Longread: Laura van Dijk, Framing van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog

Longread: Laura van Dijk, Framing van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog

Longread: Laura van Dijk, Framing van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog

1 reactie op Longread: Laura van Dijk, Framing van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog

Vlak na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945, riep de Indonesische nationalistische leider Sukarno de Republik Indonesia uit, gebaseerd op sociale rechtvaardigheid, democratie en beschaafde menselijkheid. In Nederland heerste op dat moment echter een tegenovergesteld beeld van de Republiek. Republikeinen waren zogenaamde ‘extremisten’ die de ‘onschuldige Indonesiërs’ in gevaar brachten met een ideologie die ze van de Japanners hadden overgenomen. Deze opvatting sluit aan bij het algemene beeld dat de Nederlandse regering had van haar eigen intenties in de archipel na de Tweede Wereldoorlog: het brengen van orde en welvaart, de machteloze onschuldige Indonesiërs redden van de republikeinen. Deze opvatting resulteerde in een tal van offensieve operaties onder de noemer ‘contraterreur’. Tijdens deze koloniale strijd vonden confrontaties plaats waarin Nederlandse militairen extreem geweld gebruikten. De autoriteiten duidden deze systematisch aan als ‘excessen’. Jarenlang is dit ook het officiële overheidsstandpunt geweest: dit geweld betrof ‘excessen’, oftewel uitzonderingen.

Recentelijk zijn echter vraagtekens geplaatst bij dit Nederlandse koloniale verleden. In 2012 werd de Nederlandse staat bijvoorbeeld aansprakelijk gesteld voor een bloedbad op Zuid-Celebes, verricht door het Depot Speciale Troepen (DST) onder leiding van commandant Raymond Westerling. Op 10 juli 2012 verscheen in de Volkskrant een artikel met daarin de eerste foto’s ooit van standrechtelijke executies in ‘Indië’, zeer waarschijnlijk uitgevoerd door het Nederlandse leger. Op 12 september 2013 verontschuldigde de Nederlandse ambassadeur in Jakarta, Tjeerd de Zwaan, zich voor de standrechtelijke executies gepleegd tijdens de koloniale oorlog: ‘Namens de Nederlandse regering bied ik excuses aan voor deze excessen’. Hoewel het een verontschuldiging betrof, laat dit laatste voorbeeld zien dat ook in 2013 de Nederlandse regering nog altijd sprak in koloniaal jargon.

Dit jargon is in mijn ogen in stand gehouden door een frame dat is ontstaan als reactie op kritische geluiden over de acties van Westerling en zijn troepen. In de maanden na de speciale operaties van Westerling stelden Kamerleden vragen en ontstond in de linkse pers kritiek over het optreden van de Nederlandse troepen in Indonesië. Daarop besloot de Nederlandse regering in 1947 een onderzoek in te stellen naar de gebeurtenissen op Zuid-Celebes tussen december 1946 en februari 1947. Het werd in 1947 duidelijk dat de gebeurtenissen op Zuid-Celebes consequenties hadden voor de regering en dat de operaties en daarbij de geweldplegingen gelegitimeerd moesten worden. Een groot schandaal kon immers betekenen dat de internationale gemeenschap zich nog meer tegen de voortzetting van ‘Nederlands-Indië’ zou keren en de Nederlandse regering de Indonesische onafhankelijkheid niet meer zelf kon regisseren. Het onderzoek was nodig om de gebeurtenissen op Zuid-Celebes in een bepaalde context te plaatsen en ze daardoor minder vatbaar te maken voor kritiek. Het resultaat van dit onderzoek ging de geschiedenis in als het Rapport-Enthoven, waarin een frame werd gecreëerd dat nu nog leeft.

‘Nieuws uit Indonesië’ uit 1947. De term ‘politionele acties’ was zelf ook een sterk staaltje framing.

 

Rapport-Enthoven

De commissie die de gebeurtenissen op Zuid-Celebes moest onderzoeken werd ingesteld bij besluit van luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook op 9 april 1947, op aanraden van W.F.H. van Nievelt, luitenant-kolonel in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). De commissie zou geleid worden door professor K.L.J. Enthoven, staatsrechtelijk adviseur van de Nederlands-Indische regering, aan wie het rapport later zijn naam te danken had. Het officiële doel van de commissie, zoals in het uiteindelijke rapport stond aangegeven, was onderzoek doen naar de oorzaken, omvang en verschijningsvormen van de ongeregeldheden, die plaats hadden gevonden tussen december 1946 en februari 1947. Ook zouden de maatregelen en acties die geleid hebben tot ‘het herstel van orde en rust in het betrokken gebied, bezien in verband met alle omstandigheden welke daarop van invloed zijn geweest’, aan een kritische beschouwing onderworpen worden.

