Esther van den Brink: Nero cum suis

Esther van den Brink: Nero cum suis

Reacties uitgeschakeld voor Esther van den Brink: Nero cum suis

Esther van den Brink

Samenvatting

De roemruchte Romeinse keizer Nero: een beestachtige wreedaard die het overgrote deel van zijn familie vermoordde, Rome platbrandde en zijn tijd verspeelde aan talentloze artistieke aspiraties. In deze scriptie wordt een levendige speurtocht ondernomen, met behulp van de Romeinse auteurs Tacitus, Cassius Dio en Suetonius, naar de invloedrijkste figuren uit Nero’s leven, van de gehaaide Agrippina tot de opportunistische Seneca. De volgende vragen worden gesteld: in hoeverre was de keizer verantwoordelijk voor de gruweldaden van zijn regime? Welke intimi van Nero bespeelden de megalomane keizer? Kortom, Nero cum suis is een intrigerend en origineel onderzoek naar het leven van een notoire Romeinse keizer.

Download de PDF

Esther van den Brink (pdf)

Lees met ISSUU

Volledige Tekst

1: INLEIDING

1.1 Hoofdvraag

Iedereen kent de verhalen over de wrede en gestoorde keizer Nero. Zo vergiftigde hij zijn halfbroer Britannicus, omdat Nero hem als een concurrent voor het keizerschap beschouwde. Ook kent iedereen het spannende verhaal van de moord op zijn bemoeizuchtige moeder Agrippina: de meerdere pogingen tot vergiftiging, de mislukte schipbreuk en de uiteindelijke moord, waarbij zij uitriep: ‘In mijn buik! Steek toe!’. Tevens doodde Nero in een woedende opvlieging zijn zwangere vrouw Poppaea door haar meerdere malen in de buik te schoppen. Nero was een gek die zich liever bezig hield met toneelspelen en muziek maken dan met regeren. Zo speelde Nero viool en bezong hij de ondergang van Troje, terwijl Rome bijna in zijn geheel afbrandde. Nero zou zelf verantwoordelijk zijn geweest voor de grote brand en vervolgens de Christenen de schuld hebben gegeven. In 54 na Chr. kwam Nero Claudius Caesar Drusus Germanicus aan de macht in het Romeinse Rijk. Dankzij de inspanningen van zijn moeder, die trouwde met zijn voorganger, keizer Claudius, en ervoor zorgde dat die haar zoon adopteerde, werd de weg naar het keizerschap voor Nero geplaveid. Zijn halfbroer Britannicus was weliswaar de legitieme troonopvolger, maar Agrippina zorgde voor voldoende steun van Claudius en de Praetoriaanse Garde om haar zoon aan de macht te helpen. Oftewel, door de bemoeienissen van zijn moeder kwam Nero aan de macht. Dit was niet de eerste keer en zou ook zeker niet de laatste keer zijn dat iemand anders dan Nero zelf zijn toekomst en handelen bepaalde.
In deze scriptie wil ik onderzoeken in hoeverre Nero zelf verantwoordelijk is voor bepaalde handelingen en gebeurtenissen in zijn leven.
Wellicht is er sprake van een afhankelijkheid van anderen in zijn omgeving of een vorm van angst voor verantwoordelijkheid. Een andere mogelijkheid is dat de intimi van de keizer op macht belust waren. Hoe dan ook, ik denk dat het mogelijk is een aantal sleutelfiguren in Nero’s leven aan te wijzen, die meer macht hadden over de keizer en zijn handelen dan in eerste instantie duidelijk wordt uit de bronnen. Om te onderzoeken of er werkelijk sprake was van afhankelijkheid, angst of op macht beluste personen, zal ik aan de hand van een biografie over Nero een aantal gebeurtenissen onderzoeken waarin mogelijk de invloed van die sleutelfiguren op Nero een grote rol speelde in zijn keuzes en handelingen. In deze scriptie stel ik dus de volgende vraag: was Nero zelf verantwoordelijk voor bepaalde handelingen en gebeurtenissen die
kenmerkend zijn voor zijn leven of kunnen we een aantal van die handelingen en gebeurtenissen toeschrijven aan de invloed van anderen
op de keizer?
In deze inleiding zal ik allereerst een korte biografische schets geven van de belangrijke sleutelfiguren in Nero’s leven. Voor de biografie van Nero maak ik gebruik van de werken van Tacitus, Cassius Dio en Suetonius. In het tweede hoofdstuk zal ik deze bronnen en hun tekortkomingen beschrijven. De hoofdstukken drie tot en met zeven bestaan uit zowel een biografie van Nero als een analyse van enkele toonaangevende gebeurtenissen uit de desbetreffende periode van Nero’s leven. Om overzichtelijkheid te bevorderen, heb ik Nero’s leven in een aantal periodes opgedeeld, die ieder in een apart hoofdstuk worden behandeld.

1.2 Sleutelfiguren in het leven van Nero

Er is één persoon die overduidelijk invloed heeft gehad op het leven van keizer Nero: zijn moeder Julia Agrippina de Jongere. Agrippina werd in 15 na Chr. geboren in een fort langs de Rijngrens nabij Ara Ubiorum (het huidige Keulen) dat later ter eren van haar werd omgedoopt tot Colonia
Agrippinensis.
In 17 na Chr. vertrok zij met haar ouders, de beroemde generaal Germanicus Julius Caesar en Vipsania Agrippina de Oudere, naar Rome voor de triomftocht van haar vader. Kort na de triomftocht vertrokken Agrippina’s ouders op een nieuwe militaire campagne. Agrippina bleef achter in Rome met haar broers en zus (Julia Livilla). Germanicus stierf onverwachts in 19 na Chr. toen Agrippina slechts vier jaar oud was. Met haar broers en zus wachtte ze in Rome op de terugkeer van haar moeder en de as van haar vader. Toen ze bijna veertien jaar oud was, werd haar moeder verbannen door de toenmalige keizer Tiberius en ging Agrippina bij Livia, de vrouw van oud-keizer Augustus, wonen.
In 28 na Chr. trouwde Agrippina op dertienjarige leeftijd met Gnaeus Domitius Ahenobarbus, een achterneef van Augustus. In 37 na Chr. overleed keizer Tiberius en werd Agrippina’s broer Caligula de nieuwe keizer. Op 15 december van datzelfde jaar, na bijna tien jaar huwelijk, kreeg Agrippina haar eerste en enige kind: Lucius Domitius Ahenobarbus (vanaf hier aangeduid als Nero), de latere keizer Nero. In 39 na Chr. werd Agrippina samen met haar zuster Julia Livilla beschuldigd van deelname aan een mislukte aanslag op de keizer, die tot doel had om Agrippina’s minnaar Lepidus op de troon te krijgen. Lepidus werd geëxecuteerd en Agrippina en Julia Livilla werden verbannen. Agrippina moest de kleine Nero achterlaten in Rome bij zijn tante Domitia. Een jaar later stierf Agrippina’s echtgenoot aan waterzucht. Caligula werd in 41 na Chr. vermoord en door Agrippina’s oom Claudius opgevolgd.
Claudius riep Agrippina en Livilla direct terug uit hun ballingschap en zorgde ervoor dat Gaius Sallustius Passienus Crispus scheidde van zijn vrouw Domitia Lepida, Nero’s tante. Zo kon Agrippina trouwen met Passienus. Niet lang na hun huwelijk stierf Passienus en hij liet Agrippina een fortuin na. In 48 na Chr. werd Claudius’ echtgenote Valeria Messalina betrapt tijdens een affaire en gedwongen zelfmoord te plegen. Agrippina zag haar kans schoon en op aanraden van zijn vrijgelatenen trouwde Claudius met Agrippina. Omdat een huwelijk tussen oom en nicht als incestueus werd beschouwd, moest speciale goedkeuring van de Senaat worden gekregen. Agrippina werd dankzij haar nieuwe huwelijk de stiefmoeder van drie kinderen: Claudia Antonia, een dochter uit Claudius’ eerste huwelijk met Aelia Paetina, Claudia Octavia en Britannicus, de kinderen uit zijn tweede huwelijk met Messalina. Om de positie van haar zoon te verbeteren liet Agrippina de verbannen filosoof Lucius Annaeus Seneca terugroepen naar Rome om de leraar en mentor van Nero te worden. Claudius was een zeer beïnvloedbare persoon en Agrippina kreeg het voor elkaar dat hij zijn stiefzoon op 25 februari 50 adopteerde. Rond diezelfde tijd kreeg Agrippina de titel augusta en werd haar geboorteplaats naar haar vernoemd. In 51 na Chr. stelde Agrippina Sextus Afranius Burrus, de nieuwe Preatoriaanse prefect, aan als opvoeder van Nero met het oog op zijn militaire vorming. Daarnaast verbond zij Nero verder aan het keizershuis via een huwelijk met Claudius’ dochter Octavia. Volgens Tacitus had Claudius steeds meer spijt van de adoptie en wilde hij koste wat het kost zijn zoon Britannicus handhaven als troonopvolger. Agrippina restte slechts één optie indien zij Nero’s keizerschap wilde bezegelen: Claudius moest sterven. Met behulp van de gifmengster Locusta prepareerde zij een maaltijd van vergiftige paddenstoelen – het lievelingsgerecht van Claudius. Het vergif werkte echter niet snel genoeg, volgens Tacitus, omdat de keizer dronken was. Agrippina haalde onder het mom van zorgzaamheid er een dokter bij. Deze Xenophon stak een veer, gedoopt in een sterker gif, in de keel van Claudius om hem zogenaamd te helpen bij het overgeven. De nieuwe dosis vergif deed zijn werk. Agrippina had de weg naar het keizerschap voor Nero op genadeloze wijze geëffend.
De eerste maanden van Nero’s regering genoot Agrippina, als onofficiële keizerin, een extreem machtige positie binnen het Romeinse Rijk. Ze verloor echter haar controle over Nero toen hij een relatie kreeg met de vrijgelatene Claudia Acté. Agrippina stond niet welwillend tegenover deze relatie. Ze probeerde haar zoon tot inkeer te brengen en dreigde Britannicus te steunen in zijn strijd om de macht. Nero reageerde hierop door zijn stiefbroer te vermoorden. Zo begon een bloederige machtsstrijd tussen moeder en zoon. In 55 na Chr. besloot Nero zijn moeder uit de weg te ruimen. Uiteindelijk zou het tot 59 na Chr. duren totdat de moord daadwerkelijk werd uitgevoerd. Via een listig complot werd een einde gemaakt aan het leven van Agrippina. In een later hoofdstuk wordt deze moordaanslag uitgebreid behandeld. Een andere invloedrijke vrouw in het leven van Nero was zijn tweede echtgenote Poppaea Sabina. Tacitus omschrijft haar als een mooie, intelligente, rijke en grappige vrouw van hoge geboorte, maar tegelijkertijd als zedeloos en verdorven. Poppaea werd geboren rond 31 na Chr. als dochter van Titus Ollius en Poppaea Sabina de Oudere. Titus raakte rond Poppaea’s geboorte betrokken bij een samenzwering tegen Sejanus en stierf waarschijnlijk voordat zij werd geboren. Vanwege de smet op de familienaam kreeg Poppaea haar grootvaders naam, Gnaeus Poppaeus Sabinus, die in 9 na Chr. consul was geweest onder Augustus en later gouverneur onder Tiberius. Haar moeder pleegde in 47 na Chr. gedwongen zelfmoord, omdat Messalina haar beschuldigde van een affaire met een rijke senator die betrokken was bij de moord op Caligula. Poppaea trouwde in de jaren 50 met Rufrius Crispinus, die prefect van de Praetoriaanse Garde was onder Claudius. Met hem kreeg zij een zoon, die Nero later liet vermoorden omdat hij in hem een troonpretendent zag. In 58 na Chr. kreeg Poppaea een relatie met Marcus Salvius Otho, de latere keizer. Nero, die zeer goed bevriend was met Otho, huwelijkte Poppaea aan hem uit, terwijl zij nog getrouwd was met Crispinus. In datzelfde jaar werd ook Nero verliefd op Poppaea en zij begonnen een liefdesaffaire. Nadat Nero in 59 na Chr. Agrippina had laten ombrengen, en in 62 na Chr. was gescheiden van zijn vrouw Octavia, trouwde hij met Poppaea. Niet lang daarna kreeg zij de titel augusta. In 63 na Chr. kreeg Poppaea een dochter, genaamd Claudia. Het meisje stierf bleef echter slechts enkele maanden in leven. In 65 na Chr., toen Poppaea door Nero werd doodgetrapt, was zij opnieuw zwanger. Poppaea werd na haar dood vergoddelijkt door een berouwvolle Nero. Naast deze twee invloedrijke vrouwen in het leven van Nero, zijn er ook drie invloedrijke mannen aan te wijzen. De eerste hiervan is Lucius Annaeus Seneca. Seneca werd geboren in Cordoba in een oud riddergeslacht als zoon van Marcus Annaeus Seneca, ook wel Seneca de Oudere, en diens vrouw Helvia. In 33 na Chr. werd Seneca quaestor in Rome. In 36 of 37 na Chr. schopte hij het tot volkstribuun, terwijl hij in diezelfde tijd ook grote populariteit en erkenning genoot als schrijver en redenaar. In 41 na Chr. beschuldigde de vrouw van keizer Claudius, Messalina, Seneca van een affaire met Julia Livilla, de zuster van Caligula en het nichtje van Claudius. Julia werd verbannen en later geëxecuteerd. Seneca werd vernederd en ter dood veroordeeld, maar Claudius voorkwam de executie. In plaats van ter dood gebracht te worden, werd Seneca in 41 na Chr. verbannen naar Corsica. Daarbij werd de helft van zijn bezit geconfisqueerd. In 49 na Chr. werd Seneca teruggeroepen uit zijn ballingschap door Agrippina, met wie Claudius inmiddels was getrouwd. Vanaf 49 na Chr. was Seneca de mentor en leraar van Nero. Agrippina bewerkstelligde dat hij praetor werd en daardoor toegang kreeg tot de senaat. Naast Seneca stelde zij Sextus Afranius Burrus, de leider van de Praetoriaanse Garde, aan om Nero te onderwijzen in militaire zaken. Tussen Seneca en Burrus ontstond een hechte vriendschap. Samen probeerden zij de excessen van hun pupil binnen de perken te houden en tegelijkertijd de bemoeienissen van Agrippina te vermijden. Jarenlang dienden de beide mannen keizer Nero. In 62 na Chr. stierf Burrus. Hij werd vervangen door Tigellinus en Seneca raakte er steeds meer van overtuigd dat ook zijn rol was uitgespeeld. Seneca besloot Nero toestemming te vragen om met pensioen te gaan. Hij wilde zich voortaan geheel gaan wijden aan zijn studies en het schrijven. Hij bood aan zijn miljoenenvermogen, dat hij aan het hof had verdiend, terug te geven aan de keizer, maar Nero weigerde zowel het verzoek als het aanbod. Seneca trok zich vervolgens onder het mom van ouderdom en ziekte steeds meer terug uit het publieke leven. Hij meed het hof en de hoofdstad en trok zich terug in een soort vrijwillige ballingschap. In 65 na Chr. werd Seneca beschuldigd van deelname een samenzwering tegen het leven van de keizer. Seneca’s rol in dit complot is onzeker. Het eindresultaat niet: Seneca werd gedwongen om zelfmoord te plegen. De tweede belangrijke man in het leven van Nero is de reeds genoemde Sextus Afranius Burrus. Over het leven van Burrus is weinig bekend. Hij werd ergens tussen 10 voor Chr. en 2 na Chr. geboren, waarschijnlijk in Gallia Narbonensis. De meeste informatie over zijn loopbaan voordat hij werd aangesteld als adviseur van Nero, is afgeleid uit een inscriptie op een beeldhouwwerk in Vasio (het huidige Vaison). De inwoners van deze stad in Gallia Narbonensis eren Burrus als stadspatroon. Het is dus zeer waarschijnlijk dat hij hier werd geboren. Bovendien vermeldt een andere inscriptie Vasio, een van Burrus’ vrijgelatenen. De naam Afranius wijst erop dat Burrus’ familie tijdens de laatste jaren van de Republiek het Romeinse burgerschap heeft verkregen. Burrus is volkstribuun geweest en procurator van Livia, waarschijnlijk op een van haar landgoederen. Onder Tiberius en Claudius is hij gouverneur geweest en deed hij de militaire ervaring op die hem een geschikte adviseur van Nero maakte. In 51 na Chr. werd Burrus prefect van de Praetoriaanse Garde en niet lang daarna aangesteld door Agrippina als adviseur van Nero. In 62 na Chr. stierf Burrus. Tacitus sluit niet uit dat hij werd vergiftigd.
De derde en laatste invloedrijke man in het leven van Nero was Gaius Ofonius Tigellinus. Tigellinus werd in ca. 10 na Chr. (waarschijnlijk) geboren in Agrigentum op Sicilië. In 39 na Chr. werd Tigellinus verbannen vanwege een relatie met Agrippina de Jongere en haar zuster Julia Livilla. Hij verbleef toen enkele jaren in Griekenland en werd in 41 na Chr. door Claudius teruggeroepen. In deze periode ontving Tigellinus een erfenis die hij gebruikte om land in Apulië en Calabrië aan te schaffen. Tigellinus stortte zich volledig op het fokken van renpaarden. Nero kwam vervolgens in aanraking met Tigellinus via hun gedeelde liefde voor renpaarden en races. In 62 na Chr. (na de dood van Burrus), promoveerde Nero Tigellinus van vriend tot prefect van de Praetoriaanse Garde. Hij deelde deze positie met Faenius Rufus, maar had in werkelijk de meeste macht. Tigellinus nam deel aan Nero’s wrede en onzedelijke activiteiten en hielp met het uit de weg ruimen van troonpretendenten, maar toonde zich ook behulpzaam in het vermoorden van Nero’s echtgenote Octavia. De grote brand van Rome in 64 na Chr. begon op het landgoed van Tigellinus, terwijl hij gastheer was van een enorm banket. In 67 na Chr. vergezelde Tigellinus Nero op zijn reis naar Griekenland. Toen de ondergang van Nero vrijwel zeker was, deserteerde hij. De doodstraf wist Tigellinus te vermijden onder Galba, maar tijdens het (korte) bewind van Otho werd hij in 69 na Chr. alsnog gedwongen om zelfmoord te plegen. De bovenstaande vijf besproken personen (Agrippina, Poppaea Sabina, Seneca, Burrus en Tigellinus) waren iedere op hun eigen unieke wijze van grote invloed op de levensloop van Nero. Dit wordt hieronder aangetoond aan de hand van bronnen uit de eerste generatie na Nero’s regering zoals de Annalen van Tacitus en De levens van de keizers van Suetonius. Daarnaast wordt een bron van ruim een eeuw na Nero’s regering gebruikt, genaamd Romeinse Geschiedenis van Cassius Dio. In het volgende hoofdstuk worden deze bronnen onderworpen aan een kritische analyse.

