel meer in deze rede, zwak opgezet en hadden meer tot doel om de jury emotioneel te bespelen en te verwarren dan dat ze op een logische manier probeerden de jury te overtuigen. Aan het eind werd de Raad nog verzocht om consequent te zijn, aangezien een eerdere Raad hem wel deze uitkering gaf. Hij benadrukte vervolgens nog eens dat hij een goed mens was, om te eindigen met de tegenstelling dat het niet om gemeenschapsgeld ging maar slechts één obool.
Uiteindelijk blijkt dat de hele redevoering bestond uit sarcasme, tegenstellingen en vage argumenten. De lezer, en destijds vast ook de Raad, krijgt de indruk dat de spreker veel te verbergen had. Het lijkt me dan ook niet dat de Raad overtuigd was van de bewering van de spreker dat hij recht had op de uitkering. Het kan echter net zo goed zijn dat de Raad zich wel heeft laten misleiden door de argumenten en het inspelen op het gemoed door de spreker, en hem de obool toch heeft toegekend. Wat de Raad uiteindelijk besloten heeft is niet bekend. Maar dat is hier ook niet belangrijk. Het is interessant wat deze redevoering en de andere geciteerde stukken ons kunnen leren over het Atheense rechtsstelsel. Er was in Athene een uitkering voor invaliden van eerst één, later twee en uiteindelijk vijf obool. Voor deze uitkering stonden verschillende voorwaarden vast, zoals de ernst van de invaliditeit en het inkomen van de aanvrager. Ook waren er gevolgen, zoals het verbod op deelname aan de lotingen voor één van de negen archontplaatsen. Over deze uitkering was serieus nagedacht en deze toont wederom dat het Atheense systeem een voorbeeld is voor onze tijd.
Voor zover we weten was Athene de enige stadstaat die een dergelijke steun voor invaliden van staatswege had. Demosthenes noemde in een redevoering dat ‘to pity the weak’ dan ook een typisch Atheense eigenschap was. Als invaliden in de rest van de Griekse steden aan hun lot werden overgelaten, hoe zit dit dan met de Romeinen, het andere grote voorbeeld uit de klassieke oudheid?

2: DE ROMEINEN

Voor zover de informatie strekt kenden de Romeinen geen uitkering voor geboren invaliden burgers zoals er in Athene in de vijfde en vierde eeuw was. Garland heeft hier uitgebreid naar gezocht en zijn uitspraak dat er geen vorm van officiële steun was wordt hier daarom overgenomen. De enige keer dat er over een uitkering van de Romeinse staat voor invaliden wordt gesproken is door Seneca in een denkbeeldige discussie. Hier heeft hij het over een wet die de staat verplicht tot een éénmalige betaling van duizend denarii aan blinden. Omdat de context echter hypothetisch is en er nergens anders over deze wet gesproken wordt, neemt men aan dat deze wet door Seneca verzonnen is om de discussie verder te helpen.
Omdat er geen uitkering was, werden de invaliden die uit een toch al niet zo rijke familie kwamen zeer snel straatarm. Wie geen beroep kon uitoefenen kreeg immers geen geld binnen. Zo werd een invalide één van de vele bedelaars die de straten van het Romeinse Rijk bevolkten. Dat het er zeer veel waren is geen teken van de langzame neergang van de Romeinse macht na de tweede eeuw. Armen waren van alle tijden, volgens Seneca:

‘Kijk, wat een grote meerderheid zijn de armen’.

