Jan van Ewijk: ‘Dat Westen werd ons Oosten’

Jan van Ewijk: ‘Dat Westen werd ons Oosten’

Reacties uitgeschakeld voor Jan van Ewijk: ‘Dat Westen werd ons Oosten’

Jan van Ewijk
Samenvatting

In de negentiende eeuw vertrokken veel Nederlanders naar de Verenigde Staten. Niet vanwege een hongersnood of andere problemen, maar omdat men dacht dat de Verenigde Staten het land van onbegrensde mogelijkheden was en dat daar een beter bestaan opgebouwd kon worden. Vanzelfsprekend werd er over deze emigratie verschillend gedacht in de Nederlandse samenleving. Sterker nog, de meningen liggen verder uit elkaar dan je zou verwachten. Jan van Ewijk beschrijft in dit artikel de twee belangrijkste gedachtenstromingen in Nederland en geeft hiermee een mooie inkijk in de beeldvorming van de Verenigde Staten in het Nederland van de negentiende eeuw.

Download de PDF

Jan van Ewijk (pdf)

Lees met ISSUU

Volledige Tekst

Over de oorzaken van de Nederlandse migratiegolf naar de VS in 1846-48 zijn twee conventionele interpretaties. Aan de ene kant wijzen historici naar de vervolging en marginalisering van gereformeerden onder koning Willem I, aan de andere kant wijzen zij economische malaise en agrarische crises aan als de belangrijkste reden voor het vertrek van 300,000 Nederlanders naar Noord-Amerika.