2: BRONNEN

2.1 Drie hoofdbronnen

In deze scriptie wordt gebruik gemaakt van enkele Romeinse bronnen. De belangrijkste bron zijn de Annalen, van Publius Cornelius Tacitus. Er is niet veel bekend over deze auteur. Alle biografische informatie moet worden afgeleid uit Tacitus’ eigen geschriften, de correspondentie met Plinius de Jongere en uitspraken van (o.a.) Tertullianus. Tacitus is geboren in 54 of 55 na Chr. in een familie die behoorde tot de gegoede handelsstand. Hij werd dus geboren vlak voor of in het prille begin van Nero regeringsperiode. Tacitus begon zijn carrière in het openbare leven onder Vespasianus (r. 69-79 na Chr.). Ook onder Titus (r. 79-81 na Chr.) en Domitianus (r. 81-96 na Chr.) bekleedde hij overheidsambten. In 77 na Chr. trouwde hij met de dochter van Gnaeus Julius Agricola, de veroveraar van Brittannië. In 79 of 81 na chr. nam Tacitus plaats in de senaat als quaestor en rond 88 na Chr. werd hij praetor en lid van een priestercollege. Tacitus was in Rome actief als advocaat. Van 93 tot 96 na Chr. verbleef hij buiten Rome. Wellicht leefde hij toen in Gallia Belgica, waar hij kennis over de Germaanse stammen opdeed en later verwerkte in zijn Germania. Tacitus was een begaafd historicus. De Dialogus de oratoribus wordt over het algemeen beschouwd als zijn eerste publicatie. Het werk stelt de achteruitgang van de welsprekendheid aan de kaak. In 97 of 98 na Chr. verscheen Over het leven van Agricola, een biografie van zijn schoonvader, waar met name diens optreden in Brittannië wordt beschreven. In 98 na Chr. verscheen ook een werkje over de Germaanse volksstammen, Germania. Naast deze drie kleinere werken produceerde Tacitus twee grote historische werken, de Annalen en de Historiën, waarin hij de geschiedenis van Rome na Augustus beschreef (dus de periode van 14 tot 96 na Chr.).
Een tweede belangrijke bron over het leven van Nero is Over de levens van de keizers van Gaius Suetonius Tranquillus. Suetonius werd geboren rond 70 na Chr. in een familie uit de ridderstand. Suetonius werkte onder de hoede van Plinius de Jongere, dezelfde succesvolle advocaat die samenwerkte met Tacitus. In een brief uit 105 na Chr. sommeert Plinius zijn vriend om nu toch eindelijk eens iets te publiceren. Vermoedelijk vond Suetonius, nadat Plinius overleden was, een nieuwe beschermheer in Septicious Clarus, de prefect van de Praetoriaanse Garde onder Hadrianus. Aan deze ridder heeft hij namelijk zijn keizerbiografieën opgedragen. Onder Hadrianus was Suetonius ook actief als keizerlijke bibliothecaris en archivaris, en later stond hij aan het hoofd van het keizerlijke secretariaat. In 122 na Chr. werden zowel Septicius Clarus als Suetonius ontslagen, omdat zij zonder toestemming omgang hadden gehad met Sabina, de echtgenote van de keizer. Het is onbekend hoe het leven van Suetonius verder is verlopen of wanneer hij is gestorven, maar uit de enorme lijst van literaire werken blijkt dat hij waarschijnlijk nog lange tijd als schrijver actief is geweest. Suetonius is een van de belangrijkste biografen uit de Romeinse. De twee belangrijkste werken uit zijn oeuvre zijn van biografische aard. Als eerste is daar De viris illustribus, een verzameling biografieën en notities over ‘illustere’ personen uit de Romeinse, literaire wereld. Slechts enkele delen van het werk zijn overgeleverd, maar bestond waarschijnlijk uit vier delen: een deel over filosofen, een over redenaars, een over historici, en een deel over dichters. Suetonius’ tweede, belangrijke werk, is Over de levens van de keizers, dat ergens na 126 verscheen. Hierin beschreef Suetonius de levens van twaalf keizers (van Caesar tot Domitianus). Suetonius verzamelde informatie voor zijn biografieën uit de keizerlijke archieven. Daarnaast maakte hij gebruik van mondelinge informatie. De derde bron, ten slotte, over het leven van Nero is Romeinse geschiedenis van Lucius Cassius Dio Cocceianus. Dio werd geboren rond 155 na Chr. in Nicaea. Rond 180 na Chr. vestigde Dio zich in Rome waar hij een politieke carrière begon. In ca. 190 na Chr. werd hij senator. In 196 na Chr. schopte hij het tot praetor. Later bekleedde hij achtereenvolgens het ambt van provinciegouverneur in Africa, Dalmatië en Pannonië. In 205 en 229 na Chr. werd hij consul. Na zijn politieke loopbaan keerde hij terug naar Nicaea waar hij zich stortte op zijn schrijfwerk. Voordat Dio begon aan zijn grootste werk Romeinse Geschiedenis, schreef hij enkele kleinere werken. Een van die werken was eem tekst met voorspellingen over de troonsbestijging van Septimius Severus met de titel Prodigia. In zijn jeugd schreef hij ook de biografie van Arrianus, een belangrijke legeraanvoerder en schrijver onder Hadrianus. Dio’s magnum epos werd Romeinse geschiedenis, waarin hij de geschiedenis van Rome op papier zette. Het werk liep van 753 voor Chr., het stichtingsjaar van Rome, tot aan de regeringsperiode van keizer Alexander Severus (222-235).
2.2 Bronnenkritiek