Toch is de armoede vooral een gevolg geweest van de Romeinse manier van leven in de laatste twee eeuwen voor de geboorte van Christus. De vele oorlogen die gevochten moesten worden door gewone Romeinse boeren hebben vele gebieden verwoest. Omdat deze boeren jaren van huis waren geweest, lag hun land er bij terugkomst verwaarloosd bij en zat er niets anders op dan het te verkopen aan rijke grootgrondbezitters. Op deze manier raakten velen hun kleine vermogen kwijt.
In tijden van nood had een roep om hulp bij de stad weinig nut. Invaliden hadden geen andere keus dan het dichterbij te zoeken. Waar konden arme invaliden zulke steun dan wel vinden? Ten eerste was dat in de buurt waar de invalide woonde. Met deze buurt worden geen grote gebieden bedoeld. De veertien secties van Rome die werden ingesteld door keizer Augustus of de vijf alfabetische eenheden in Alexandrië waren te groot om enige loyaliteit op te roepen. Kleinere eenheden, zoals kiesgebieden, riepen al meer saamhorigheidsgevoel op, doordat er bepaalde gezamenlijke eigendommen waren, zoals een badhuis, een tempel, een jeugdorganisatie en officiële begrafenissen voor leden. Ook deze groepen waren meestal nog te groot. Zo was er een regel dat iedereen die binnen zes mijl woonde de begrafenis van een groepsgenoot moest bijwonen. Dat is best een eind lopen voor iemand die je niet gekend hebt.
Er waren drie kleinere indelingen, die vaak niet officieel waren en vaak overlapten, waar een invalide wel een beroep op kon doen. Als eerste waren dit de vici, de verenigingen per straat. Aanvankelijk waren deze niet officieel erkend, maar later stelde Caesar zijn census in gebaseerd op de vici en erkende Augustus ze officieel in de hoop om hun steun te krijgen. Er werden vervolgens elk jaar magistri vicorum aangesteld via loting, die onder meer wedstrijden organiseerden voor de jongeren in de vici. Ook droegen zij zorg voor de lares, de altaren voor beschermgoden van de straten, die nog steeds op de hoeken van de straten van Romeinse steden te vinden zijn. Deze verenigingen waren klein genoeg om loyaliteit op te roepen. Als één van de inwoners van de straat door het noodlot getroffen en invalide werd, zullen er altijd anderen aanwezig geweest zijn om hem bij te staan in deze moeilijke tijd. Net als in Athene werkte het principe van gezamenlijke angst voor het noodlot. Het lot was iets wat ieder mens kon treffen, dus werd er ook voor iedere buurtbewoner gezorgd. De andere buurtbewoners wilden namelijk ook dat er voor hen gezorgd werd als hen een dergelijk lot toeviel.
Naast de indeling per straat was er ook nog de indeling per beroep. Mensen met hetzelfde beroep voelden zich, hoewel ze concurrenten van elkaar waren, vaak verbonden. Dit gold vooral voor een aantal ambachten waar speciale grondstoffen voor nodig waren of die overlast zouden kunnen geven. Met name de smederijen waren berucht om hun uitgebreide gebruik van urine. Maar ook verkopers van dure waren zoals boeken en sieraden waren bij elkaar te vinden, zodat een Romein altijd wist waar hij zijn spullen kon kopen. Sommige ambachten, zoals de smeden, waren door hun overlast of grote vraag naar bepaalde grondstoffen gebonden aan hun plek, meestal in de buitenwijken van de grote steden of bij de havens. Ook is het logisch dat leveraars van diensten, zoals herbergen, bij de poorten zaten, ondanks dat deze concurrenten van elkaar waren. De verkopers van boeken of schoenen zaten bij elkaar omdat dat een kwestie was van waar de klanten hen verwachtten. Het was algemeen bekend waar bijvoorbeeld de verkopers van boeken zaten, en dus moest een nieuwe verkoper wel daarbij gaan wonen, wilde hij klanten krijgen.
Het gevolg was dat mensen met hetzelfde beroep elkaar allemaal kenden en samen leefden in goede en slechte tijden. Ze begonnen ambachtsverenigingen op te richten om elkaar te helpen en zichzelf sterker te kunnen opstellen tegenover de overheid. Een enkele wever kon geen invloed verwerven in het stadsbestuur, maar een vereniging van duizenden wevers kon dat wel. Er is echter amper bewijs voor stakingen, het hooghouden van lonen of het controleren van nieuwe leden. Deze zaken waren heel gewoon bij middeleeuwse gilden, maar kwamen bij de Romeinse beroepsverenigingen nog niet voor. Deze verenigingen waren meer uit op status en andere voordelen die weinig met hun eigen ambacht te maken hadden. Belangrijke personen probeerden de verenigingen aan zich te binden door ze geschenken of zelfs hele gebouwen te geven, zodat de leden van de vereniging hen zouden steunen in de politiek van de stad. Waar een enkele ambachtsman nooit iets te maken zou hebben met de aristocraten, kon hij via een vereniging toch de eer krijgen verbonden te zijn aan dezelfde vereniging als een rijke aristocraat. Ook konden ze via de vereniging meebetalen aan een verbetering voor de stad, een optocht houden voor een god of keizer, of spelen houden.
Naast deze manifestaties naar buiten toe waren de verenigingen ook een sociaal fenomeen. Veel verenigingen hadden eigen gebouwen waar de leden samen konden eten, drinken en vrienden maken. Hier waren soms strenge regels aan verbonden:

‘Whoever wishes to enter this association must contribute an initiation fee of 100 sesterces end an amphora of good wine. If anyone of this association shall die while in good standing, 300 sesterces shall be allotted from the treasury, from which sum for funeral expense 50 sesterces shall be allotted to be divided up at his pyre; and the funeral procession shall proceed on foot.’

