Het feest der onbeduidendheid

Het feest der onbeduidendheid

Het feest der onbeduidendheid

Reacties uitgeschakeld voor Het feest der onbeduidendheid

Op zondag 12 oktober vond in Amsterdam Het feest der Onbeduidendheid plaats, naar aanleiding van de nieuwste roman van Milan Kundera. Een reportage.

“Dit boek legt uit de gedachten die niet verwoord kunnen worden.” Dit was de boodschap die een Bosnische migrant in een exemplaar van Onwetendheid (2001) had geschreven, van de Tsjechische schrijver Milan Kundera (1929-). De meesten zullen hem kennen van zijn beroemde roman De ondraaglijke lichtheid van het bestaan (1984). Dit boek gaf de migrante vervolgens aan de echtgenote van NRC-criticus Arjen Fortuin. Deze zin benadrukt dat Kundera’s boeken het werk zijn van een migrant. Zijn oeuvre kan worden gezienals een reflectie op de situatie waarbij iemand uit een vertrouwde omgeving wordt weggerukt en vervolgens voorzichtig zoekend kennismaakt met een nieuw thuis. Dit jaar breidde de inmiddels 85-jarige auteur dit oeuvre uit met de korte roman Het feest der onbeduidendheid. Dit werd op zondag 12 oktober in De Balie te Amsterdam gevierd. Een zeer diverse groep sprekers belichtte verschillende aspecten van zijn werk. Het beeld van Kundera als migrant verheldert naar mijn mening veel van wat er op deze middag is gezegd.

De inleiding werd verzorgd door Fortuin, waarna hij in discussie ging met schrijfster Désanne van Brederode en Jonge Historicus Arnout le Clercq. Vervolgens spijkerde Dirk van der Straaten, Hoofd Cinema van De Balie, het publiek bij over de Tsjechische filmcultuur tijdens de Praagse Lente. Tot slot sprak Tim Fransen (cabaretier, filosoof en gevoelsmens) over de rol van grappen in de nieuwe roman. Het geheel werd gepresenteerd door Nederlands programmamaker, presentatrice en columniste Isolde Hallensleben, die met een passende onbeduidendheid aftrapte door te vertellen dat de schrijver waarover het deze middag zou gaan ‘KUNdera’ heet en niet ‘KunDEra’, zoals de meeste aanwezigen inderdaad dachten.

Maar laten we nu terugkeren naar de migrant, de schrijver die een vertrouwde omgeving achter zich liet. Zijn vertrek uit Tsjecho-Slowakije was het moment waarop het afstand nemen van zijn wortels het meest zichtbaar werd. Le Clercq wees erop dat Kundera in zijn vaderland niet meer kon publiceren nadat de tanks uit de Sovjet Unie de Praagse Lente van 1968 op brute wijze tot een eind hadden gebracht. In 1970 werd hij ook nog eens uit de Communistische Partij gezet. Zijn hoop om in zijn eigen land een bijdrage te kunnen leveren aan een vrijere samenleving nam met het jaar af. In 1975 besloot hij daarom omnaar Frankrijk te verhuizen. De romans van Kundera die in Frankrijk zijn geschreven gaan zowel over zijn geboorteland als over zijn nieuwe thuisland. In de jaren negentig had hij zich het Frans zo goed eigen gemaakt, dat hij voortaan zijn romans in deze taal schreef.

Het is niet vreemd dat een dergelijk bewogen persoonlijke geschiedenis iets doet met een auteur en zijn werk. Fortuin wees er bijvoorbeeld op dat Kundera geneigd is overdreven veel uit te leggen in zijn romans. Van Brederode merkte op dat zijn personages zelden echt tot leven komen: zijn boeken lijken meer te gaan over ideeën over mensen dan over echte mensen van vlees en bloed. Kundera’s verhuizing verklaart wellicht deze drang tot uitleggen. In zijn nieuwe land moest hij de vanzelfsprekendheden van zijn geboorteland missen. Het was voor hem onduidelijk wie welke culturele referentie kon oppikken. Extra uitleg was dus nodig. Een van de dingen die Kundera’s boeken zo prettig leesbaar maken, is echter dat zijn voortdurende analyses en uitweidingen vaak niet storend zijn maar juist weldadig aandoen.