Henry Lucas, zelf een afstammeling van gereformeerde Amerikagangers, schreef in 1955 één van de eerste monografieën over dit onderwerp. Hij noemt religieuze motieven als gevolg van een conflict met Willem I als hun ultieme drijfveer. In januari 1816 vaardigde Willem I een Koninklijk Besluit uit waarin hij de Nederduits Gereformeerde Kerk een op de Verlichting gespeende deïstische interpretatie van de Bijbel oplegde; deze kerk ging daarna de Nederlands Hervormde kerk heten. Pas enige tijd later, in 1834, uitten orthodoxe gereformeerden hun ongenoegen over de nieuwe gang van zaken en begonnen orthodoxe gemeenten zich af te scheiden. Koning Willem I ontzegde deze Afgescheidenen hun vrijheid van godsdienst. In 1846 publiceerden twee vooraanstaande gereformeerde dominees, Antonie van Brummelkamp en Albertus van Raalte, een populair pamflet waarin zij emigratie naar Noord-Amerika aanbevelen: Waarom Bevorderen wij de Volksverhuizing en wel naar Noord-Amerika en niet naar Java?
Robert Swierenga, een ander vooraanstaand Amerikaans historicus van Nederlandse afkomst, erkent de rol die dit religieuze conflict heeft gespeeld maar wijst op het feit dat orthodoxe gereformeerden slechts een klein aantal van het totale aantal emigranten waren; voor de meesten was een economische berekening van push- en pullfactoren van doorslaggevende waarde.
Pieter Stokvis noemt enkele van zulke factoren. Het Nederlandse belastingstelsel in het begin van de 19e eeuw plaatste onevenredig zware lasten op de midden- en lagere klassen. De afwezigheid van een Federale inkomstenbelasting in de VS sprak hen uiteraard aan. Afgezien van lage belastingen waren ook lage grondprijzen een pullfactor. Met name in staten als Iowa en Michigan was er een overschot aan agrarische grond en een behoefte aan arbeidskrachten. Daar kwam bij dat na de Napoleontische oorlogen de lonen voor de werkende klasse daalden, het algemene prijsniveau steeg, werkgelegenheid in de agrarische sector terugliep, en er in de jaren 1840 enkele aardappelziektes uitbraken.
Het zal geen verrassing zijn dat mensen die het meest te winnen hadden bij emigratie naar de VS – kleine boeren, arbeiders, handenarbeiders – daarvoor het meest ontvankelijk waren. Zij hoopten niet alleen op een beter inkomen maar ook op opwaartse sociale mobiliteit. Mensen uit de bourgeoisie hadden geen of weinig vooruitzicht op verbetering van hun sociale positie in de VS ten opzichte van die in Nederland. Van alle Nederlandse migranten naar Amerika tussen 1831 en 1846 was 13% lid van de middenklasse, 65% van de lagere middenklasse, en 22% van de arbeidersklasse.
Hoewel ik neig naar de economische uitleg van de oorzaken van migratie, houd ik dat bij dit essay in het midden en kijk in plaats daarvan naar de invloed van het imago van de Amerikaanse samenleving en democratie in Nederland op het besluit tot emigratie. Overeenkomstig het verschil in aantrekkingskracht van een Amerikaans avontuur langs sociale lijnen was, ontwikkelde zich ook andere opvattingen over de Amerikaanse cultuur en samenleving bij verschillende sociale groepen.
Zodoende zegt dit essay wellicht meer over de reputatie van het Amerikaanse democratische experiment in de eerste helft van de 19e eeuw dan over de aard van Nederlandse migratie naar de VS. Het is opmerkelijk dat voor Nederlandse progressieven en liberalen het imago van de Amerikaanse samenleving in de eerste helft van de negentiende eeuw, ook wel het Jacksonian Era genoemd, haast een modelstaat was. Zij zagen de VS, in tegenstelling tot Nederland, als een land waar de kloof tussen arm en rijk klein was, waar het soort mensen dat Abraham Kuyper enkele decennia later kleine luyden zou noemen in hoog aanzien stond, en waar voor iedereen een plaats onder de zon was.
Uit een overzicht van journalistieke en literaire bronnen uit die tijd blijkt dat mensen uit de lagere klassen zich meer aangesproken voelden tot de egalitaire Amerikaanse samenleving, die zij als een paradijs voor de gewone man zagen; dat progressieven de Amerikaanse democratie bewonderden; dat conservatieven, tegen de achtergrond van revoluties in het Europa van de jaren 1840, het democratische experiment en republicanisme als een bron van sociale onrust zagen; en ten slotte dat leden van de hogere klassen en de bourgeoisie het gehaaide economische leven en mogelijkheden in de VS als niet minder dan snelle zakkenvullerij en hebzucht zagen. Het beeld van de VS in Nederland was tegelijkertijd een schrikbeeld en een Utopia.
Deze ideologische scheidslijn is terug te voeren tot de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Bij de uitbraak ervan in 1776 werd deze dagelijks onderwerp van gesprek in Nederland. Een Nederlandse graaf, Lodewijk van Nassau la Leck beklaagde zich over de vooringenomenheid en gebrek aan feitelijke kennis over de situatie in Noord-Amerika bij zijn landgenoten. Kort na het uitbreken van de oorlog publiceerde deze nobelman een pamflet, Brieven over de Noord-Americaansche Onlusten, waarin hij zich ten doel stelde zijn landgenoten de situatie in de Britse koloniën duidelijk te maken en de mogelijke gevolgen van de Onafhankelijkheidsoorlog voor Europa en Nederland in het bijzonder te overpeinzen.
Hoewel de auteur voornamelijk speculeerde over de sterke en zwakke punten van de Britse en Amerikaanse legers en wie de oorlog zou winnen, noemde hij ook het grote aantal migranten dat, na een periode van contractarbeid (“indentured servitude”), hun vrijheid had gevonden in de koloniën. Waar oppressie resulteerde in “lafhartigheid”, schreef hij, leidde vrijheid tot “de grootmoedigste daden”. De keerzijde van de medaille was echter dat men “niet zelden ook ziet, dat de mensen tot het buitensporig misbruik dier vrijheid vervallen, wanneer zij van der jeugd daar aan ongewoon, eensklaps de genugtens derzelve komen te smaken.” Deze graaf verwierp het idee van Amerikaanse vrijheid blijkbaar niet gelijk, maar hij waarschuwde ten zeerste voor de consequenties van ongebreidelde vrijheid. Hij was van mening dat mensen bijstand en begeleiding nodig hadden bij een leven in vrijheid, met name waar het nieuw verworven vrijheid betaamde.
Meer verlichte denkers uit de late 18e eeuw vonden dat de toekomst aan de jonge Amerikaanse republiek toebedeeld was en betreurde wat zij zagen als het verval van de Nederlandse republiek. In Beschouwing van Neérlands Tegenwoordigen Toestand, Engelands Onmagt en Amerikaas Vrijheid, een ode aan de Amerikaanse onafhankelijkheid uit 1782, uit de anonieme auteur zijn of haar geloof dat Nederland als een oude, vervallen republiek de kant van de jonge en dynamische Amerikaanse republiek moest kiezen. Het gedicht eindigt met de volgende verzen die de jonge republiek aansporen vriendschap met Nederland aan te gaan:

