Job Hoogenboom: Opstand in Germanië

Job Hoogenboom

Samenvatting

In lang vervlogen tijden woonden in onze streken een volk waarvan haar afkomst in mysteriën lijkt te zijn gehuld, en dat zich wendde tot oeroude goden. Zij raakten beroemd en berucht in heel de Romeinse wereld vanwege hun dapperheid en strijdlust. Eigenschappen die hen tot zeer succesvolle krijgers maakte in naam van een rijk dat zij uiteindelijk zelf onder de voet zouden lopen. Wie waren deze Germanen, en hoe keken zij naar de wereld en gebeurtenissen om hen heen? Deze scriptie belicht de achtergrond van het handelen van dit volk in haar verhoudingen met het overheersende Romeinse Rijk. In hoeverre was men loyaal aan elkaar en wat was dan de motivatie van diverse opstanden? Er blijkt een opmerkelijke haat- liefde verhouding tussen beide volkeren te zijn geweest. Beide groepen voelden zich bedreigd, beide superieur. Beide kenden een eigen pantheon en een eigen (militaire) strategie. Daarnaast heeft elk volk eigen gebruiken en een eigen geschiedenis. Toch ontstaat er genoeg affiniteit.

Download de PDF

Job Hoogenboom (pdf)

Lees met ISSUU

Volledige Tekst

INLEIDING

In lang vervlogen tijden woonden in deze streken, die wij thans als De lage landen betitelen, een volk van vrije, trotse boeren en krijgers. Een volk waarvan haar afkomst in mysteriën lijkt te zijn gehuld, en dat zich wendde tot oeroude goden. Zij raakten beroemd en berucht in heel de Romeinse wereld vanwege hun dapperheid en strijdlust. Eigenschappen die hen tot zeer succesvolle krijgers maakte in naam van een rijk dat zij uiteindelijk zelf onder de voet zouden lopen. Wie waren deze Germanen, en hoe keken zij naar de wereld en gebeurtenissen om hen heen? Wij zullen een poging wagen om licht te doen schijnen op de achtergrond van het handelen van dit volk in haar haat/liefde verhouding met het Romeinse Rijk.
In de volgende tekst zal met enige regelmaat gesproken worden over de Germanen. Laat mij u er vooraleerst op wijzen dat hiermee geenszins een uniform volk kan of mag worden bedoeld. De term verwijst naar de bewoners van de door de Romeinen als Germania aangeduide delen van Europa en hun nazaten . Daar deze groepen zelf in de periode waarop wij ons richten, met name de eerste eeuw na Christus, niet beschikten over een schriftelijke traditie, zijn wij aangewezen op bronnen afkomstig van buitenstaanders. Dit betekend dat rekening dient te worden gehouden met de kleuring van het beeld, zowel als een gebrek aan accuraat materiaal dat de schrijvers van onze bronnen ter beschikking heeft gestaan, zoals de werken van Cornelius Tacitus. In zijn beroemde werk “De Germanen” schetst hij een beeld van een duidelijke pluriforme invulling van het begrip Germaan, het lijkt vooral te slaan op de bewoners van een gebied en een erg brede waaier van gedeelde opvattingen en overkoepelende culturele kenmerken. Later hebben zij zelf deze titel overgenomen om haar met trots te voeren, klaarblijkelijk voelden zij zich ondanks vele onderlinge verschillen wel degelijk aan elkaar verwant.
Het doel van dit onderzoek is inzicht krijgen in de achtergrond van twee grote Germaanse opstanden in de eerste eeuw na Christus. Welke gebeurtenissen vormden de aanleiding om in opstand te komen. En, belangrijker, welke achterliggende gedachte zorgde ervoor dat belangrijke Romeinse bondgenoten in Germania Rome afvielen en de wapenen tegen het imperium opnamen.
Om een inzicht te verkrijgen in de belevingswereld der Germanen, in een poging hun handelen te verklaren, zal gebruik moeten worden gemaakt van bronmateriaal van na de periode waarop wij ons richten. Door een destillaat te maken van de Germaanse inborst uit zeer uiteenlopende bronnen, zoals de werken van Tacitus, de uit een latere periode door Snorri Sterluson op schrift gestelde verhalen uit de Edda (een bundel die wordt omschreven als “de Ilias van de noordelijke volkeren”) en eigentijdse studies, hoop ik tot een beeld van een algemene Germaanse mentaliteit te komen. Een mentaliteit die dan ook in het historisch optreden van personen en groepen van Germaanse afkomst terug zou moeten zijn te vinden.
Hoewel we door de interpretatie van de door buitenstaanders overgeleverde bronnen over “de Germanen” in staat zijn een vrij algemeen beeld van die samenleving te schetsen, blijft het persoonlijke leven van de individuele Germaan , de naamloze zo u wilt, in nevelen gehuld. Zijn normen en waarden, motivatie en keuzes vallen weg in de grote generalisering van de geschiedenis, omdat hij deze zelf niet op schrift heeft kunnen stellen. Echter, een aantal uitzonderingen daar gelaten. Het nalatenschap van twee militaire leiders uit de eerste eeuw na Christus vormt een aangename uitzondering op de regel. Vanwege de veelvuldige vermeldingen die Tacitus en Cassius Dio in hun werken maken over het handelen van Arminius van de stam der Cheruskers (bekend als de leider van de opstand tegen Rome in het jaar 9 na Christus) en Gaius Julius Civilis (aanvoerder van de Bataven in hun opstand van 69 na Christus), zal ik hun optreden nemen als leidraad in dit onderzoek.
Het gebruik van de bundels van Snorri Sterluson, bekend als Edda, als primaire bron brengt grote risico’s met zich mee; het oorspronkelijke manuscript stamt immers van ver na de periode die wij behandelen. Het is onmogelijk na te gaan in hoeverre de verhalen zoals in dit werk gebundeld, bekend waren bij de Germanen van de eerste eeuw na Christus op het Europese vasteland. Daar er geen ander materiaal bekend is dat zo’n direct inzicht geeft in de Germaanse mythologie voel ik mij toch in zekere mate genoodzaakt deze geschriften te raadplegen. Niet als historisch accurate beschrijvingen, noch als exacte morele leidraad voor de mensen waarover wij schrijven. Wel acht ik het verantwoord om motieven en bredere opvattingen hieruit te nemen te vergelijken met andere bronnen. Dit alles in de hoop uit een dergelijk brouwsel een morele en religieuze leidraad te destilleren die als “Germaans” zou kunnen worden aangeduid.