De Romeinse bronnen, die voor dit onderzoek worden gebruikt, vereisen een delicate hantering. Waarom? Ten eerste hebben alle drie de auteurs een uniek karakter, persoonlijke vooroordelen en een eigen doel voor ogen met hun geschriften. Zo beïnvloedt Tacitus’ republikeinse gezindheid zijn oordeel over de Romeinse keizers. De motivatie van de Romeinse auteurs verschilt volledig van de beweegredenen van moderne schrijvers of historici. Bij de Romeinen lag de nadruk niet op een objectieve weergave van historische gebeurtenissen, aangevuld met afgewogen hypothesen, zoals een moderne historicus nastreeft: de Romeinse schrijver was een moralist, die zijn tijdgenoten het verschil tussen goed en kwaad, deugdzaam en verdorven, dapper en lafhartig, probeerde bij te brengen. Daarbij negeerden de Romeinse auteurs de wereld buiten Rome waardoor geschreven informatie over het platteland van het Romeinse Rijk grotendeels ontbreekt. Evenzo weinig aandacht werd besteed aan de dagelijkse beslommeringen van de lagere klassen in de Romeinse samenleving: alle Romeinse auteurs zijn elitaire individuen, die slechts schreven over de keizerlijke en senatoriale kringen. Een tweede grote tekortkoming van de primaire bronnen van dit onderzoek, is het feit dat alle drie de bronnen werden geschreven in latere tijden. Oftewel, de bronnen zijn niet gebaseerd op ooggetuigenverslagen uit Nero’s tijd. Het is daarom van belang om te achterhalen welke bronnen Suetonius, Tacitus en Cassius Dio hebben gebruikt. Allereerst kunnen we met zekerheid constateren dat de drie auteurs elkaar niet als bron hebben gebruikt. Verder is vast te stellen dat waar de drie auteurs overeenstemmen qua vocabulaire en zinsbouw, zij zich gebaseerd hebben op hetzelfde bronmateriaal. Een aantal verschillende bronnen stond de schrijvers ter beschikking. Een belangrijke bron voor zowel Tacitus als Suetonius zal de mondelinge overlevering geweest zijn. Beiden leefden een generatie na Nero en kunnen tijdgenoten van de keizer hebben ondervraagd. Alle drie de auteurs hebben ongetwijfeld gebruik gemaakt van de Acta Senatus, de archieven van de senaat, en de Acta diurna urbis, het dagelijkse register van de stad. Daarnaast hadden de auteurs allerlei kleine archieven, brieven, imperiale edicten, inscripties en vele andere bronnen tot hun beschikking. Bovendien waren vele oude schrijvers, die de tand des tijds niet hebben weerstaan, voor Tacitus, Suetonius en Cassius Dio beschikbaar. Edward Champlin noemt twee soorten geschriften als belangrijke bron dienst deden voor de drie geschiedschrijvers. Allereerst de memoires van leden van keizerlijke of aristocratische families. Zo is bekend dat Agrippina, de moeder van Nero, tussen 55 en 59 na Chr. memoires heeft laten optekenen. Tacitus citeert uit dit werk als hij spreekt over Agrippina de Oudere:

Dit door de kroniekschrijvers van beroep niet overgeleverde voorval heb ik gevonden in de memoires van haar dochter Agrippina die, toen zij moeder was van Nero en hij keizer, haar eigen leven alsmede de lotgevallen van haar familie voor het nageslacht te boek heeft gesteld.

Andere belangrijke memoires zijn die van generaal Domitius Corbulo, genaamd de Commentarius. Corbulo verhaalt over militaire campagnes in het oosten onder de regering van Nero in de periode van 54 tot 67 na Chr. Het tweede type geschrift is de martelaarsgeschiedenis; verhalen over het leven en de glorieuze dood van illustere mannen die leefden onder Nero. Zo was er onder andere een tekst over het leven van Thrasea Paetus, een voormalige consul en uitgesproken criticus van Nero, geschreven door Arulenus Rusticus. Gaius Fannius schreef het werk Exitus occisorum aut relegatorum a Nerone (‘De dood van die gedood of verbannen werden door Nero’).
Het is ongebruikelijk voor historici uit de antieke tijd om melding te maken van hun bronnen, maar Tacitus is een uitzondering op deze regel. Hij noemt in de Annalen drie historici die hij heeft geraadpleegd. Hij heeft ook gebruikt gemaakt van de Acta Senatus, van archieven, de memoires van Corbulo, en van getuigenissen van mannen die de samenzwering van Piso hadden meegemaakt. Alle drie de historici die Tacitus noemt in de Annalen maakten in levenden lijve Nero’s regering mee. Hun werk is helaas niet overgeleverd. Tacitus noemt alleen zijn bronnen als zij verschillende versies van een gebeurtenis geven: ‘Wat mij aangaat, mijn standpunt is dit: wanneer de geschiedschrijvers onderling overeenstemmen wil ik hen volgen, hebben zij echter uiteenlopende meningen overgeleverd, dan zal ik deze onder hun eigen namen vermelden’. Wellicht putte hij dus uit meer bronnen. De eerste bron die Tacitus noemt is Gaius Plinius Secundus, ofwel Plinius de Oudere, de oom van Tacitus’ vriend en tijdgenoot Plinius de Jongere. Het lijvige project van Plinius, genaamd Naturalis Historia, bevat een schat aan informatie over het Romeinse Rijk. Het is belangrijk om te weten dat hij Nero verafschuwde. In Naturalis Historia spreekt hij vol afschuw over de keizer en schildert hij hem af als een vijand van de mensheid en een gevaarlijke gek die ‘(…) proved himself, throughout the whole of his reign, the enemy of the human race’.
De tweede bron die Tacitus noemt is Fabius Rusticus. Over zijn leven is vrijwel niet meer bekend dan dat hij bevriend was met Seneca en dat wellicht ook Tacitus hem persoonlijk heeft gekend. Deze schrijver is net zo negatief over de keizer als Plinius en zo mogelijk nog negatiever. Tacitus noemt de schrijver driemaal in zijn werk en geeft in de desbetreffende passages de voorkeur aan de versies van andere bronnen. Dit zou er op kunnen wijzen dat Tacitus de betrouwbaarheid van de Rusticus in twijfel trok. Tacitus beschouwt Fabius Rusticus vriendschap met Seneca als een reden om alles negatiever af te schilderen dan het werkelijk is geweest. Tacitus verwoordt het als volgt: ‘Buiten kijf neigt Fabius ertoe Seneca te loven, aan wiens vriendschap hij zijn welvaart te danken had’. De derde bron die Tacitus vermeldt, is Cluvius Rufus, die ook werd gebruikt door Cassius Dio, Plutarchus en Josephus. Cluvius was een prominente senator, gevierd orator en vriend van verschillende keizers. Hij was al op leeftijd tijdens de regering van Nero. Cluvius kan een goede bron zijn voor de regering van Nero, omdat hij een vriend van de keizer was en het grootste gedeelte van Nero’s regering aan het hof doorbracht. Hij was zelfs Nero’s ceremoniemeester bij diens theater-voorstellingen.
Cluvius was waarschijnlijk een van de belangrijkste historici in de eerste eeuw na Christus. Het is belangrijk om te constateren dat Cluvius hoogst waarschijnlijk pro-Nero was. Hierdoor kan zijn werk dienen als tegenhanger van de twee andere oorspronkelijke bronnen van Tacitus, Dio en Suetonius, die geen goed woord over hebben voor de keizer. Een laatste tekortkoming van de bronnen is dat het groeiende absolutisme van de keizers een belangrijke factor was in de manier waarop de auteurs schreven. Alle belangrijke beslissingen in het Principaat werden genomen achter gesloten deuren en steeds minder informatie werd publiekelijk bekend gemaakt. Tijdens de regering van Nero draaide dit absolutisme nog niet op volle toeren. Enkele bronnen waren dus beschikbaar voor onze auteurs die redelijk betrouwbaar waren. Het gebruik van die bronnen moest vereiste voorzichtigheid, omdat de auteur de contemporaine keizer niet wilde beledigen.
Tot zover de bronnen waarop deze scriptie is gebaseerd. De biografische passages in dit onderzoek zijn allemaal gebaseerd op de werken van Tacitus, Dio en Suetonius. De genoemde tekortkomingen maken voorzichtig gebruik van de bronnen, om Nero’s leven te reconstrueren, cruciaal. De onderstaande biografie is daarom gebaseerd op gegevens die na raadpleging van verschillende secundaire literatuur, als het meest geloofwaardig gelden. In de vijf volgende hoofdstukken wordt het leven van Nero beschreven. Tegelijkertijd wordt de rol van reeds genoemde sleutelfiguren in bepaalde belangrijke gebeurtenissen vastgesteld.

2: NERO’S JEUGD

3.1 Een bewogen kindertijd

Nero werd geboren uit ouders afkomstig uit twee beroemde geslachten. Zijn vader was Gnaeus Domitius Ahenobarbus, afkomstig uit de familie van de Domitii Ahenobarbi, een oude Republikeinse, adellijke familie. Nero’s moeder was Agrippina de Jongere, de zuster van keizer Caligula en de dochter van Germanicus, en daarmee de achterkleindochter van Augustus. Op dertienjarige leeftijd werd zij uitgehuwelijkt aan Gnaeus Domitius Ahenobarbus. Over Nero’s vader is weinig bekend. Nero’s grootvader was Lucius Domitius Ahenobarbus, consul in 16 voor Chr. Hij boekte grote successen in Germanië en won hiervoor zelfs een triomftocht. Zijn familie werd door Augustus tot de patriciërstand toegelaten en Lucius werd zelfs de executeur-testamentair van Augustus. Keizer Tiberius had Domitius Ahenobarbus uitgekozen om te trouwen met Agrippina de Jongere. Nero werd verwekt vlak voordat zijn vader terecht moest staan voor hoogverraad. Gnaeus Domitius ontsnapte aan vervolging, omdat Tiberius stierf voordat de rechtszaak van start ging. Tijdens de zonsopkomst van 15 december in 37 na Chr. schonk Agrippina in Antium het leven aan Lucius Domitius Ahenobarbus, zoals Nero oorspronkelijk heette. Hij werd met zijn voeten eerst geboren: een slecht voorteken. Direct na zijn geboorte werden verschrikkelijke voorspellingen gedaan naar aanleiding van zijn horoscoop: een astroloog voorspelde onder andere dat hij zijn moeder zou vermoorden. Agrippina zou vervolgens hebben gezegd dat hij haar mocht vermoorden, als hij maar zou heersen. Ook Gnaeus Domitius voorspelde zijn zoons toekomst.

