Geen vertrouwen in de woorden van Den Uyl

Geen vertrouwen in de woorden van Den Uyl

Geen vertrouwen in de woorden van Den Uyl

Reacties uitgeschakeld voor Geen vertrouwen in de woorden van Den Uyl

Vluchtelingen, backpackers, forenzen: bewegingsstromen domineren de sociale geschiedenis en de maatschappelijke actualiteit. Jonge Historici staat de komende weken stil bij het thema ‘Over de grens’, verplaatsingsverhalen in al hun gedaantes en facetten. Vandaag: Rick Moermans over de verwevenheid tussen arbeidsmigratie en de Zuid-Limburgse Mijnstreek. In de jaren zestig en zeventig kon de overheid de regionale arbeidsmigratie niet controleren, waardoor het herstructureringsbeleid gevaar liep.

2015 was het Jaar van de Mijnen, waardoor het Limburgse mijnverleden na decennia weer in de nationale belangstelling stond. Het agrarische zuidoosten van Zuid-Limburg transformeerde door de mijnbouw aan het einde van de negentiende eeuw tot een van de welvarendste en meest verstedelijkte gebieden buiten de Randstad. De mijnbouw stond nooit los van internationale verhoudingen en arbeidsmigratie is altijd onderdeel geweest van de regionale geschiedenis van Limburg. In hoeverre had de Nederlandse overheid invloed en controle op deze migratieprocessen?

In de beginjaren van de mijnbouw was er niet alleen vraag naar arbeidskrachten, maar ook naar kennis. Juist deze kennis ontbrak in Nederland, waardoor er voor de Staatsmijnen massaal arbeidsmigranten uit de bestaande mijnbouwgebieden van het Duitse Keizerrijk, de Dubbelmonarchie en België werden aangeworven. Al snel waren deze buitenlandse mijnwerkers in staat om Limburgers en andere Nederlanders, met name uit de periferie, op te leiden voor het kolenfront.

De particuliere mijnen, de Staatsmijnen en Nederlandse Staat maakten tot in de jaren zestig reclame in eigen land om arbeidskrachten te werven. Als vooruitzicht werden gedegen primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden gesteld. De mijnwerkers waren lange tijd de best betaalde arbeiders van Nederland (bron: koelpiet.nl).

De particuliere mijnen, de Staatsmijnen en Nederlandse Staat maakten tot in de jaren zestig reclame in eigen land om arbeidskrachten te werven. Als vooruitzicht werden gedegen primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden gesteld. De mijnwerkers waren lange tijd de best betaalde arbeiders van Nederland (bron: koelpiet.nl).

In de crisisjaren van het interbellum werden de buitenlandse mijnwerkers als eerste ontslagen en werden de lokale, katholieke arbeiders juist gespaard. Zij werden door de mijnen opgeleid en zouden op die manier niet vervallen tot onzedelijk gedrag, criminaliteit en socialistische denkbeelden. Het arbeidsverloop was echter zo groot dat zelfs de kinderrijke katholieke gezinnen niet aan de vraag konden voldoen, waardoor de komst van Italianen, Spanjaarden en Marokkanen noodzakelijk was om aan de vraag naar arbeid te voldoen.

Toen PvdA-minster van Economische Zaken Joop den Uyl op 17 december 1965 in de stadsschouwburg van Heerlen verkondigde dat het tijdperk van de steenkool voorbij was, werd er vooral aandacht besteed aan de positieve reactie van de Limburgse elite. Bij hen heerste tevredenheid over de belofte van vervangende werkgelegenheid. De ‘gewone’ mijnwerker dacht hier klaarblijkelijk anders over. De verslechterde concurrentiepositie van steenkool ten opzichte van aardgas leidde ertoe dat de jonge mijnwerkers de naderende mijnsluitingen niet wilden afwachten. Dit had tot gevolg dat het tijdschema van de mijnsluitingen verstoord werd en de steenkolenmijnen leeg liepen. Hierdoor was er in de periode 1966-1974 geen sprake meer van een normaal functionerende arbeidsmarkt, laat staan van een gecontroleerd afvloeiingsbeleid. Vastgesteld was dat 11.000 tot 12.000 mijnwerkers zouden afvloeien in de periode 1965-1969, maar in werkelijkheid vloeiden er 28.060 af.

Aankondiging Mijnsluiting door den Uyl in de Stadsschouwburg te Heerlen (bron: demijnen.nl).