1: Algemene houding vanuit Rome ten opzichte van de inheemse cultus in “Germanië”

Het Romeinse Rijk strekte zich op het hoogtepunt van haar macht uit over een enorm groot, en qua inheemse bevolking zeer divers gebied. Tijdens hun veroveringen kwamen de Romeinen dan ook regelmatig in contact met volkeren die er een ander wereldbeeld op na hielden dan zij zelf. Soms namen zij hieruit aspecten over en introduceerden deze in Rome, soms werd getracht om de inheemse religie van gevaarlijke elementen te zuiveren. Zo trachten zij te voorkomen dat religie als politiek middel kon worden ingezet om verzet tegen Rome te legitimeren. De Joodse opstand in de late eerste eeuw na Christus, waarin inheemse religie de standaard vormde waaromheen verzet tegen Rome zich kon scharen, is een duidelijk voorbeeld van hetgeen Rome trachtte te voorkomen.
Over het Romeins optreden in de Hellenistische ‘beschaafde’ wereld is een hoop bekend, onder andere vanwege een ruime collectie door de eertijdse bewoners van dat gebied achtergelaten geschreven bronnen. Over hoe destijds gereageerd werd op de komst van de vertegenwoordigers van Rome in Noordwest Europa bestaat minder duidelijkheid. Archeologische bronnen geven aanwijzingen richting een langzame assimilatie, in ieder geval op materieel niveau. Schriftelijke bronnen afkomstig van, met name Tacitus, spreken echter van een ‘Germaanse vrijheidsdrang’. Hoe moet die ‘drang naar vrijheid’ door ons worden geïnterpreteerd, wat hield zij in en wat lag er aan ten grondslag? Kwamen de Germanen in het verweer tegen een macht die hun manier van leven en religieuze opvattingen bedreigde, voelden zij een bedreiging in hun voortbestaan? Bestonden er gegronde redenen om een dergelijke dreiging te ervaren?