Hier wordt duidelijk dat de leden elkaar steunden tot in de dood, weer door het idee dat een plotselinge dood iedereen kon overkomen en iedereen wilde dat er dan voor zijn nabestaanden werd gezorgd. Het is aannemelijk dat als iemand plotseling invalide werd hij zich ook gewend zal hebben tot deze groepen voor steun.
De laatste groep was vaak nog kleiner dan de vici of de beroepsverenigingen. Dat was die van de devotiegroepen. Dit waren mensen die samen een bepaalde god aanbeden met speciale rites en zich daardoor verbonden voelden met elkaar. Deze devotiegroepen werden vaak gevormd door immigranten. Als deze nieuw in een stad kwamen trokken ze al gauw naar hun landgenoten toe. Zo vestigden de Egyptenaren in Rome zich rond de tempel van Isis op de Campus Martius en de Syriërs bij de tempel van Jupiter Heliopolitanus op de Janiculum. Met name de Joden waren bekend om hun eigen delen van de stad, vooral omdat ze door hun godsdienstige rituelen gescheiden waren van andere Romeinen. De gezamenlijke religie en afkomst zal een uitgebreide loyaliteit opgeroepen hebben, waardoor plotselinge invaliditeit bij één van de leden waarschijnlijk steun van de andere leden opriep.
Wanneer je als ambachtsman plotseling invalide werd waren er verschillende groepen waar je terecht kon voor hulp. De grote kiesdistricten en stadsindelingen waren niet zo saamhorig, maar de vici, de beroepsverenigingen en de devotiegroepen waren belangrijker voor mensen door hun kleinere schaal. Met deze groepen kon men zich identificeren en voor een groepsgenoot was er vaak wel steun aanwezig. Of deze steun ook daadwerkelijk gegeven werd staat niet vast, maar het lijkt zeer waarschijnlijk dat uit onderlinge solidariteit de leden van de vici, de beroepsverenigingen en de devotiegroepen elkaar uit de brand hielpen bij plotselinge nood. Dit was echter allemaal op basis van eerder gelegde contacten en hoop op wederzijdse steun. Vele invaliden kregen helemaal geen steun. Hierbij moet gedacht worden aan mensen die nog niet lang in de stad woonden toen ze invalide werden, of mensen die altijd al invalide waren geweest en dus nooit een beroep hadden uitgeoefend. Voor hen restte er weinig anders dan te bedelen, zoals velen in de Romeinse steden deden.
Gelukkig hadden veel mensen naast hun buurt nog een familie. Mensen die laat in hun leven invalide werden door ouderdom en kinderen hadden, konden op steun van hun kinderen rekenen. In een tijd waarin de levensverwachting voor mannen 37 jaar was, kregen ouderen veel respect. Zo vertelt Cicero dat leeftijd bepaalde wie in de Senaat als eerste zijn mening mocht geven over een bepaalde zaak. Ook binnen de familie had de oudste man, de pater familias, grote macht: ouderen konden hun volwassen kinderen de wet voorschrijven en tiranniseren.
Net als in Athene was het je plicht om voor je ouders te zorgen. Dit bleek wanneer er door overlijden van (klein)kinderen niemand meer was om dat te doen. In een inscriptie wordt de jong gestorven Flavius Hermes verweten dat hij niet voor zijn grootmoeder kan zorgen:

‘who preferred to abandon the light rather than to pay his due to his relations. Mocker of his grandmother, for he used to say he would look after her and be her support in her extreme old age.’

Flavius wordt hier zijn dood verweten omdat hij hiermee zijn plicht verzaakt die hij bij zijn geboorte meekreeg. Zo stelt ook Seneca zich een klagende Marcia voor, die net een zoon verloren heeft:

‘There will be nobody to protect me, to shield me from contempt’.

