Historici, waar zijn jullie?

Militair ingrijpen in Syrië moet historici aansporen het verleden van het Midden-Oosten weer onder de aandacht te brengen, aldus Rik van der Vlugt.

Waar is de historische duiding van de Westerse relatie met het Midden-Oosten? Barack Obama stelde 31 augustus dat de Verenigde Staten een aanval zouden moeten uitvoeren op Syrië. De daaropvolgende dagen is de Amerikaanse president steun gaan zoeken in het Congres om een dergelijke aanval democratische legitimiteit te geven. Een Westerse mogendheid staat op het punt om een land in het Midden-Oosten aan te vallen – dit is niet de eerste keer dat het Westen zich mengt in het complexe Midden-Oosten. Het geheugen van de maatschappij lijkt echter niet verder te reiken dan zo’n tien jaar en het enige wat men zich herinnerd is de invasie in Irak. Maar de geschiedenis van de Westerse inmenging in het Midden-Oosten gaat uiteraard verder.

Groot-Brittannië en Frankrijk bemoeiden zich al met het gebied toen het Ottomaanse Rijk nog bestond. Zo viel Napoleon Bonaparte in 1798 Egypte binnen. Na de val van het Ottomaanse Rijk werd in 1920 het mandaatsysteem geïmplementeerd waardoor een groot deel van het Midden-Oosten onder het bestuur van Groot-Brittannië en Frankrijk kwam. Deze vorm van imperialisme ligt nog vers in het geheugen van de Arabieren en Westerse bemoeienis wordt dan ook snel bestempeld als een nieuwe vorm van  imperialisme.

Vervolgens brak de Tweede Wereldoorlog uit, waarin het Westen het eveneens nodig achtte om haar belangen in het Midden-Oosten veilig te stellen. Hierbij valt te denken aan de Britse campagne om Irak weer onder zijn hoede te krijgen om zo de olievoorraden veilig te stellen. Gedurende de Koude Oorlog vochten de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie hun conflict onder andere uit in het Midden-Oosten. Zo werd Israël gesteund door de Verenigde Staten, en de Arabische landen ontvingen steun van de Sovjet-Unie. Een opmerkelijke gebeurtenis tijdens de Koude Oorlog was de Suezcrisis in 1956, waarbij Israël, Frankrijk en Groot-Brittannië een aanval openden op Egypte vanwege een blokkade van het Suezkanaal. Zowel de Verenigde Staten als de Sovjet-Unie veroordeelden deze aanval. Tot slot zijn er de golfoorlogen en het ingrijpen in Libië van 2011.

Deze incomplete opsomming toont aan dat de Westerse bemoeienis in het Midden-Oosten niet enkel een contemporain, maar ook een historisch fenomeen is. De relatie tussen het Midden-Oosten en het Westen lijkt ook vandaag de dag voornamelijk te worden gekenmerkt door conflicten. Er is echter ook handel in bijvoorbeeld olie en wapens, en zijn er diverse bondgenootschappen tussen de Verenigde Staten en Golfstaten.

Historische duiding
Neemt de noodzaak van historische duiding toe wanneer er een conflict ontstaat of dreigt te escaleren? De geschiedenis vormt een belangrijk onderdeel in de verklaring van een conflict: gezien de rol die het Westen vaak inneemt in de conflicten, is historische duiding van diens relatie met het Midden-Oosten  gewenst. Maar zal een historische analyse de besluitvorming veranderen? Zou het Amerikaanse Congres tegen een aanval op Syrië hebben gestemd omdat hij de geschiedenis van het Westen in het Midden-Oosten kent? Een politicus zal hetgeen besluiten wat naar zijn inzien in het landsbelang is en daarnaast wordt een oplossing op de korte termijn doorgaans boven een oplossing op de lange termijn gesteld. Een acuut probleem behoeft directe actie en eventuele negatieve gevolgen van het besluit zijn zorgen voor later. Een besluit om Syrië niet aan te vallen zou waarschijnlijk gebaseerd zijn op het argument dat Amerikanen oorlogsmoe zijn en geen herhaling van Afghanistan of Irak willen.

De geschiedenis van de band tussen het Westen en het Midden-Oosten verstrekt een sterker argument tegen het ingrijpen door Amerika. De gevoelige relatie die bestaat, dankzij een reeks aan Westerse interventies, heeft geleid tot  antiwesterse tendensen en het zou beter zijn als een Westerse mogendheid enkel in samenwerking met de internationale gemeenschap een aanval uitvoert. Historische duiding zal het Westen voornamelijk in argumenten voorzien om terughoudend te zijn jegens interventie in het Midden-Oosten.

Politici die pleiten voor een actieve rol van de Verenigde Staten in het Midden-Oosten zullen minder baat hebben bij historische argumenten, omdat de meeste zullen contrasteren met hun ideaal: de Verenigde Staten als een wereldmacht en een hoofdrolspeler op het internationale toneel. Maar de geschiedenis is uitgestrekt, omvangrijk en veelzijdig; wie zoekt zal argumenten vinden om juist wél te interveniëren in het Midden-Oosten. Afhankelijk van je (politieke) idealen en voorkeuren kun je argumenten ontlenen uit de geschiedenis en deze gebruiken in het actuele debat. Maar de pijnlijke constatering is al eerder gemaakt: politici leven niet in de toekomst en al helemaal niet in het verleden, ze leven in het hier en nu.

Het doel van historische duiding, waar ik voor pleit, is niet om politici te wapenen met historische argumenten en de politiek te beïnvloeden. Belangrijker is dat historici door middel van historische duiding een nieuw perspectief kunnen toevoegen aan het maatschappelijk debat. Aan de hand van de geschiedenis kunnen nieuwe verklaringen voor conflicten worden aangedragen, complexe vraagstukken verduidelijkt worden en nieuwe inzichten geboden worden in de problematiek van vandaag de dag.

Historici dienen de rol van leermeester op zich te nemen en de maatschappij te onderwijzen in geschiedenis – niet belerend maar inspirerend. Met mooie, verhalende artikelen moet de historicus de maatschappij bewuster maken van de wereld waarin we leven. Een dergelijke bewustwording is bijzonder waardevol.

Het vraagstuk rondom ingrijpen in Syrië vormt een schoolvoorbeeld waarin historische duiding gewenst is. De burgeroorlog in Syrië en de complicaties van een interventie zijn complex en lastig te doorgronden, zodoende is het gewenst om de maatschappij te voorzien van heldere inzichten op wat er in de wereld gebeurt.

Rik van der Vlugt (1991) studeert geschiedenis aan de Universiteit Leiden waar hij zich specialiseert in (moderne) economische geschiedenis. Momenteel werkt hij aan zijn Bachelor-scriptie getiteld ‘Deaf, stubborn or incapable? Dutch politicians dealing with criticism during the making of the Euro’.

Reageren op deze column? Doe het op FacebookTwitter of privé per e-mail

Leave a comment

Back to Top