1.1 Religieuze continuïteit of dreigende ondergang?

In “Temples, Religion and Politics in the Roman Republic ” wijst Eric M.Orlin op de zeer uiteenlopende en vaak door pragmatisme gekenmerkte reacties van de vertegenwoordigers van Rome wanneer deze werden geconfronteerd met voor hen onbekende goden. Met name de niet onwelwillende houding vanuit zowel de Senaat als van privé personen “vreemde” goden op te nemen in het eigen pantheon en het ontbreken van bekeringsdrang komen hieruit naar voren. Deze houding vind haar grondslag in het besef qua leeftijd in de schaduw te staan van diverse oude beschavingen. Waaruit een sterke mate van respect voor traditie voortvloeit. Op het moment dat het Romeinse rijk in contact komt met de stammen, die men uiteindelijk De Germanen zal noemen bestaat binnen deze groep een diepgewortelde religieuze traditie en een uitgebreid pantheon.
De blijvende verering van de inheemse Germaanse goden lijkt geen gevaar voor de pax deum op te leveren. Deze Germaanse culten gaan ver terug in de tijd, waardoor hun leeftijd in ieder geval een zekere mate van respect moet hebben afgedwongen. Zoals dit ook het geval was met het Judaïsme en diverse andere lokale culten in het Oosten van het Rijk. Mocht dit wel het geval zijn geweest, een mogelijk gevaar voor de pax deum, dan zou Tacitus nooit over zijn gegaan tot vereenzelviging met de goden uit het Romeinse pantheon. In combinatie met het door Georg Wissowa veronderstelde “ontbreken van een legitieme religieuze claim op superioriteit”, lijkt het dus voor de hand te liggen dat ondanks de Romeinse aanwezigheid niet werd gepoogd de inheemse religie in Germanië te vervangen of verdringen .
Gesteld kan worden dat Romeinen niet op de hoogte waren van de ouderdom van de Germaanse goden, evenals de inheemse bevolking zelf was overigens. Zelfs tegenwoordig laat de leeftijd hiervan zich door wetenschappers niet achterhalen. Zo identificeerde bijvoorbeeld de Zweedse prehistoricus Oskar Almgren, in de jaren dertig van de vorige eeuw, ruim duizend jaar oude rotstekeningen op diverse locaties in Scandinavië als exact de zelfde goden uit het laat Germaanse pantheon . Goden die op hun beurt weer kunnen worden geplaatst in een oudere, Indo-Europese traditie . Dat Almgren op vrij eenvoudige wijze, namelijk door het identificeren van attributen (zoals de hamer van Thor/Donar) in staat is rotstekeningen uit de bronstijd te verbinden aan de pas in de loop van de 13e eeuw door de IJslander Snorri Sturluson op schrift gestelde Edda te koppelen duidt in ieder geval op een sterke mate van continuïteit in het Germaanse pantheon. Deze geschriften bevatten een bundeling van de belangrijkste goden- en heldenverhalen van de afstammelingen van IJslandse Vikingen, de laatste “heidense” Germanen. De Edda’s, er bestaan twee versies, een poëtische en een prozaversie, vormen onze belangrijkste informatiebron als het gaat om Germaanse religie,het oogpunt van haar volgers. De poëtische Edda ligt vanwege de vorm waarin zij is opgesteld het dichtste bij de goden en helden sagen zoals deze door de oude Germanen zelf werden voorgedragen, daarom richten wij ons vooral op deze versie. Uitgaande van de door Almgren veronderstelde continuïteit meen ik de inhoud van deze bundels niet naast mij neer te kunnen leggen, omdat ze simpelweg vanwege hun late verschijningsdatum niet binnen onze periode vallen en dus niet relevant voor mijn onderzoek zouden kunnen zijn. Hierbij wel rekening houdend met de gevolgen van eeuwenlange mondelinge overlevering.
Het is ook die continuïteit, die kan dienen als argument om aan te nemen dat er vanuit Rome geen gevaar werd gezien in het Germaans Heidendom. Had dit gevaar wel bestaan, dan zouden toch op zijn minst pogingen moeten zijn gedaan aanhangers van dit geloof te vervolgen, zoals gebeurde met het relatief jonge Christendom in de eerste eeuwen na Christus. Tot Romeinse krijgsdienst toegetreden mannen van Germaanse afkomst zouden zich zeker niet openlijk tot hun vertrouwde goden kunnen wenden, als deze door hun Romeinse superieuren als gevaarlijk werden bestempeld. Op zijn minst zouden zij zich dienen te conformeren aan voor hen vreemde, religieuze formaliteiten, zoals dat kon worden gezien als de norm . Er zijn verschillende archeologische vondsten gedaan, die getuigen van openlijke verering van Germaanse goden in Romeinse krijgsdienst door soldaten van Germaanse komaf . Een in het Latijn opgestelde inscriptie afkomstig van leden van de stam der “Tuenti” of Tubanten, in Romeinse krijgsdienst, gevonden in Brittannië geeft aanwijzingen in de richting van de verering van de Romeinse god Mars . Mars Thinscius in dit specifieke geval, waarin de toevoeging Thinscius in verband wordt gebracht met de uit latere bronnen bekende Germaanse oorlogsgod Tiwa z . Uit de toevoging Thinscsius kan de term Thing/Ding worden afgeleid, de benaming van de Germaanse volksvergadering en het rechtsgeding dat onder de bescherming van de god Tiwaz stond . Op het belang van deze Tiwaz komen we later nog te spreken. Een vrij openlijke referentie naar een inheemse godheid opgetekend door Germaanse mannen in Romeinse krijgsdienst dus.
Van belangrijke Romeinse bondgenoten zoals Arminius, van de stam der Cheruskers, en Claudius Civilis mag ook worden aangenomen dat zij aan hun vertrouwde goden vasthielden, en dat dit voor hun status als bondgenoten niets uitmaakte. In deze context kan Tacitus wederom ter illustratie dienen. “Daarna gebruikte hij barbaarse riten en traditionele eedformules om allen aan zich te binden ”; vermeldt hij over Julius Civilis. Op het moment dat Civilis openlijk breekt met het Romeinse gezag zou niemand hem iets dergelijks kwalijk kunnen nemen. Echter verhaaldt deze passage van de periode waarin, in ieder geval voor Rome, nog grote onduidelijkheid bestaat over zijn bedoelingen. Zou het vasthouden aan traditionele gebruiken en formules als gevaarlijk zijn beschouwd, dan zou het gebruik hiervan alleen al als een teken van vijandigheid kunnen zijn opgevat? Dan zou Civilis vanuit politiek strategisch oogpunt het gebruik hiervan beter hebben vermeden.
Uit middeleeuwse bronnen weten we dat dergelijke formules door de katholieke kerk wel als gevaarlijk zijn bestempeld en bestreden . Van Gilst verwijst, zie vorige noot, naar een letterlijk verbod op het zweren op oude goden uit 772 na Christus tijdens de zogenaamde Saksenoorlogen die door de christelijke ‘Karel de Grote’, tussen 772 en 804 na Christus werden gevoerd. Centraal in deze oorlogen stond de strijd tussen het wereldbeeld van de gekerstende Franken en de traditionele Saksen, beide stammenbonden met een Germaanse achtergrond. Als symbolisch voor dit conflict kan de vernietiging van de Irminsul, een voor de Saksen heilige boom die de as van het universum symboliseerde, door de Franken worden aangemerkt. Deze oorlogen werden afgesloten met de zogenaamde Lex Saxonum, wetten waarin officieel een einde werd gemaakt aan de inheemse Germaanse cultus bij de Saksen. Wederom kan hieruit een behoorlijke mate van tolerantie jegens inheemse gebruiken worden opgemaakt vanuit Romeins oogpunt in onze periode wel te verstaan. Mocht Rome immers te vuur en te zwaar hebben geprobeerd de inheemse religie te bestrijden, dan zouden de Franken er eeuwen later niet zo zwaar aan hebben hoeven tillen.