De insteek van de commissie was echter volgens Van Nievelt van een andere aard, namelijk tegenwicht bieden aan de vele vragen naar aanleiding van het optreden op Zuid-Celebes:

Het is daarbij mijn bedoeling, dat een zoodanig samenvattend rapport wordt samengesteld, dat hierin zoowel oorzaken, gevolg en actie in onderling verband worden bezien, ten einde op de, naar mijn mening, onvermijdelijk in de nabijzijnde toekomst opkomende vragen ten aanzien van het gebeurde in Zuid-Celebes geheel voorbereid te zijn en onverwijld goed gedocumenteerd de eventueele vragenstellers te kunnen tegemoet treden.

De inhoud van dit bericht geeft de indruk dat er zaken waren die de legerleiding liever zelf wilde presenteren dan ze op een andere manier aan het licht te laten komen. De Nederlandse regering dacht blijkbaar dat de gebeurtenissen op Zuid-Celebes zo dubieus waren dat deze onvermijdelijk vragen zouden opleveren en dat het derhalve nodig was de feiten te rangschikken naar eigen inzicht: in een bepaalde context en met een bepaald taalgebruik. Het resultaat was dat de Nederlandse regering met het rapport-Enthoven een frame creëerde.

Omdat het Indonesische verzet moeilijk te breken was, werd de staat van oorlog afgekondigd voor een aantal afdelingen van Zuid-Celebes op 11 december 1946. Dit betekende in de praktijk dat het leger werd versterkt met een Bataljon Infanterie van het KNIL en dat het DST werd uitgezonden. Volgens de commissie was het DST speciaal bestemd om de republikeinen in Zuid-Celebes te bestrijden. De commissie beschouwde de ‘drastische maatregelen’ die het DST toepaste bij de ‘bestrijding van de terreur’, niet als die van een ‘normale militaire actie’. In het rapport staat dat het DST ‘zuiveringsacties’ uitvoerde, waarbij het doel was de gebieden waarin de republikeinen actief waren te ‘zuiveren’. Dit zou moeten gebeuren door het elimineren van personen die zich aan ‘ernstige terreurdaden’ schuldig hadden gemaakt.

De gevolgde methode van de acties van het DST wordt beschreven in het rapport onder andere aan de hand van voor de commissie afgelegde verklaringen van kapitein Raymond Westerling, commandant van het DST. Westerling verklaarde de door hem ingezette eerste actie met een uitgebreide beschrijving. Hij beschreef daarin zijn actie in de nacht van 9 op 10 december 1946 in kampong Batoea, ten oosten van Makassar. Westerling was die nacht met 130 man naar de kampong gegaan en had het gebied omsingeld. Toen ze dichter in de buurt van Batoea kwamen, werden ze beschoten. Westerling verklaarde dat hij de kampong ‘niet onder vuur [heeft] genomen, daar dan het goede gedeelte van de kampongbevolking ook het slachtoffer zou worden van dit optreden en dit goede gedeelte schatte ik op 80%.’ Vervolgens brachten de militairen de gehele bevolking bijeen, waarbij vrouwen en kinderen gescheiden werden van de mannen. De bevolking werd duidelijk gemaakt wat de bedoeling was van de aanwezigheid van de troepen, namelijk een einde maken aan de moorden en ‘rampokpartijen’ in het omringende gebied. Hoe er tegen opgetreden zou worden werd nog in het midden gelaten.

Raymond_Westerling

Raymond Westerling in november 1948. Bron: Wikimedia Commons.

‘Vervolgens’, aldus Westerling, ‘begon ik met de z.g. “zuivering”.’ Er waren op dat moment tussen de 3.000 en 4.000 mannen aanwezig en allemaal zaten zij op de grond. Westerling had een lijst van 74 namen bij zich waarop de verdachten geschreven stonden, ‘opgemaakt uit inlichtingenrapporten’. Volgens Westerling betrof het vooral verzetsleiders, moordenaars en ‘rampokkers’, oftewel plunderaars. Hij begon de personen één voor één bij naam te noemen en te scheiden van de groep. Hij liet zich hierin adviseren door geheime agenten die ook aanwezig waren onder de bevolking, door middel van een geheim teken: het afvegen van het voorhoofd met een zakdoek. Daarmee maakten de agenten kenbaar dat de persoon die opstond ook echt de persoon was die genoemd werd. Na deze selectieprocedure bleven er 32 mannen over: ‘De mensen zijn niet meer ondervraagd en ik heb hen laten doodschieten om een voorbeeld te stellen aan de bevolking. Het zou verkeerd zijn geweest deze mensen gevangen te nemen, daar de politie in Makassar onbetrouwbaar was en deze mensen zou loslaten, zodat zij weer terug zouden komen en dan wraak zouden nemen op de goedwillende bevolking, die hen had aangegeven.’