Hij verklaarde ‘dat er uit hem en Agrippina alleen iets weerzinwekkends kon zijn geboren tot onheil van het volk’. Toen de kleine Nero ongeveer anderhalf jaar oud was in 39 na Chr., nodigde keizer Caligula zijn zusters Agrippina en Julia Livilla uit om hem te vergezellen tijdens een inspectie van de troepen, die langs de Rijn lagen gelegerd. Terwijl zij daar verbleven, werd een complot ontdekt van onder andere Lepidus tegen Caligula. De keizer was onzeker over de betrokkenheid van zijn zusters bij het complot, maar besloot hen desondanks te verbannen. Daarnaast werd Agrippina beschuldigd van overspel met haar zwager Lepidus. Zij werd naar het eiland Pontia verbannen, zonder haar zoontje Nero. Bovendien werden haar bezittingen geconfisqueerd.
In 40 na Chr., toen Nero drie jaar oud was, stierf zijn vader in Pyrgi in Etrurië aan waterzucht. De jongen werd naar zijn tante Domitia Lepida gestuurd. Daar werd hij, volgens Suetonius, groot gebracht ‘onder het toezicht van twee opvoeders: een danser en een kapper’. Hij kreeg één derde van zijn vaders erfenis toegewezen, de rest ging naar de keizer. Caligula confisqueerde echter de volledige erfenis. Na de moord op Caligula (41 na Chr.) kreeg Nero het erfdeel terug van de nieuwe keizer Claudius, zijn oudoom. Bovendien riep Claudius zijn moeder en haar zuster terug uit ballingschap. De dochter van Domitia Lepida, Valeria Messalina was inmiddels getrouwd met Claudius. Zij had hem op 12 februari 41 na Chr. een zoon en opvolger geschonken: Britannicus. Agrippina ging op zoek naar een nieuwe echtgenoot en stiefvader voor Nero. Ze kreeg Servius Sulpicius Galba, die later haar zoon zou opvolgen als keizer, in het vizier. Galba werd echter door Claudius eerst naar Brittannië en later naar Afrika gestuurd, waardoor Agripinna koos voor Gnaeus Sallustius Passienus Crispus, de erfgenaam van Augustus. Crispus was echter getrouwd met Domitia Lepida – Nero’s tante. Hij verliet haar echter voor Agrippina. Crispus benoemde Agrippina en Nero als zijn erfgenamen, en stierf niet veel later in 47 na Chr. Het enige wat Agrippina nu in de weg stond voor een huwelijk met de keizer was diens echtgenote Messalina. Het noodlot bood uitkomst: in 47 en 48 na Chr. raakte Messalina betrokken bij een schandaal. Het volgende vondplaats: toen Claudius in 48 na Chr. de werkzaamheden in de havens van Ostia inspecteerde, trouwde zijn echtgenote in een ‘huwelijksceremonie’ met de consul Gaius Silius. Wellicht wilde zij dat Silius de troon over zou nemen van Claudius. Het verraad kwam Claudius in Ostia ter ore. De deelnemers aan het huwelijk werden gestraft, Silius werd ter dood veroordeeld, en Messalina werd gedwongen zelfmoord te plegen. Claudius was plotsklaps weduwnaar geworden.
In 49 na Chr. trouwde Claudius met Agrippina. Dit gebeurde op aanraden van Pallas, een invloedrijke vrijgelatene aan het hof van Claudius. Het huwelijk verbond de families van de Julii en de Claudii met elkaar. Tegelijkertijd werd vastgelegd dat Claudius’ dochter Claudia Octavia en Nero in het huwelijk zouden treden. Seneca de Jongere werd teruggeroepen uit ballingschap om de leermeester van Nero te worden, tezamen met met Sextus Afranius Burrus, de prefect van de Praetoriaanse Garde. Op 25 februari in 50 na Chr. werd Domitius geadopteerd door Claudius en kreeg hij de nieuwe naam Tiberius Claudius Nero Caesar. Niet veel later werd hij Nero Claudius Caesar Drusus Germanicus genoemd. Claudius’ zoon en rechtmatige erfgenaam Britannicus, die nu negen jaar oud was, verdween steeds meer naar de achtergrond. Op een gegeven moment verging de oudere Nero zijn jongere stiefbroer als de erfgenaam van Claudius. Later dat jaar kreeg Agrippina de titel augusta.
In 51 na Chr. kreeg Nero het recht om de toga virilis te dragen. Dit kledingstuk was symbolisch voor zijn meerderjarigheid en gaf aan dat zijn deelname aan het publieke leven van start ging. Nero kreeg dit recht enkele maanden na zijn dertiende verjaardag. De senaat bepaalde dat hij op zijn twintigste consul zou worden en hij werd tevens benoemd tot princeps iuventutis: leider van de jeugdige edelen. In 53 na Chr. trouwde Nero met Octavia. In de vroege ochtend van 13 oktober 54 na Chr. stierf Claudius plotseling. Het officiële verhaal was dat Claudius stierf aan een koortsaanval terwijl hij een pantomimevoorstelling bezocht, maar het gonsde van de geruchten: Agrippina had een hand gehad in het vroegtijdige overlijden van Claudius. De keizerin zou Claudius met hulp van de gifmengster Locusta hebben vergiftigd. De gifmengster zou paddenstoelen hebben vergiftigd. De voorproever van de keizer werd omgekocht en Claudius at de paddenstoelen, maar omdat de keizer dronken was, kwam hij niet te overlijden; Claudius werd hij slechts ziek. Agrippina haalde onder het mom van bezorgdheid de hofarts Xenophon erbij. Xenophon, een handlanger van Agrippina, deed het voorkomen alsof hij de keizer trachtte te helpen met overgeven door met een veer zijn keel te kietelen. De veer was echter in een veel sterker en sneller werkend gif gedoopt dat fataal bleek. Later die dag werd Nero in opdracht van Agrippina door de Praetoriaanse prefect Burrus uitgeroepen tot keizer. In de tussentijd werd geheim gehouden dat de Claudius was gestorven. De Praetoriaanse Garde en de senatoren kregen te horen dat de keizer ziek was en niet mocht worden gestoord. De comitia, de Romeinse volksvergadering, was het officiële orgaan dat de keizer verkoos, nadat hij als kandidaat was aangewezen door de senaat. Dit was echter een formaliteit, omdat de meeste keizers eigenhandig hun opvolger aanwezen. Claudius was keizer geworden via een andere weg. Hij had namelijk het Principaat opgeëist op basis van eerdere verdiensten. De jonge Nero had andere kwalificaties voor de troon dan zijn voorganger: hij was geadopteerd door Claudius en getrouwd met zijn dochter Octavia. Daarbij was hij een afstammeling van Augustus en de immens populaire Germanicus, en genoot hij de steun van de Praetoriaanse prefect Burrus. Agrippina had ook enkele senatoren zover gekregen dat zij haar zoon steunden. Of Nero daadwerkelijk keizer zou worden hing nu slechts nog van hemzelf af.
Hoe werd de troonopvolging bewerkstelligd? Op advies van Agrippina’s astrologen verscheen Nero na het middaguur aan het publiek (op Claudius’ sterfdag). Tot die tijd werden berichten naar buiten gestuurd dat het beter ging met Claudius. Zijn kinderen Britannicus, Octavia en Antonia werden binnengehouden en Agrippina toonde hen het lichaam van hun vader. Nero werd onthaald met gejuich, maar de soldaten van de Praetoriaanse Garde vroegen zich wel af waar Britannicus bleef. Toen deze niet verscheen, werd Nero in een draagkoets naar de kazerne van de soldaten vervoerd. Daar hield hij een redevoering, geschreven door Seneca, waarin hij de soldaten geld en geschenken beloofde. Vervolgens werd hij door hen als keizer begroet. De troonbestijging van Nero werd door de Senaat bevestigd. Het testament van Claudius werd niet voorgelezen, omdat hij waarschijnlijk Britannicus als opvolger had gekozen. Claudius werd geëerd met goddelijke eerbewijzen en kreeg een begrafenis in de traditie van Augustus.

3.2 Moederliefde

Het begin van het leven van de kleine Nero verliep, zoals reeds vermeld, niet geheel vlekkeloos. Zo waren daar de slechte voortekenen en voorspellingen. Het is echter goed mogelijk dat die latere literaire uitvindingen waren van de Romeinse auteurs om de keizer, die later werd vervloekt, in een kwaad daglicht te stellen. Nero’s jeugd heeft desalniettemin invloed gehad op de rest van zijn leven. Zo groeide Domitius ten eerste op zonder vaderfiguur. Ten tweede kon de band met zijn moeder niet worden gevormd in belangrijke eerste jaren van zijn leven. Het ontbreken van een moeder(figuur) leidt vaak tot weinig vertrouwen in persoonlijke relaties. Daar kan echter tegenover worden gesteld dat het gebruikelijk was in de hogere, Romeinse kringen om de opvoeding van kinderen over te dragen aan voedsters. In dat geval zou Nero die belangrijke band met zijn moeder ook niet hebben gehad. Daarnaast wordt beschreven dat Nero een opvoeding werd toevertrouwd aan een danser en een kapper. Dit was in strijd met de traditionele, Romeinse opvoeding. Dit kan echter ook echter een latere uitvinding van de Romeinse auteurs zijn geweest om de voorliefde van de keizer voor theater en kunsten te verklaren. Hoe dan ook lijkt de periode bij zijn tante niet gelukkig te zijn geweest. Niet in de laatste plaats omdat Nero opgroeide in armoede. Caligula had immers zijn erfenis geconfisqueerd. Toen keizer Caligula werd vermoord, was Nero de enige overlevende mannelijke erfgenaam van zowel Augustus als Germanicus. Zolang Claudius, de opvolger van Caligula, geen zoon en opvolger voortbracht, bleef Nero de eerste kandidaat voor het keizerschap. De persoon die de meeste invloed op Nero kon uitoefenen, zou op een dag via hem indirect over het Romeinse Rijk heersen. Niet lang na de moord op Caligula werd Agrippina door Claudius uit ballingschap teruggeroepen. Nero werd herenigd met zijn moeder, die zich ontpopte als een extreem dominante moeder, die er alles voor over had om haar zoon op de troon te krijgen.
Nero’s moeder hoopte het leven van haar zoon gunstig te beïnvloeden. Hoe bewerkstelligde zij dit? Ten eerste door de juiste huwelijkspartners voor hem uit te zoeken. Agrippina’s huwelijk met Passienus Crispus verzekerde Nero van een grote erfenis. Het feit dat deze Passienus moest scheiden van Nero’s tante Lepida om met Agrippina te kunnen trouwen zal de familiebanden niet hebben bevorderd. Agrippina ging echter verder: in 49 na Chr. trad zij in het huwelijk met keizer Claudius. De daaropvolgende adoptie van Nero door Claudius was zowel door Agrippina als door Claudius gewenst. Agrippina kreeg haar zin: haar zoon werd de opvolger van de keizer en Claudius verzekerde zich van een opvolger die, gezien zijn band met Augustus en Germanicus, door de Romeinen met open armen zou worden ontvangen.
Een tweede manier waarop Agrippina haar invloed, en die van Nero, vergrootte, was door Claudius goed onder de duim te krijgen en zich actief te bemoeien met zijn regering. De keizerin probeerde daarbij zoveel mogelijk macht en medestanders te verzamelen. Op haar zoon had zij ook veel invloed. Nero was in deze periode een jonge puber, die logischerwijs afhankelijk was van zijn moeder. Hij was zich terdege bewust van het feit dat zijn rechten op de troon hem net zo veel vrienden als vijanden opleverden. Agrippina vormde Nero’s belangrijkste verdediging tegen vijanden. Hij beloonde haar loyaliteit met affectie en gehoorzaamheid. Een derde maatregel van Agrippina die haar positie, en die van haar zoon, versterkte, bestond uit het overhalen van Claudius om zijn dochter Octavia te verloven met Nero. Octavia was echter reeds beloofd aan Lucius Junius Silanus. Agrippina haalde Claudius over om Silanus uit de weg te ruimen. Zo gebeurde het dat Nero en Octavia zich toch verloofden. Het grootste slachtoffer van dit huwelijk was Claudius’ zoon Britannicus. Het feit dat Britannicus leed aan epilepsie en een twijfelachtige intelligentie had, neutraliseerde dit probleem. Een vierde versterking van Nero’s en Agrippina invloed was de aanstelling van Seneca als mentor en adviseur van Nero. Seneca had zijn terugkeer uit ballingschap te danken aan Agrippina en dat realiseerde hij zich maar al te goed. Seneca beïnvloedde de jonge Nero op intellectueel gebied, en dat was precies wat Agrippina wilde. Zij wist dat een goede opvoeding cruciaal was voor het creëren van politieke ideeën. Bovendien kon Agrippina via Seneca ideeën over de staat en de regering aan Nero opleggen. Agrippina zorgde ervoor dat Nero niet uitgebreid in de filosofie werd onderwezen, omdat dit volgens haar geen bijdrage aan zijn toekomstige taak: het regeren van de wereld. De climax van Agrippina invloed op Nero’s leven was het laten vermoorden van Claudius en het weghouden van zijn biologische kinderen bij het lijk van hun vader. Dankzij Agrippina’s inspanningen steunde de Praetoriaanse prefect Burrus Nero’s troonsbestijging. Nero had daarnaast de steun van enkele senatoren. Seneca schreef daarbij een extreem belangrijke speech voor Nero, die hij voordroeg aan de Praetoriaanse Garde. Oftewel, het harde werken van Agrippina en Seneca werd beloond: Nero’s troonsbestijging verliep soepel. Na enkele jaren van afwezigheid in het begin van Nero’s leven, werd Agrippina een dominante factor. Haar invloed op de jonge Nero is niet verwonderlijk, omdat zij de enige vertrouweling is van haar zoon. Nero’s relatie met zijn overheersende moeder werd steeds intenser, voordat er een abrupt einde kwam aan Agrippina’s leven.