1.2 Overeenkomstige goden?

Zowel de lange traditie waarop deze inheemse vorm van religie zich kon beroepen, als schijnbare overeenkomsten vanuit Romeins perspectief liggen aan de voet van een grote mate van religieuze tolerantie. De overeenkomsten, die de Romeinen vonden tussen de Germaanse en hun eigen culten zijn mogelijk het gevolg van een verder terug gaande gedeelde Indo-Europese wortel. Wat in ieder geval vaststaat is dat Cornelius Tacitus, onze belangrijkste bron, in De Germanen melding maakt van de verering van zowel Mercurius en Hercules als van andere Romeinse goden door de Germanen.“Onder de goden vereren ze vooral Mercurius”, terwijl in dezelfde passage ook over de verering van Hercules, Mars en Isis door verschillende stammen wordt gesproken . In zijn vertaling van De Germanen wijst Vincent Hunink er op dat het hier een inheemse cultus betreft, die van de god Wodan, die echter door de Romeinen als overeenkomstig met de cultus van hun oppergod Mercurius word aangemerkt . Ook historicus Aat van Gilst benadrukt in zijn werk de overeenkomstige achtergrond van deze cultus met die van de officiële Mercuriuscultus .
Hiermee lijkt hij [van Gilst] te doelen op inheemse culten die qua inhoud of achtergrond kunnen worden vergeleken met de eigen Romeinse gebruiken. Vincent Hunnink merkt op in zijn vertaling van De Germanen ; ‘Zoals andere Romeinse auterus stelt Tacitus de Germaanse goden zonder meer gelijk met de Romeinse. Met Mercurius wordt hier Wodan bedoeld.’ of ‘Tacitus gebruikt Romeinse aanduidingen voor inheemse goden, vermoedelijk Donar en Tiu/Tiwaz ‘.
Bij het interpreteren van goddelijke tekenen bestaan enige overeenkomsten tussen door de Romeinen en Germanen gebruikte methoden. Zo vermeldt Tacitus : ‘Ook Germanen kennen het raadplegen van geluiden of bewegingen van vogels ‘. Hiermee verwijst hij naar de taken van de Augur binnen de Romeinse staatsreligie. Naast het interpreteren van goddelijke voortekenen uit de bewegingen van vogels kenden de Germanen tal van andere methoden om de wil van te goden te bestuderen . Hiervoor waren echter geen (tijdelijk) aangestelde magistraten verantwoordelijk zoals gebruikelijk was in Rome, maar voor het leven gewijde priesters en priesteressen. Op zich is dit ook niet erg verwonderlijk aangezien er geen overkoepelende Germaanse staat bestond en de nadruk in het sociaal en religieus leven meer lag op het niveau van de eigen stam. Hiernaast waren tot op zekere hoogte ook familiehoofden hiertoe gemachtigd . Het gegeven dat familiehoofden en individuele stam gebonden priesters zo’n belangrijke rol hebben gespeeld duidt op het ontbreken van een coherente invulling van de inheemse religie. De organisatie in onafhankelijke stammen, die onderling niet op één lijn zaten zowel politiek als religieus wijst ook in deze richting. Het ontbreken van een overkoepelende, religieuze autoriteit zou een algemene invulling van belijdenis overigens ook ernstig bemoeilijken. Ondanks alle pluriformiteit kan men echter wel spreken van één Germaanse religie, gebaseerd op verhalen waarin de zelfde goden en waarden centraal staan. Hierin moet men in het achterhoofd houden dat ons hedendaagse beeld van “religie” vooral gevormd is door sterk georganiseerde en gecentraliseerde bewegingen, die in de oudheid überhaupt vaak niet aanwezig waren.

