Bart den Uyl: Het drama Joegoslavië en het Servische Memorandum

Bart den Uyl: Het drama Joegoslavië en het Servische Memorandum

Reacties uitgeschakeld voor Bart den Uyl: Het drama Joegoslavië en het Servische Memorandum

Bart den Uyl

Samenvatting

In 1986 werd een als officieel bedoeld rapport van de Servische Academie voor Wetenschappen en Kunsten bekend. Dit zogenaamde Servische Memorandum had de status van wetenschappelijk document, maar zoals Bart den Uyl duidelijk maakt, ten onrechte. Hij laat zien dat het memorandum een belangrijke rol gespeeld heeft bij het legitimeren van de Servische politieke lijn die uiteindelijk leidde tot de burgeroorlog in Joegoslavie, het grootste gewapende conflict in Europa sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Download de PDF

Bart den Uyl (pdf)

Lees met ISSUU

Volledige Tekst

INLEIDING De Joegoslavië-oorlog (1991-1995) was het grootste gewapende conflict in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog. De Socialistische Federale Republiek Joegoslavië viel tijdens de oorlog uiteen in meerdere staten. Tijdens dit conflict werden etnische zuiveringen uitgevoerd en vele mensen uit hun woonplaats verdreven. Het opkomende nationalisme geldt als één van de belangrijkste oorzaken voor het uiteenvallen van de staat Joegoslavië. Met Tito’s dood en het wegvallen van de communistische leiderschap kwam er ruimte voor een dergelijke ideologie. En daar werd direct gebruik van gemaakt. De Servische president Slobodan Milosevic kwam in 1989 aan de macht met een nationalistisch programma. In 1991 verklaarde de deelrepublieken Slovenië, Kroatië en Macedonië zich onafhankelijk van Joegoslavië. Een jaar later volgde Bosnië-Herzegovina. De oorlog, die in 1991 was begonnen, eindigde in 1995 met het Dayton-vredesakkoord. Het conflict was echter nog niet voorbij. In 1996 nam het Kosovaarse Bevrijdingsleger de wapens op tegen de Servische autoriteiten. Pas na een luchtoffensief van de NAVO in 1999 eindigde de oorlog. Kosovo kwam onder internationaal bestuur van de Verenigde Naties om zichzelf in 2008 onafhankelijk te verklaren. Servië heeft die onafhankelijkheid tot op de dag van deze publicatie niet onderkent. Het opkomende nationalisme speelde een heel belangrijke rol in het uitbreken van dit conflict. In Servië verscheen een interessant werk dat een belangrijke bijdrage aan het groeiende nationalisme deed: het Memorandum. Deze publicatie van de Servische Academie voor Wetenschappen en Kunsten (SAWK) gaf het Servische nationalisme hulp uit institutionele hoek. Voordat de Servische media en politiek het nationalisme op grote schaal hadden omarmd, kwam het oudste en meest prestigieuze wetenschappelijke instituut van Servië uit voor zijn nationalistische sentimenten. Midden jaren ’80 van de twintigste eeuw heerste er onrust onder de leden van de academie over de Servische economie en diens minderheden in Kosovo. Besloten werd tot het formuleren van de visie van de academie met betrekking tot die terreinen. De standpunten die in het Memorandum zijn geformuleerd, werden de centrale these van het Servische nationalisme. Het Memorandum lekte uit in september 1986. Delen van het document werden in het Servische dagblad Vecernje Novosti gepubliceerd. Het Memorandum hekelde de toenemende regionalisatie van Joegoslavië. De federatie was volgens de schrijvers ondemocratisch, corrupt en gefragmenteerd. De slachtoffers van deze tendens waren de Serviërs en de republiek Servië. Vooral de Joegoslavische grondwets-wijziging van 1974 werd gezien als een onwenselijk proces van con federalisering. Servië zou in dit proces economisch en cultureel worden onderdrukt door de deelrepublieken Kroatië en Slovenië. Het document betoogt dat de Servische minderheden in heel Joegoslavië worden gediscrimineerd, vooral in Kosovo. Volgens het Memorandum wordt de discriminatie van Serviërs georkestreerd om Servië onder de duim te houden. In essentie is het Memorandum dus een samenzwerings-theorie. Ze zagen in Kosovo een ‘physical, political, legal and cultural genocide of the Serbian population’ . Het Memorandum roept vragen op: welke redenen hadden de academici om hun visie op de Joegoslavische situatie te openbaren? Welke grieven lagen ten grondslag aan het Memorandum? En welke reacties maakte het document los? In dit onderzoek wordt de totstandkoming, de tekst in en de reacties op het Memorandum onderzocht. De manier waarop de schrijvers hun stellingen naar voren brengen wordt kritisch bekeken. Bovendien is het belangrijk na te gaan of die stellingen überhaupt kloppen. Verder wordt gekeken naar de reacties die het Memorandum losmaakten in Joegoslavië en daarbuiten. Hoe verdedigden de schrijvers zich toen er gesteld werd dat het een nationalistisch politiek pamflet betrof? En hoe denken historici en journalisten over het politieke belang van het Memorandum? Het Memorandum wordt in de historische literatuur vaak genoemd maar niet uitgebreid behandeld. In de regel wordt het document aangewezen als één van de eerste uitingen van het Servische nationalisme en de meest extreme passages uit het Memorandum worden vaak geciteerd. Op die manier wordt verre van alle potentie van het document als historische bron benut. Die kans grijpt dit onderzoek wel. Het Memorandum beschrijft een zeer omvangrijke visie over de situatie in Joegoslavië en Servië. Een beter begrip van het Memorandum kan ons helpen de rol van de wetenschappelijke elite in de aanloop van de Joegoslavië-oorlog beter te bepalen. In bredere zin kan het Memorandum ons ook inzicht geven over de rol van wetenschap als legitimatie van nationalistische sentimenten. Tenslotte is de moeizame relatie tussen Servië en Kosovo, die medio 2011 nog zeer actueel is, beter te begrijpen als deze bron wordt meegenomen in de beeldvorming. Dit onderzoek beoogt inzicht te geven in de rol van de wetenschap in de opkomst van het Servische nationalisme, door het Memorandum kritisch te analyseren. In het eerste hoofdstuk wordt de totstandkoming van het Memorandum onderzocht. Hoofdstukken twee en drie richten zich op de inhoud van het document. De achtergronden van het Memorandum, de ontstaansgeschiedenis van Joegoslavië, de markthervormingen en de grondwetshervorming van 1974 worden in het tweede hoofdstuk behandeld. De zienswijzen van de schrijvers van het Memorandum op de situatie van Servische minderheden in Kosovo, Kroatië en Vojvodina is onderwerp van het derde hoofdstuk. In het laatste hoofdstuk wordt gekeken naar de reacties op het Memorandum en het belang dat historici achteraf aan het document hebben gegeven. 1: HET MEMORANDUM EN ZIJN SCHRIJVERS Twee schrijvers van het Memorandum, Kosta Mihailovic en Vasilije Krestic, verdedigden zich tegen de aanvallen op hun werk. Onder autoriteit van het Presidentum van de SAWK schreven zij het ‘Memorandum of the Serbian Academy of Sciences and Arts, Answers to criticisms’. Hierin weiden ze uit over hun motivaties achter het stuk. Ook werd er voor het eerste een Engelse, Franse en Duitse vertaling gepubliceerd. Dat artikel is een belangrijke bron. Het vertelt ons veel over de manier waarop het Memorandum tot stand kwam. In dit hoofdstuk zal dan ook in worden gegaan op de manier waarop dat gebeurde, welke motivaties daarachter zaten en welke mensen het proces op gang brachten. Mihailovic en Krestic beschrijven hoe de eerste ideeën voor het Memorandum ontstonden tijdens symposia binnen de academie. Onder de academici bestond onrust over de economische crisis die Joegoslavië teisterde en vooral ook over de ontoereikende potentie van de overheid om dit op te lossen. Het politieke establishment werd gezien als versplinterd en verouderd. De academici noemden dit een constitutionele crisis en waren bang dat Kroatië en Slovenië deze zouden gebruiken om tot een confederatie te komen. De grootste zorg was echter de status van Servië binnen Joegoslavië: ‘As a learned institution which for an entire century had shared the fate of its nation, the Serbian Academy of Sciences and Arts found it hard to bear the subjugated status of Serbia in Yugoslavia.’ Die ‘onderworpen status’ kwam volgens de academici voort uit de constitutie van 1974. Deze had er voor gezorgd dat de twee Servische autonome provincies, Kosovo en Vojvodina, ‘de facto’ volwaardige republieken waren geworden. Volgens de academici kon Servië hierdoor geen beslissingen nemen over de gehele republiek. De academie zag door die politieke onmacht discriminate tegen Serviërs buiten de ‘moederrepubliek’: ‘Serbia’s political impotence made it possible for others to exert pressure on the two million Serbs (25% of the total Serbian population) living outside the mother republic. […]The republican governments had a green light to treat the Serbs as best suited the separatist agenda of the majority national group.’ Mihailovic en Krestic beschrijven hoe de discriminatie tegen de Serviërs zich manifesteerde in het hoofdstuk ‘Why the Memorandum was created’. Opvallend is dat hier expliciet de situatie van Serviërs in Bosnië-Herzegovina wordt genoemd. Deze wordt omschreven als een poging van de Bosnische Moslims om politieke en demografische dominantie te verkrijgen. Dit terwijl hierover in het Memorandum geen melding wordt gemaakt. Deze verandering van toon wekt vermoedens dat Mihailovic en Krestic, zeven jaar na het verschijnen van het Memorandum, de toenmalige mening van de academici eensgezinder doen voorkomen dan deze in werkelijkheid was. Een ander verschil tussen de in 1993 door Mihailovic en Krestic opgenoemde zorgen van de academie en het Memorandum, is het accent dat wordt gelegd op de vermeende poging tot ‘islamitisatie’ van Moslims: ‘Harassment of non-Muslim population was the most powerful weapon of Islamization in the past, and in Kosovo it was the most powerful modern-day means of exerting pressure on the Serbs to make them move out, leaving the local Albanians an ethnically pure Kosovo’. In het Memorandum wordt geen enkele nadruk gelegd op het islamitische geloof van de Kosovaren. Het woord moslim komt slechts één keer in het gehele Memorandum voor. Er wordt wel nadruk gelegd op het vermeende racisme en neofascisme van de Albanezen in Kosovo (zie ook hoofdstuk 3). Deze discrepantie is te verhelderen met twee theorieën. Mihailovic en Krestic wilden met hun stuk de kritiek op het Memorandum zo goed mogelijk weerleggen en houden de lezer een vooruitziende blik van de academie voor. In 1993 was de oorlog om Bosnië-Herzegovina nog in volle gang en de Servische oorlogspropaganda noemde het islamitische gevaar als legitimatie van de eigen oorlogshandelingen. Mihailovic en Krestic beweren in feite dat de academie dit gevaar al in 1985 zag aankomen. De pogingen van Mihailovic en Krestic om de lezer te overtuigen van hun vooruitziende blik blijkt ook uit een ander passage in datzelfde hoofdstuk: ‘Taught by their experience of genocide in the Second World War and aware that at any given moment the genocide might repeat itself, as unfortunately has been the case, Serbs began moving out of Bosnia and Hercegovina, especially since in this republic acts of discrimination against Serbs in public life were becoming more and more frequent’. Volgens Mihailovic en Krestic kwam het besluit tot het maken van het Memorandum voort uit ontevredenheid over de Joegoslavische crisis en de positie van Servië. Maar vooral ook uit de wil om deze positie te veranderen: ‘It was their intention to warn the authorities about the dimensions of the crisis, in a manner which would implicitly rather than explicitly suggest possible solutions’. Volgens de academici moesten de oplossingen binnen de federatie worden gezocht: ‘The members of the Serbian Academy sought changes within the framework of federal Yugoslavia, considering that only a state with a federal system could function effectively and achieve full equality for the republics and national groups.’ Ook hier zou men zich kunnen afvragen of Mihailovic en Krestic dit schreven vanuit de oorlogssituatie in 1993, door het verwijt te vermijden dat Servië tijdens het uiteenvallen van Joegoslavië unilateraal zou hebben gehandeld. Echter, het Memorandum maakt zich wel degelijk sterk voor een centralistische federatie. In Mei 1985 werden binnen de academie verschillende bijeenkomsten gehouden waar de voor- en nadelen van een mogelijk memorandum werden besproken. Er was discussie of een memorandum wel zou aansluiten bij het statuut van de academie, welke vereiste dat de academie zich afzijdig zou houden van de politiek. Na een lang debat ontstond er een meerderheid: ‘The overwhelming majority of Academy members were of the opinion that given the strong processes of disintegration in the entire country and endless postponement of restoring Serbia to an equal footing with the other republics, a document from the Serbian Academy of Sciences and Arts would not be meddling in politics and that it was a duty which the Academy, as a national institution, must not shirk.’ Op 23 Mei 1985 werd tijdens een bijeenkomst van de academie een voorstel naar voren gebracht: ‘ the most acute social, political, economic, welfare, scientific and cultural problems should be addressed in the form of a memorandum, and this memorandum should be circulated to all those in charge of public affairs in Serbia and Yugoslavia’. Het voorstel werd met meerderheid aangenomen en op 13 Juni 1985 werd een comité benoemd dat een memorandum op ‘hedendaagse sociale problemen’ moest voorbereiden. Op de eerste ontmoeting van het Memorandum Comité werd Dusan Kanazir als voorzitter en Antonije Isakovic als vice-voorzitter benoemd. Voor de dagelijkse bezigheden werd een werkgroep aangewezen. De werkgroep kwam enkele keren bij elkaar en werkte vanuit een synopsis die tijdens de eerste bijeenkomst was opgesteld. Deze groep en het Comité kwamen nog enkele keren bij elkaar tot 23 september, de vierde bijeenkomst van het Memorandum Comité, waar de definitieve versie van de Memorandum zou moeten worden opgesteld. Voordat het werk klaar was werd het Memorandum Comité opgeschrikt. Een deel van het Memorandum werd gepubliceerd in de Servische avondkrant Vecernje novosti. Op de vijfde en laatste bijeenkomst op 5 oktober 1985 besloot het Memorandum Comité dat doorschrijven geen optie was. Mihailovic en Krestic schrijven in ‘Answers to Criticisms’ dat slechts de eerste dertig van de vierenzeventig pagina’s van het Memorandum kunnen worden beschouwd als goedgekeurd door het Memorandum Comité. Ondanks dat het uitlekken van het Memorandum door Mihailovic en Krestic wordt betiteld als illegaal, had de SAWK wel degelijk baat bij deze gang van zaken. De boodschap van het Memorandum kwam aan bij het publiek en kritiek vanuit de politiek en de media kon worden verworpen met de stelling dat het Memorandum een onofficieel document betrof. Het Memorandum bleef in kleine kringen circuleren tot het uiteindelijk pas in 1989 werd gepubliceerd in Naše Teme, het tijdschrift van het Centrum voor Ideologisch-Theoretisch Werk van het Centrale Comité van de Kroatische Communistenbond. De SAWK zette zijn intellectuele zwaargewichten in voor het schrijven van het Memorandum. De meerderheid van de academici die deel uitmaakten van het Memorandum Comité en de Werkgroep, hadden een lange staat van dienst. Opvallend is dat een aantal academici in de jaren ’80 en ’90 politiek actief werd. Ook blijkt een deel van de academici uit het Memorandum Comité betrokken bij organisaties die opkwamen voor de rechten van Servische minderheden in Joegoslavië. Hoewel Mihailovic en Krestic de redenen wellicht wat aangedikt hebben, is duidelijk waarom het Memorandum werd geschreven. In de SAWK bestond grote zorg over de status van Servië binnen Joegoslavië. De behandeling van Servische minderheden en de autonomie van Kosovo en Vojvodina waren de academici een doorn in het oog. Doordat Mihailovic en Krestic in 1993 de oorlog in Bosnië-Herzegovina meemaakten, beweerden ze dat ook de zorg voor moslim overheersing een rol speelden in het besluit tot het schrijven van het Memorandum. De academie zette zijn hoogste en belangrijkste leden in voor het Memorandum. Aan hun latere loopbaan is te zien hoezeer zij zich bezighielden met de Servische zaak. 2: ACHTERGRONDEN VAN HET MEMORANDUM In het door etnische spanningen geplaagde Joegoslavië van de jaren ’80, waren het vooraanstaande Servische intellectuelen die in het Memorandum hun visie openbaarden over de positie van Servië in de federatie. Politieke en sociaal economische ontwikkelingen sinds de Tweede Wereldoorlog worden in het stuk vanuit een Servisch standpunt becommentarieerd. Er werd gezocht naar aanwijsbare oorzaken voor de crises in Kosovo en de slechte Joegoslavische economie. De schrijvers wijzen de teloorgegane dominante positie van Servië aan als oorsprong van deze problemen. Volgens hen was Servië sinds de Tweede Wereldoorlog bewust klein gemaakt en gehouden door de westelijke republieken van Joegoslavië. Dit uit angst voor een economisch sterk Servië. Een samenzwering van Kroatië en Slovenië had ten koste van de centrale federale macht het ‘regionalisme’ versterkt. Bewijzen voor dit proces werden gevonden in de ontwikkelingen kort na de Tweede Wereldoorlog, de markthervormingen van de jaren ’60 en de grondwetswijziging van 1974. In het Memorandum wordt veelvuldig gerefereerd aan deze drie historische gebeurtenissen. In dit hoofdstuk wordt onderzocht waar de schrijvers het mis zien gaan tijdens deze omslagpunten en waarom. In het Joegoslavië van voor de Tweede Wereldoorlog had het Servische deel van de bevolking een dominante positie in de overheid. De leiders van het tweede Joegoslavië van na de oorlog probeerden een machtsbalans te vinden tussen verschillende volkeren. Het oude koninkrijk was feitelijk een Groot-Servië. Belangrijke posities in bestuurslichamen en het leger werden bekleed door Serviërs en het land werd geregeerd door een Servische monarch. Tijdens de bezetting van Joegoslavië door Nazi-Duitsland werd het land verdeeld in bezettingsgebieden waarbij ook Italië, Hongarije en Bulgarije elk een deel kregen toebedeeld. Daarnaast was de Tweede Wereldoorlog in Joegoslavië een burgeroorlog waarin Kroatische fascisten, Servische monarchisten en Tito’s Communisten elkaar bestreden. Door buitenlandse hulp en de verliezen van Duitsland aan het Oostfront waren de multi-etnische partizanen van Tito in staat de macht in Joegoslavië te grijpen en een nieuwe orde te vestigen. De belofte van een federaal Joegoslavië, waarin alle nationaliteiten autonomie en gelijke rechten zouden krijgen, maakte Tito voor de meeste partijen acceptabel. In de eerste jaren van de federatie werd deze belofte echter niet waargemaakt en een centralistische regering onder Tito werd dictatoriaal. Tito had geprobeerd een zekere balans tussen de machtsverhouding van de verschillende bevolkingsgroepen te doen ontstaan. De Serviërs bleven de grootste etnische groep maar gebieden buiten het kerngebied met een grote Servische bevolking zoals in Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro werden aparte deelrepublieken. Anderzijds werden Krajina en Slavonië, gebieden met een Servische meerderheid, aan Kroatië toegevoegd. Het Memorandum ageerde tegen deze politiek als discriminatie tegen het Servische volk: ‘The flaws which from the very beginning were present in this model have become increasingly evident. Not all the national groups were equal: the Serbian nation, for instance, was not given the right to have its own state’. De staat was hierdoor in de ogen van het Memorandum ‘ondemocratisch’ geworden. De grote groep etnische Serviërs hadden geen evenredige vertegenwoordiging: ‘Seen in this light, Yugoslavia appears not as a community of equal citizens or equal nations and nationalities but rather as a community of eight equal territories’. Het naoorlogse Joegoslavië was zo bezien een samenzwering van Kroaten en Slovenen om de politieke- en economische macht van Servië klein te houden. Om de relatief lage economische ontwikkeling van Servië binnen de federatie te bestuderen moet gekeken worden naar de ‘context of the political and economic dominance of Slovenia and Croatia’, zo betoogt het Memorandum. De resultaten die deze ‘studie’ opleverde, zijn tekenend voor de narcistische houding van het Memorandum: ‘The watchword of this policy has been “a weak Serbia ensures a strong Yugoslavia,” and this idea had been taken a step further in the concept that if the Serbs as the largest national group are allowed rapid economic expansion, they would pose a threat to the other national groups.’ Het Memorandum hield Tito en zijn Sloveense rechterhand Edvar Kardelj verantwoordelijk voor deze ‘economische onder-drukking’. Kroatië en Slovenië zouden bang zijn geweest voor de Servische economische hegemonie in het interbellum. Ze zouden vanuit een gezamenlijk economisch belang een ‘permanente coalitie’ hebben gesloten in. De schrijvers formuleren het wrang door te stellen: ‘the Serbian people could not achieve equality in Yougoslavia, for whose creation they had borne the greatest sacrifices.’ Ze verwijzen hier naar de vele Servische oorlogsslachtoffers. Toch was de positie van Servië in Joegoslavië, zeker in haar eerste decennia, niet slecht. Ondanks de pogingen om een machtsbalans te vinden tussen de verschillende bevolkingsgroepen, bezorgde de tentatieve centralistische opzet van Joegoslavië de Serviërs een gunstige positie. Serviërs bleven dominant in de federale administratie. In 1969 waren van de 5.885 federale ambtenaren 4.334 Serviërs. Vooral het Servische overwicht in de federale politie en posities in de Communistische Partij zorgde in Kroatië en Bosnië voor toenemende etnische spanning. De Serviër Alexander Ranković, hoofd van de Joegoslavische Geheime Dienst (OZNA) en minister van Binnenlandse zaken, voerde een pro-centralistische politiek. Zijn geheime diensten werden gedomineerd door Serviërs en konden vrijwel ongehinderd hun gang gaan. Ranković gebruikte deze centrale diensten om de macht van Servische minderheden te vergroten, vooral in Kosovo. Zo werden in 1953 circa 150.000 Kosovaren gedeporteerd naar Turkije en in 1956 zorgde een campagne voor het ontwapenen van Kosovaren voor een nieuwe golf van arrestaties. Ook wist hij hervormingen te saboteren die decentralisatie van de economie moesten bevorderen. De schrijvers van het Memorandum prefereren de situatie van voor 1965 en hekelen de veranderingen richting een gedecentraliseerde staat. Goede punten uit de periode voor 1965 worden extra benadrukt, zoals de oppositie tegen Stalin, industrialisatie, economische groei in 1953-1965 en eerste vormen van arbeiderszelfbestuur. Door individualisme, overgewicht van Kroatië en Slovenië binnen de federatie en druk van buitenlandse grote mogendheden zou dit positieve proces zijn gekeerd: ‘The new political strategy introduced in the 1960s was not just a plan of economic reform but termination of the process of political and economic democratisation,[…] of the building of an integrated federation.’ Ondanks aanvankelijke economische successen in de beginjaren van Joegoslavië zorgde de oorspronkelijke opzet van het systeem voor conjuncturele problemen. In een poging de economische crisis van de jaren ’60 te smoren werden liberale markthervormingen ingevoerd die de regionale rivaliteit vergrootten. Conflicten over de verdeling van de dalende welvaart van Joegoslavië tussen de verschillende republieken waren hiervan de kern. Het Memorandum wees de markthervorming van 1965 aan als het negatieve keerpunt in de economische geschiedenis van Joegoslavië. De eerste decennia van het tweede Joegoslavië kenmerkte zich door economische vooruitgang. De periode 1953-1961 kende een sterke economische groei in Joegoslavië, groter dan in menig Sovjet-land. Een jaar na het Verdrag van Londen in 1954, waarin overeenstemming werd gevonden over het grensconflict rond de stad Trieste, werd een handelsakkoord met Italië gesloten. Binnen een jaar werd Italië de belangrijkste handelspartner en het handelsvolume van Joegoslavië verdubbelde. Door handelsbetrekkingen met het Westen had Joegoslavië toegang tot hoge kwaliteit importproducten. Het economische systeem kenmerkte zich als een investeringsgeleide socialistische markteconomie. Dat laatste met nadruk op investering in de zware industrie. 71% van alle investeringen kwam uit het fonds van de federale Centrale Investering Fonds (GIF). Deze werd door belastingen en contributies gefinancierd. In de jaren ’60 werd duidelijk hoezeer de Joegoslavische economie zich in moeilijkheden bevond. Problemen vormden zich doordat het GIF zich richtte op investeringen in de minder ontwikkelde republieken ten koste van de hoger ontwikkelde gebieden. Slovenië en Kroatië voelden zich daardoor belast ter bevordering van andere gebieden. Gevolg was ook dat ondernemingen weinig mogelijkheden hadden tot eigen investeringen. Na afdracht van belastingen, contributies en betalingen aan het GIF bleef slechts 43% van de winst binnen de eigen onderneming. Als gevolg van de economische crisis in de vroege jaren ’60 ontstond een debat over mogelijke economische hervorming. Het vijfjarenplan van 1961-1965 werd al na anderhalf jaar stopgezet vanwege de teleurstellende industriële productie in 1961-62. Decentralisatie en deregulering van de markt moest de economie nieuwe impulsen geven in de hervorming van 1965. Het GIF werd afgeschaft en kredietverlening werd overgeheveld naar de banken. Een nieuw in 1963 opgericht ‘Fonds voor de versnelde ontwikkeling van minder ontwikkelde republieken en Kosovo’ (FADURK) werd in het leven geroepen. Nu decentralisatie en deregulering het nieuwe credo van de federale economische plannen werd, keerden voorstanders van het centralistische systeem hen de rug toe. Ranković, die de nieuwe aanpak probeerde te dwarsbomen, werd door Tito in 1966 verwijderd uit het centrum van de macht. Een liberale coalitie, waar ook de Servische communistische partij in meeging, had na de val van Ranković meer bewegingsruimte. De markthervorming gaf meer economische vrijheid aan de republieken en daarmee ook ruimte aan etnische rivaliteit. Conflicten ontstonden wederom rond de verdeling van de steeds meer slinkende gelden van de FADURK. Kroatië en Slovenië, die het meest bijdroegen aan het bruto nationaal product, klaagden over de verlegging van deze inkomsten naar de minder ontwikkelden republieken terwijl Servië zich druk maakte over Kosovo dat hiervan relatief het grootste aandeel ontving. Het eerste deel van het Memorandum bevat een analyse van de Servische en Joegoslavische economie. De economische crisis van de jaren ’80 wordt hierin toegeschreven aan de ‘fouten’ van de economische ontwikkelingsstrategie in de vroegen jaren ’60. De schrijvers beweren dat, zonder te verwijzen naar wetenschappelijk onderzoek, de wortels van het probleem in de jaren zestig moeten worden gezocht. Deze fouten bestonden volgens het Memorandum uit het niet uitvoeren van het originele vijfjarenplan van 1961-1965 en de decentralisatie van de economie. Door het vijfjarenplan te onderbreken werden de coördinerende functies van de federale overheid gestopt. Kern van de kritiek was echter de decentralisatie van de economie die het gevolg zou zijn geweest van de markthervormingen. Een grove fout: ‘Eight economic areas were created, with the national economies as their ideological base. The unified Yogoslav market was thereby broken up’. Gevolg van de decentralisatie was volgens de schrijvers een fragmentatie van de economie die bovendien de republieken de vrije hand gaf om hun economieën autarkisch te maken. Het Memorandum betitelde de gevolgen van de marktwerking als ‘the worst thing that could happen to any economy’. De Joegoslavische grondwetshervorming van 1974 werd door de schrijvers van het Memorandum aangewezen als voornaamste oorzaak van de Servische politieke problemen. Vooral de gespannen situatie in Kosovo werd hieraan toegeschreven. In hoeverre de grondwets-hervorming van 1974 heeft bijgedragen aan het uiteenvallen van Joegoslavië is moeilijk te bepalen. Zeker is dat de Servische nationalisten grote problemen hadden met de autonomie van Kosovo en de verzwakking van de federale macht. Hoewel deze tendens ook een voortgang was van de eerdere grondwetshervorming in 1966, zijn sommige veranderingen aanwijsbaar. De Servische professor Vojin Dimitrijević beschrijft de constitutie van 1974 ten eerste als een ‘piece of rehetoric and a justification for dictatorial (largely totalitairian) rule’. Dimitrijević omschrijft