“Het Japanse museum” : Hoe kunst, cultureel erfgoed en identiteit werden gevormd onder leiding van Okakuro Kakuzo, 1862-1913

“Het Japanse museum” : Hoe kunst, cultureel erfgoed en identiteit werden gevormd onder leiding van Okakuro Kakuzo, 1862-1913

“Het Japanse museum” : Hoe kunst, cultureel erfgoed en identiteit werden gevormd onder leiding van Okakuro Kakuzo, 1862-1913

1 reactie op “Het Japanse museum” : Hoe kunst, cultureel erfgoed en identiteit werden gevormd onder leiding van Okakuro Kakuzo, 1862-1913
Door Edwin Pietersma

Niets leek onmogelijk in Meiji-Japan. Het nieuwe tijdperk, dat begon in 1868 en eindigde in 1912, was een periode die het land fundamenteel veranderde. Deze tijd was niet eenduidig, maar juist vol met paradoxen. Als iemand dat wel bewijst is het Okakua Kakuzo of Okakura Tenshin (1862-1913), een man vol met tegenstrijdigheden, maar ook een persoon die een blijvende stempel op Japan heeft gedrukt. Hoewel hij in het Westen slechts bekend is als politiek activist, heeft hij in het land ook een heel andere manier veranderd. Met het vormen van een collectieve  Japanse identiteit en het propageren van nationaal erfgoed en kunst, om zo ten strijde te trekken tegen de verwestering. Wie was deze man en hoe kon hij het land zo vormen, terwijl hij tegelijkertijd ook zo’n product van zijn tijd was?

Okakura Kakuzo in 1898. Foto: Wikimedia Commons

Revolutionaire restauratie

Om Okakura te begrijpen is een korte voorgeschiedenis nodig. In 1853 kwam er met de komt van de “zwarte schepen” van Commodore Perry een einde aan meer dan tweehonderd jaar rust en vrede. Deze Amerikaanse generaal dwong Japan om zich open te stellen voor Westerse handel op ongelijke termen en de angst voor een kolonisatie van het land, zoals ook met China gebeurde na de Opium-oorlog (1839-1842). De macht van de militaire leider verbrokkelde langzaam en er ontstond onrust, wat uiteindelijk uitmondde in een burgeroorlog (1868-1869). Een groep van keizergezinden vonden dit het perfecte moment om de 15-jarige prins genaamd Mutsohito (1852-1912) te kronen en de macht terug te geven aan de keizerlijke familie, die het eeuwen eerder verloren had. Dit word ook wel de Meiji-Restauratie genoemd, hoewel de term revolutie toepasbaarder is. Tot vandaag de dag wordt de periode die volgde als de meest ingrijpende in de Japanse geschiedenis gezien, samen met de Amerikaanse bezetting van het land na de Tweede Wereldoorlog.

De nieuwe keizer, onder de regeringsnaam Meiji, was er zich bewust van dat als Japan niet veranderde, het land binnen enkele jaren een slaaf zou worden van andere landen. Hij besloot informatie te verzamelen over het Westen en te leren hoe zij ze moest verslaan. Een groep diplomaten werd op reis gestuurd en verscheidene Japanners kregen de mogelijkheid om in het Westen te studeren. Dit leverde vervolgens prestige op voor deze studenten, waardoor ze snel in hoge posities kwamen in de Japanse maatschappij. Daarnaast werden er op grote schaal buitenlanders in dienst genomen om het land te moderniseren: van Nederlandse ingenieurs tot Franse adviseurs en Amerikaanse docenten. De overheid nam de Pruisische grondwet als basis voor de Meiji-grondwet en het Amerikaanse model als voorbeeld voor het nieuwe schoolsysteem. Binnen enkele tientallen jaren kon het land zelf een machtige speler worden. Zo versloeg Japan China in 1895 (de eerste Sino-Japanse oorlog), waardoor Taiwan onder Japanse administratie viel en in 1905 de Russen, waardoor Korea Japans werd (de Russisch-Japanse Oorlog). Deze twee oorlogen werden  als een grote schok ervaren in het Westen, omdat Japan in minder dan veertig jaar een blank leger kon verslaan en dus de vermeende raciale superioriteit van Europeanen en Amerikanen in kwestie trok. Voor de Japanners bleek dit ook een omslagpunt te zijn: het land was een belangrijke speler in de wereld geworden. Door verschillende historici wordt het gezien als het begin van het Japans imperialisme, dat uiteindelijk eindigt in de Tweede Wereldoorlog. Het land was tot in haar wortels veranderd. Dat het land zelfs niet meer herkenbaar was voor Japanners na veertig jaar is wel het best omschreven door de Japanse schrijver Natsume Soseki: “Toen, in hartje zomer, verscheidde keizer Meiji (…) en ik werd hevig aangegrepen door het gevoel dat wie van ons nog langer in leven bleef, een anachronisme zou zijn.”[1]