1.3 Praktische en vreedzame overheersing?

Uit zuiver praktisch oogpunt zou deze interne verdeeldheid, op zowel politiek als religieus gebied voor zover hiertussen een scheiding kon worden aangebracht, nog een andere reden kunnen zijn om de bestaande situatie te laten voortbestaan. Pogingen tot het verdringen van inheemse riten zouden immers de stammen dichter bijeen kunnen brengen en daarmee een gevaar voor het rijk opleveren. Het is niet voor niets geweest dat vanuit Rome vaker werd ingezet op een strategische verdeel en heers politiek.
In de loop der eeuwen zien we wel dat er sprake is van een zekere Romanisering van inheemse culten. Zoals we dat kunnen zien aan de “mars inscripties” van de Tubanten en diverse in Latijnse stijl opgestelde votiefstenen voor de Keltisch/Germaanse beschermgodin Nehalenia. Deze stenen duiken regelmatig op in bij archeologisch onderzoek naar Romeinse bouwwerken en nederzettingen (o.a. Aken en Xanten) in het gebied dat zij als “Germania” betitelden . Inscripties op dergelijke votiefstenen doen qua inhoud denken aan het inlossen van een beloofd offer (solutio) zoals gebruikelijk was in de Romeinse religio. Op zich is dit niet erg verwonderlijk, gezien de nauwe contacten tussen stammen binnen en buiten de Limes(de versterkte grens van het imperium, lopend langs de Rijn en Donau) met zowel civiele als militaire afgezanten en vertegenwoordigers van Rome. Deze beïnvloeding kan wel worden opgevat als stap richting vreedzame assimilatie binnen het Romeinse rijk met behoud van een eigen religieus wereldbeeld.

2: Religieus referentiekader

Over de manier waarop religie als instituut aanwezig was in de Germaanse samenleving bestaat een hoop twijfel. Tacitus schrijft in De Germanen: ‘Overigens vinden ze het niet passen bij de grootsheid van hemelbewoners om goden binnen muren te houden of in enigerlei menselijke gestalte af te beelden’ ‘. Hij kent veel invloed toe aan individuele priesters en priesteressen en goddelijke voortekenen die zij interpreteren. Ook in de sfeer van invloed waarin deze tekenen worden geprojecteerd bestaat een sterke hiërarchie. Zo is een familiehoofd bevoegd zich voor zaken binnen de familie tot de goden te wenden, terwijl in openbare aangelegenheden de priester van de stam als meer betrouwbaar word geacht en incidenteel een waarzegger van buiten de directe gemeenschap soms zelfs een goddelijke wijsheid word toegekend .

2.1 Soorten goden

Zoals al eerder aangegeven zijn deze zaken zeer pluriform van aard, ook de specifieke vereering van bepaalde godheden bij sommige stammen wijst op dit pluriforme karakter. De grote diversiteit in de naamgeving van specifieke goden is nog een aanwijzing richting het ontbreken van een overkoepelende religieuze organisatie. Wodan, Wotan, Woden, Wuotan en Odin bijvoorbeeld zijn allemaal benamingen van één en de zelfde god aan wie in de Edda’s ook nog diverse bijnamen worden toegekend . Daarnaast bestaat een essentiële scheiding tussen twee soorten goden. De ‘morele’ en opperste goden de Asir en de vruchtbaarheidsgoden de Fanir . Deze laatsten, hun naamgeving zegt het al, waren goden met betrekking op de vruchtbaarheid van bodem, volk en vee. Eigenlijk goden die verwijzen naar band tussen mensen en hun omgeving. De Asir zijn goden waarin strijd, kracht, handelingen en andere menselijke (karakter)eigenschappen worden gepersonifieerd . Menselijk handelen als liefde waaraan zowel een gevoel en vruchtbaarheid ten grondslag ligt kan worden teruggevonden bij de beide godenfamilies en tussen hen gesloten huwlijken. Zoals bijvoorbeeld het huwlijk tussen Freya (godin van het huwlijk, en liefde, type moedergodin) en de wijze ‘oppergod’ Wodan van het geslacht der Asir. Deze twee soorten goden verkeren met elkaar op goede voet, hoewel hun eerste kennismaking volgens het lied Völuspá niet bepaald soepel verliep. Omdat dit onderzoek zich richt op het handelen van mensen ten opzichte van elkaar en niet op de spirituele beleving van de natuur, zullen we ons beperken tot de goden van de Asir en de waarden die zij vertegenwoordigen.

2.2 ‘Heilige’ plaatsen en personen.