Aankondiging Mijnsluiting door den Uyl in de Stadsschouwburg te Heerlen (bron: demijnen.nl).

Opvallend was dat al deze vrijgekomen arbeidskracht leidde tot een regionaal krappe arbeidsmarkt. Hoe was dat mogelijk? Al decennia lang vond er een pendel plaats van werknemers tussen Limburg en Duitsland. Voor de komst van de mijnbouw namen vele Limburgers deel aan de seizoensarbeid en werkten ze als landarbeider, metselaar of steenbakker in de Duitse industrie en bij de aanleg van infrastructurele of grootstedelijke projecten. In de gouden jaren zestig van de twintigste eeuw lonkte de nabijheid van het Wirtschaftswunder in West-Duitsland. Het loon lag daar bovendien 35 procent hoger dan in Limburg. De pendel van oud-mijnwerkers naar Noordrijn-Westfalen nam tussen 1958-1963 toe van bijna 2.000 tot 10.000 personen. Hierdoor behoorden de werkloosheidscijfers van het gebied rond Heerlen ondanks de mijnsluitingen in de Oostelijke Mijnstreek tot de laagste van het land.

Nadelig was dat deze arbeidsmigratie de zwakte van de regionale economie van de Mijnstreek verhulde. De streek kende namelijk een eenzijdige economische structuur: zo was 25 procent van de totale werkgelegenheid in 1955 in Zuid-Limburg afhankelijk van de mijnbouw. In de Oostelijke Mijnstreek lag dit op 50 procent. De Nederlandse overheid negeerde deze pendel tijdens de jaren van hoogconjunctuur. De zwakke regionale economische structuur werd daardoor pas zichtbaar toen de pendelaars als gevolg van de oliecrises van 1971 en 1973 werden ontslagen en weer terug naar Limburg trokken.

In de periode van hoogconjunctuur slaagde het herstructureringsbeleid er dus niet in om de economische structuur van Zuid-Limburg te verbeteren, waardoor er in de jaren van laagconjunctuur een sombere sfeer heerste zonder toekomstperspectief. In bepaalde straten van Kerkrade had nog maar één huisvader werk, omdat hij elektricien of schoolmeester was. Toch waren er op de lange termijn ook positieve effecten voor Zuid-Limburg, onder meer het ontstaan van een meer heterogene economische structuur.

Volgens verschillende onderzoekers zijn de huidige sociaaleconomische verschillen tussen de Mijnstreek, Zuid-Limburg en Nederland niet meer afleidbaar van de mijnsluitingen. Hoewel arbeidsmigratie altijd onderdeel is geweest van de regionale geschiedenis, is dat echter een te optimistische visie. Er kan gesteld worden dat het niet lukte om met een langdurig en kostbaar beleid (1965-2000) de welvaarts- en inkomensniveau van vóór de mijnsluitingen te evenaren of zelfs te benaderen. Het verlies van 75.000 arbeidsplaatsen werd niet duurzaam gecompenseerd: vooral in het voormalige mijnbouwgebied waren de resultaten van het herstructureringsbeleid ronduit mager.

Vergeleken met de omringende regio’s scoort de mijnstreek nog steeds zwak en nu nog trekken er jongeren weg: braindrain. Het vertrek van de hoogopgeleiden resulteert in een negatieve bevolkingsontwikkeling: een samenleving met relatief veel laagopgeleiden en ouderen. De economische maakbaarheid, nagestreefd door de overheid, vond haar grenzen, en de regio die eens rijke gemeenten telde, is nu één van de kansarme streken van Nederland.

Rick MoermansRick Moermans studeerde geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen en rondde daar de master Politiek en Parlement af. Zijn specialisme is het democratiedebat (onder meer democratiekritiek onder democraten in het interbellum) van 1800-2015. Hij is werkzaam als eerstegraads docent geschiedenis aan de Bernard Lievegoed School in Maastricht en bestuurslid van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG), kring Parkstad.

 Bronnen

Moermans, R., ‘In Limburg begon de Hemel’. Na de mijnsluitingen, het herstructureringsbeleid in de Oostelijke Mijnstreek onder de loep, 1965-2000. Bachelorthesis Radboud Universiteit Nijmegen, 2013.

Moermans, R., Mijnwerkers in Limburg. Een sociale geschiedenis Ad Knotter (red.). Recensie in KLEIO (Tijdschrift van de vereniging van docenten in geschiedenis en staatsinrichting in Nederland), sept. 2013.

 

About the author:

Nieuwsbrief

Back to Top