Verdrukt Amerika! Wees blij;
De Hemel keurt uw Staaten vrij!
(…)
Houd uw Broeders bij de hand,
En laat ons samen Zeevaart drijven;
Wij in geboorte en aart gelijk,
Wij zullen steeds elkaar met nut en voordeel stijven,
En zorgen dat geen trouwe bezwijkt
Zoo bloeijen we eens in ruste en vreê,
Geducht, geëerbiedigd op de zee,
Van alle Wilden en Beschaafden;
Zo zegg’, van Ons, elk volk op de aard’;
Dit zijn ze, die vol moed hun dierbre Vrijheid staafden,
Bij hen woont trouw met moet gepaard.

Een ander gedicht op de Amerikaanse onafhankelijkheid, Eerekroon voor de Beschermers van Noord-Amerika, ook uit 1782, sprak de wederom anonieme auteur niet alleen lovend over de scheiding der machten (“Drie vaste zuilen in de Staat / Die voor geen Dommekracht wyken / Maar met de Vryheids-kroon staan pryken” ) maar vergeleek de Nederlandse Republiek ook met de Amerikaanse. De nieuwe onafhankelijke natie had zijn idealen geërfd uit Nederland:

Koom nakroost van Civiel, koomt vryë Batavieren,
Bestendig wars van boei en band,
Geeft nu, by ’t hart, uw trouwe hand
Aan ’t vrygevogten Volk, koomt, kroont hen met laurieren,
En deelt in d’Onafhank’lykheid,
Door ’s Hemels hand hun toebereid

Deze twee gedichten illustreren het idee dat de Oude Wereld op zijn retour was en dat de toekomst der beschaving verder in het westelijk halfrond lag, in de Verenigde Staten. Jan Willem Schulte Nordholt identificeert een in de achttiende eeuw populaire Oost-West mythe, volgens welke de wereldgeschiedenis zich westwaarts ontwikkelde. Het oude Europa in het oosten liep op zijn laatste benen terwijl de Nieuwe Wereld in het westen veelbelovend was. De gereformeerde Afgescheidenen, zoals Albertus van Raalte en Antonie Brummelkamp, zagen in deze mythe een rechtvaardiging voor hun emigratie. Zij zagen Amerika niet alleen als de eindbestemming van hum eigen emigratie, maar ook als de eindbestemming van de mensheid, zoals voorgeschreven door God. Europa was in hun perceptie in een staat van verval en God leidde hen naar het licht; dat licht was Amerika. Hier gingen, volgens Schulte Nordholt, vroegchristelijke mythes en geloof samen met achttiende-eeuws verlichtingsdenken. Het idealiseren van de Nieuwe Wereld als de realisatie en bestemming van de wereldgeschiedenis werd een cultureel patroon in literatuur en poëzie.
Liberale denkers, schrijvers, en politici achtten de Verenigde Staten sinds de Onafhankelijkheidsoorlog de laatste hoop der mensheid en vonden het Amerikaanse politieke bestel een model voor de Nederlandse politiek. Derhalve sympathiseerden zij met emigratie naar de VS. De aristocratie en heersende klasse, daarentegen, zagen deze bewieroking van de VS als een aanval op hun eigen positie in de Nederlandse samenleving. De Belgische Opstand van 1830, die voor een groot deel geïnspireerd was door het liberalisme en Verlichtingsdenken, versterkten zonder twijfel het gevoel onder de aristocratie dat Amerikaanse democratie en republicanisme een gevaar voor de samenleving vormden. Dienovereenkomstig probeerden zij de publieke opinie tegen emigratie naar de VS te kanten.
Als resultaat van de wijdverbreide interesse in emigratie en die naar Noord-Amerika in het bijzonder nam het aantal publicaties over de VS sterk toe tijdens jaren 1840. Verscheidene titels van Amerikaanse auteurs werden vertaald en gepubliceerd in Nederland. Een uitgever merkte in 1847 op dat “het groeiende verlangen naar volksverhuizing, met name naar de Verenigde Staten van Noord-Amerika … brengt natuurlijk meer en meer interesse in een land teweeg, dat door zovelen gezocht wordt en wordt beschouwd als een nieuw land van belofte.” Naast vertalingen van Amerikaanse werken schreven Nederlandse auteurs reisverhalen en verslagen van de Amerikaanse samenleving.
Conservatieve en liberale denkers bediscussieerden in de media de voors en tegens van een op Amerikaanse leest geschoeide constitutionele democratie. Een anonieme, zichzelf als ultra-liberaal beschouwende pamfletschrijver zag een verband tussen de stagnerende sociaal-economische vooruitzichten voor de lagere klassen in Nederland en het conservatisme van de heersende klasse. In tegenstelling tot het conservatieve Nederland boden de progressievere Verenigde Staten wél een uitzicht op economische vooruitzicht aan hun bevolking. De auteur prees verder het egalitaire karakter van de Amerikaanse samenleving en het feit dat fysieke arbeid hoog aanzien gold en gezien werd als de échte bron van rijkdom en welvaart:

… die wijde klove, welke bij ons den voornamen van den geringeren afscheidt, die kent men daar niet; men behandelt den arbeidsman niet met die onverschilligheid, men houdt hem niet op dien afstand als bij ons. De handenarbeid is geëerd en naar verdienste beloond. Overal ziet men de achting doorstralen, die men haar als de echte bron der algemeene welvaart toedraagt.

Omdat Amerikaanse fabrieksarbeiders relatief hoge lonen kregen, konden zij het zich veroorloven te sparen en uiteindelijk naar het westen te trekken om daar een boerenbestaan op te bouwen en zelfs landeigenaar te worden.
Hoewel “landverhuizing” naar de VS volgens deze auteur “een vrijwillig en vreedzaam afscheid van het Vaderland, van oude gewoontes en genietingen, met volkomen bewustheid, eene reeks van gevaren en beproevingen” was, was emigratie toch de beste reactie op de slechte behandeling en laag aanzien dat de arbeidersklasse in Nederland onderging. Een terugkerend thema in dit pamflet is de vermeende afwezigheid van een kloof tussen arm en rijk en het dédain van de aristocratie jegens de arbeidende klasse, zoals dat in Nederland het geval was; de auteur vond de Amerikanen om deze reden een “echt volk; want rijk en arm, voornaam en gering, geleerd en eenvoudig, geen onder hen is veracht bij den anderen, zoo hij geen deugniet is.”
Nederland, daarentegen, had geen “echt volk” meer omdat de sociale tegenstellingen te groot waren geworden. Naarmate de arbeidende klasse steeds meer in verval raakte, verwijderden de aristocratie en de bourgeoisie zich meer en meer:

De klove tusschen beiden is te wijd geworden, om die twee afdelingen der maatschappij ooit weer bij elkander te kunnen brengen. Die klove … heeft er altijd bestaan. Geboorte, rijkdom, aanzien, verfijnde leefwijze hebben dat kleine gedeelte des volks, hetwelk in het bezit en genot dier voorregten is, van de menigte afgezonderd, die met handenarbeid den kost wint.

Hoewel inkomen en maatschappelijke positie natuurlijk nauw met elkaar verbonden zijn, heeft deze auteur het expliciet over het aanzien dat “handenarbeid” in de VS geniet, anders dan in Nederland. In dit pamflet gaat het niet zozeer om sociale mobiliteit, maar de maatschappelijke gelijkheid in de VS. De auteur bewonder het feit dat “de laatste vier Presidenten en het meedertal der afgevaardigden tot het Congres immers volksmannen” waren, terwijl in Europa “al wat naar volksregering zweemt, het voorwerp van wrevel en spotternij [is].”
Zo uitgesproken positief als deze commentator waren zelfs de meeste liberale denkers niet. Ook voorstanders van het Amerikaanse democratische experiment hadden zo hun bedenkingen. Liberalen met onvoorwaardelijke steun voor volksverhuizing en democratie waren schaars; het merendeel van de liberale intelligentsia had een formele opleiding genoten en behoorde over het algemeen tot de gegoede burgerij. Kranten waren toen nog relatief duur en bereikten uiteraard alleen publiek dat kon lezen en schrijven, waardoor kranten een medium voor met name de bourgeoisie en aristocratie was. Ongeacht hun politieke overtuigingen behoorden liberale denkers tot de hogere klassen en deelden op die manier in enkele vooroordelen van die klasse jegens de Verenigde Staten.
Waar de meeste liberalen toch op zijn minst gematigd positief tegenover volksverhuizing en de Amerikaanse democratie, cultuur, en samenleving stonden, verwierpen conservatieven elke vorm van volksverhuizing anders dan naar de overzeese koloniën als onvaderlandslievend. Conservatieven vreesden dat een ware uittocht de Nederlandse economie en maatschappij onherroepelijke schade zou berokkenen en zou leiden tot een verlies van nationale identiteit. Conservatieve gelovigen geloofden vanuit een nationalistisch oogpunt sterk in de onbreekbare bond tussen God, Nederland, en Oranje. Afgescheiden dominees zoals Albertus van Raalte en Antonie van Brummelkamp waren weliswaar orthodox gereformeerd maar hadden deze verbinding toch verbroken, naar alle waarschijnlijkheid door het besluit van Willem I dat hem controle gaf over de Hervormde Kerk. De (religieus-)conservatieven die dit verbond echter nog wel steunden behoorden over het algemeen tot de rijkere bourgeoisie, de heersende klasse, en aanhangers van de gevestigde orde en instituties. Zij vonden de bewondering voor de Verenigde Staten een impliciete aanval op hun leiderschap en maatschappelijke positie. Conservatieven zagen volksverhuizing niet alleen als onvaderlandslievend maar ook als onethisch en egoïstisch.
De Arnhemsche Courant noemde volksverhuizing een “maatschappelijke ziekte” en karakteriseerde de Verenigde Staten als een schrikbeeld:

Noord-Amerika [is het land] waar gemeenschappelijke zeden … tot de laagste bodem gezonken zijn; waar wetenschap, religie, en al dat de mens in ere houdt en dat de mens eerbaar maakt, het onderwerp van speculatie is geworden; waar de heiligste en nobelste gevoelens der mensheid verworden zijn tot getallen; waar niet de rede maar de brute macht van de meerderheid domineert, de regering haar beleid voorschrijft, de rechter zijn oordeel – dat land wordt eens te meer verkozen boven het zo hoog geachte Nederland.

Dit redactionele commentaar, gepubliceerd tijdens het hoogtepunt van emigratie naar de VS, wijst op de twee voornaamste bezwaren die hoog opgeleide en gegoede burgers tegen de VS hadden: enerzijds was men bang voor het recht van de sterkste (“de brute macht van de meerderheid”) en de anarchie die voort zou vloeien uit democratie en stemrecht. Anderzijds was daar het idee dat vrijheid tot een zekere oppervlakkigheid van de Amerikaanse samenleving had geleid. Velen, zeker die zonder ervaring met individuele vrijheid, konden het niet stellen zonder de begeleiding van maatschappelijke ordening, godsdienst, en de instituties van de Nederlandse staat.
Dit politieke debat komt ook terug in literaire kringen. Hoewel de Nederlandse poëzie in een enigszins saaie staat verkeerde in de vroege negentiende eeuw (de Romantiek heeft hier per slot van rekening nooit echt voeten in de grond gekregen) toonden enkele – in dit geval conservatief georiënteerde – dichters een aanzienlijke politieke interesse en betrokkenheid. Waar het ging om emigratie naar de VS, leidden verhardus Johannes Potgieter en Reinier Cornelis Bakhuizen, redacteuren van het vooraanstaande literaire blad De Gids, de liberale kant, die over het algemeen bewonderend was over de VS en hun democratische experiment. Willem Bilderdijk en zijn leerling Isaäc Da Costa waren twee van de voornaamste conservatieve commentatoren, kritisch tegenover Amerikaanse democratie en verlichtingsdenken.
Potgieter, als een vooruitstrevende liberaal, bewonderde de VS en vergeleek ze met de Nederlandse verenigde republiek; in zijn optiek waren beide energiek en dynamisch. Hij geloofde in de eerder genoemde mythe dat de geschiedenis van de mensheid een natuurlijke progressie van oost naar west onderging en was positief over de migrantenbeweging:

Voorwaar er is vooruitgang in den grooten togt der menschheid van het Oosten naar het Westen, – geene overweldigers meer met het zwaard en met de toortse, – zonder ballast te geven beste schat in noeste vlijt mede aan boord, dewijl zich overzijde des Oceaans eene maatschappij heeft ontwikkeld van de meeste onzer verjaarde vooroordeelen vrij, waarin de mensch, onverschillig wat zijne voorvaderen waren, in zin slechts geldt voor wat hij is!