Opmerkelijk is in ieder geval Tacitus constatering over het ontbreken van tempels en godenbeelden. Vooral omdat meerdere houten paalgoden uit de eerste en tweede eeuw na Christus, evenals van later datum zijn teruggevonden . En er diverse andere afbeeldingen van naar vermoed word goden uit de voor Christelijke periode bekend zijn. Over dit schijnbare probleem kan echter gemakkelijk worden heen gestapt. Tacitus zelf heeft de beelden nooit gezien, omdat hij nooit in Germanië is geweest. Zijn informanten hebben dus de beelden of ‘tempels’ nooit met eigen ogen gezien. Tacitus maakt wel melding van heilige wouden en vennen, die enkel door priesters en ingewijden mochten worden betreden . Wellicht is men er destijds simpelweg niet in geslaagd om door te dringen tot de centra van deze plaatsen waar zich de godenbeelden bevonden, en heeft men dus vermoed dat ze niet bestonden terwijl archeologische vondsten nu het tegendeel bewijzen.
Dat aan bepaalde zieners goddelijke wijsheid werd toegekend, kan worden verklaard uit het wereldbeeld. De negen werelden, allen gelegen in de wereldboom of Yggdrasil, die we onder andere kennen uit het Edda-lied Völuspá zijn immers met elkaar verbonden, waardoor de goden in staat zijn zich te bewegen in de wereld der mensen. Een betere benaming zou eigenlijk de sfeer der mensen zijn, aangezien de verschillende werelden worden bevolkt door verschillende wezens maar desondanks deel uitmaken van hetzelfde geheel. Omdat deze sferen onderling met elkaar verbonden zijn kunnen de goden dus afreizen naar de menselijke sfeer en zich daar doen gelden. Hierin kan een parallel getrokken worden met de Griekse goden die zich vanaf de Olympus op allerlei manieren bemoeiden met het leven van mensen, bijvoorbeeld in de odyssee van Homerus. Dat bepaalde personen als goddelijk werden ervaren door mensen kan dus worden begrepen. Vanwege het ontbreken van een overkoepelende organisatiestructuur, ontbrak het ook aan een instituut dat het doen en laten van goden onder de mensen in kaart bracht. Juist hierin licht de kracht van het geheel. Onderlinge mondelinge overlevering, zoals deze plaatsvindt bij een volk zonder schriftcultuur, is instaat om van stervelingen goden te maken. Niet opzettelijk, maar lange saaie winters, voorliefde voor sterke verhalen, en de drank doet de rest!
De voorliefde voor het nuttigen van grote hoeveelheden alcohol staat als een paal boven water. Tacitus geeft aan: ‘Als men op hun drankzucht inspeelt en hun voorzet zoveel ze maar willen, zijn ze gemakkelijker te overwinnen door hun slechte gewoonten dan gewapenderhand.’ Ook in diverse Edda-liederen speelt drankzucht een centrale rol, het lied Hymiskvida (‘De ballade van Hommer’) bijvoorbeeld is een opsomming van zuippartijen en sterke verhalen.
De diversiteit in niveaus waarop voortekenen werden geïnterpreteerd wijst naast het ontbreken van overkoepeling ook op een zeer persoonlijke inslag en beleving van het goddelijke. De raad van Wodan aan de mensen, zoals deze in het Edda-lied Hávamál is opgetekend lijkt een beroep te doen op het eigen verstand van de vrije man. Het ‘geloof’ van de Germaan zou misschien het beste kunnen worden gezien als een overlevering waaruit bepaalde waarden spreken, die functioneren als een morele kompasnaald voor het individu. Iedere mens komt voor zijn eigen keuzes te staan, keuzes die hij zelf moet maken. Hierbij kunnen de verhalen van de goden als referentiekader dienen om waarden te verdedigen die in de Germaanse samenleving als belangrijk werden ervaren. Historicus Gerard Seyger stelt in zijn werk De oudheid van Twente , dat een beeld probeert te vormen van pre-christelijke bewoners van Twente, dat in de Germaanse ‘religie’ de goden vooral een politieke invloed op de samenleving hadden . Een visie die ook aansluit bij hetgeen ons, tijdens dit onderzoek, duidelijk is geworden.

3: De casus der Ubiërs, het Ara Uborium, symbool van de onderwerping aan Rome?