4: NERO AAN DE MACHT

4.1 Quinquennium Neronis: 54-59 na Chr.

De eerste vijf ‘goede’ jaren van Nero’s regering worden ook wel de Quinquennium Neronis genoemd. Het voortvarende verloop van deze periode was vooral te danken aan de invloed van Burrus en Seneca op de regering. Beiden beperkten Nero’s rol in de regering tot passieve participatie. Tevens werd zijn excessieve gedrag aan banden gelegd. In de eerste jaren van Nero’s keizerschap werd duidelijk dat hij zich graag bezig hield met acteren, zingen, theater en het mennen van paard en wagen.
In 55 na Chr. werd Nero waarschijnlijk voor het eerst verliefd op een vrijgelaten slavin genaamd Claudia Acté. Seneca bedacht een list om de relatie voor Agrippina verborgen te houden. Hij vroeg een van zijn protegés een relatie met Acté te veinzen. Zo kon Nero zijn geliefde geschenken geven en een appartement voor haar betalen zonder medeweten van zijn moeder. Geheimen blijven echter nooit lang verborgen. Agrippina was woedend toen zij de waarheid achterhaalde en herinnerede Nero aan het feit dat zij hij zonder haar steun en toewijding nooit het keizerschap had verworven. Nero dreigde de troon op te geven, opdat hij met Acté kon trouwen. Vervolgens liet hij enkele ex-consuls getuigen dat Acté van koninklijke afkomst was. Zij zou afstammen van de Attaliden, de heersers van een hellenistisch koninkrijk in Asia Minor (Klein-Azië). Acté was zogenaamd op jeugdige leeftijd als slavin verkocht en op die manier in Rome beland. Het moment dat Nero verliefd werd op Acté, luidde het begin in van een machtsstrijd tussen enerzijds de keizer, Seneca en Burrus en anderzijds Agrippina. De twee adviseurs van de keizer volgde Agrippina op als meest invloedrijke persoon in het leven van Nero. Volgens Dio hadden Burrus en Seneca zelfs de werkelijke macht in handen: ‘They [Burrus and Seneca] took the rule entirely into their own hands and administered affairs in the very best and fairest manner they could, with the result that they won the approval of everybody alike’. Nero had hier geen bezwaar tegen. Hij hield zich liever met ander zaken bezig: ‘As for Nero, he was not fond of business in any case, and was glad to live in idleness; indeed, it was for this reason that he had previously yielded the upper hand to his mother […]. De bronnen spreken over een gebalanceerd evenwicht tussen Seneca en Burrus. De laatste was gespecialiseerd in militaire zaken en de eerste in filosofisch en retorisch onderwijs.
Agrippina bleef zich onderwijl verzetten tegen de relatie tussen haar zoon en, zoals zij Acté noemde, ‘een dienstmaagd’. Ze dwong haar zoon te kiezen tussen zijn moeder en zijn geliefde. Voor Nero was het een duidelijke keuze. Toen Agrippina zich realiseerde dat zij te ver was gegaan, probeerde zij te redden wat er nog te redden viel. Ze gaf toe dat ze te streng was geweest, bood Nero al haar bezittingen aan en stelde haar slaapvertrekken ter beschikking aan hem en Acté, maar voor Nero was het mosterd na de maaltijd. Bovendien hadden zijn vrienden hem gewaarschuwd voor een listige vrouw als Agrippina. Op advies van Seneca tolereerde hij echter zijn moeder. Hij stuurde haar als teken van vrede een gewaad en edelstenen uit de garderobes van voormalige keizerinnen. Dat maakte Agrippina heel boos. Zij verweet haar zoon ondankbaarheid. Als represaille ontsloeg Nero Pallas, die inmiddels een van de belangrijkste vertrouwelingen van Agrippina was geworden. Pallas werd ontzet uit zijn ambt als beheerder van de financiën van de keizer.
Agrippina hervatte haar dreigementen en stelde dat Britannicus, de biologische zoon van Claudius, nu hij bijna veertien jaar oud was en de toga virilis zou krijgen, de ware opvolger van Claudius was. Zij zou een machtsovername door Britannicus volledig steunen. Deze dreigementen bezegelden het lot van Britannicus. Vlak voor zijn veertiende verjaardag, in februari van 55 na Chr., stierf de jongen. Een epileptische aanval werd vermeld als officiële doodsoorzaak. De Romeinse auteurs doen echter een ander verhaal uit de doeken: met behulp van de gifmengster Locusta zou Nero zijn stiefbroer hebben vergiftigd. De keizer legde zijn omgeving het zwijgen op met behulp van dure geschenken. Agrippina hield gesprekken met haar vrienden om zichzelf van politieke steun te verzekeren. Agrippina viel echter steeds meer in ongenade. De keizersmoeder ging in alle wanhoop op zoek naar medestanders en klampte zich vast aan Octavia. Toen Nero dit hoorde, nam hij Agrippina haar lijfwacht af en verbande haar uit het keizerlijke paleis. De strijd tussen moeder en zoon culmineerde vervolgens in een aanklacht: Agrippina had willen trouwen met Rubellius Plautus, een afstammeling van Tiberius en dientengevolge een troonpretendent. De ‘ruzie’ werd echter uitgesproken onder invloed van Burrus, die Nero weerhield van het laten vermoorden van zijn moeder. Burrus had nog veel respect voor het feit dat Agrippina de dochter was van de grote veldheer Germanicus. Bovendien: zolang Agrippina leefde, zou Nero zijn adviseurs des te meer respecteren, al was het maar om zich te verzetten tegen zijn moeder. De volgende jaren verliepen vredig. In 58 na Chr. was het echter gedaan met de rust toen Nero Poppaea Sabina – zijn toekomstige tweede echtgenote – leerde kennen. Enkele obstakels moesten worden overkomen alvorens Nero en Poppaea in het huwelijk konden treden. Zo werd Otho, de echtgenoot van Poppaea, uit de kringen rondom de keizer verstoten en als gouverneur van de afgelegen provincie Lusitanië aangesteld. Acté trok zich terug uit het leven van de keizer en bracht de rest van haar leven door op kosten van Nero. Alleen nog Agrippina stond een huwelijk met Poppaea in de weg. Agrippina zou er alles aan doen om een scheiding tussen Nero en Octavia te voorkomen, maar toen Nero in contact kwam met Poppaea, wakkerde zij de vijandigheid tussen Nero en zijn moeder verder aan. Het huwelijk van Poppaea en Nero speelde volgens Tacitus uiteindelijk een grote rol als motief voor de moord op Agrippina. Op deze manier had de tweede vrouw van Nero veel invloed op zijn gedrag.

5: MOEDERMOORD

5.1 Het einde van Agrippina

Poppaea stookte in de relatie tussen Nero en Agrippina door de keizer uit te maken voor ‘onmondig jongetje’. Zij dreigde ook terug te keren naar Otho als Agrippina haar niet aanvaarde als schoondochter. De Romeinse historicus Cluvius Rufus, wiens geschriften slechts zijn overgeleverd via citaten uit andere werken, stelt dat Agrippina er alles aan deed om haar macht te behouden. Zo trachtte zij een dronken Nero te verleiden tot het plegen van incest. Volgens sommigen was Nero hiertoe bereid. Hoe dan ook, de bloedschande werd voorkomen door inmenging van Acté. In opdracht van Seneca vertelde zij Nero dat zijn moeder opschepte over haar affaire met haar zoon en dat het leger een dergelijke schandaal niet zou accepteren. Nero hakte eindelijk de knoop door: hij wilde trouwen met Poppaea en tegelijkertijd ontsnappen aan de drukkende invloed van zijn moeder. Kortom, het besluit werd genomen om Agrippina uit de weg te ruimen. In de eerste instantie ging Nero’s voorkeur uit naar vergif, maar dit zou niet genoeg lijken op een ongeluk en bovendien te veel herinneren aan Britannicus’ dood. Daarbij was het lastig om een bediende te vinden die Agrippina het vergif kon toedienen, omdat zij erg op haar hoede was en bekend was met alle listen van het vergiftigen. Een voormalige docent van Nero, die nu dienst deed als de prefect van de Romeinse vloot, genaamd Anicetus, toonde zich behulpzaam aan een dankbare Nero:

Dat men een schip kon construeren op zo’n wijze dat een gedeelte ervan in volle zee door een technisch foefje kon loslaten, waardoor het Agrippina, zonder dat zij op iets verdacht was, in de diepte zou kunnen laten verdwijnen. Niets is zo aan wisselvalligheden onderhevig als de zee; en mocht het gebeuren dat Agrippina door een schipbreuk uit de weg werd geruimd, wie zou er dan zó tegen Nero geporteerd zijn dat hij aan misdaad zou durven toeschrijven wat wind en golven hadden misdreven? Overigens zou de keizer de nagedachtenis van Agrippina eren met een tempel, met altaren, en met alles wat verder dienstig zou kunnen zijn om blijk te geven van zijn piëteit.

De list van Anicetus beviel Nero en de keizer wist het perfecte moment voor ‘het ongeluk’: de Minervafeesten bij Baiae tussen 19 en 23 maart. Nero lokte zijn moeder naar Baiae onder het mom van een verzoening. Hij begeleidde haar naar Bauli, ‘een buitenplaats, gelegen tussen kaap Misenum en het meer van Baiae, aan een inham van de zee die er tegenaan spoelt.’ Hier lag een enorm schip: een gigantisch eerbetoon aan Agrippina. De achterdochtige voormalige keizerin werd uitgenodigd voor een banket op het schip. De vleierij van Nero stelde haar echter gerust: ‘Strength and good health to you, mother. For you I live and because of you I rule’. Toen Nero, na het banket, afscheid nam van zijn moeder, omhelsde hij haar inniger dan ooit ‘hetzij om de maat van zijn huichelarij vol te maken, hetzij dat de laatste blik op zijn moeder die haar dood tegemoet ging, dit hart, hoe gevoelloos het ook was, deed aarzelen’. Het schip vertrok, maar de list werkte slechts deels: het cruciale in tweeën breken vond niet plaats, ‘hetgeen toe te schrijven is aan de algemene verwarring en omdat zeer veel niet- ingewijden de in het complot betrokkenen zelfs hinderden’. De roeiers deden een poging om het schip te laten kapseizen door alles en iedereen naar één kant te schuiven, maar het schip zonk desalniettemin. Agrippina zwom naar een van de omliggende vissersbootjes en werd naar haar landgoed gebracht. Eenmaal thuis gearriveerd, besloot zij de moordaanslag volledig te negeren. Ze zond een boodschapper naar Nero om mede te delen dat zij ‘door de gunst der goden en dankzij Nero’s goed gesternte was ontsnapt aan een ernstig ongeluk’. Nero raakte in paniek. Hij was bang dat Agrippina zich zou willen wreken. Burrus wees de keizer erop dat Anicetus zijn belofte moest uitvoeren. Anicetus marcheerde naar Agrippina’s huis, forceerde de deur en vernam van Agrippina dat ‘als hij was gekomen om haar te bezoeken, dan kon hij melden dat zij hersteld was; was hij gekomen om een misdaad te voltrekken, dan weigerde zij te geloven dat haar zoon er iets mee had te maken. Door hem was geen moedermoord bevolen!’. Toen een soldaat vervolgens zijn zwaard trok, riep ze: ‘In mijn buik! Steek toe!’. Dit was immers de plaats waaruit Nero was voortgekomen. De soldaat sloeg toe en maakte een einde aan het leven van de bezitterige, dominante en wrede moeder van een evenzo verderfelijke keizer.
De moordaanslag op Agrippina werd weliswaar door Nero bevolen, maar de daadwerkelijke uitvoering (het ineenstortende schip) werd de keizer aangeraden door Anicetus. Toen Nero het nieuws van zijn moeders wonderbaarlijke ontsnapping vernam, raakte hij in paniek. Nero vreesde mogelijke wraakacties van Agrippina. Hij liet zijn adviseurs Burrus en Seneca wekken. In een dergelijke crisis kon Nero niet alleen handelen: het advies van Seneca en Burrus was nodig om tot actie over te gaan.
Seneca schreef uit naam van Nero een brief aan de Senaat over de dood van zijn moeder. De kern was ‘dat men Agerinus, één van Agrippina’s meest vertrouwde vrijgelatenen, had betrapt met een zwaard om hem te vermoorden en dat Agrippina boete had gedaan onder drang van haar geweten, als zijnde degene die de aanslag had beraamd’. Met andere woorden: Agrippina had volgens de keizer zelfmoord gepleegd. Dit idee werd versterkt door een opsomming van allerlei beschuldigingen uit het verleden:

Dat zij gehoopt had op een gelijk aandeel in de regering en dat de keizerlijke lijfwacht trouw zou zweren aan haar, een vrouw; en dat zij gerekend had op dezelfde vernedering van Senaat en volk; en dat zij, nadat zij in deze verwachting was teleurgesteld, verbitterd op het leger, op de Senaat en op het volk, de keizer had afgeraden het leger donaties in geld, het volk een gratificatie in natura te geven en dat zij gevaarlijke intriges op touw had gezet tegen aanzienlijke burgers.

Verder verweet Seneca haar allerlei schandalige praktijken en stelde hij dat de schipbreuk geen toeval was geweest. De rechtvaardiging van de zelfmoord werd verder versterkt door een opsomming van allerlei misdaden door Agrippina uit het verleden. Zo werd de moord op Claudius Agrippina in de schoenen geschoven. Het idee dat Agrippina was omgekomen bij gratie van de goden werd nog eens extra versterkt door wondertekenen die zich voordeden:

Een vrouw beviel van een slang en een andere stierf, getroffen door de bliksem terwijl haar echtgenoot haar omarmde. Voorts trad er plotseling een zonsverduistering in en werden de veertien stadswijken van Rome door het hemelvuur getroffen.

In de vroege herfst van 59 na Chr. keerde Nero terug naar Rome. De keizer was eindelijk verlost van zijn moeder. Hij kon zich nu richten op de dingen die hij het liefst deed: zingen, acteren en wagenrennen.

5.2 Mogelijke motieven voor vermoorden Agrippina’s en de nasleep

Het is niet mogelijk om zonder slag of stoot aan te nemen dat de wens om met Poppaea te trouwen, het motief vormde voor de moord op Agrippina. De moeder van de keizer werd in 59 na Chr. om zeep geholpen, maar Nero’s scheiding van Octavia en het daaropvolgende huwelijk met Poppaea vonden pas plaats in 62 na Chr. In een passage over het huwelijk met Poppaea schrijft Tacitus dat Nero uit angst voor de troonpretendenten Sulla en Plautus niet eerder met Poppaea kon trouwen. Volgens Dio was het echter de oppositie van Burrus tegen een scheiding van Octavia die de keizer tegenhield:

In Rome Nero first divorced Octavia Augusta, on account of his concubine Sabina, and later put her to death. He did this in spite of the opposition out of Burrus, who endeavoured to prevent him from divorcing her, and once said to him, “Well, then, give her back her dowry”, by which he meant the sovereignty.

Na Burrus’ dood achtte Nero het pas mogelijk om te trouwen met Poppaea. Het is echter aannemelijk dat Poppaea’s steun bijdroeg aan de beslissing van Nero Agrippina te laten vermoorden. Een andere verklaring voor de moord op zijn moeder is dat Nero zich wilde bevrijden van Agrippina’s overheersende bemoeizucht. Hij was de psychologische machtsspelletjes van zijn moeder zat en wilde profiteren van zijn keizerlijke macht. Dit verklaart tegelijkertijd Nero’s losbandige gedrag na Agrippina’s dood, en het feit dat hij zich vol verve storten op het wagenrennen en acteren, beide activiteiten die zijn moeder hem had verboden.