Okakura Kakuzo

Tegen deze achtergrond, een van fundamentele angst, verandering en identiteitscrisis, speelde het leven van Okakura Kakuzo af. Geboren in 1862 in Yokohama maakte hij de veranderingen van dichtbij mee: zijn geboortestad was een havenstad waar veel spanningen waren door de aanwezigheid van buitenlanders. Weinig is bekend over zijn jeugd, behalve dat hij in onderwijs ging bij Engelse missionarissen. Dit was nog voor de verandering van het schoolsysteem. Toen in 1877 werd de eerste universiteit van het land gesticht, namelijk de Keizerlijke Universiteit in Tokio. In hetzelfde jaar ging Okakura, op vijftienjarige leeftijd, als student verschillende colleges volgen. De lessen van de Amerikaanse politicoloog Ernest Fenollosa (1853-1908) zouden hem het meeste bij blijven. Fenollosa, die filosofie en sociologie had gestudeerd aan Harvard, was ingehuurd door de Japanse overheid om politieke economie en filosofie te geven. Zijn interesses lagen echter in de kunst. Zo was hij een fervent bezoeker van tempels en verzamelde hij Japanse kunst. Tegenwoordig wordt hij gezien als de bedenker van het concept nihonga, een alomvattende term voor Japanse kunst tegenover Westerse kunst. In 1882 werd hij dan ook ingehuurd door de Japanse overheid om een overzicht te maken van Japanse cultureel erfgoed in verscheidene tempels. Deze interesse voor kunst en Japan stimuleerde hij ook in Okakura, die zijn pupil werd en onder andere in 1866 samen met Fenollosa naar Europe reisde om kunst te bekijken. Ze bezochten verschillende ateliers, musea en kunstacademies, betaald door de Japanse overheid, om het succes van deze instituten te onderzoeken. Deze kennis van hoe in het Westen kunst werd gezien en hoe kunstenaars werden getraind zou dan weer in Japan geïmplementeerd kunnen worden. De vorming van Okakura, als kind en op het gebied van kunst, was gevormd door deze (Westerse) ervaringen.

Ernest Fenollosa, ca. 1890. Foto: Wikimedia Commons

Dit alles leidde tot vele carrièremogelijkheden voor Okakura: hij kwam in het bestuur van de Tokio Academie voor de Schone Kunsten terecht en werd het hoofd van de kunstafdeling van de universiteit waar hij aan gestudeerd had. In dezelfde periode richtte hij Kokka op, een van de eerste tijdschriften voor de schone kunsten in het land. In 1889 werd hij gepromoveerd tot directeur van het eerste museum van het land, het Keizerlijke museum te Tokio. Het museum was opgericht in 1872 en had heen centrale functie in het creëren van erfgoed en een nationale identiteit. Dit kwam doordat het museum direct onder het Ministerie van Onderwijs en later onder de Ministerie van Keizerlijke Zaken stond en een directe afspiegeling moest worden van de Japanse identiteit volgens de principes van de overheid. Zo werden voorwerpen uit de net geannexeerde gebieden naar Tokio gebracht en tentoongesteld in het museum en voorwerpen van de Keizerlijke families. Hierbij kregen voorwerpen een andere betekenis. Een voorbeeld is de presentatie van landbouwwerktuigen, die voor het eerst werden geïnterpreteerd als religieus en dus buiten hun sociale context werden geplaatst. Daarnaast besloot het Ministerie van Onderwijs in 1880 dat alle voorwerpen die een historische of culturele waarde konden bezitten naar het museum moesten, waar ze geclassificeerd konden worden als erfgoed. Indien ze een waarde hadden, kreeg het museum het eerste recht om het aan te schaffen of de vinder financieel te compenseren. Het had dus een monopolie op culturele voorwerpen in het land en had de macht om te bepalen wat erfgoed was of niet. Naast deze landbouwwerktuigen kwamen ook voorwerpen uit tempels en kunst hiervoor in aanmerking. De rol van Okakura tijdens zijn tijd als directeur was om dit beleid uit te voeren, aan te scherpen en twee regionale museums te stichtten in de oude hoofdsteden Nara en Kioto. In deze musea lag de nadruk op de regionale geschiedenis en het belang van de steden in de nationale geschiedenis. Deze voorwerpen en hun representatie behoorden tot de kern van de nieuwe identiteit. Okakura legde hiervoor de basis.