Het Ara Uborium, vredesaltaar in de Colonia Claudia Ara Agrippinensium, het tegenwoordige Keulen, is afkomstig uit de periode van het begin van onze jaartelling, maar van voor 9 na Christus. Dit detail is ons bekend, omdat Tacitus, in zijn annalen, melding maakt van het feit dat de broer van Arminius, welke aan dit altaar was verbonden als priester, zich aan zijn broers zijde schaarde . Het altaar zou, net als een vergelijkbaar altaar voor de Gallische provincie in Lyon voor de Galliërs deed, de onderwerping van de Germanen aan de Keizer en Rome symboliseren. Een betere locatie voor deze symbolische boodschap zou lastig zijn te vinden. In de Germanen verwijst Tacitus naar de Ubiërs, de van oorsprong Germaanse bewoners van de kolonie, als zeer loyaal ten opzichte van Rome . Het gegeven dat zij het liefst naar zichzelf verwijzen als ‘Agrippiniërs’, verwijzend naar de stichtster van hun Colonia, zoals Tacitus in diezelfde passage vermeldt, getuigt van een sterke mate van culturele assimilatie richting Rome. Ook de grafsteen van een zekere Ubiër Fannius die het tot lijfwacht van keizer Nero heeft geschopt wijst op goede betrekkingen tussen deze stam en Rome . Hoe diep geworteld was die loyaliteit ten opzichte van Rome bij de stam der Ubiërs eigenlijk, en kan het Ara Uborium worden gezien als een symbool van de onderwerping aan Rome en haar keizer?
In zijn beschrijvingen van de Bataafse opstand van 69. en 70 na vermeldt Tacitus dat vanuit het opstandige kamp een beroep wordt gedaan op de stam der Ubiërs. Civilus zou een beroep hebben gedaan op de bloedverwantschap tussen de Ubiërs en andere stammen en hen hebben aangespoord zich te bevrijden van het juk der Romeinse luxe, en aan zijn kant te strijden. Hiermee verwijzend naar een waarschijnlijk hoge mate van verstedelijking en decadentie als gevolg van de verkregen status van Colonia.
Een mentaliteit die totaal niet in overeenstemming zou zijn met de gangbare Germaanse instelling, volgens zowel Civilus als Tacitus. ‘Want ze vinden het een blijk van slapheid en laksheid om met zweet te verwerven wat je door bloed kunt krijgen’ zo omschrijft Tacitus de Germaanse arbeidsethos in De Germanen . Een mentaliteit waarvan we mogen aannemen dat deze niet door Tacitus bedacht is, daar ook uit de latere Edda’s een onvervalste krijgersethiek naar voren komt. Het Edda-lied Skáldskaparmál bijvoorbeeld, verhaald over een muur die de Asir (de belangrijkste godenfamilie in het Germaanse pantheon) een muur willen laten bouwen om hun nederzetting tegen de reuzen (deze moeten worden gezien als verzinnebeelding van natuurlijk oergeweld, stormen enz.) te beschermen. Liever dan de op voorhand afgesproken prijs met de bouwer van de muur (ook een reus) te betalen slaat de dondergod Thor/Donar hem met zijn moker dood. De bouwmeester, omdat deze een reus was, kon worden gezien als een vijand of vreemde van wie men probleemloos het bezit kon afnemen als men hem overwon . In dit geval zijn arbeid in de vorm van de gebouwde muur en natuurlijk zijn leven. Een dergelijke ethiek ging niet op wanneer het slachtoffer deel uitmaakte van de eigen gemeenschap of stam. In het geval van het doden van een niet-vijand zou de moordenaar dit zelf met zijn leven moeten bekopen, aldus Tacitus .