De nasleep

In de eerste uren na de dood van Agrippina lijkt het alsof Nero erg is geschrokken van de aanblik van zijn dode moeder en haar wrede dood. Tacitus beschrijft die momenten zo: ‘De rest van de nacht, nu eens in stilzwijgen verzonken maar vaker opstaand, bevangen door paniek en radeloos, wachtte hij op het morgenrood in de overtuiging dat dit zijn einde zou brengen’. Misschien is zijn rusteloosheid een teken van spijt, maar het is waarschijnlijker een teken van angst. Immers, hoe gingen de senaat, de soldaten en de mensen van Rome reageren op de dood van Agrippina, de dochter van de grote Germanicus? Burrus probeerde een deel van Nero’s angst weg te nemen: hij bracht, vergezeld door verscheidene, de keizer gelukwensen met de dood van zijn moeder. De vrienden van de keizer brachten de volgende dag offers en dankbetuigingen aan de goden. Er werden zelf feesten gehouden ter ere van Agrippina’s sterven. Wat moest de senaat echter denken van de moord? Hier zien we Seneca’s invloed op de keizer duidelijk terug: de brief die de wijsgeer schreef aan de Senaat, zoals hierboven besproken, spreekt boekdelen over de grote invloed van Seneca op de keizer.
In de jaren na Agrippina’s dood verloor Nero zich steeds meer in creatieve bezigheden zoals acteren, toneelspelen en paardenrennen. Tegelijkertijd merkten Burrus en Seneca dat de keizer zonder ingrijpen van zijn moeder niet werd geremd in zijn creatieve bezigheden. Zij realiseerden zich dat standvastig verzet tegen Nero’s activiteiten een dodelijke afloop kon hebben. Kortom, de keizer kon grotendeels ongecontroleerd zijn gang gaan. In deze jaren wordt Poppaea’s invloed op Nero steeds groter. De invloed van Burrus en Seneca daarentegen nam steeds meer af en in 62 na Chr. werd hun macht volledig gebroken.

6: NIEUWE INVLOEDEN

6.1 Wisseling van de wacht

In 62 na Chr. overleed Burrus: ‘Men tast in het onzekere of hij stierf ten gevolge van een ziekte of door vergif’. Burrus stief op zeventigjarige leeftijd en moest op korte termijn worden vervangen. Hij werd opgevolgd door twee prefecten: Faenius Rufus en Ofonius Tigellinus. Volgens Tacitus was ‘de één een niemand kwaad berokkenende slappeling, de ander de meest doortrapte schurk’. Nero koos voor twee opvolgers, omdat hij wilde voorkomen dat te veel macht in handen van één persoon belandde. Al snel werd echter duidelijk dat Tigellinus meer macht over Nero had dan Rufus. Burrus’ dood vormde een omslag in het gedrag van Nero. Hij werd nu niet langer beteugeld door zijn twee leermeesters. Nero’s ware aard kwam volgens Tacitus steeds meer naar boven. Burrus’ dood brak Seneca’s macht, ‘enerzijds omdat het streven naar het goede van zijn vroegere kracht had ingeboet, daar het beroofd was om zo te zeggen van één van zijn twee promotoren, en anderzijds omdat Nero overhelde tot lieden van lager allooi’. Seneca vroeg Nero toestemming om met pensioen te gaan. Hij wilde zich voortaan geheel wijden aan studeren en schrijven. Hij bood aan zijn gigantische vermogen, dat hij had verdiend aan het hof, terug te geven aan de keizer. Na een uitgebreide redevoering tijdens een audiëntie met Nero werd zijn verzoek desalniettemin afgewezen. Seneca trok zich vervolgens onder het mom van ouderdom en ziekte steeds meer terug uit het publieke leven.
Nu Burrus en Seneca niet langer een rol speelden in het leven van de keizer zag Tigellinus zijn kans schoon. Op advies van Tigellinus voerde Nero de lex maiestatis weer in: een wet met betrekking tot hoogverraad en majesteitsschennis. Met behulp van deze wet konden talloze aanzienlijke personen worden verbannen of gedood zonder werkelijke aanleiding of de kans op een rechtvaardig proces. Verder raadde Tigellinus Nero aan twee troonpretendenten uit de weg te ruimen. Het ging om Faustus Cornelius Sulla en Rubellius Plautus. Plautus was in dezelfde graad verwant aan Augustus als Nero. Sulla was een afstammeling van de beruchte dictator Lucius Cornelius Sulla en de beroemde generaal Gnaeus Pompeius Magnus. Bovendien was hij getrouwd met Antonia, de dochter van Claudius. Nero liet Sulla en Plautus onthoofden en vertelde de Senaat dat zij oproerstokers waren. Het feit dat beiden reeds waren vermoord, verzweeg hij. De senaat ontzette Sulla en Plautus vervolgens uit hun rang en kondigde een publiek dankfeest af voor de redding van de keizer. Vervolgens verstootte Nero zijn vrouw Octavia op aanraden van Tigellinus. Aanvankelijk durfde de keizer niet van haar te scheiden, omdat Octavia ten eerste grote populariteit genoot onder het Romeinse volk en tweede werd gesteund door Burrus. Na Burrus’ dood kon Octavia echter met goed fatsoen worden verstoten, omdat zij Nero geen kinderen had geschonken. Twaalf dagen later trouwde hij met zijn grote liefde Poppaea. Niet lang daarna werd Octavia verbannen naar Campanië en onder militaire bewaking gesteld. Twee keer kwam de bevolking in opstand tegen de scheiding en het onrecht dat Octavia werd aangedaan. De eerste keer probeerde Nero het volk te kalmeren door Octavia terug te roepen naar het hof. Dit werkte echter averechts. Een grote mensenmassa trok naar het Capitool en wierp beelden van Poppaea omver. Op het Forum werden beelden van Octavia opgericht en het plein werd met bloemen versierd, maar de mensenmassa werd uiteengedreven door soldaten. De oplossing voor ‘het probleem Octavia’ werd gevonden: Anicetus, die eerder de moord op Agrippina had volbracht, kreeg een keuze voorgelegd: het plegen van overspel met Octavia bekennen of sterven. Anicetus koos de eerste optie. Enkele dagen later werd Octavia op twintigjarige leeftijd om het leven gebracht. De executie verliep stroef: Octavia’s aderen werden geopend, maar het bloed stroomde te langzaam. De keizerin werd daarom in een heet bad gelegd om de bloedsdoorloop en het sterfproces te versnellen. In januari 63 na Chr. kregen Nero en Poppaea een dochter, genaamd Claudia. Dit werd Nero’s enige kind. De aanvankelijke feestvreugde, offers en blijdschap bleken van korte duur: vier maanden na haar geboorte overleed het prinsesje. Claudia werd vergoddelijkt. In haar dood vond Nero wederom een uitlaatklep voor zijn favoriete hobby’s. Nero wilde steeds liever voor publiek optreden, ondanks dat hij verlegen was en bang voor kritiek. Voor zijn debuut koos hij Napels, ‘een als het ware Griekse stad’. In Napels werd Nero geconfronteerd met een groot ongeluksteken: de theatertribune stortte in. De tribune was gelukkig niet bezet toen dit gebeurde en niemand raakte gewond. De keizer Nero bestempelde dit voorval als goddelijke voorzienigheid en goddelijke goedkeuring van zijn optreden. Niet lang hierna keerde hij terug naar Rome en begon hij te dromen over een grote reis naar Egypte. Hij ging naar de tempel van Vesta op het Capitool om te bidden. Daar werd hij getroffen door een beven over al zijn ledematen en tijdelijke blindheid. Hierna stelde hij zijn reis uit. Tacitus verklaarde Nero’s beslissing als volgt:

Hij had al de treurige gezichten van zijn medeburgers gezien, hij hoorde hun verholen weeklachten, omdat hij van plan was een zo grote reis te ondernemen, terwijl zij zelfs zijn uitstapjes van korte duur niet verdroegen, gewend als zij waren door het aanschouwen van hun keizer tegen de wisselvalligheden van het lot gesterkt te worden.

Nero richtte zich nu op het geven van grote openbare feesten. Het hoogtepunt van die feesten was het banket van Tigellinus. Volgens Dio vierden Nero en Tigellinus feest met een selecte groep vrienden op een boot in een onder water gelopen theater. De boot was versierd met goud en ivoor en bekleed met kleurrijke kleden en kussens. De toegang tot alle bordelen in de stad was tevens gratis en mannen mochten seks hebben met alle vrouwen, ook de maagden en gehuwde exemplaren. De vrouwen mochten niet weigeren. Tacitus voegt daaraan toe dat Nero gevogelte, wild en zeedieren uit verre landen had laten komen en dat de roeiers dienden als schandknapen. Nero en Poppaea hielden van een verkleedpartij waar zij zichzelf konden tonen aan toeschouwers. Ze genoten van de erotische optredens van dansers en mimespelers. Nero was niet alleen een toeschouwer, maar ook een actieve deelnemer aan de festiviteiten. Tijdens de festiviteiten vond een grote ramp plaats in Rome. In de nacht van 18 op 19 juli 64 na Chr. brak een grote brand uit, die vervolgens negen dagen lang woedde door de hoofdstad van het Romeinse Rijk. De brand was ontstaan in de winkeltjes rond het Circus Maximus en had zich snel uitgebreid over de hele stad. Het verwoestende vuur werd geen halt toegeroepen en zelfs het paleis van Nero werd in de as gelegd. Nero stelde het Campus Martius, de bouwwerken van Agrippa en zijn eigen park open voor de vluchtende mensen. Hij liet noodbarakken bouwen en levensmiddelen aanvoeren uit Ostia. Ook de graanprijs werd verlaagd. Ondanks deze maatregelen stak het gerucht de kop op dat Nero iets te maken had het uitbreken van de brand. Men zei dat hij ‘op het kritieke ogenblik dat de stad in vlammen opging, zijn privé-toneel had betreden en de ondergang van Troje had gedeclameerd, de rampen van het ogenblik vereenzelvigend met catastrofes van vroeger’. Suetonius voegt daar aan toe dat Nero de gelegenheid gebruikte om zichzelf te verrijken. Op de zesde dag slaagde men erin het vuur te stoppen. De brandweer had echter het gebied nog niet verlaten of het vuur laaide weer op. De geruchten namen toe, omdat het vuur ditmaal was ontstaan op de landgoederen van Tigellinus. De Romeinse bevolking beschuldigde vervolgens Nero van het verlangen een nieuwe stad te willen bouwen, die hij naar zichzelf wilde vernoemen. Nero maakte een einde aan alle beschuldigingen en geruchten door de christenen verantwoordelijk te stellen voor de brand. Zij werden in grote getalen ter dood veroordeeld. Sommigen werden verscheurd door honden, anderen gekruisigd en weer anderen levend verbrand. Nero stelde zijn eigen park open voor dit publieke slachtingen. Volgens Tacitus ontstond er medelijden met de christenen, omdat zij ‘niet voor het heil van de staat werden omgebracht, maar geofferd aan de wreedheid van één enkeling’.

6.2 Poppaea en Tigellinus aan de macht

Nero was gesteld op Tigellinus, omdat hij, in tegenstelling tot zijn voorgangers Burrus en Seneca, geen moralistische kritiek had op de activiteiten van de keizer: ‘alsmede Ofonius Tigellinus, op wie Nero zijn oog had laten vallen om diens vanouds bekende onkuisheid en eerloosheid’. De eerste gelegenheid waarbij de invloed van Tigellinus op Nero goed zichtbaar wordt, is de herinvoering van de lex maiestatis. Vervolgens haalde Tigellinus de keizer over om twee mogelijke concurrenten voor de troon te laten veroordelen. Kortom, Tigellinus had veel invloed op Nero in deze zaken.
De invloed van de zwangere Poppaea op haar echtgenoot, kan nauwelijks worden overschat. Als Nero niet was getrouwd met Poppaea voor het kind geboren werd, zou het kind geen legitieme erfgenaam kunnen zijn. Octavia werd vliegensvlug verstoten omdat zij geen kinderen kon schenken aan de keizer. Twaalf dagen later waren Nero en Poppaea man en vrouw. Poppaea ambities reikten echter verder: Octavia moest worden vernietigd. Zoals reeds vermeld, slaagde Poppaea in haar opzet: Octavia werd gedwongen tot het plegen van zelfmoord na een bekentenis van Anicetus. Nero maakte vervolgens in een edict bekend dat: Octavia met het doel zich meester te kunnen maken van de vloot, de bevelvoerder [Anicetus] ervan had verleid, en – zonder eraan te denken dat hij haar nog maar kort tevoren van onvruchtbaarheid had beschuldigd – zij uit een gevoel van schaamte over haar zedeloosheid de vrucht had afgedreven’. Het feit dat Octavia abortus liet plegen, wijst erop dat de reden dat Nero Octavia verstootte, namelijk onvruchtbaarheid, hoogstwaarschijnlijk was verzonnen. Nero, Poppaea en Tigellinus vormden een verderfelijk trio dat zich schaamteloos gedroeg. Nero vermeldt Tacitus dat de keizer een man huwde alsof hij zelf de bruid was! Suetonius vertelt dit verhaal ook, alleen spreekt hij over de vrijgelatene Doryphorus:

Hij hulde zich in de huid van een wild beest werd dan losgelaten uit een kooi en stortte zich vervolgens op het onderlichaam van mannen en vrouwen die aan een paal waren vastgebonden om ten slotte, wanneer hij zijn geilheid had botgevierd, door zijn vrijgelatene Doryphorus te worden afgewerkt. Aan hem gaf hij zich als vrouw ten huwelijk.