Potgieter’s interesse in de VS gaan terug op zijn teleurstelling in het gebrek aan zijn ideële liberalisme in het koningsgezinde establishment in het Nederland van zijn tijd. De VS, daarentegen, waren voor hem een realisatie van zijn liberale idealen. Potgieter en andere liberalen waren hevig gedesillusioneerd door de Amerikaanse burgeroorlog (1861-65), die aan hen liet zien dat de Nieuwe Wereld niet immuun was voor problemen van de Oude Wereld. Potgieter beklaagde de burgeroorlog en de desillusie van zijn Amerikaanse ideaal in zijn gedacht 1861:

Helaas! ook gij verduisterd aan den trans,
Gij voorbestemd de natiën te troosten,
Wier smeekend oog uw liefelijken glans
Van verre zocht uit ons vervallend oosten;
Gij, flonkerster van ’t jong America!
Helaas! ook gij den ondergang zoo na!

de burgerkrijg, de gruwb’re burgerkrijg,
het reuzig rijk opoffrende aan zijn woede,

Potgieter’s conservatieve tegenhanger was de dichter en historicus Isaäc Da Costa, lid van een prominente Portugees-Joodse bankiersfamilie, die zich later bekeerde tot het christendom en een vurig pleitbezorger werd van de conservatief-nationalistische Réveil beweging. Hoewel hij een doctorsgraad in rechtsgeleerdheid en letterkunde behaalde, stond zijn achtergrond het hem toe zijn leven aan het schrijven te wijden.
In zijn essay Bezwaren tegen den Geest de Eeuw is Da Costa kritisch tegen de Verlichting en beweert, onder andere, dat een constitutionele staatsinrichting inherent onvolmaakt is en dat het idee van volksvertegenwoordiging in een parlement onmogelijk is. Da Costa vond aanhangers van zo’n systeem niets meer dan “radicalen, door alle standen en rangen der maatschappy verspreid, en waaronder zoo wel namen van den hoogsten adel als van het laagste gemeen gevonden worden … allen vereenigd tegen den Godsdienst en Maatschappelijke Orde.” Over het Amerikaanse grondwettelijke stelsel uitte hij scepsis en voerde onenigheid tussen Amerikaanse politieke denkers aan als bewijs voor de interne tegenstelingen en filosofische inconsistenties:

In America verbeeldt men zich den volmaakten regeringsvorm te bezitten, en men maakt het den goeden Europeanen wijs, (waar van evenwel de meesten, wanneer zy dat Utopia bezocht hebben, met geheel andere denkbeelden te rug komen, dan zy er heen gegaan zijn) terwijl men het intusschen in dat zelfde land over een der gewichtigste vraagstukken van Constitutionele stelsel, nog niet eens is.

Het vraagstuk waar Da Costa hier op doelt is of volksvertegen-woordigers altijd uiting aan de wil en mening van hun electoraat moeten geven, of dat zij zelf hun politieke standpunten moeten kunnen beslissen. Het eerste, beredeneert Da Costa, is praktisch onmogelijk, terwijl het tweede tegenstrijdig is met het idee van een grondwet zelf.
Nog belangrijker was Da Costa’s kritiek op het hoge gehalte aan individuele vrijheid in de Amerikaanse maatschappij. Hij vergeleek die vrijheid met de verleiding van de appel in het Paradijs. In 1847, tijdens het hoogtepunt van de migratiegolf naar de VS, presenteerde hij een gedicht aan de Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen een gedicht waarin hij het Amerikaanse individualisme beklaagde:

… naast dien volkswil en haar meesterenden blik,
in stelsel en praktijk de heerschappij van ’t Ik, –
voor recht, de ontwikkeling van den enkling, – samentrekking,
van Staat- en zielkracht op dit hoofddoel, deze strekking!
Ach! De appel ook aldaar meer d’ oogen dan den mond
Voldoening schenkend, en meer blozend dan gezond!