De distantie van de schrijver ten opzichte van zijn personages is misschien ook gerelateerd aan zijn vertrek uit Tsjecho-Slowakije. De in het publiek aanwezige Kees Mercks, vertaler van het werk van de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal (1914-1997), legde uit dat Kundera met het oversteken van de landsgrens zich van meer dan alleen zijn geboorteland losmaakte. Het was ook een loslaten van de diepgewortelde wereldbeschouwing waarmee hij was opgegroeid. Als jongeman was de schrijver een overtuigd communist. Het communisme was voor hem een romantisch ideaal. De poëzie die hij in deze periode schreef paste in zijn ogen hierbij. Zijn breuk met het Tsjecho-Slowaakse communisme was voor hem ook een breuk met zowel de poëzie als de romantiek. Zijn distantie ten opzichte van zijn personages is mogelijk een product van een toegenomen afstand tot het romantische saamhorige idealisme dat zijn jongelingsjaren tekende.

v.l.n.r. Désanne van Brederode, Arnout le Clercq, Arjen Fortuin en Isolde Hallensleben

v.l.n.r. Désanne van Brederode, Arnout le Clercq, Arjen Fortuin en Isolde Hallensleben

In plaats van romanticus werd Kundera een pleitbezorger van de filosofie van de Verlichting. Als verlichtingsdenker in Frankrijk staat hij in een lange traditie, waar hij verbazend goed in past. Een geschiedenis van de Verlichting in Frankrijk kan het beste worden begonnen bij het werk van de Franse filosoof en wiskundige René Descartes (1586-1650) en dan met name bij Meditaties over de eerste filosofie (1641). In de eerste bladzijden van dit werk distantieert de filosoof zich van de wereld: hij betwijfeld haar in al haar verschijningsvormen om deze op latere pagina’s te herinterpreteren. Kundera’s boeken kunnen ook als meditaties gelezen worden. En net als Descartes helpt de meditatie zowel om afstand ten opzichte van de wereld te creëren als om haar te begrijpen. Kundera’s meditatieve beschrijving van zijn eerdere roman Het boek van de lach en de vergetelheid (1979) beschrijft ook zijn nieuwe boek goed: “Heel dit boek is een roman in de vorm van variaties. De afzonderlijke delen volgen elkaar op als afzonderlijke etappen van een reis die leidt naar de kern van een thema, de kern van een gedachte, de kern van een enkele situatie, waarvan het begrip mij ontgaat in het onafzienbare.”

Maar wat is deze kern? De titels van een flink aantal van zijn romans lijken een hint te geven: De grap (1967), Lachwekkende liefdes (1969), Het boek van de lach en de vergetelheid (1979), De ondraaglijke lichtheid van het bestaan (1984), Het feest der onbeduidendheid (2014). De grap, lichtheid en onbeduidendheid lijken belangrijke thema’s te zijn in Kundera’s werk. De grap was dan ook Kundera’s eerste roman. In 1968 werd deze verfilmd. Toen de Tsjecho-Slowaakse autoriteiten doorhadden dat zij het onderwerp van deze grap waren, werd de film echter verboden, zo leerde Van der Straaten ons. Grap en autoriteit bleken elkaar slecht te verdragen.

Tim Fransen ging dieper in op de functie van de grap. Volgens Fransen kunnen we zowel lachen om anderen als om onszelf. Kundera nodigt zijn lezers niet uit om iemand uit te lachen. Integendeel, hij vraagt ons eigenlijk voortdurend om onze eigen onbeduidendheid te herkennen en erom te lachen. Sterker nog, “[…] we moeten de onbeduidendheid niet alleen herkennen, we moeten van haar houden, van haar leren houden. […] adem de onbeduidendheid die ons omringt, het is de sleutel tot wijsheid, het is de sleutel tot een goed humeur ….”, aldus een van Kundera’s personages in Het feest der onbeduidendheid. Zo toont Kundera’s humor ons de onbeduidendheid en onvolmaaktheid die ieder mens bezit en biedt hij ons een goed humeur in plaats van een romantisch ideaal. Dit verklaart ook waarom Kundera’s gedistantieerde humor en Tsjecho-Slowakije’s sterk ideologische autoriteit met elkaar op gespannen voet stonden.

Uiteindelijk is Kundera’s humor een schepping van iemand die zich van zijn wortels losgerukt heeft. De grap van de onvolmaaktheid staat lijnrecht tegenover de serieusheid van de romantiek uit zijn jeugd. Sympathie voor het onbeduidende vloekt met de verhevenheid van het werkelijk bestaande socialisme van zijn vaderland. Kundera heeft Tsjecho-Slowakije, communisme, romantiek en poëzie achter zich gelaten. Hij heeft hiervoor Frankrijk, verlichtingsfilosofie, meditatie en een gevoel voor humor teruggekregen. Hij lijkt zich daarbij steeds meer op zijn gemak te voelen. Het feest der onbeduidendheid is misschien wel zijn meest meditatieve en humoristische roman tot nu toe.

Tot slot zou ik namens Jonge Historici alles sprekers op dit ‘feest der onbeduidendheid’ willen bedanken. Daarnaast gaat onze dank ook uit naar onze medeorganisatoren; Ambo|Anthos uitgevers, De Balie en Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA).

 

chris

Christiaan Engberts (1982) studeerde in Leiden filosofie en geschiedenis. Sinds 2013 werkt hij aan dezelfde universiteit als promovendus binnen het onderzoeksproject ‘The Scholarly Self: Character, Habit, and Virtue in the Humanities, 1860-1930′.

About the author:

Back to Top