 

Conclusies van het rapport

De conclusies in het rapport wat betreft het DST waren dat de strenge maatregelen toegepast door de militairen gezien moeten worden in de context van een ‘noodtoestand’ en bovendien ‘als de geboden uitoefening van de bevoegdheden van de overheid voor de bestrijding van de terreur en herstel van recht en veiligheid.’ Ook was ‘terreur’ geëlimineerd dankzij de uitgevoerde acties en waren recht en veiligheid hersteld. ‘Een geordende samenleving is weer mogelijk geworden. Waren geen bijzondere maatregelen toegepast, dan zou de terreur zich, onvoldoende geremd door het bestaande gezagsapparaat, hebben kunnen uitbreiden met alle desastreuze gevolgen van dien voor de bevolking van deze gebieden.’

In de conclusie van het rapport werd feitelijk alle kritiek de kop ingedrukt. Kritiek richting het geweld kreeg geen plek binnen het frame dat door de commissie was gecreëerd. Door de situatie als noodtoestand te benoemen werden alle afkeurende geluiden automatisch geëlimineerd, omdat een noodsituatie betekent dat het geweld een uitzondering was, en dus niet inherent aan de ‘normale’ manier van oorlogvoering in Indonesië. Het ter plekke executeren van een groep van 32 mensen zou onder normale omstandigheden wellicht vatbaar zijn voor kritiek, maar het uitroepen van een noodtoestand maakt het inzetten van extreem geweld gerechtvaardigd.

Deze immuniteit werd bovendien nog eens versterkt door het schetsen van de gevolgen van de ‘strenge maatregelen’. Door de uitgevoerde acties was namelijk het verzet gebroken. Aan de intimidatie van de bevolking kwam volgens de commissie een einde, het vertrouwen in het gezag keerde terug en er trad zelfs economisch herstel in. Het doel moest de middelen heiligen. Elke vorm van kritiek werd hiermee direct tenietgedaan omdat het de criticus in slecht daglicht zette: zonder de operaties zou de bevolking immers nog steeds geïntimideerd worden. Zonder de bijzondere maatregelen zou de terreur zich ‘onvoldoende geremd door het bestaande gezagsapparaat, hebben kunnen uitbreiden met alle desastreuze gevolgen van dien voor de bevolking van deze gebieden.’ Binnen dit frame zijn tegenstanders van de getroffen maatregelen de ware tegenstanders van de Indonesische bevolking. Het Nederlands-Indisch bestuur had daarentegen verlichting gebracht. Hiermee was de context voor het geweld in Indonesië gecreëerd en had het frame vorm gekregen. Het rapport zelf leek echter pas jaren later relevant te worden.

 

Excessennota

De resultaten van het rapport werden kort besproken in de Tweede Kamer, maar desondanks las geen enkel parlementslid het rapport en werd het pas in 1969 voor het eerst opgevraagd, door PvdA-fractievoorzitter Joop den Uyl. In 1969 werd het koloniale geweld namelijk weer relevant omdat het onderwerp in de pers veel aandacht kreeg. Op 19 december 1968 publiceerde de Volkskrant een interview met de Amsterdamse psycholoog dr. Joop Hueting, die dienstplichtig militair was geweest in Indonesië. Hierin vertelde hij over daden die hijzelf en anderen hadden gepleegd, die hij beschouwde als oorlogsmisdaden. Op 17 januari 1969 werd een vergelijkbaar interview met Hueting ook op televisie uitgezonden in het programma Achter het nieuws. De eindredacteur van het programma was van mening dat het tijd werd voor een ‘afrekening met het verleden’, dat parlement en regering hadden gefaald, en dat het nodig was dat er een parlementaire enquêtecommissie zou worden ingesteld.

 

hueting

Joop Hueting in Achter het Nieuws. Bekijk hier het hele fragment.