Waar liberalen en progressieven juist Europa in een staat van verval zagen en de VS als licht in de duisternis (Da Costa beschrijft dit sentiment hier als “een andre ster van hoop / voor ’t oude en afgetobde en overvolle Euroop! / … Dat Westen werd ons Oosten / eens heiltijds, die onze aard van al de smart moet troosten” ) vonden conservatieven als Da Costa juist dat ongebreidelde individuele een decadentie en vervallenheid inluidde.
Net als andere conservatieven in zijn tijd vreesde hij dat overmatige vrijheid in losbandigheid zou degenereren. Een gebrek aan een gemeenschappelijke geschiedenis, tradities, en sociale instituties (“Wie van historie en ruïnen zich kan spenen / voor enkel menschheid en natuur” ) zou resulteren in een goddeloze chaos. Waar Goethe de VS prees als een land zonder ruïnes en zonder de last van het verleden, waar de mensheid als het ware opnieuw kon beginnen zonder de problemen die Europa door de eeuwen heen geplaagd had, zagen conservatieven dit gebrek aan sociale wortels als een gebrek aan zelfbeheersing en geremdheid; zonder de remmende en zelfbeheersende invloeden van tradities en sociale instellingen en normen zou de samenleving in goddeloosheid, decadentie, en anarchie verzinken.
De Nederlandse publieke opinie was sinds het uitbreken van de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog verdeeld over het land zelf, republicanisme, en het democratische experiment. Aan de ene kant was het establishment en de heersende klasse bang dat democratie zou vervallen tot anarchie en het recht van de meerderheid. Aan de andere kant verwelkomden progressieven democratische ontwikkelingen in de VS als de toekomst van de mensheid. De migratiegolf naar de VS kreeg zijn karakter in de context van een publiek debat dat zich langs deze lijnen vormde. De beide kanten van het debat zijn niet alleen een indicatie voor wie het meest te winnen had, maar ook voor welke groepen het makkelijkst zouden assimileren in hun nieuwe thuisland en welke aspecten van de maatschappij hen zouden bevallen of tegenvallen.
Migratiestatistieken suggereren dat migranten afkomstig uit de gegoede standen eerder geneigd waren het appèl van de regering tot een vaderlandslievende keuze te volgen en naar één van Nederland’s overzeese gebieden te migreren terwijl migranten uit de lagere standen massaal voor de VS kozen. Swierenga laat zien dat de meerderheid van migranten bestond uit relatief arme mensen met een agrarische achtergrond. In de periode van 1835 tot 1880 kwam 80% van het totaal aan geregistreerde migranten (zo’n 60,000) van het platteland. Slechts 20% leefde in stedelijke gebieden. Van deze 60,000 was 25% boer, 39% dagarbeider (van wie de meesten in de landbouw werkten), 21% vaklieden, en 4% werkte in industrieën. Slechts tien procent van de migranten had een witte boordenbaan. Deze cijfers laten zien dat ongeveer driekwart van de migranten in de landbouwsector werkte, hetzij als boer, hetzij als knecht.
Data over de sociale afkomst van migranten toont aan dat mensen uit de lagere middenstand voor wie opwaartse sociale mobiliteit de belangrijkste drijfveer was waarschijnlijk naar de VS zouden emigreren. Van het totale aantal migranten behoorde twee-derde tot de economische middenstand en werd 20% als armlastig gezien. Slechts 12% kwam uit de gegoede burgerij. Bijna iedere migrant uit de economische middenstand, zo’n 96%, en 85% van de armlastige migranten kozen uiteindelijk de VS als einddoel. Slechts 60% van de rijkere migranten koos voor de VS; de rest van hen ging, op aandringen van de Nederlandse regering, naar de overzeese gebieden.
De meeste emigranten vertrokken Nederland niet uit pure noodzaak (in tegenstelling tot bijvoorbeeld Ierland, waar in dezelfde periode een miljoen mensen omkwam van de honger en nog eens een miljoen emigreerde) maar uit verlangen niet meer als tweederangs burger te worden gezien door de heersende klasse. Dit sociale aanzien vonden ze in de Verenigde Staten van Andrew Jackson, waar geen aristocratie zoals in Nederland was en een kleinere kloof tussen arm en rijk. Veel Nederlandse immigranten voelden zich hier blijkbaar op hun gemak. Veel van hen prezen de sociale gelijkheid en het aanzien dat simpele, hardwerkende mensen genoten. Eén immigrant schreef dat “de meest prominente klassen der maatschappij, die zich bij ons [in Nederland] niet waardig zouden achten een gewone man te groeten, hier zeer vriendelijk en in goede verstandhouding met ons omgaan.”
Eén belangrijke reden voor dit aanzien van eenvoudige werklieden was het tekort aan arbeid, met name in de westelijke staten zoals Michigan en Iowa, waar de meeste Nederlanders zich vestigden. Dit was echter niet het enige: het presidentschap van Andrew Jackson (1829-1838) veranderde de Amerikaanse maatschappij immens. De bovengenoemde matschappelijke status was niet alleen nieuw voor migranten uit Europa, hij was ook nieuw voor de meeste Amerikanen. Waar de Founding Fathers als Alexander Hamilton, George Washington, en zelfs Thomas Jefferson een Angelsaksische aristocratische inslag hadden en een overmaat aan directe democratie wantrouwden, breidde Jackson het stemrecht uit naar alle (blanke) mannen.
Deze ontwikkeling, die “Jacksonian Democracy” is gaan heten, verloste de lagere middenstanden, waar ook de meeste Nederlandse immigranten toe behoorden, van de eerbiedige onderdanigheid die zij aan de vorige generatie politieke leiders toonden. Omdat politici nu steun moesten zoeken onder stemgerechtigden uit alle lagen van de bevolking, in plaats van alleen onder landeigenaren, werd geluisterd naar gewone mensen en werden hun beloftes gedaan. Als de religieuze vervolging van de afgescheidenen en de economische stagnatie vijftig jaar eerder plaats had gevonden, waren de VS wellicht niet zo’n populaire eindbestemming geweest.