De voorkant van het huidige Nationaal Museum te Kioto, zoals gesticht door Okakura Kakuzo. Foto: Wikimedia Commons

Deze positie hield Okakura tot 1898, het jaar waarin hij ontslag nam. De reden hiervoor is onzeker, maar het kan te maken hebben met zijn overmatig drankgebruik en overspel, dat hij pleegde met de vrouwen van zijn pupillen. Meerder hoge lieden binnen het Ministerie van Onderwijs stapten op en gezamenlijk richtten ze de Japanse kunstacademie op. Tevens begon Okakura te reizen door Azië en schreef hij na een bezoek aan India het werk The Ideals of the East. Hierin beschreef hij de cultuur en kunst van Azië met als doel om het Westerse publiek te informeren en kennis te laten maken met de unieke cultuur ten opzichte van het Westen. Volgens Okakura was het Westen leeg: het had haar identiteit verloren. Daar tegenover stond Azië, dat een rijke geschiedenis en cultuur kende. Azië moest dus leidend worden om een nieuw ideaal voor de mensheid te vormen, gebaseerd op Aziatische principes. Japan was het beste geschikt hiervoor, omdat het land een “museum van de Aziatische beschaving” was, in de zin dat het alle goede eigenschappen vanaf het Aziatische vasteland had overgenomen.[2] Met dit werk werd Okakura wereldberoemd als politiek activist en is het nog steeds de reden dat hij bekend is buiten Japan. Na de publicatie reisde hij door de wereld om lezingen te geven en dit standpunt verder uit te breiden. Zijn apathie tegen het Westen werd steeds duidelijker. Zo schreef hij in een privé-correspondentie naar zijn voormalige docent Fenollosa dat door het introduceren van buitenlandse beelden Japan haar kracht in de kunst vermoordde.[3] Toch weerhield dit hem niet om zelfs in de Verenigde Staten te gaan wonen en te werken als curator voor Chinese en Japanse kunst voor het Museum of Fine Arts in Boston. Hij vervulde deze functie tot zijn dood in 1913, waarbij hij gedeeltelijk in Japan en de Verenigde Staten woonde.

Paradox tussen Oost en West

Okakura’s ideologie bestond dus uit twee aspecten: enerzijds de vorming door het Westerse gedachtegoed over wat Japan en Azië moest zijn, maar tegelijkertijd een apathie tegen het Westen an sich. Dit blijkt uit zijn politieke werken en privé-correspondentie, maar ook in het feit dat hij een soort Oriëntalistische blik overneemt als in “West” tegen het “Oosten.” Met de industrialisatie en verandering van Japan in haar kernwaarden die Okakura van dichtbij meemaakte, kan het zijn dat hij teleurgesteld was door deze verandering en zijn land niet meer terug herkende; dat hij een vergelijkbaar gevoel had als Natsume Soseki beschrijft. Het blijft echter onduidelijk waar zijn apathie tegen het Westen vandaan kwam. Hier bestaat dan ook veel discussie over.

Een ding is echter wel duidelijk: de tegenstellingen in Japan, met al haar Westerse invloeden na 1868, kwamen duidelijk in Okakura naar voren. Tegelijkertijd heeft hij zelf ook een cruciale stempel gedrukt op de Japanse identiteit en kunst. Dit door zijn actieve rol in de Japanse kunstwereld door zijn tijdschrift, zijn werk bij de Tokio Academie voor de Schone Kunsten en als directeur, waarbij hij hielp met het oprichten van twee musea die een sterke focus hadden op de lokale en nationale geschiedenis van het land. Als laatste speelt zijn politiek activisme hierbij een rol. Met zijn verwestering trok hij ten strijde tegen deze verwestering, waarmee hij deze paradox in zichzelf verenigde en het land probeerde om te vormen tot een eigen museum.

 

Edwin Pietersma (1993) heeft in Groningen de bachelor Geschiedenis afgerond met een focus op moderne Japanse geschiedenis (i.h.b. Meiji-periode, 1868-1912). Zo studeerde hij een jaar aan Osaka University in Japan en studeerde hij af op de totstandkoming van musea en de invloed op de nationale identiteit van het land. Op dit moment studeert hij Asian Studies met een specialisatie op erfgoedstudies en Japan aan de Universiteit Leiden. Met zijn onderzoek wil Edwin het Nederlandse publiek meer bekend maken met Oost-Azië en de bijzondere relaties tussen verschillende landen, met name op het gebied van (gedeeld) cultureel erfgoed.

 

 

LEES HIER DE SCRIPTIE WAAR DEZE LONGREAD OP GEBASEERD IS EN BEKIJK HIER ALLE SCRIPTIES VAN DE UITGEVERIJ.

WIL JIJ OOK JE SCRIPTIE PUBLICEREN EN EEN LONGREAD SCHRIJVEN? STUUR DAN NU JE STUK OP.

NOTEN

[1] Natsume Soseki, Kokoro: de wegen van het hart, vertaald door Luk van Haute (Amsterdam 2014), 258.

[2] Okakura Kakuzo, Collected English Writings, vol. I (Tokyo 1984), 13.

[3] Ibid., 16 en ibid., vol. III, 25

About the author:

1 Comment

Nieuwsbrief

Back to Top