Het Gouden Huis

Zoals al eerder beschreven gingen gonsde het van de roddels dat Nero de brand had aangestoken om ruimte te maken voor een nieuw paleis. Kort na de brand nam Nero de architecten Severus en Celer in dienst. Hij liet hen een enorm paleis bouwen, versierd met edelstenen en goud, vijvers en natuurreservaten. Dit paleis werd voor een groot deel gebouwd op de platgebrande stad. Het bouwwerk was een uitzonder-lijke constructie:

De voorhal was zo groot dat daarin een kolossaal beeld van hemzelf kon staan van veertig meter hoog. Het paleis was zo immens dat het een driedubbele galerij bevatte van een mijl lengte, verder een vijver die wel een zee leek, omgeven door gebouwen die voor steden konden doorgaan. Er waren ook landelijke gedeelten met een afwisseling van akkers, wijngaarden, weilanden en bossen met allerlei tamme en wilde dieren. In de overige gedeelten was alles met bladgoud bedekt en versierd met edelstenen en parelmoer.

Het valt niet met uitsluitende zekerheid vast te stellen welke invloed Poppaea had op Nero’s bouwplannen. Dit Domus Aurea (‘Gouden huis’) voedde de geruchten dat Nero iets met de brand te maken zou hebben. Tegelijkertijd werden die roddels ontkracht, omdat de keizer direct begon aan de wederopbouw van de stad. Tigellinus kreeg steeds meer invloed op Nero, maar hij moest die delen met Poppaea: ‘Poppaea en Tigellinus, die het intiemste kabinet uitmaakten van de keizer bij diens wreed optreden’. Bovendien had Tigellinus betrekkelijk minder invloed op de keizer dan Burrus en Seneca, enerzijds omdat hij geen medestander had in zijn functie, en anderzijds omdat Nero niet gedurende de jaren minder beïnvloedbaar was geworden.

7: HET EINDE VAN NERO

7.1 Nero’s laatste jaren: Piso’s samenzwering & de dood van Seneca

De herinvoering van de lex maiestatis, de dood van Burrus en de terugtrekking van Seneca uit het publieke leven, allen in 62 na Chr., zorgden dat de crisis tussen Nero en de senaat tijdelijk was opgelost. De ontevredenheid over Nero groeide echter en in 65 na Chr. kwam een grote samenzwering aan het licht. Leden van een aantal aanzienlijke families wilden Nero vermoorden en hem vervangen door Gaius Calpurnius Piso – een telg uit een gerespecteerd, Republikeins geslacht. Tijdens Caligula’s bewind had hij zijn vrouw aan de keizer moeten afstaan en was hij vervolgens verbannen. Piso werd door Claudius teruggeroepen en bekleedde in zijn regering enkele hoge ambten. Hij was populair onder de bevolking, omdat hij een genereuze en goedaardige man was.
Piso was niet de instigator van de samenzwering. Subrius Flavus, tribuun van Nero’s lijfwacht, en Sulpicius Asper, een legerofficier, namen het initiatief. Hun overtuigingskracht vergrootte het aantal samenzweerders. Het complot werd uiteindelijk verraden door een van de deelnemende senatoren; Flavius Scaevinus. Piso pleegde zelfmoord door zijn aderen open te snijden. Niet lang hierna volgde de dood van Seneca. De rol van Seneca in Piso’s complot is echter onzeker:

Hetzij dat deze tussenpersoon was geweest tussen hemzelf en Piso, hetzij dat hij [Natalis] hem noemde om zich te verzekeren van de welwillendheid van Nero, die een doodshekel had aan Seneca en die elk middel zocht om hem in verderf te storten.

Volgens Dio was Seneca een van de leiders van het complot: ‘Seneca, however, and Rufus, the prefect, and some other prominent men formed a plot against Nero; for they could no longer endure his disgraceful behaviour, his licentiousness, and his cruelty’. Er werd veel waarde gehecht aan een opmerking van Seneca tegen Piso: ‘dat gesprekken over en weer en herhaalde uitwisseling van gedachten in geen van beider voordeel waren; dat echter zijn eigen wel en wee afhing van Piso’s behoud’. Dit zou een teken van zijn schuld kunnen zijn. Seneca kreeg de opdracht van Nero om zelfmoord te plegen. Seneca schreef zijn testament, omhelsde zijn vrouw en sneed de aderen van zijn armen door. Door zijn ouderdom stroomde het bloed langzaam uit de aderen en dus liet hij de aderen van zijn benen ook openen. Hij liet zijn schrijvers bij zich roepen en dicteerde nog enkele woorden. Ten slotte liet hij zich in een zeer heet bad leggen en stikte hij in de dampen daarvan. Hij werd gecremeerd zonder enig eerbetoon. In de bloederige nasleep van het complot werden veertig individuen verraden en gestraft. Negentien van hen kregen de doodstraf, enkele anderen pleegden zelfmoord, en de rest werd verbannen. Tigellinus andere bondgenoten van Nero werden onthaald alsof zij een grote slag hadden gewonnen in een oorlog. De soldaten van de Praetoriaanse Garde kregen ieder tweeduizend sestertiën en voor de rest van het leven gratis broodrantsoen. De senaat wilde de maand april omdopen tot Neroneus en bood de keizer aan een tempel te bouwen voor hem als god. Nero sloeg dit laatste aanbod af.

Poppaea’s dood en de opstand van Vindex en Galba

In 65 na Chr. werd Nero door een persoonlijke tragedie getroffen. Poppaea’s tweede zwangerschap eindigde vroegtijdig op rampzalige wijze met haar dood. Volgens Tacitus deden allerlei geruchten de ronde over haar dood, maar de officiële doodsoorzaak werd vastgesteld op fatale bloedingen te wijten aan een miskraam.
Het gerucht ging echter dat Nero haar had vermoord, nadat Poppaea boos op de keizer was geworden, omdat hij laat thuisgekomen was na paardenraces. Hij zou haar vervolgens uit woede in haar buik hebben getrapt met zijn hiel, waardoor bloedingen ontstaan waren. Ook gingen er geruchten over een eventuele vergiftiging, maar volgens Tacitus moeten we die verhalen niet geloven, omdat Nero van zijn vrouw hield en graag kinderen wilde. Bovendien had de keizer een troonopvolger nodig.
Poppaea’s lichaam werd niet gecremeerd naar Romeinse gebruiken, maar gebalsemd volgens Egyptische gewoontes en bijgezet in de tombe van de Julische familie. Nero miste zijn Poppaea zo erg dat hij een concubine nam, die veel op haar leek. Nero ging desalniettemin ook op zoek naar een nieuwe keizerin. Hij liet zijn oog vallen op Antonia, de dochter van Claudius en halfzuster van Britannicus en Octavia. Antonia weigerde met de keizer te trouwen en werd daarom geëxecuteerd. Nero trouwde vervolgens met Statilia Messalina, een vrouw die al vier keer eerder getrouwd was geweest. In 66 na Chr. ondernam Nero, zonder zijn nieuwe echtgenote, de lang uitgestelde reis naar Griekenland. Hij werd vergezeld door een ex-slaaf genaamd Sporus, die hem zo aan Poppaea deed denken dat hij hem liet castreren, Sabina noemde, en in Griekenland met hem trouwde. Nero behandelde de jongen als zijn echtgenote en als keizerin, maar waarschijnlijk ook als seksobject.
De reis naar Griekenland werd gevuld met theaterspel en dichten. Nero nam de Griekse cultuur met volle teugen in zich op. Verder nam hij deel aan allerlei wedstrijden en spelen, die hij natuurlijk allemaal won. Hij wilde niets horen over problemen in de rest van zijn Rijk, zoals de Joodse Opstand in Jeruzalem in 66 na Chr. of het verzet tegen zijn bewind in Rome. Op de terugweg naar Rome stopte Nero in Napels om daar een officiële triomftocht te vieren. Terug in Rome droeg hij zijn 1808 overwinningen uit Griekenland op aan Apollo. Vervolgens vertrok Nero naar de Baai van Napels om vakantie te vieren. Daar hoorde hij over de opstand van Gaius Julius Vindex in de Gallische provincies. Nero lichtte de senaat pas na een week in over de opstand, omdat hij ervan overtuigd was dat de ongetrainde Galliërs geen partij zouden zijn voor zijn professionele legioenen. Op 2 april 68 na Chr. plaatste Servius Sulpicius Galba, de gouverneur van Hispania Tarraconensis (Noord-Spanje), zich met toestemming van Vindex aan het hoofd van de oppositie tegen Nero. De gouverneur van Hispania Lusitania (Portugal), Marcus Salvius Otho, die Poppaea’s eerste echtgenoot was geweest, voegde zich bij hem. Nero reageerde hierop door zichzelf voor onbepaalde tijd als enige consul te benoemen. Verder rekende hij op de steun van zijn legioenen in Germanië om de opstand van Vindex neer te slaan. De Germaanse legioenen sloten zich echter aan bij Vindex. Hun plannen werden echter gedwarsboomd door de Rijn-legioenen. Vindex opstand faalde en hij pleegde zelfmoord. Intussen vernam Nero dat Galba door het leger was uitgeroepen tot keizer. Toen Nero op 8 juni naar Ostia wilde vertrekken, weigerden sommigen van zijn entourage hem te vergezellen. Nero verbond niet de juiste consequenties aan de hachelijke situatie en ging slapen met zijn bewakers in zijn kamer. Toen hij midden in de nacht wakker werd, waren de bewakers en de meeste van zijn dienaren vertrokken. Hij ging op zoek naar hulp in de rest van het paleis, maar iedereen had hem verlaten. Uiteindelijk trof Nero zijn twee vrijgelatenen Epaphroditus en Phaon aan, die hem aanraadden om de stad te verlaten en de volgende ochtend zo snel mogelijk naar Ostia te vertrekken. Nero zocht een flesje vergif dat hij van Locusta had gekregen voor noodgevallen en zorgde dat Sporus met vergezelde. Het viertal vertrok richting de villa van Phaon, die net buiten de stadsmuren was gesitueerd. Nero was zo in paniek dat hij zijn paard besteeg zonder zich om te kleden of schoeisel te dragen. In de villa legde hij zichzelf te rusten op het eerste beste bed dat hij zag. Phaon keerde terug naar Rome om op nieuws te wachten. Hij is waarschijnlijk naar het Praetoriaanse Kamp gegaan, want later die avond verscheen een boodschapper die Nero vertelde dat hij was afgezet als keizer en dat de senaat hem tot staatsvijand had verklaard. Toen hij de boodschapper vroeg wat de straf precies inhield, werd hem medegedeeld dat hij naakt met zijn handen bij elkaar gebonden door de straten moest lopen en vervolgens met staven werd doodgeslagen. Epaphroditus overtuigde de keizer dat zelfmoord een minder pijnlijk alternatief was. Tijdens de voorbereidingen om zijn zelfmoord, mompelde Nero voortdurend: ‘Welk een kunstenaar gaat in mij verloren?’. Hij smeekte zijn vrienden te voorkomen dat zijn hoofd zou worden afgehakt en zou worden getoond in Rome. Op het moment suprème kon Nero niet de moed opbrengen om zijn leven zelf te beëindigen. Epaphroditus bood een helpende hand. De keizer leefde nog toen een centurio binnenkwam en veinsde hem te willen helpen. Nero sprak zijn laatste woorden: ‘Te laat. Dit is nu trouw’. En zo geschiedde het. Nero pleegde in de vroege ochtend van 9 juni 68 na Chr., met behulp van Epaphroditus, een van zijn laatst overgebleven vrienden, zelfmoord.
Nero’s eerste grote liefde Acté bleef de keizer trouw tot het einde en claimde zijn lichaam. Samen met zijn twee voedsters Egloge en Alexandria waste zij zijn lichaam en kleedde Nero in een wit gewaad geborduurd met gouddraad. De keizerlijke weduwe Statilia Messalina lijkt niet betrokken te zijn geweest bij dit proces. Nero werd gecremeerd. De as en botten werden overgebracht naar de familietombe van de Domitii. Nero werd niet goddelijk verklaard, zoals hij zo graag had gewild. Integendeel, hij kreeg een damnatio memoriae; iedere herinnering aan de keizer, van beelden tot opschriften, werden vernietigd. De maand Neroneus werd weer april. De nieuwe keizer Galba nam wel zijn Domus Aurea over als keizerlijk paleis.
Alle personen die invloed hadden gehad op zijn levensloop, alle personen die hem van adviezen hadden voorzien, die klankborden voor hem geweest waren, alle personen die op zijn macht belust waren geweest: allemaal waren ze vroegtijdig gestorven. De enige invloedrijke persoon die de keizer overleefde, was Tigellinus, maar die zou hem niet lang na de dood van Poppaea in de steek laten. Nero stierf verlaten of verraden door iedereen die hij lief had.