Het zorgen voor de ouders was geen teken van dank of genegenheid maar een pure uiting van pietas, de religieuze plicht. Deze plicht was wederzijds: zoals de ouders voor de kinderen hadden gezorgd toen die klein waren, zo moesten de kinderen voor hun ouders zorgen als die oud waren. Een andere manifestatie van de macht van de pater familias was één van de wetten van de Twaalf Tafels, een wettensysteem uit de vijfde eeuw voor Christus. Deze wet gebood de pater familias om een misvormd kind snel te doden. Hij hoefde hier geen getuigen voor te hebben, wat aantoont dat de wet zeer streng was. Getuige de vele berichten over misvormde kinderen en volwassenen in latere eeuwen zal de wet afgezwakt zijn in de loop der tijd.
Als laatste uitweg was het mogelijk om je te wenden tot een rijke Romein, een patroon. Patronage systematiseerde de hulp die elkaar geboden werd. Had iemand jou geholpen dan werd er van je verwacht een wederdienst te leveren. Cicero vertelt:

‘No duty is more imperative than that of returning gratia … not to return is not allowed for an honourable man’.

Maar nadat de wederdienst was geleverd, waren de verplichtingen niet afgelopen. Een wederdienst moest worden betaald, met als gevolg dat wederdienst op wederdienst gestapeld werd en er een vriendschap ontstond. Natuurlijk kon een arme invalide dit nooit volhouden. Als iemand geen wederdienst kon leveren had hij verloren en zat hij vast aan zijn weldoener.

‘To accept a kindness is to sell your liberty’.

Dit systeem groeide snel uit tot een grote verzameling aan relaties. Zoals een arme Romein zich wendde tot een Romeinse patroon van een hogere klasse, zo was die patroon op zijn beurt weer cliënt van een Romein van nog hogere stand. In de keizertijd werd uiteindelijk bijna iedereen, al dan niet via meerdere tussenstappen, een cliënt van de keizer.
Als cliënt was het de gewoonte dat je iedere ochtend naar het huis van je patroon ging om deze daar te begroeten. Meestal werd er dan brood of geld uitgedeeld om de arme cliënten te helpen. Als een patroon vervolgens een tocht door de stad ging maken werd hij gevolgd door een grote groep trouwe cliënten. Hoe meer cliënten een rijke Romein had, hoe hoger zijn aanzien en status in de Romeinse samenleving. Daarnaast waren de cliënten verplicht om hun patronen te steunen bij verkiezingen. Op deze manier konden de rijke senatoren hun machtspositie lang behouden, tegen de belangen van de arme bevolking in. De bevolking werd als het ware arm en afhankelijk gehouden, door als laatste redmiddel naar een patroon te stappen hielden de armen deze politiek zelf in stand.
Tot slot is er één Romein die nog besproken moet worden. De bekendste invalide uit de Romeinse geschiedenis was ongetwijfeld Claudius, die in 41 na Christus keizer werd. Dit kwam omdat hij één van de weinige overgebleven mannelijke leden van het Julisch-Claudische huis was, dat vanaf Augustus de keizers leverde. Suetonius sprak erg negatief over de fysieke toestand van de jonge Claudius:

‘Throughout almost the whole course of his childhood and youth he suffered so severely from various obstinate disorders that the vigour of both his mind and his body was dulled, and even when he reached the proper age he was not thought capable of any public or private business.’

De uitgebreide discussies over de daadwerkelijke gezondheid van Claudius zijn hier niet van belang. Door meerdere auteurs is opgemerkt dat de negatieve beoordelingen van de gezondheid van Claudius waarschijnlijk overdreven zijn, omdat zijn edele afkomst gevoelig lag, of omdat zijn politiek bij senatoren weinig geliefd was. Ook is hij geen goed voorbeeld van een gewone Romein die steun nodig had om te overleven. Claudius kwam uit één van de rijkste families van Rome en had dus geld genoeg om te overleven. Wat echter wel opvallend is, is dat ook hij geen uitkering voor invaliden van staatswege instelde. Je zou kunnen verwachten dat hij zich kon identificeren met de arme Romeinse invaliden en hen een uitkering verschafte. Dit gebeurde echter niet tijdens de regering van Claudius.
In Rome was geen officiële steun voor invaliden zoals in Athene. Hulp bij het overleven kon een invalide alleen krijgen bij zijn buurtgenoten, familie of door zich over te geven aan een patroon. Velen hadden waarschijnlijk niet zoveel geluk dat ze die steun ook daadwerkelijk kregen en hadden het moeilijk. Zelfs een invalide keizer bood geen hulp. Waarom was er in Rome geen steun voor invalide burgers, terwijl dat in Athene wel het geval was?