Literatuurlijst

Beschouwing van Neérlands Tegenwoordigen Toestand, Engelands Onmagt en Amerikaas Vrijheid. 1782. http://www.geheugenvannederland.nl/

Brummelkamp, Antonie and Albertus C. van Raalte. “Appeal to the Faithful in the United States in North America, May 25th, 1846.” In: Dutch Immigrant Memoirs and Related Writings. Revised Edition. Edited by Robert P. Swierenga. Grand Rapids: William B. Eerdmans, 1997.

—. Landverhuizing: Of Waarom Bevorderen Wij Volsverhuizing en wel naar Noord-Amerika en niet naar Java? Amsterdam: Hoogkamer, 1846

Burr, Kendall and Merle Curti. “The Immigrant and the American Image in Europe, 1860 – 1940.” Journal of American History 37, no. 4 (1950-51)

Da Costa, Isaac. Bezwaren Tegen de Geest der Eeuw. Leiden, 1823

—. Wachter! Wat is er van den Nacht? Een Lied bij de Uitgangen van 1847.
http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/da.costa/wachter.htm

Eerekroon voor de Beschermers van Noord-Amerika. 1782.
http://www.geheugenvannederland.nl/

Gerstäcker, F. Roover en Regter, of Zoo Gaat het in America. (Haarlem, 1847)
De Landverhuizers in het Kanaal van Voorn, in Mei 1847. Amsterdam, 1847.
http://www.geheugenvannederland.nl/

Lucas, Henry S. Netherlanders in America: Dutch Immigration to the United States and Canada, 1789-1950. Ann Arbor: University of Michigan Press, 1955

Pennink, R. “Potgieter en de Amerikaanse Letterkunde.” De Nieuwe Taalgids 33 (1929)

Potgieter, Everhardus. “Landverhuizing naar de Vereenigde Staten. Een Brief uit Pella.” De Gids. 1855

Schulte Nordholt, J.W. “Perceived in Poetry: Poetical Images of America for Dutch Immigrants.” A Bilateral Bicentennial: A History of Dutch-American Relations, 1782-1982, edited by Robert P. Swierenga and J.W. Schulte Nordholt. New York: Octagon/Meulenhof, 1982

Scholte, Hendrik Pieter: De Roeping der Rijken in Betrekking tot de Armen: Een Woord over Colonisatie. Amsterdam: Hoogkamer, 1846

Stokvis, Pieter R. D. De Nederlandse Trek Naar Amerika, 1846-1847. The Hague: Martinus Nijhoff, 1977

Swierenga, Robert P. “Dutch Immigration Patterns.” In: The Dutch in America: Immigration, Settlement, and Culture, edited by Robert P. Swierenga. New Brunswick: Rutgers University Press, 1985

—. “Exodus Netherlands, Promised Land America: Dutch Immigration and the Settlement in the United States.” In: A Bilateral Bicentennial: A History of Dutch-American Relations, 1782-1982, edited by Robert P. Swierenga and J.W. Schulte Nordholt. New York: Octagon/Meulenhof, 1982

Van Dijk, Gerben Bonno. “Geloofsvervolging of Broodnood: Hollanders naar Michigan.” Spiegel Historiael 5, no. 1 (1970): 31-36

Van Nassau La Leck, Lodewijk Theodorus. Brieven over de Americaansche Onlusten. Utrecht, 1977.
http://www.geheugenvannederland.nl/

Watson, Harry. Liberty and Power: The Politics of Jacksonian America. Revised Edition. New York: Hill and Wang, 2006

About the author:

Back to Top