In reactie op de media-aandacht liet Den Uyl op 29 januari 1969 weten dat hij een onderzoek zou laten instellen naar de militaire gedragingen, waarvan de gegevens zich bevonden in overheidsarchieven. Op 3 juni van dat jaar verscheen de zogenaamde Excessennota, opgesteld onder leiding van de recent overleden Cees Fasseur. Het frame, met bijbehorend taalgebruik, uit het rapport-Enthoven was ook aanwezig in de nota. Dit blijkt het meest duidelijk uit de slotbeschouwing. Allereerst werd het in de nota, net als in het rapport, van belang geacht dat de omstandigheden in beschouwing werden genomen: ‘In elk geval kon en wilde men zich niet neerleggen bij het denkbeeld dat Indonesië onafhankelijkheid zou verwerven als resultaat van een politiek, die men hier te lande als collaboratie met de Japanse vijand beschouwde en daarom veroordeelde.’ De ‘excessen’ konden volgens de commissie zelfs niet los van omstandigheden gezien worden: ‘Wil men komen tot beter inzicht in de veelszins beklemmende vragen die het verschijnsel van de door Nederlandse militairen gepleegde excessen oproept, dan zal men moeten trachten zich rekenschap te geven van de omstandigheden en de omgeving waarin zij zich geplaatst zagen’. Deze omstandigheden zijn door Fasseur omschreven als ‘bendewezen’, ‘banditisme’ en ‘guerilla-oorlogvoering’. Omstandigheden verdienen in een correcte historische beschouwing altijd aandacht, maar in dit geval zorgt het ervoor dat de geweldplegingen min of meer gerechtvaardigd worden en minder worden gezien in het licht van massaal geweld in de twintigste eeuw. De conclusie luidt dat de regering het betreurt ‘dat er zich excessen hebben voorgedaan, maar zij handhaaft haar opvatting, dat de krijgsmacht als geheel zich in Indonesië correct heeft gedragen. De verzamelde gegevens bevestigen, dat van systematische wreedheid geen sprake is geweest.’

 

Effecten van het rapport

Het was gelukt om de kritiek af te weren, want na het rapport-Enthoven waren de linkse stemgeluiden voorlopig gesust. Dit kwam allereerst doordat de ‘politionele acties’ begonnen en Indonesië daarna officieel onafhankelijk werd verklaard door de Nederlandse regering. Kritiek was niet langer relevant. Ten tweede was het frame simpelweg erg sterk. Dit blijkt uit het latere onderzoek dat resulteerde in de Excessennota, waarin het taalgebruik, en tot op zekere hoogte ook de conclusie, grotendeels is overgenomen. Het rapport-Enthoven moest kritische vragen vóór zijn, maar de Excessennota was bedoeld om onderzoek te doen naar ‘misstanden’. Het frame van het rapport-Enthoven was blijkbaar zodanig in het collectieve geheugen genesteld dat er geen vraagtekens bij werden gezet. Later historisch onderzoek heeft daar ook geen verandering in gebracht en zelfs nu nog heeft de regering weinig veranderd aan dat taalgebruik, aangezien de excuses van de Nederlandse regering nog altijd gericht zijn op de ‘excessen’ die gepleegd zijn.

 

Een nieuw discours?

In een nieuw onderzoek, dat halverwege 2016 gepubliceerd zal worden, claimt historicus Remy Limpach als eerste expliciet dat geweld in Indonesië structureel was. Historici zullen hopelijk voortbouwen op zijn onderzoek en er zal misschien eindelijk verandering komen in het discours dat in Nederland gebruikt wordt om de oorlog te beschrijven. Het huidige collectieve geheugen van Nederland is namelijk totaal ongeschikt om het koloniale verleden in de Indonesische archipel goed weer te geven. Zo laat het zaken als structurele en extreme geweldpleging onaangeroerd en is het bovendien een betrekkelijk pro-koloniale, eurocentrische geschiedschrijving. Door de instandhouding van het frame dat in het rapport-Enthoven zichtbaar is, samenhangend met het blijven gebruiken van koloniaal jargon, is het nagenoeg onmogelijk met een kritische blik naar de Nederlandse koloniale geschiedenis te kijken. Het is van belang ons bewust te worden van de frames die ontstaan zijn en ze een zinvolle plek te geven binnen de geschiedschrijving. Alleen door ze te herkennen en erkennen zal het mogelijk worden tot een waarachtige en evenwichtige geschiedschrijving te komen. Dit zal resulteren in een eerlijkere benadering van koloniaal geweld en zal de dubbelzinnigheid van westers eurocentrisme in de geschiedenisboeken onthullen – eurocentrisme dat veelvuldig geweld heeft vergoelijkt in de negentiende, twintigste en zelfs eenentwintigste eeuw.

 

FullSizeRender

 

Laura van Dijk (1991) heeft zich gedurende haar bachelor Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam gericht op koloniaal geweld en genocide en heeft zich tijdens haar master Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen daar nog meer in gespecialiseerd. Zij is begin 2016 afgestudeerd en hoopt verder te kunnen gaan met het doen van onderzoek in haar toekomstige carrière.

 

LEES HIER DE SCRIPTIE WAAR DEZE LONGREAD OP GEBASEERD IS EN BEKIJK HIER ALLE SCRIPTIES VAN DE UITGEVERIJ.

WIL JIJ OOK JE SCRIPTIE PUBLICEREN EN EEN LONGREAD SCHRIJVEN? STUUR DAN NU JE STUK OP.

About the author:

1 Comment

Back to Top