3: HET VERSCHIL

In Rome was geen officiële steun zoals die er in Athene was. Er zijn verschillende verklaringen voor dit verschil, die besproken worden in deze paragraaf. Het gaat hier om staatsrechtelijke verschillen en om mentaliteitsverschillen.
In het Athene van de vierde en vijfde eeuw was er een zekere mate van democratie. Hoewel niet iedereen gelijke kansen had om elke functie te bekleden, waren verscheidene belangrijke functies, zoals zitting in de Raad, voor iedere mannelijke burger bereikbaar. Om deze plekken werd namelijk geloot, in tegenstelling tot de verkiezingen in Rome. Daar hadden onbelangrijke burgers weinig kans op echte politieke invloed. Het volk werd vertegenwoordigd door een volksvergadering, maar de echte macht lag bij de Senaat, wiens advies praktisch altijd werd opgevolgd. Later werd deze rol overgenomen door de keizer, die in de loop van de eerste eeuw na Christus steeds machtiger werd ten koste van de senaat. Het gewone volk heeft echter altijd de willekeur van de Senaat en keizers moeten volgen.
Afgezien van een paar momenten in de Romeinse geschiedenis dat het gewone volk in opstand kwam, zullen de senatoren vooral wetten hebben opgesteld die in hun eigen voordeel waren. Het was natuurlijk niet voordelig om een uitkering te geven aan arme invaliden, die niet nuttig waren voor de Romeinse staat. Dit is een belangrijke reden voor het ontbreken van een dergelijke wet en een groot verschil met Athene. Daar hadden gewone burgers immers wel invloed op de wetgeving en zullen ze dus een wet die een uitkering geeft aan invalide burgers aangenomen hebben in hun eigen voordeel. Het noodlot kon elke burger treffen. Het was dus in het belang van elke burger dat er een uitkering was die zorgde dat het familiebezit gehandhaafd kon worden.

Het burgerrecht was in Athene een voorwaarde om overheidssteun te krijgen. Het verschil in burgerrecht tussen Athene en Rome is een volgende verklaring voor het verschil in officiële steun voor invaliden. Omdat het een vereiste voor het Atheense burgerschap was dat allebei je ouders Atheense burgers waren, groeide het aantal burgers amper in de loop der jaren. Hoewel vele burgers meerdere kinderen kregen, waren er ook die kinderloos bleven of kinderen kregen met vreemdelingen. Zo bleef het aantal burgers min of meer stabiel en was het voor de stad goed te doen om alle burgers een uitkering te beloven bij invaliditeit.
In Rome was dit heel anders. Waar aanvankelijk het Romeinse burgerrecht nog gelimiteerd en wettelijk van belang was, was het burgerrecht in het begin van de keizertijd:

‘Sought no longer for its political significance but as an honour, or out of sentiment.’

Het burgerrecht was in die tijd al zo ver verspreid, dat bepaalde rechten eraan toekennen, zoals een uitkering bij invaliditeit, niet te doen was. Behalve dat kinderen uit wettige Romeinse huwelijken staatsburger werden, konden mensen ook het burgerrecht verkrijgen door als auxilia, hulptroep voor het leger, te dienen. Na vijfentwintig jaar in deze auxilia kreeg de buitenstaander geld of een stuk land en het Romeinse burgerrecht. Ook hun kinderen kregen vervolgens het burgerrecht en mochten, als aan de inkomensvoorwaarden werd voldaan, beginnen aan de cursus honorum. Verder konden ook slaven het burgerrecht krijgen wanneer ze vrijgelaten werden en hun meester, een Romeinse burger, de officiële procedures doorliep. Later werden zelfs alle vrije inwoners van bepaalde provincies Romeins burger, zoals alle inwoners van Italië na de bondgenotenoorlogen. Uiteindelijk kregen in 212 alle vrije inwoners van het Romeinse rijk burgerrecht, om belastingtechnische redenen. Op deze manier was het niet bij te houden om uitkeringen te geven waar alle burgers recht op hadden.
Het verschil in distributie van het burgerrecht is in de eerste plaats een praktische zaak. Voor de Romeinen was het een manier om de nieuw veroverde volken te betrekken bij de Romeinse staat en ze echt Romeins te laten voelen. De belofte van het burgerrecht zorgde voor een voortdurende stroom geïnteresseerden in het dienen in de auxilia en er zaten ook belastingtechnische voordelen aan voor de Romeinse staat zoals het recht op een deel van de erfenis van een gestorven burger. Als laatste was het ook een middel om de verschillende volken tegemoet te komen, zoals de Italische volken die in opstand kwamen in de eerste eeuw voor Christus.
Het verschil is echter niet alleen te wijten aan praktische voordelen. Ook in de mentaliteit zat een groot verschil tussen Grieken en Romeinen. De Grieken beschouwden zichzelf autochtoon, oftewel behorend bij de grond. Ze geloofden dat ze ontstaan waren uit de grond waar ze op woonden. De legendarische wetgever Solon sprak al volgens Aristoteles:

‘I behold, and within my heart deep sadness has claimed its place, as I mark the oldest home of the ancient Ionian race.’