ook enkele constitutionele veranderingen. Volgens hem werden de federale eenheden (de republieken) in feite soevereine staten en de enige centra van werkelijke macht ten koste van de federale staat. Grondwetswijziging waren alleen nog mogelijk doormiddel van consensus tussen de federale eenheden. Speciale aandacht ging uit naar de positie van de autonome provincies Vojvodina en Kosovo. Deze werden, op aandringen van Servië, in de grondwet niet beschreven als staat maar als zijnde ‘sociaal-politieke gemeenschappen’. Het verschil was klein omdat ze in de praktijk volwaardige federale eenheden waren. Echter, het toen nog vrij theoretische recht op afscheiding van de Joegoslavische federatie bezaten de autonome provincies niet. Wel mochten Kosovo en Vojvodina een eigen constitutie uitvaardigen, hadden ze een eigen parlement, een opperste rechtbank, een ‘nationale’ bank en verschillende culturele instellingen. Ondanks deze grote mate van autonomie bleven de provincies onderdeel van de Servische Republiek. Dimitrijević omschrijft de dualistische situatie van de autonome provincies terecht als ‘equal and subordinate’. Het Memorandum classificeerde de constitutie van 1974 als een onwenselijk en onwerkbaar politieke systeem. Volgens deze analyse was Joegoslavië in eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog veranderd in het soort confederatie welke werd geïnstitutionaliseerd in de constitutie van 1974. Volgens de schrijvers hield het elke mogelijke vooruitgang tegen: ‘The changing of a federal state into a federation of states is all the more unacceptable in that […] Yugoslavia now has a iron-clad constitution, wich for all practical purposes is impossible to change.’ Het Memorandum stelde dat de grondwet de deur had opengezet voor de promotie van het lokale gewin tot op het punt dat het nationale gewin werd opgeofferd. Zoals eerder behandelde het Memorandum ook de schuldvraag. Oorzaak lag volgens de schrijvers bij de rol van de politieke leiders uit Kroatië en Slovenië. Edvard Kardelj, hoofdauteur van de constitutie van 1974 en volgens het Memorandum ook al verantwoordelijk voor de ‘economische onderdrukking’ van Servië, kreeg de schuld in zijn schoot geworpen. Zijn boek ‘The evolution of the Slovene national question’ zou de ideologische grondslag hebben gelegd voor de grondwet van 1974. De samenzwering van Kroatië en Slovenië tegen de federatie was volgens de schrijvers van het Memorandum een continuering van eerdere politiek dankzij de posities van hun leiders in het centrum van de macht: ‘They have shaped Yugoslavia’s social and economic order to their own measure and to meet their own requirements.’ De negatieve gevolgen van de grondwetshervorming waren volgens de analyse van het Memorandum enorm. Regionalisme zou zegevieren boven het algemene belang van de federatie. Het nationale belang zou boven het klasse belang zijn gesteld en de constitutie zou nationalisme en separatisme ideologisch verdedigbaar hebben gemaakt. Dit was volgens de schrijvers zichtbaar in Kosovo en Voljvodina die meer aandrongen op ‘their status as a constituent element of the federation than on the fact that they are an integral part of Serbia’. Het Memorandum waarschuwde: ‘the political crisis has come close to a flash point of complete destibilization of Yugoslavia. Kosovo is the most obvious portent.’ De constitutie zou daarom grondig moeten worden ‘heronderzocht’. Concluderend probeerde het Memorandum de Joegoslaviche economische en politieke crisis terug te voeren op drie gebeurtenissen: het ontstaan van Joegoslavië in de Tweede Wereldoorlog, de markthervormingen van 1966 en de grondwetshervorming van 1974. Omdat Tito een machtsbalans wilde vormen tussen de etnische groepen van Joegoslavië, had Servië niet meer de dominantie die het in het vooroorlogse Joegoslavië bezat. Het Memorandum vond dit ondemocratisch omdat Servië niet evenredig was vertegenwoordigd in de macht. De schrijvers van het Memorandum gaven Kroatië en Slovenië hiervoor schuld. Zolang Joegoslavië echter centralistisch bestuurd werd waren de Serviërs als grootse etnische groep wel degelijk in een machtige positie. In de jaren ’60 kregen de republieken echter meer economische vrijheid wat de etnische rivaliteit in de hand speelde. Het Memorandum hekelde de decentralisatie en fragmentatie van de Joegoslavische economie. De markthervormingen zouden de oorzaak zijn van de slechte staat van de economie. Door de grondwetswijziging van 1974 was volgens het Memorandum de decentralisatie nog verder doorgezet. Joegoslavië was eerder te beschouwen als een confederatie dan als federatie. Volgens de schrijvers was het gevolg hiervan dat er geen nieuwe wijzigingen konden worden doorgevoerd in het Joegoslavische staatsbestel. Dit omdat een consensus tussen de republieken en autonome provincies niet te bereiken viel. Kroatië en Slovenië hadden volgens de schrijvers hier bewust op aangestuurd om hun eigen belangen te realiseren. Nationalisme en separatisme waren volgens het Memorandum door deze grondwetshervorming in de kaart gepeeld. De schrijvers van het Memorandum waarschuwden dat als de situatie niet veranderde, Joegoslavië zou worden gedestabiliseerd. 3: KOSOVO, KROATIË EN VOJVODINA Onder Servische nationalisten, alsook de schrijvers van het Memorandum, was de situatie in Kosovo het mikpunt van nationalistische retoriek. Het tweede deel van het Memorandum is te beschouwen als het vervolg van de samenzweringstheorie die in het eerste deel werd geopperd. Het behandelt de positie van Serviërs in Kosovo. Het stuk omschrijft de situatie in Kosovo als een open war van Albanezen tegen de Servische minderheid. In de autonome provincie zou een ‘genocide’ op de Servische bevolking worden uitgevoerd. De Albanezen, aangeduid als racisten of separatisten, worden volgens het Memorandum geholpen door de Joegoslavische republieken en zwakke Servische politici. De schrijvers positioneerden ‘het Servische volk’ daarmee als het slachtoffer van een Joegoslavische samenzwering. Het stuk kan op zijn minst een ernstig gebrek aan inlevingsvermogen worden verweten. De situatie wordt enkel vanuit Servisch nationalistisch oogpunt bekeken. In dit hoofdstuk wordt de kritiek van het Memorandum onderzocht. Daarnaast worden de beweringen in het Memorandum over Kosovo geanalyseerd. De positie van de autonome provincies binnen de Servische Republiek wordt in het Memorandum omschreven als de ergste nederlaag in vredestijd. Met veel gevoel voor drama wordt het geillustreerd: ‘(The Serbian Nation) has lived to see the day when a Party committee of apparatchiks decrees that after four decades in the new Yogoslavia it alone is not allowed to have its own state’. Het feit dat Kosovo en Vojvodina in de constitutie van 1974 werden gepromoveerd tot constitutionele elementen van de federatie, zorgde voor verontwaardiging bij de schrijvers van het Memorandum. Zij vinden het slecht dat de staten nu autonoom kunnen bewegen en zo ontkennen een integraal deel van Servië te zijn. De praktijk zou uitwijzen dat de ‘separatistische krachten’ hadden overwonnen. De verontwaardiging over de autonomie van Kosovo onder Servische nationalisten had haar wortels in de visie op de geschiedenis van Servië en Kosovo. Kosovo werd beschouwd als de bakermat van de Servische beschaving, ook door de schrijvers van het Memorandum: ‘The Serbs in Kosovo and Metohija not only have their past, embodied in cultural and historical monuments of priceless value, but also their own spiritual, cultural, and moral values now in the present, for they are living in the cradle of the Serbs’ historical existence.’ Belangrijk voor het idee van Kosovo als de bakermat van de Servische beschaving was de legende van de Slag op het Merelveld op 28 juni 1389. Daar voerde een coalitie van Servische troepen strijd tegen het Ottomaanse invasieleger. De slag eindigde onbeslist. Een jaar later konden de Ottomaanse legers alsnog de Serviërs verslaan. De Servische vorst en aanvoerder Stefan Lazar (circa 1329 – 1389) kwam tijdens de slag om het leven. Gedurende de Ottomaanse bezetting van Servië werd Lazar in verhalen en liederen vereerd als martelaar die het ‘hemelse koninkrijk’ had verkozen boven een aards rijk. De Servische Orthodoxe kerk verhief Lazar tot heilige en de Serviërs als een ‘hemels volk’. Volgens de Britse historicus Naol Malcolm is de Slag op het Merelveld zeer belangrijk voor de Servische identiteit: ‘The story of the battle of Kosovo had become a totem or talisman of Serbian identity, so that this event had a status unlike that of anything else in the history of the Serbs’. De verontwaardiging over de autonomie en emigratie van Serviërs uit Kosovo moet daarom gezien worden in het licht van deze historische legendes. Het Memorandum wijst ook andere historische gebeurtenissen aan als voorbeeld voor de slachtofferrol van Serviërs in Kosovo. Historische vergelijkingen worden in het Memorandum te pas en te onpas gebruikt. Zo wordt gesteld dat de ‘open and total war’ tegen de Serviërs in Kosovo al langer duurde dan de Tweede Wereldoorlog in Joegoslavië. De schuld van de genocide in Kosovo zou een grotere nederlaag zijn dan de neergeslagen Eerste Servische Opstand in 1804 en de opstand tegen de Duitse bezetter in 1941. De schuldige aan de genocide was volgens de schrijvers simple aan te wijzen: ‘(The blame) could be laid at the door of the legacy of the Comintern which is still alive in the Communist Party of Yougoslavia’s national policy’. Waarmee wordt bedoeld dat de Comintern in het Interbellum Servië als ‘onderdrukkende natie’ beschouwde. Vergelijkingen tussen de Tweede Wereldoorlog en de situatie in Kosovo tijdens de jaren ’80 zijn oneigenlijk. De Servische verliezen in de Tweede Wereldoorlog waren enorm: de Kroatische Ustasa vermoordden tenminste 334.000 Serviërs. Dat is niet te vergelijken met het aantal slachtoffers die de etnische spanningen in Kosovo hebben gekost. Het Memorandum misbruikte de geschiedenis om de eigen argumenten kracht bij te zetten. Ook het beeld van de Albanezen wordt verdraait: ‘The Ballists’ rebellion [Balli Kombëtar] in Kosovo and Methohija at the very end of the war, which was organized with collaboration of Nazi units, was militarly put down in 1944-1945 […] In its present-day phyiognomy, disguised with new content […] is getting close to victory.’ Het feit dat sommige Albanezen in de Tweede Wereldoorlog met de Nazi’s hadden gecollaboreerd was voor de schrijvers van het Memorandum voldoende om de veronderstelde Albanese agressie als ‘neofascistisch’ te bestempelen. De historische vergelijking loopt mank. De Balli Kombëtar was een Albanese nationalistische verzetsbeweging die in het begin van de Tweede Wereldoorlog tegen de Duitse en Italiaanse bezettingsmachten streed. Pas toen de communisten begonnen te winnen besloot de groep tot collaboratie met de bezetter. Volgens het Memorandum was het veronderstelde Albanese streven naar een ‘etnisch puur’ Kosovo al honderd jaar geleden ‘geschetst’ tijdens de Liga van Priština tussen 1878-1881. De schrijvers proberen met deze historische vergelijkingen een continuïteit aan te wijzen. Zij schetsen een geschiedenis waarin de Albanezen Kosovo herhaaldelijk zouden willen zuiveren van Serviërs. Hiervoor moest echter steeds worden verwezen naar een pre-Joegoslavisch tijdperk. De schrijvers wijzen een continuïteit aan die niet bestond. Volgens het Memorandum was 1981 het jaar waarin Kosovo’s open total war aan de Serviërs verklaarde. Albanezen zouden, met hulp van andere republieken, openlijke samenzweringen tegen Servische Kosovaren hebben gepland. De schrijvers zagen de constitutiewijziging van 1974 als een succes voor deze samenzwering: ‘preparations for the next step, in the form of the Albanization of Kosovo and Metohija, were carried out in full legality.’ Deze ‘Albanisatie’ van Kosovo was volgens de schrijvers een genocide van het Servische volk in Kosovo en Metohija in de breedste zin van het woord. De grootschalige demonstraties die in 1981 door Albanezen in Kosovo werden gevoerd hadden echter niet het karakter van een oorlog tegen Serviërs. De demonstraties van 1981 begonnen op 11 maart in Priština en waren in eerste instantie een studentenprotest tegen de slechte faciliteiten van de plaatselijke universiteit. De demonstranten raakten slaags met de politie en al snel werden er ook politieke slogans gescandeerd. Op 31 maart en 1 april verbreidden de protesten zich naar meerdere steden in Kosovo en mengden ook arbeiders zich in de demonstraties. Tanks werden ingezet om de onrust te herstellen en op 2 april werd de noodtoestand afgeroepen. Een golf van arrestaties en processen volgden. In maart en april 1981 werden circa tweeduizend mensen gearresteerd. Er begonnen ook politieke zuiveringen: hoge vertegenwoordigers in Kosovo moesten aftreden en in de loop van de volgende maanden werden meer dan vijfhonderd partijleden ontslagen. De demonstraties in Kosovo door studenten en arbeiders waren zo bezien geen oorlog maar protesten tegen de economische situatie. De protesten waren door grootschalig politieoptreden in een gewelddadige spiraal terechtgekomen. Volgens Malcolm werden de werkelijke sociaaleconomische en politieke grieven van de demonstranten nooit aangepakt. De werkeloosheid in Kosovo was de hoogste van Joegoslavië. Naar schatting ging het om 250.000 werkelozen op een bevolking van 1,5 miljoen. De Serviërs en Montenegrijnen, die 15% van de bevolking uitmaakte, bezaten 30% van de banen in staatsbedrijven. De gevolgen van de demonstraties waren groot. Volgens de Belgische historicus Raymond Detrez was het resultaat van de onlusten ‘de (her)opleving van het Servische nationalisme, dat uiteindelijk de hele federatie de doodsteek zou geven’. Hoewel er Serviërs en Montenegrijnen werden aangevallen tijdens de protesten en er tenminste één Orthodoxe kerk werd vernield, hadden de onrusten in Kosovo niet het karakter van de genocide waar het Memorandum over schreef. De schrijvers van het Memorandum onderbouwden deze bewering door te wijzen op de ‘exodus’ van emigrerende Serviërs. Volgens de schrijvers werden in de twintig jaar voor 1986 meer dan 200,000 Serviërs gedwongen te vertrekken. Het Memorandum waarschuwt dat er voorbereiding getroffen worden voor de uiteindelijke en totale ‘exodus’. Dat er 200.000 Serviërs zouden zijn geëmigreerd is een overdrijving. Volgens andere, nieuwere, bronnen waren dit er tussen de 80.000 en 100.000 in de periode van1961 to 1981. Dit is een aanzienlijke hoeveelheid maar volgens Malcolm waren economische redenen de dominante oorzaak voor de emigratie van Serviërs uit Kosovo. De economische omstandigheden waren in de rest van Joegoslavië beter dan in Kosovo. Bovendien was er in heel Joegoslavië sprake van urbanisatie en trokken ook relatief veel Albanezen weg uit Kosovo. De SAWK liet tussen 1985 en 1986 een onderzoek doen naar de emigratieredenen van Serviërs en Montenegrijnen. De schrijvers van dit onderzoek, Ruza Petrovic en Marina Blagojevic, waren beiden niet direct betrokken bij het Memorandum. Zij concludeerden dat van de 500 ondervraagde huishoudens 41% ‘indirecte druk’ van Albanezen voelden om te verhuizen en 21% ‘directe druk’. Malcolm trekt de wetenschappelijkheid van dit onderzoek in twijfel: ‘it must be borne in mind that the Serbian Academy of Sciences commissioned this survey only because it had already embarked on a polemical publicity campain against Albanian ‘atrocities’ in Kosovo.’ Officieel Kosovaars onderzoek wees uit dat 95% van de Servische emigranten uit economische en familiale redenen vertrok. Slechts 0,1 procent noemde druk van Albanezen als oorzaak voor de migratie. Desondanks waren er tendensen die de Servische minderheid een gevoel van onveiligheid gaven. Sinds de constitutiewijziging van 1974 werd de politieke dominantie van de Servische minderheid ontmanteld. Politie, justitie en openbaar leven werden gealbaniseerd. De Kosovaarse overheid probeerde de achterstand van Albanezen op de arbeidsmarkt te verminderen door een beleid van positieve discriminatie en het Albanees verdreef het Servisch als omgangstaal. De Serviërs in Kosovo werden ook getalsmatig een kleinere minderheid. Het percentage Serviërs en Montenegrijnen in het totaal van de bevolking daalde van 20,9% in 1971 naar 14,8% in 1981. Dit had naast de emigratie van Serviërs en Montenegrijnen te maken met de hoge nataliteit van de Albanezen in Kosovo. Het is niet verwonderlijk dat Serviërs in Kosovo zich onveiliger voelden. Zij verloren hun positie als dominante minderheid. Van systematische terreur of genocide was echter geen sprake. Het Memorandum hekelde ‘brandstichting, moorden, verkrachtingen en vandalisme’ als instrumenten van deze terreur. Volgens Detrez kwamen deze zaken wel degelijk voor maar hadden ze een incidenteel karakter. Tussen 1971 en 1981 werden 605 moorden gepleegd met etnische motieven. Hiervan waren 80% Serviërs en 16% Albanezen het slachtoffer. Het is een aanzienlijk aantal en bewijst dat de etnische spanningen tussen Serviërs en Albanezen in Kosovo hoog opliepen. Het is echter geen bewijs voor stelselmatige terreur of genocide. Het aantal verkrachtingen was gemiddeld de helft lager dan in andere Joegoslavische deelstaten en in 9,4 procent van de gevallen vergrepen Servische of Albanezen mannen zich aan vrouwen van een andere etniciteit. Het toenemende Servische nationalisme als reactie op de situatie in Kosovo is voor een groot deel te wijten aan een gevoel van onveiligheid. Angst voor het opkomende Albanese nationalisme was groot en de verzelfstandiging van de provincie Kosovo in 1974 versterkte dat gevoel. Relaties tussen de twee bevolkingsgroepen waren al sinds de Tweede Wereldoorlog slecht. Tijdens deze oorlog kwamen in Kosovo naar schatting 10.000 Serviërs en Montenegrijnen en 12.000 Albanezen om het leven. Vele Servische Kosovaren werden tijdens de oorlog verdreven van hun land. De aantallen zijn onbekend maar schattingen lopen van 30.000 tot 100.000 slachtoffers. In oktober 1985 werd een petitie, ondertekend door 2.016 Serviërs uit Kosovo, gestuurd naar het Joegoslavische Federale Parlement. De petitie claimde dat tussen 1941 en 1948 circa 260.000 Albanezen naar Kosovo waren geëmigreerd en dat deze alsnog moesten worden uitgezet. Het Memorandum prees de actie omdat het Servische volk het recht had zichzelf te beschermen tegen geweld. Volgens Malcolm zijn deze getallen verzinsels: ‘No evidence of any such mass migration during the war can be found in any of the documents of the occupying powers.’ De eerste decennia na de vrede in Kosovo werd de relaties tussen Serviërs en Albanezen enkel slechter. Door de Joegoslavische breuk met de Sovjet-Unie in 1948 konden Kosovaarse Albanezen worden verdacht van samenzweren met de Sovjet-satelliet Albanië. Serviër Aleksander Ranković, hoofd van de Joegoslavische geheime dienst, was verantwoordelijk voor grootschalige campagnes tegen pro-Moskou ‘Komiformist’. Aangezien 86% van de leden van de geheime dienst uit Serviërs en Montenegrijnen bestond deed het de etnische relaties in Kosovo weinig goed. Pas na de verwijdering van Ranković in 1966 veranderde de situatie. Met de constitutiewijzigingen van 1971 en 1974 werd Kosovo onafhankelijker en kon het werk maken van het etnische onevenwicht in de bestuurslichamen van het gebied. In 1971 werd 52% van de leidinggevende posities bekleed door Serviërs en Montenegrijnen terwijl deze slechts 20,9% van de bevolking uitmaakte. Terwijl de Servische minderheid langzaam zijn politieke dominantie in Kosovo kwijtraakte en de algehele economische situatie in Kosovo verslechterde, werden de Albanese onlusten van 1981 opgevat als een bedreiging. De emigratie van Serviërs uit Kosovo versterkte het beeld van een onderdrukte minderheid. De grotere persvrijheid in Joegoslavië zette de deur open voor de ‘culturele oorlog’ tussen Servische en Albanezen media en intelligentsia. Tekenend voor de etnische spanningen en beschuldigingen tussen Serviërs en Albanezen, was de aandacht voor de zogenoemde ‘zaak Martinovic’. Op 1 mei 1985 werd de Servische boer Djordje Martinovic het ziekenhuis van Priština binnengebracht waar een bierflesje uit zijn anus werd gehaald. Martinovic beweerde dat twee gemaskerde Albanezen hem hadden aangevallen en hij vermoedde dat deze hem wilden verdrijven zodat zijn land kon worden afgenomen. De Kosovaarse autoriteiten gaven de voorkeur aan een andere versie van de feiten. Martinovic zou een homoseksueel zijn die zijn verwondingen zelf had aangebracht en het verhaal van de Albanese aanval verzon. De zaak werd een nationaal schandaal in de Servische pers en vragen werden gesteld in het Joegoslavische Federale Parlement. Het Memorandum vergeleek de zaak met de Ottomaanse onderdrukking; ‘The Martinovic case is noteworthy not only because of the particular type of unprecedented violence involved, which is a reminiscent of the darkest days of the Turkish practice of impalement, but also because of the stubborn refusal to led a court of law determine and acknowledge the truth.’ Het is opmerkelijk hoe een wetenschappelijke instituut als de SAWK zich liet verleiden incidentele zaken als systematische terreur voor te stellen. Het beeld van Servië als slachtoffer van een Joegoslavische samenzwering werd versterkt door de situatie van de Servische minderheden in Kroatië en Voljvodina. Het Memorandum sprak ook hier van een samenzwering: Opvallend is de toon van dit deel van het Memorandum. Hier wordt niet de soort oorlogsretoriek toegepast zoals in het deel over Kosovo. De schrijvers hekelden het verdwijnen van culturele instituties voor Serviërs in Kroatië onder druk van de Kroatische republikeinse overheid. Terecht wordt het verbieden van dit soort instituties gezien als een vorm van assimilatie: ‘the Serbian population in Croatia has been subjected to a subtle but effective policy of assimilation. A component part of this policy is prohibition of all Serbian associations and cultural institutions in Croatia’. Aangaande Vojvodina probeerde het Memorandum duidelijk te maken dat de provincie Servisch was, door een korte schets te geven van de geschiedenis van het gebied. De autonomie wordt omschreven als ‘onnatuurlijk’ en ‘tegen de historische logica’. De politieke leiders van Vojvodina kregen de schuld: ‘The political leaders of the Autonomous Province of Vojvodina are not trying to promote togetherness; instead they are seeking greater independence and secession from the Republic of Serbia’. Concluderend was de kwestie Kosovo het meest essentiële deel van het Memorandum. De wil van de schrijvers om Servië als slachtoffer van de geschiedenis te zien, nam op dit punt drastische vormen aan. Terwijl zowel Serviërs als Albanezen verantwoordelijk waren voor de etnische spanningen, koos het Memorandum onvoorwaardelijk partij voor de Serviërs. De schuld van de situatie van Serviërs in Kosovo werd niet alleen gelegd bij de Albanezen. Ook Servische- en Joegoslavische politici werden ervan beschuldigd de belangen van de Servische minderheid niet te behartigen. De autonomie van Kosovo werd verworpen met behulp van de geschiedenis. Door Kosovo als bakermat van de Servische cultuur aan te wijzen was het makkelijker om de Albanezen buiten te sluiten als vreemden. Om de ernst van de situatie te onderstrepen en om de veronderstelde Albanese samenzwering te bewijzen, wordt in het Memorandum aldoor verwezen naar de Tweede Wereldoorlog. Tegelijk wordt in het Memorandum geen melding gemaakt van de Servische vooroorlogse dominantie. Daarmee wordt de geschiedenis misbruikt voor politieke doeleinden. De onlusten en etnische spanningen worden door de schrijvers uitgelegd als terreur en genocide, gericht tegen de Servische minderheid. Gewelddadigheden tegen de Serviërs in Kosovo kwamen zeker voor, maar hadden niet het systematische karakter die het Memorandum de lezers voorhield. De grootschalige emigratie van Serviërs uit Kosovo moest het bewijs leveren dat Serviërs werden blootgesteld aan een campagne van geweld en intimidatie. Een meerderheid van de migranten vertrok echter om economische redenen, een feit dat de schrijvers van het Memorandum verkozen te negeren. Met de autonomie van Kosovo verloren de Servische Kosovaren hun politieke dominantie. Dit verlies, gecombineerd met het opkomende Albanese nationalisme, zorgde voor een gevoel van onveiligheid bij de Servische bevolking. Relaties tussen de twee etnische groepen waren al lange tijd slecht. De ‘culturele oorlog’ tussen de Servische en Albanese media en intelligentsia in de jaren ’80 versterkte de etnische spanningen. Omdat elk mens recht heeft op bescherming van lijf en goed was het legitiem dat de schrijvers van het Memorandum opkwamen voor de belangen van de Servische minderheid in Kosovo. De manier waarop ze dat deden heeft de spanningen en gewelddadigheden tussen de twee etnische groepen eerder vergroot dan verkleind. Tegenover de situatie van Serviërs in Kroatië en Vojvodina was het Memorandum milder. Hier eiste het Memorandum terecht dat er meer ruimte moest zijn voor culturele uitingen. 4: REACTIES OP HET MEMORANDUM Direct na de publicatie van delen van het Memorandum in een kritisch artikel in de Vecernje novosti getiteld ‘Een voorstel voor hopeloosheid’ , stroomden de reacties uit heel Joegoslavië binnen. Deze waren over het algemeen negatief en de SAWK werd vanuit vele kanten beschuldigd van nationalisme. Ook was er kritiek vanuit de academie zelf. Enkele academici bekritiseerden het politieke karakter van het document. Ook academicus Pavle Savic beschouwde het Memorandum als een onwenselijke politieke aangelegenheid: ‘the Memorandum bears all the characteristics of a pamphlet or other propaganda material.’ Bij de reacties op het Memorandum moet rekening gehouden worden met de tijd van publicatie. Op het verslag van Vecernje novosti na was het Memorandum niet bekend bij het grote publiek. Pas in 1989 werd het document in zijn geheel gepubliceerd. Communistische Servische leiders veroordeelden het Memorandum. In publieke verklaringen bekritiseerden ze het document als een nationalistische tekst die streeft naar de splitsing van Joegoslavië. In de media werd de SAWK opgeroepen om zich te distantiëren van het document en het ontslag van Antonije Isakovic werd geëist. De academie kreeg daarnaast ook het verwijt een nieuwe partij te willen beginnen met het Memorandum als programma. In het eenpartijstelsel van Joegoslavië was dit een ernstige beschuldiging. De Servische Vice-President Vukoje Bulatovic verwoordde deze beschuldiging in het Servische parlement in december 1986: ‘‘its diction and its messages are immanently political, and they cannot be interpreted in terms of the criteria valid for literary texts. This in other words means that the text of the Memorandum must be judged as a political programme […]’. De SAWK kwam onder steeds grotere druk te staan en in een poging om uit de ontstane impasse te komen werden verschillende bijeenkomsten gehouden. Eén van deze was een ontmoeting tussen het Presidium van de SAWK en de Servische President Ivan Stambolic. De besprekingen liepen echter op niets uit. De academie bleef zich publiekelijk verdedigen met het argument dat het Memorandum een onofficieel document was en nooit werd geautoriseerd door de SAWK. Het Memorandum was slechts een ontwerptekst bedoeld voor intern gebruik. Om dezelfde redenen werd Vukoje Bulatovic een kopie van het Memorandum geweigerd toen hij hier per bief om verzocht. SAWK President Dusan Kanazir antwoordde dat: ‘no one in the Academy, including the [Memorandum] Committee, was authorized to release for circulation material which had not been completed and approved by the competent bodies’. De verdediging van de SAWK was in wezen een zwaktebod. Volgens de Servische historicus Olivera Milosavljevic was het Memorandum wel degelijk een institutioneel document van de SAWK. De academie heeft namelijk nooit het auteurschap van het Memorandum afgewezen, noch de inhoud betwist. Bovendien hebben leden van het Memorandum Comité in latere jaren met trots gesteld dat de SAWK de eerste was die de Servische nationale problemen benoemde. Zo vertelde Kanazir in 1989 in een interview in het dagblad Politika: ‘this is the occasion for remembering the fact that the Academy was among the first institutions to recognize the longstandingh uneaqual status of the Serbian people, and the eventual consequences which such a situation can cause’. Opvallend is de, overigens niet publieke, reactie van de latere Servische nationalistische leider Slobodan Milosovic op 4 juni 1987: ‘Het Memorandum is niets anders dan je reinste nationalisme. […] Elke flirt met het nationalisme kan de door ons nagestreefde doelen alleen maar afremmen, dwarsbomen, ruïneren. Tito’s beleid van Broederschap en Eenheid in het enige fundament waarop Joegoslavië kan voortbestaan.’ Het toont aan hoe eensgezind de Servische communistische partij was in haar aanvankelijke weerzin tegen het Memorandum. Pas eind 1987, toen Milosovic zich had bekeerd tot het nationalisme en de interne strijd in de partij had gewonnen, stopte de campagne tegen de SAWK en het Memorandum. Ook in de rest van Joegoslavië waren de reacties op het Memorandum negatief. De Sloveense en Kroatische media en intelligentsia reageerden afwijzend op het document. Omdat de Joegoslavische politieke doctrine stelde dat elke republiek zijn eigen zaken moest regelen werd er vanuit de Kroatische en Sloveense politiek nauwelijks openbaar gereageerd. De sterkste afwijzing van het Memorandum kwam uit het buitenland. In de Verenigde Staten publiceerde het Kroatische Nationale Congres (een organisatie van Kroatische emigranten) in 1987 een Anti-Memorandum getiteld: ‘The Croatian Standpoint on the Memorandum of the Serbian Academy of Sciences and Arts’. De Kroatische emigranten waren het eens met de stelling in het Memorandum dat Joegoslavië zich in een economische crisis bevond maar wezen een andere oorzaak aan. Niet de decentralisatie van Joegoslavië had geleid tot economische neergang maar het niet-bestaan van privé-eigendom en het vernietigen van particuliere landbouw. Volgens de Kroatische emigranten had de constitutie van 1974 niet geleid tot een werkelijke confederatie maar tot acht bureaucratische delen. Het Kroatische Nationale Congress zag liever een ‘echte’ confederatie in Joegoslavië. Volgens de Belgische historicus Robert Stallaerts was deze opstelling van het Kroatisch Nationale Congress echter een tactische keuze om in het debat te blijven. De Kroatische emigranten waren in werkelijkheid voor een onafhankelijk Kroatië. Centraal in het debat over de betekenis van het Memorandum is de vraag in hoeverre het document gezien kan worden als nationalistisch. Leden van het Memorandum Comité hebben dit altijd ontkend. Ze stelden dat het Memorandum slechts de problemen van de Servische minderheden in Joegoslavië benoemde en dat de Republiek Servië te weinig werkelijke macht had over zijn eigen provincies Kosovo en Vojvodina. Bovendien maakt het Memorandum zich sterk voor een centralistisch federaal Joegoslavië en hekelde het confederalisme en separatisme. Tegenstanders van deze visie wijzen erop dat het Memorandum de Joegoslavisch problemen slechts vanuit Servisch oogpunt behandelde en dat annexatie van Kosovo en Vojvodina een hegemonie van Servië binnen Joegoslavië zou betekenen. Dominantie van Servië zou voor andere Joegoslavische republieken ontoelaatbaar blijken. Een belangrijke beschuldiging richting het Memorandum in dit debat is de stelling dat het document een Groot-Servië voorstelt. In Groot-Servië zou de Servische diaspora worden verenigd in een nieuwe staat. Hoewel het woord ‘Groot-Servië’ nergens in het document wordt genoemd zou dit verlangen blijken uit een bepaalde passage uit het Memorandum: ‘The establishment of the Serbian people’s complete national and cultural integrity, regardless of which republic or province they might be living in, is their historical and democratic right.’ Mihajlo Markovic in verwerpt deze stelling in een interview uit 1995: ‘But “integrity” refers to cultural ties between Serbs. […] That is supposed to indicate that one is part of a spiritual, ethnic, national community, wherever one lives. It refers, however, only to the cultural.’ Markovic lijkt gelijk te hebben. In de passage worden de Serviërs opgeroepen zich te bevrijden van een ‘historisch schuldgevoel’. Dit schuldgevoel zou door de Comitern onterecht zijn opgedrongen. Als de passage in deze context wordt gezien blijkt het geen oproep tot een Groot-Servië. Toch is het begrijpelijk dat de passage op deze wijze wordt geïnterpreteerd. Het Memorandum resoneerde wel met de roep om een Groot-Servië. De Amerikaanse antropoloog Branimir Anzulovic ziet dit ook: ‘many Serbs believe that they had a unique opportunity to transform federal Yugoslavia into Greater Serbia with the help of Serb-dominated Yugoslav armed forces.’ Het Memorandum mocht dan het idee van een Groot-Servië niet direct uitdragen, het voedde deze ideeën wel. De schrijvers van het Memorandum bleven stellig ontkennen dat het document nationalistisch zou zijn. Mihailovic en Krestic dagen de lezer uit nationalistische elementen te vinden in het Memorandum. Volgens Mihailovic en Krestic werd Servië economisch en politiek onderdrukt. Met de bekritiseerde passages in het Memorandum die aandrongen op verandering van de constitutie van 1974, werd enkel op gelijkheid gehoopt. Ondanks ontkenning door de schrijvers van het Memorandum dat de tekst nationalistisch zou zijn, zijn er goede redenen het document wel als zodanig te beschouwen. De bewering van Mihailovic en Krestic dat het Memorandum geen egoïstische elementen bevat is aantoonbaar onjuist. Het Memorandum bekeek de Joegoslavische politieke en economische crisis voor het overgrote deel vanuit het Servische perspectief. Er zou sprake zijn van een anti-Servische coalitie, aangevoerd door Kroatië en Slovenië, die Servië onderdrukte. Om het bestaan van deze coalitie te bewijzen werd verwezen naar de ontstaansgeschiedenis van Joegoslavië en de rol van Tito en de Comintern daarin. Servië werd afgebeeld als het slachtoffer van de geschiedenis en een duidelijk vijandbeeld werd gecreëerd. De samenzwering die volgens het Memorandum was ontstaan, wilde Servië verzwakken door de separatistische krachten in Kosovo te steunen. Ze wilden zo de ‘Servische eenheid’ te breken. De anti-Servische coalitie had bovendien toegestaan dat in Kosovo een genocide op Servische burgers werd uitgevoerd. Ook de bewering dat het Memorandum geen bevoorrechte positie zou claimen is aanvechtbaar. Het centralistische bestuur dat de schrijvers met Joegoslavië voor ogen hadden zou een dominantie van Servië in het land betekenen. De Albanezen in Kosovo werd autonomie ontzegd door het gebied als een integraal deel van Servië te claimen en voor te stellen als bakermat van de Servische beschaving. De etnische spanningen in Kosovo waren complex en hadden diepe wortels. Het Memorandum geeft hier geenszins een wetenschappelijke reflectie van In plaats daarvan werd een vijandbeeld gecreëerd. Albanese nationalisten werden beschuldigd van het plegen van genocide en betiteld als neofascisten. De retoriek had het doel de autonomie van Kosovo ongedaan te maken, waarmee de Albanese meerderheid het recht op zelfbestuur zou worden ontnomen. Als het uiteenvallen van Joegoslavië vreedzaam was verlopen, was de kritiek op het Memorandum ongetwijfeld minder geweest. De oorlog leidde echter tot oorlogsmisdaden op grote schaal, waaronder de etnische zuiveringen van onschuldige burgers. Het nationalisme heeft een grote rol gespeeld in de schaal en intensiteit van het conflict. Met de dood van Tito en de latere val van het communisme kwam er in Joegoslavië plaats voor nieuwe politieke bewegingen. Deze bewegingen hadden in vrijwel alle Joegoslavisch republieken een nationalistisch karakter. Omdat het Memorandum een van de eerste uitingen was van Servisch nationalisme sinds de dood van Tito, is het document meer in de belangstelling komen te staan. Verschillende journalisten en historici hebben geprobeerd de gevolgen van het Memorandum voor het Servische nationalisme en de daarmee gepaarde opkomst van Slobodan Milosovic te duiden. Belangrijk in het debat over de gevolgen van het Memorandum, is de vraag welke invloed deze heeft gehad op het Servische nationalisme. Vaak wordt naar de ophitsende retoriek verwezen die geweld zou legitimeren. Volgens de Nederlandse onderzoekers Tom Zwaan en Bob de Graaf bood het Memorandum: ‘het soort diagnose dat ten grondslag ligt aan extreem geweld tegen out-groups en dat althans ten dele realistisch is en een mengeling vormt van historische feiten, halve waarheden, mythen en ressentiment, die evenwel veel mensen die zich in een dergelijke crisis bevinden sterk kan aanspreken.’ Het Nederlandse Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) publiceerde in 2002 een onderzoek naar de gebeurtenissen rond de val van de moslimenclave Srebrenica in Bosnië. In de proloog van dit omvangrijke rapport wordt ook de invloed van het Memorandum gewogen: ‘Ook al was de intelligentsia misschien [..] veeleer de vertolker van gevoelens die al onder bredere lagen van de bevolking leefden dan de bedenker er van, zij zorgde met het memorandum wel voor een platform en een legitimering van het Servische nationalistische ideeëngoed.’ Het NIOD geeft veel gewicht aan het Memorandum: ‘Het memorandum werd in feite het ideologische uitgangspunt van Slobodan Milosevic […]’. De Nederlandse journalist Frank Westerman, die ook in het NIOD rapport wordt geciteerd, veroordeelt het Memorandum in nog scherpere verwoordingen: ‘De oorspronkelijke roep tot het opwaarderen van de Servische macht binnen de Joegoslavische federatie, die onherroepelijk tot oorlog zou leiden, kwam niet van de leider, niet van het volk, maar van de denkers. Voor de uitvoering van hun project -het memorandum- hadden ze in Milosevic de juiste aannemer gevonden.’ Ook buitenlandse publicaties hekelen de negatieve invloed van het Memorandum op het nationalisme. Branimir Anzulovic beschrijft in zijn boek, ‘Heavenly Serbia. From Myth to Genocide’ over de Servische oorsprongsmythe, de invloed van het Memorandum: ‘Because of the prestige of its authors, the Memorandum reinforced the conviction that the Serbs have been abused by their neighbours, who allegedly were plotting there destruction.’ Ook Anzulovic is van mening dat het Memorandum geweld legitimeerde en een ideologisch platform voor de politiek van Milosevic was. De Servische historicus Olivera Milosavljevic vindt de contradicties in het Memorandum te groot om er een consistente ideologie of programma uit te herleiden. Wel wijst ze op de steun die de SAWK de Servische overheid verleende tijdens de opkomst van Milosevic: ‘Not a single political document (announcement) issued by the Academy between 1988 and 1992, nor any statement by its leadership, challenged offical Serbian politics either globally or on specific points. On the contrary, the gouverment and the Academy expressed identical positions with regard tot political events.’ Historicus Naol Malcolm beschrijft in zijn boek ‘Kosovo a short history’ hoe alle oude nationalistische ressentimenten werden samengebracht in het Memorandum. Ook hij ziet in het Memorandum steun voor regering Milosevic. ‘With good reasons, this Memorandum has been seen in retrospect as a virtual manifesto for the ‘Greater Serbian’ policies pursued by Belgrade in the 1990s.’ Volgens de Belgische historicus Raymond Detrez maakte Milosevic ‘van de eisen die in de documenten [het Memorandum en de Petitie] geformuleerd werden zijn eigen politieke programma.’ Kritiek op het Memorandum en de SAWK was omvangrijk en vaak terecht. De druk op de SAWK werd groter naarmate de politiek het Memorandum in scherpe bewoordingen veroordeelde. Politieke leiders zagen het Memorandum als een nationalistisch programma dat de basis kon worden van een nieuwe beweging. De academie bleef zich verdedigen met het argument dat het Memorandum een onofficieel document betrof. Dit argument is niet overtuigend omdat de SAWK nooit afstand nam van het Memorandum, of de inhoud ervan betwistte. In de Verenigde Staten publiceerde een groep Kroatische emigranten een anti-memorandum welke het document sterk veroordeelde. Er is een debat ontstaan over de betekenis en de invloed van het Memorandum op het Servische nationalisme. De schrijvers van het Memorandum stelden dat het document geen nationalistische elementen bevatte. Toch zijn deze elementen wel degelijk te vinden in het Memorandum. Hoewel het Memorandum het idee van een ‘Groot-Servië’ niet direct uitdroeg, kon de oproep tot meer Servische eenheid deze ideeën wel aanwakkeren. Historici en journalisten zijn opvallend eensgezind over de invloed van het Memorandum op het Servische nationalisme. De algemene opvatting is dat het Memorandum door de autoriteit van haar schrijvers nationalistische ideeën legitimeert. Daarmee heeft het Memorandum de opkomst van Slobodan Milosevic gesteund en de inhoud van zijn politieke programma mede bepaald. CONCLUSIE De historische literatuur kwalificeert het Memorandum als een document dat nationalistische denkbeelden legitimeerde. Daarmee is de betekenis van het Memorandum voor het Servische nationalisme echter nog niet gegeven. De vraag blijft, op welke wijze het Memorandum deze positie kon verkrijgen. De autoriteit van de schrijvers heeft ongetwijfeld meegespeeld maar de retoriek in het Memorandum is minstens zo belangrijk. Als men het Memorandum leest, valt de vorm van de retoriek op. De schrijvers spelen in op emoties van onrechtvaardigheid, etnische verwantschap en machteloosheid. Daarnaast formuleert het Memorandum een duidelijk vijandbeeld en speelt het in op de historische trauma’s van de Serviërs. In het tweede hoofdstuk zagen we hoe de schrijvers inspelen op de emoties van de lezer van het Memorandum. De oorzaken van de Joegoslavische politieke- en economische crisis wordt gelegd bij de ontstaansgeschiedenis van Joegoslavië, de markthervormingen van 1966 en de grondwetswijziging van 1974. Volgens het Memorandum zijn alle drie de uitkomst van samenzweringen. Kroatië en Slovenië, bang voor een economisch sterk Servië, onderdrukken de Serviërs door het economisch te onderdrukken. De Servische bevolking wordt bovendien politiek onderdrukt door het recht op een eigen staat hen wordt te ontzeggen. Het Memorandum richt zich op de gevoelens van de lezer door te stellen dat het Servische volk onrechtvaardig wordt behandeld terwijl zij tijdens de Tweede Wereldoorlog de grootste offers hadden gebracht. Het laat ook de onmacht van Servië zien. Ze kunnen zich niet verweren tegen de ‘permanente coalitie’ van haar tegenstanders. In het derde hoofdstuk hebben we gezien hoe de retoriek in het Memorandum zich toespitst op de situatie in Kosovo. De zogenaamde ‘exodus’ van Servische minderheden uit Kosovo, die het gevolgd zou zijn van een ‘genocide’ uitgevoerd door de Albanese meerderheid, was volgens het Memorandum het resultaat van de autonomie die de provincie kreeg in de grondwetswijziging van 1974. De schuld voor deze misstanden lag daarmee zowel bij Kroatië en Slovenië, als bij de Servische autoriteiten die deze situatie hadden laten ontstaan. Kosovo wordt door de schrijvers bestempeld als de bakermat van de Servische cultuur. De zogenaamde verdrijving van Serviërs uit Kosovo was daarmee de ‘grootste nederlaag in vredestijd’ uit de Servische geschiedenis. We kunnen daarom stellen dat ook hier het Memorandum een vijandbeeld in de vorm van een samenzwering uitgevoerd door Kroatië, Slovenië en de Servische autoriteiten creëert. Ze ageert aan een historisch trauma door te stellen dat Servië zijn culturele bakermat verliest. Ook hier speelt het Memorandum in op de sentimenten van de Servische lezer. De Servische bevolking in Kosovo staat machteloos tegen het Albanese geweld en de samenzwering van de Joegoslavische republieken. De onrechtvaardigheid van de situatie is evident doordat de Serviërs gedwongen worden hun culturele geboortegrond te ontvluchten. De retoriek in het Memorandum toont ons ook dat het document niet moet worden gezien als wetenschappelijk. Kwalificaties in het Memorandum van de ‘genocide’ die op de Servische Kosovaren zou worden uitgevoerd en de ‘exodus’ die daarop zou zijn gevolgd, waren gebaseerd op partijdig onderzoek. De schrijvers zijn bevooroordeeld door onvoorwaardelijk partij voor de Servische bevolking te kiezen. Ingewikkelde processen in de Joegoslavische geschiedenis worden enkel vanuit Servisch oogpunt bekeken. Misdaden tegen Serviërs worden uitvergroot, zoals het geval is bij de zaak Martinovic, maar Servische misdaden tegen Albanezen, zoals de campagne van Rankovic, worden niet genoemd. Omdat objectiviteit en precisie in het Memorandum ontbreken kan het document niet worden gekarakteriseerd als wetenschappelijk. Zoals we hebben gezien in het eerste hoofdstuk, had een groot deel van de leden van het Memorandum Comité een politiek profiel. Een deel van de schrijvers zou zich later aansluiten bij de beweging van Slobodan Milosevic. Dit versterkt de indruk dat de academici van de SAWK zich eerder gedroegen als politieke activisten dan als wetenschappers. Doordat de schrijvers van het Memorandum een politiek manifest publiceerden, hebben zij de wetenschap misbruikt voor politieke doeleindes. LITERATUURLIJST Anstadt, M., Servië en het Westen. Een historische schets van Joegoslavië en de Balkan (zp 1999). Anzulovic, B., Heavenly Serbia. From myth to genocide (Londen 1999). Blom, J.C.H e.a., Srebrenica, een ‘veilig gebied’. Reconstructie, achtergronden, gevolgen en analyses van de val van een Safe Area (Amsterdam 2002). Caljé, P.A.J. en J.C. den Hollander, De nieuwste geschiedenis. Overzicht van de algemene, contemporaine geschiedenis. Vanaf 1870 tot heden (Zutphen 2005). Detrez, R., Kosovo. De uitgestelde oorlog (Antwerpen 1999). Dimitrijevic, V., ‘The 1974 Constitution as a factor in the collapse of Yugoslavia or as a sign of decaying totalitarianism’, in: N. Popov e.a., The road to war in Serbia: trauma and catharsis (Budapest 2000). Dragovic-Soso, J., Saviours of the nation: Serbia’s intellectual opposition and the revival of nationalism (zp 2002). Erkisen, J. en F. Stjernfelt., ‘The memorandum: Roots of Serbian nationalism. An interview with Mihajlo Markovic and Vasilije Krestic’ (gepubliceerd, 8 juli 2005). http://www.eurozine.com/articles/2005-07-08-eriksen-en.html (6 augustus 2010). Krestic, V., Through genocide to a greater Croatia (Belgrado 1998). Lampe, J.R., Yugoslavia as history. Twice there was a country (Cambridge 2002). Mazower, M., Duister Continent. Europa in de twintigste eeuw (zp 2006). Mihailovic, K. en V. Krestic., Memorandum of the Serbian Academy of Sciences and Arts. Answers to Criticisms (Belgrado 1993). Milosavljevic, O., ‘The Abuse of the Autority of Science’, in: N. Popov e.a., The road to war in Serbia: trauma and catharsis (Budapest 2000). Pearson, O., Albania in occupation and war: From fascism to communism 1940-1945 (Londen 2005). Stallaerts, R., Afscheid van Joegoslavie. Achtergronden van de crisis (Apeldoorn 1992). Stallaerts, R., ‘The disintegration of the Yugoslav intellectual community’ in: B. Coppieters e.a., Secession, history and the social sciences (Brussel 2002). Westerman, F., De brug over de Tara (zp 2007). Zwaan, T. en B. de Graaf, Genocide en de crisis van Joegoslavië 1985-2005. Nationalisme, staatsmacht en massamoord (Amsterdam 2005).

About the author:

Back to Top