CONCLUSIE

In Nero’s jeugd en tijdens de eerste jaren van zijn keizerschap was Agrippina de meest invloedrijke persoon in zijn leven. De eerste jaren werd Nero onderbracht bij zijn tante Domitia. De belangrijke band van een kind met zijn moeder kon daardoor niet worden gevormd. Hierdoor ontstaat mogelijkerwijs zogenaamde ‘onveilige gehechtheid’. In de psychologie verstaat men onder ‘gehechtheid’ de duurzame affectieve band tussen twee individuen. In de gehechtheidstheorie van John Bowlby staat de band tussen het jonge kind en zijn verzorger centraal. Mary Ainsworth, een studente van Bowlby, werkte deze theorie verder uit. Zij deelde kinderen in drie gehechtheidsklassen in, waarvan er één ‘onveilig gehechte’ kinderen omvatte. Het ontbreken van een band tussen Nero en zijn moeder kan hebben geleid tot een verlaagd zelfvertrouwen en een wantrouwen van Nero in persoonlijke relaties. Dit laatste lijkt onwaarschijnlijk. Het lijkt aannemelijker dat Nero’s afhankelijke persoonlijkheid hierdoor is ontstaan, wellicht als gevolg van een verlaagd zelfvertrouwen. In eerste instantie was Nero erg afhankelijk van zijn moeder, daarna volgde afhankelijkheid van Burrus en Seneca, en ten slotte afhankelijkheid van Poppaea en Tigellinus. Toen zijn moeder terugkeerde uit haar ballingschap was Nero ongeveer vier jaar oud. Een kind van die leeftijd heeft zijn moeder nodig, en om te voorkomen dat zij ooit nog weg zou gaan uit zijn leven zal Nero haar hebben gevleid met affectie en gehoorzaamheid. Zijn moeder was in zijn ogen waarschijnlijk de enige die hem echt kon beschermen tegen de boze buitenwereld. Agrippina lijkt gebruik te hebben gemaakt van haar kwetsbare zoon. De vraag of zij handelde uit zijn of haar eigen belang, is echter moeilijk te beantwoorden. Het is namelijk zo dat Agrippina er alles aan deed om Nero op de troon te krijgen. Via hem kon zij natuurlijk indirect de macht uitoefenen. Ook de benoeming van Seneca als Nero’s leermeester was een berekende actie van zijn moeder om de macht over haar beïnvloedbare zoontje te vergroten. Seneca dankte zijn terugkeer uit ballingschap namelijk in zijn geheel aan Agrippina. De invloed die Seneca als opvoeder uitoefende op Nero was aanvankelijk dan ook indirect de invloed van Agrippina. Zij wist hoe belangrijk de opvoeding was voor het scheppen van politieke ideeën en via Seneca kon zij haar eigen ideeën aan Nero opleggen. Op 13 oktober 54 na Chr. was het zover. Agrippina vergiftigde Claudius en dankzij haar inspanningen in voorgaande jaren had Nero de steun van de Praetoriaanse Prefect Burrus en daarmee het leger, en enkele senatoren om de nieuwe keizer te worden. Zo had Agrippina dus ontzettend veel invloed gehad op het leven Nero in de eerste jaren van zijn leven. Haar invloed nam echter af toen Nero voor het eerst echt verliefd werd. Aanvankelijk wist Nero zijn relatie met de vrijgelatene Acté verborgen te houden voor zijn moeder. Dit wijst erop dat hij bang was voor haar oordeel over zijn persoonlijke relaties. De onenigheid over Acté vormde het keerpunt in relatie tussen moeder en zoon: Agrippina’s invloed nam af, terwijl de invloed van Burrus en Seneca verder toenam. Slechts kort na de dood van Brittanicus en Nero’s huwelijk met Octavia, kende de invloed van Nero’s moeder een korte opleving. Het bleek echter onvoldoende: Nero liet zijn moeder vermoorden.
De personen die de macht over Nero overnamen van Agrippina waren zijn opvoeders Burrus en Seneca. Hun invloed op het leven van Nero begon in Nero’s jeugd, toen zij samen de taak van leermeester op zich namen. Ze moesten echter sterk rekening houden met de invloed van Agrippina. Seneca speelde een invloedrijke rol bij de troonsbestijging van Nero. Hij schreef namelijk de speech die Nero hield voor de soldaten van de Praetoriaanse Garde. Mede dankzij deze speech kreeg Nero de benodigde steun van de soldaten om keizer te kunnen worden. Burrus en Seneca zorgden er tijdens de eerste jaren van Nero’s regering voor dat zijn excessieve gedrag binnen de perken bleef. Dankzij hun invloed worden de eerste vijf jaren van Nero’s regering ook wel jaren van goede regering genoemd. Tijdens de relatie met Acté nam de invloed van Burrus en Seneca toe. Aanvankelijk was het een list van Seneca die de keizer hielp bij het geheimhouden van zijn relatie voor zijn moeder. Op advies van Burrus en Seneca bleef Nero zijn moeder tijdens haar pogingen om Acté uit Nero’s leven te krijgen toch tolereren. Toen Agrippina Nero echter dwong te kiezen, maakte hij zijn keuze voor Acté op advies van zijn beide leermeesters. Zo werd Agrippina’s invloedrijke positie overgenomen door de twee leermeesters van de jonge keizer. In de periode na Agrippina dood kwamen Burrus en Seneca erachter dat de keizer niet meer in de hand was te houden zonder de aanwezigheid van zijn moeder. Waarschijnlijk heeft haar invloed gezorgd dat Nero zich aanvankelijk gedroeg. Nero richtte zich nu vooral op creatieve bezigheden en Burrus en Seneca lieten hem zoveel mogelijk gecontroleerd zijn gang gaan. De invloed van de leermeesters nam steeds meer af. Na het overlijden van Burrus werd Seneca’s invloed ook gebroken. De benoeming van de nieuwe Praetoriaanse Prefect Tigellinus was hem een doorn in het oog. Seneca’s rol was uitgespeeld en hij trok zich terug uit het openbare leven en daarmee uit de invloedssfeer over Nero.
De persoon die na Seneca en Burrus de meeste invloed op de keizer uitoefent, is zijn geliefde Poppaea. Vanaf het moment dat zij op het toneel verschijnt, lijkt zij een geheime agenda te hebben. Poppaea speelde een spelletje met de keizer. Zij zocht toenadering, maar telkens als Nero hier op inging, wees zij hem erop dat zij een getrouwde vrouw was. Nero was zo verliefd op haar dat hij dit niet langer kon accepteren. Precies zoals Poppaea had gewild, zond hij haar echtgenoot Otho als gouverneur naar een afgelegen provincie. Door Nero’s relatie met Acté belachelijk te maken, wist Poppaea haar positie als belangrijkste minnares van de keizer te versterken. Poppaea zorgde ervoor dat de relatie tussen Nero en zijn moeder verslechterde en haar eigen invloed op Nero groeide. In 59 na Chr. moedigde zij Nero aan om zijn moeder te doden. Poppaea’s invloed op Nero groeide gestaag. In 62 na Chr. trouwde zij met Nero. Het feit dat zij zwanger was, deed hem beseffen dat hij moest handelen voordat de baby werd geboren. Nero verstootte Octavia en twaalf dagen later was Poppaea zijn vrouw. Poppaea was niet tevreden met een huwelijk alleen: Octavia moest sterven en door Poppaea’s invloed op de keizer werd dit bewerkstelligd. Meteen na de benoeming van Tigellinus en Faenius Rufus als nieuwe prefecten, kwamen de invloed en macht over de keizer vooral in de handen van Tigellinus te liggen. Tigellinus’ invloed komt duidelijk naar voren bij het uit de weg ruimen van twee troonpretendenten. Ook bij de scheiding en dood van Octavia speelde Tigellinus’ invloed een grote rol. Tigellinus en Poppaea speelden daarnaast samen een belangrijke rol bij het vervolgen en straffen van de deelnemers aan de samenzwering van Piso. Een van hun belangrijkste slachtoffers was Seneca. Tigellinus werd met het verloop van de tijd steeds minder loyaal aan zijn keizer. Toen Nero’s rol bijna was uitgespeeld en besloot Tigellinus het zinkende schip te verlaten.
De hamvraag resteert: was Nero zelf verantwoordelijk voor bepaalde handelingen en gebeurtenissen die kenmerkend zijn voor zijn leven of kan een aantal van die handelingen en gebeurtenissen worden toegeschreven aan de invloed van anderen op de keizer? Kan worden vastgesteld dat Nero afhankelijk was van zijn naasten? Was er sprake van op macht beluste mensen in Nero’s omgeving? Het antwoord is helder: de invloed van anderen op Nero’ leven is gedurende zijn hele leven duidelijk aanwezig.
De persoon die het meeste invloed had op Nero, was dientengevolge een persoon met ongekende macht in het Romeinse Rijk. De eerder genoemde sleutelfiguren in Nero’s leven hebben als het ware om beurten de macht over Nero in handen gehad. Nero komt uit de verf als een extreem afhankelijk persoon, die de sturing van anderen in zijn leven nodig te lijkt hebben. Deze afhankelijkheid wil echter niet zeggen dat hij uiteindelijk niet zelf (mede)verantwoordelijk was voor zijn daden, keuzes en uiteindelijk levensvervulling.

LITERATUURLIJST

Barrett, Anthony A., Agrippina. Sex, power and politics in the early empire (New”Haven en Londen 1996).

Beemen, Liesbeth van, Ontwikkelingspsychologie (Houten 2006).

Champlin, Edward, Nero (Cambridge, Ma. en Londen 2003).

Charlesworth, M.P., ‘Nero: some aspects’, The journal of Roman studies 40 (1950) 69-76.

Furhmann, Manfred, Seneca und Kaiser Nero: eine Biographie (Berlijn 1998).

Geer, Russel Mortimer, ‘Notes on the early life of Nero’, Transactions and
proceedings of the American Philological Association 62 (1931) 57-67.

Ginsburg, Judith, Representing Agrippina. Constructions of female power in the early Roman empire (Oxford 2006).

Grant, Michael, Nero (Londen 1970).

Griffin, Miriam T., Nero. The end of a dynasty (Londen 1984).

Griffin, Miriam T. Seneca a philosopher in politics (Oxford 1976).

Henderson, Bernard W., The life and principate of the emperor Nero (Rome 1968).

Holland, Richard, Nero. The man behind the myth (Sutton 2000).

Holztrattner, Franz, Poppaea Neronis Potens: die Gestalt der Poppaea (Graz 1995).

Hülsen, Ch., ‘The burning of Rome under Nero’, American Journal of Archaeology 13 (1909) 45-48.

Malitz, Jürgen, Nero (München 1999).

Motto, Anna Lydia, Seneca (New York 1973).

Mullens, H.G., ‘The women of the Caesars’, Greece & Rome 11 (1942)
59-67.

Rogers, Robert Samuel, ‘Heirs and rivals to Nero’, Transactions and proceedings of the American Philological Association 86 (1955) 190-212.

Roper, Theresa K., ‘Nero, Seneca and Tigellinus’, Historia: Zeitschrift für alte Geschichte 28 (1979) 346-357.

Rubiés, Joan-Pau, ‘Nero in Tacitus and Nero in Tacitism: the historian’s craft’, in: Jás Elsner en Jamie Masters ed., Reflections of Nero. Culture, history & representation (Chapel Hill en Londen 1994).

Sørensen, Villy, Seneca: the humanist at the court of Nero (Chicago 1984).

Waldherr, Gerhard H., Nero: eine Biographie (Regensburg 2005).

Wallace-Hadrill, Andrew, Suetonius: the scholar and his caesars (Londen 1983).

Warmington, B.H., Nero. Reality and legend (Londen 1981).

Bronnen

Cassius Dio, ῾Ρομαϊκὴ ῾Ιστορία VIII (Romeinse Geschiedenis), Herbert Baldwin Foster ed. (Cambridge, Ma. en Londen 1961).

Plinius Secundus, Naturalis Historia, William Henry Samuel Jones ed. (Cambridge, Ma. 1956).

Suetonius Tranquillus, De vita Caesarum, D. den Hengst ed. (Amsterdam 2006).

Tacitus, Ab excessu divi Augusti Annalen, J.W. Meijer ed. (Baarn 1990).

About the author:

Back to Top