Nog explicieter wordt het gezegd door een Atheens convooi bij Herodotus:

‘We Athenians, the most ancient people in Greece, the only Greeks who have never migrated.’

Dit had enkele grote consequenties: zo mochten immigranten wel eigen huizen hebben, maar konden ze nooit de grond waar die huizen op stonden bezitten. Dit was namelijk Atheense grond en moest dus in het bezit zijn van een oorspronkelijke Atheense burger. Ook werd het burgerrecht strenger bewaakt, omdat daar de voordelen aan zaten waar alleen de autochtone bevolking gebruik van mocht maken. De Romeinen zagen zichzelf heel anders. Hun ontstaansmythe, opgetekend door Vergilius, vertelt dat ze afstammen van een gevluchte Trojaanse prins genaamd Aeneas. De eerste Romein was dus ook een immigrant. Het is niet zo vreemd dat de Romeinen immigranten sneller accepteerden en sneller het burgerrecht gaven, aangezien ze zichzelf ook als immigranten zagen.
Toch zijn er ook overeenkomsten tussen de Grieken en de Romeinen in het beoordelen van vreemdelingen. Zo waren zij allebei aanhangers van de klimaattheorie. Deze theorie hield in dat volken gevormd werden door het klimaat waar ze in woonden. Noordelijke volken die in een guur klimaat leefden waren gehard en dapper, maar ook barbaars en dom. Over de volken uit het oosten zei Hippocates in de vijfde eeuw voor Christus in zijn On Airs, Waters and Places:

‘For everything in Asia is far more beautiful and grows to far greater size; the region is more cultured than the other, the character of the inhabitants is more tractable and gentle. The cause of this is the moderate climate, because it lies farther east in the middle between the risings of the sun, and farther away from the cold. (…) People are well nourished, of very fine physique and very tall, and hardly differ from each other in shape or length. (…) Courage, tenacity, energy and will-power could not develop under such natural conditions … either among the locals or among immigrants, but pleasure must dominate.’

Het blijkt dat het klimaat van een gebied in sterke mate bepaalde welke karaktereigenschappen de inwoners van dat gebied hadden. De volken uit Azië konden geen moed en wilskracht ontwikkelen omdat ze zacht waren geworden door luxe en een gunstig klimaat. De Grieken geloofden dat zij het ideale midden waren. De navel van de wereld lag dan ook in Delphi. Ze waren wel dapper en gehard, maar ook slim en goed georganiseerd, zoals de volken uit het oosten. De Romeinen namen de klimaattheorie praktisch over van de Grieken. Het enige wat ze veranderden was dat het ideale midden nu in Rome lag, op het Forum Romanum.
De mentaliteit tegenover vreemden bij de Atheners en de Romeinen was dus aan de ene kant erg verschillend, maar aan de andere kant ook weer niet zo anders. Vast staat dat de Atheners door de strenge regels over het burgerrecht goed konden bijhouden wie er recht had op hulp van de staat en wie niet. De Romeinen waren vrijgeviger met het burgerrecht, en konden daardoor geen uitkeringen verbinden aan het burgerrecht.
Het laatste mentaliteitsverschil tussen de Grieken en Romeinen kan ook als verklaring worden gezien van het verschil in invalidenzorg. De Grieken gaven veel aandacht aan hun medemens en waren meer gericht op het genieten van het leven, terwijl de Romeinen veel meer nadruk legden op de resultaten en de eer die een gewone Romein boven het maaiveld uit kon laten steken. Er zijn om die reden dan ook geen begrafenisredevoeringen bekend van Romeinen om de soldaten die zijn gevallen voor de staat, te eren. Dit staat in contrast met de Grieken die elk slachtoffer noemden en beroemde grafredes, zoals die van Perikles in de Peloponnesische oorlog , op schrift stelden. Dit gold ook voor soldaten die invalide uit de strijd terugkeerden. De uitkering voor invaliden in Athene is waarschijnlijk ontstaan uit een maatregel van Peisistratos uit de zesde eeuw om te zorgen voor oorlogsinvaliden. Deze dappere mannen hadden gevochten voor het behoud van de Atheense staat en daarbij hun gezondheid opgeofferd. Als dank zou de staat de rest van hun leven goed voor hen zorgen. Hoe hier later precies de uitkering uit is ontstaan, zoals die bestond ten tijde van Lysias, is niet bekend, maar de basisregeling van Peisistratos zal hierbij vast belangrijk zijn geweest.
In Rome was er niets van dit alles. Zoals eerder gezegd verloren veel arme boeren hun kapitaal omdat ze, na jarenlang van huis geweest te zijn, hun land verwaarloosd terugvonden. Geen enkel mededogen voor hun armoede bestond er vanuit de rijke senaat. Ook mensen die invalide terugkeerden uit de strijd konden niet op hulp rekenen. De winst in de oorlog was bereikt, en dat was alles wat ertoe deed. De overwinnende generaals kregen een sprankelende triomftocht en wellicht een standbeeld of triomfboog en daarmee was de zaak afgesloten. Naar de slachtoffers binnen de eigen maatschappij werd niet meer omgekeken. Zo was de Romeinse samenleving veel meer een maatschappij van winnaars, terwijl er in Athene ook aandacht op de verliezers werd gevestigd.
Hoewel tegenwoordig de Grieken en Romeinen vaak in één adem worden genoemd zijn er grote verschillen tussen de twee volken te ontdekken. Enkele van deze fundamentele verschillen hebben ertoe geleid dat er in Athene wel en in Rome geen uitkering voor invaliden vanuit de staat was. Verschillen als de politieke machtsverdeling, de mate van burgerrecht en de houding tegenover immigranten en ook de algemene mentaliteit ten opzichte van verliezers hebben de steun voor invaliden in de twee staten zeer sterk doen variëren.

CONCLUSIE

Invaliden hebben het nooit makkelijk. Getroffen door het noodlot moeten ze alle middelen aangrijpen om een levenswaardig bestaan op te bouwen. Tegenwoordig zijn er allerlei voorzieningen beschikbaar voor invaliden. Wij beschouwen deze uitkeringen en hulp als een uitvinding van de moderne verzorgingsstaat, maar in de oudheid was er ook al hulp van staatswege.
In Athene was er vanaf de zesde eeuw voor Christus steun voor oorlogsinvaliden. In de vierde eeuw gold deze steun voor alle Atheense burgers en waren er allerlei regels en voorwaarden aan verbonden. Dankzij een redevoering van de logograaf Lysias weten wij daar tegenwoordig nog van. De voorwaarden hielden onder meer in dat de uitkeringsgerechtigde blijvend invalide moest zijn en niet meer eigen vermogen mocht hebben dan drie mna. Ook mocht een burger die een invalidenuitkering kreeg bijvoorbeeld niet meeloten voor de archontenplaatsen. De regels en voorwaarden werden jaarlijks gecontroleerd door de Raad, bestaande uit Atheense burgers.
In Rome was er geen uitkering vanuit de staat. Romeinse invaliden moesten op andere plekken steun zoeken. Ze richtten zich daarbij waarschijnlijk op de verschillende buurtverenigingen, op de familie en op het patronagesysteem. In de grote steden van het Romeinse Rijk waren er verschillende buurtverenigingen met uiteenlopende doelen en een uiteenlopende mate van loyaliteit. De arme invalide kon terecht bij verenigingen per straat, de vices, bij beroepsverenigingen of bij religieuze genootschappen. Daarnaast was de familie een goede bron van steun. Het was immers de heilige plicht van Romeinen om goed voor hun familieleden en vooral hun bejaarde ouders te zorgen. Als laatste kon de invalide volgens het patronagesysteem hulp vragen aan één van de rijke Romeinen. De invalide was dan aan hem gebonden als client en kon ingezet worden voor de meest uiteenlopende klusjes en als hulp in het politieke strijdperk.
Uit verschillen op meerdere gebieden blijkt waarom Athene wel, en Rome geen invalidenuitkering had. Ten eerste was Athene democratischer. Omdat de burgers in Athene zelf de wetten maakten, was het in hun voordeel om een uitkering voor invaliden vast te stellen. Rome werd geregeerd door een kleine elite van de senatorenstand, die er geen baat bij had om een uitkering voor invaliden in te stellen. Als ze zelf invalide zouden worden, hadden ze immers nog genoeg geld om te overleven. Daarnaast was het burgerrecht in Rome veel meer verspreid dan in Athene. Omdat Atheners geloofden dat ze autochtoon waren en ze geen enorme gebieden onder controle moesten houden lag het voor de hand om het burgerrecht strikt te behouden voor Atheners waarvan beide ouders het Atheense burgerrecht hadden. De Romeinen zagen zichzelf daarentegen als afstammelingen van immigranten en gaven het burgerrecht sneller weg, omdat de romanisering van het gigantische Romeinse Rijk er baat bij had. Als laatste was er een verschil in mentaliteit. De Grieken gaven veel aandacht aan hun medemens en legden de nadruk op het genieten van het leven, terwijl de Romeinen veel meer nadruk legden op de resultaten en de eer die een gewone Romein bijzonder konden maken. Hierdoor ontstond de uitkering in Athene vanuit de zorg voor oorlogsinvaliden, terwijl de Romeinen daar nauwelijks naar omkeken. Alleen het resultaat van de overwinning telde voor de Romeinen, en de manier waarop maakte weinig uit.
Het lijkt nu erg harteloos dat de Romeinen de uitkeringen voor invaliden niet van de Atheners hebben overgenomen. Dit is echter een moderne manier om naar de oudheid te kijken. Het is juist heel bijzonder dat er in die tijd überhaupt ergens een uitkering voor invaliden van staatswege was. De Atheners bevonden zich met deze steun in een uitzonderingspositie, die pas veel later in de geschiedenis normaal is geworden. Zo is wederom duidelijk gemaakt dat de oude Atheners een zeer bijzonder staatssysteem hadden, dat zowel in hun eigen tijd als in latere eeuwen bewondering en verwondering oproept.

LITERATUURLIJST

Bronnen:

Aristoteles, Athenaion Politeia.
Cicero, De Officiis.
Cicero, De Oratore.
Cicero, De Senectute.
Demosthenes, Redevoeringen 24.
Demosthenes, Redevoeringen 27.
Herodotus, De Historiën.
Josephus, De Joodse oorlog.
Lysias, Redevoeringen 24.
Philochoros, FGrH 328, F 197b.
Plutarchus, Leven van Solon.
Publius Syrus, Sententiae.
Seneca, Ad Helviam matrem.
Seneca, Ad Marciam.
Seneca, De Constantia Sapientis.
Suetonius, Leven van Claudius.
Thucydides, History of the Peloponnesian war.
Vergilius, Aeneid.

CIL 6.18086.3-8, geciteerd in: Suzanne Dixon, The Roman Family (Baltimore, 1992) 236.

CIL 14.2112, geciteerd in: Ramsay MacMullen, Roman social relations. 50 B.C. to A.D. 284 (Yale 1974) 79.

Literatuur:

Baldson, J.P.V.D., Life and leisure in ancient Rome (1969).

Blois, L. de, en R.J. van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld (Bussum 2001).

Bons, Jeroen A.E., Lysias. Redevoeringen (Groningen 1993).

Burstein, Stanley M., e.a., A brief history of Ancient Greece. Politics, society and culture (New York 2004).

Dixon, Suzanne, The Roman Family (Baltimore, 1992).

Frier, B.W., ‘Roman life expectancy: the pannonian evidence’ in: Phoenix 37 (1983) 328-344.

Garland, Robert, The eye of the beholder. Deformity and disability in the Graeco-Roman world (1995 Londen).

Isaac, Benjamin, The invention of racism in classical antiquity (Princeton 2004).

Kotula, T., Les curies municipales en Afrique romaine (1968).

La-Piana, G., HThR 20 (1927) 217f.

Lamb, W.R.M., Loeb: Lysias (Londen 1930).

Leon, H.J., Jews of Ancient Rome (Philadelphia, 1960).

MacMullen, Ramsay, Roman social relations. 50 B.C. to A.D. 284 (Yale 1974).

Momigliano, Arnaldo, Claudius. The emperor and his achievement (Engelse vertaling, Westport 1981).

Nails, Debra, The people of Plato: A prosopography of Plato and other Socratics (Cambridge 2002).

Saller, R.P., ‘Pietas, obligation and authority in the Roman family’ in: P. von Kneissel en V. Losemann ed., Alte geschichte und wissenschaftsgeschichte: Festschrift für Karl Christ zum 65. geburtstag (1988) 392-410.

Verboven, Koenraad, The Economy of Friends. Economic aspects of amicitia and patronage in the late Republic (Brussel 2002).

Versnel, H.S., ‘Religious mentality in ancient prayer’ in: idem ed., Faith, hope and worship. Aspects of religious mentality in the ancient world (Leiden 1981).

Westerbrink, A.G., Lysias’ XXIVste redevoering (Groningen 1940).

White, Sherwin, The Roman Citizenship. Second Edition (Oxford, 1973).

About the author:

Back to Top