3.1 Een beroep op traditie?

Civilis trachtte met zijn oproep de Ubiërs als het ware weer bij de les te roepen door een beroep te doen op hun loyaliteit ten opzichte van hun voorouders. Niet zonder succes overigens, deze stam zou zich weer aansluiten bij ‘het groter geheel, u heet weer Germanen!’, zoals Tacitus de woorden van Civilis op poëtische wijze weergeeft . Hij [Civilis] toont hiervoor zijn dank ‘ons aller goden en aan Mars, voornaamste god’. Hier kunnen we wederom uitgaan van een vereenzelviging van de Romeinse Mars met de Germaanse Tiu/Tiwaz of Tyr, ofwel de voornaamste oorlogsgod vanuit beide perspectieven. Het was ook aan deze Tiwaz die, vermeldt Tacitus, in de Germaanse voorgeschiedenis als de belangrijkste der Germaanse goden werd aangemerkt het betreft in zijn vermelding de god Tuistö die als voorloper van Tiwaz kan worden aangemerkt . Opvallend is wel dat Tacitus in dit ene specifieke geval niet overgaat tot vereenzelviging met Mars. Later zou Wodan of Mercurius zijn plaats innemen als voornaamste godheid bij de Germanen aldus van Gilst , wellicht dat hiermee de uitzondering van Tacitus kan worden verklaard. Ook de zesde eeuwse schrijver Procopius vermeld in zijn werk De bello Gothico dat noordelijke, Germaanse, stammen offers brachten aan een opperste oorlogsgod hoogst waarschijnlijk Tywaz . In Het Edda-lied Sigrdrífumál (Het lied van Sigrdrifa) wordt het belang van Tiwaz als god van de strijd en overwinning sterk benadrukt .
Om hun nieuwe bondgenootschap kracht bij te zetten verlangt Civilis van de stam der Ubiërs hun stadsmuren neer te halen om zich te bevrijden van de Romeinse slavernij die zich van hen meester heeft gemaakt, en zich weerom vertrouwd te maken met hun eigen natuur . Deze oproep kan symbolisch worden opgevat, maar in dat geval dient men rekening te houden met het zestiende hoofdstuk uit Tacitus De Germanen: Woningen, waarin hij nadrukkelijk noemt dat de Germanen niet in steden leven maar in verspreid opgezette nederzettingen. Leven in steden zou dus kunnen worden gezien als erg niet-germaans. Nu de Ubiërs opnieuw tussen de andere Germaanse stammen waren opgenomen zouden zij hun van de Romeinen overgenomen gewoonte om in steden te leven maar snel moeten opgeven. Aan de andere kant kan de eis van Civilis als militair strategische eis worden gezien. Vertrouwde hij zijn nieuwe bondgenoten wel helemaal? Liever het zekere voor het onzekere, en voorkomen dat de Colonia zou kunnen worden gebruikt als Romeins steunpunt!
De Ubiërs weigeren echter op de eis van Civilis in te gaan, zij achten het gevaar van een Romeinse tegenaanval te groot om de verschansingen rond hun stad te ontmantelen. Hierin dient men ook rekening te houden met het feit dat de Ubiërs zich met hun militair optreden in hun Romeinse dienst niet populair hebben gemaakt onder de andere Germaanse stammen . Als gevolg van hun eerder optreden waren zij ondanks het bondgenootschap met Civilis wellicht toch bang voor een bloedwraak. De morele verplichting om een vermoord familielid te wreken, een motief dat ook naar voren komt in de moord op Hodr door Vali om zijn broer Baldr te wreken in het Edda-lied Baldrs draumar.
Ook wijzen zij, de Ubiërs, er op dat zich onder hen afstammelingen van voormalige Romeinse kolonisten bevinden, die inmiddels via huwelijken al generaties in de stam zijn opgenomen . Hiermee willen zij de militaire noodzaak voor het behoud van hun vestingen benadrukken en het eigen stedelijke leven legitimeren. Civilis nam hiermee genoegen , de stadsmuren bleven overeind en het bondgenootschap intact. Onvoorwaardelijk lijkt de loyaliteit van de Ubiërs hiermee niet zowel richting Rome als richting Civilis. Mede omdat zij zich op het moment dat de opstand haar momentum verliest opnieuw aan de kant van Rome scharen . De keus voor Civilis lijkt daarom dan ook vooral ingegeven door opportunisme, de kans om buit te vergaren in de oorlog: op het moment dat de krijgskansen leken te keren kozen zij namelijk eieren voor hun geld.
Het streven naar krijgsroem en het vergaren van buit past precies in het beeld dat Tacitus van de Germanen schetst in hoofdstukken dertien tot vijftien: Leiders en hun gevolg van De Germanen. Blijkbaar waren de Ubiërs, ondanks hun Romeinse voorkomen toch nog een stuk “Germaanser” dan Civilis had verwacht. Het is ook een houding die op Civilis en zijn Bataven zelf kan worden geprojecteerd. Het waren immers de specifieke omstandigheden in de aanloop van het jaar 69 voor Christus die de vlam in de pan deden slaan. Voorafgaand aan de opstand in dat jaar bestonden goede betrekkingen tussen Rome en de Bataven .

4: Trouw aan de keizer?

De keizerscultus verdient een aparte behandeling daar participatie in deze staatscultus, op zeer uiteenlopende wijze, in de keizertijd een belangrijke positie innam in de verhouding tussen mensen en goden. Vanuit Romeins perspectief gold deelname aan deze cultus als een vereiste voor alle onderdanen van het rijk, on het rijk tegen onheil te beschermen (wederom concept van de pax deorum ). De Germanen waren, net als de Romeinen gedurende de republiek, echter niet gewoon met het concept van vergoddelijken van overledenen.Voor koningen werd hierop echter af en toe een uitzondering gemaakt . Julius Evola trekt in zijn werk Revolt against the modern world een parallel tussen goddelijke aspecten die hij toekent aan de Romeinse keizers en Germaanse koningen. Beiden zouden zij terug gaan op een ouder, gedeeld Indo-Europees verleden. Zijn conclusie zou in kunnen houden dat voor sommige Germanen de keizer Tiberius werkelijk een god op aarde zou kunnen zijn. Anderzijds laat Tacitus weten dat het gezag van een Germaanse koning voor zijn volk niet als “heilig” werd ervaren, en dat vooral zijn gulheid en persoonlijke moed aan hun gezag ten grondslag lag . Een pragmatische middenweg zou kunnen liggen in het toekennen van een goddelijke eer aan een uiterst succesvolle koning. Deze middenweg doet denken aan de tijdelijke, goddelijke eerbewijzen die een Triomfator ontving in Rome gedurende zijn zegetocht . Denk hierbij ook aan de gevolgen van mythevorming rondom bewoners van de Midgard (mensen wereld) door overlevering en het vertellen van sterke verhalen zoals besproken in hoofdstuk 2.

4.1 Reflectie op de constatering van Velleius Paterculus

Our young men are crazy: they worship your devine power when you are absent; but when you arrive they would rather go in terror of your arms than put themselves under your protection”. (Velleius Paterculus, History of Rome II.107)

Wel kenden zij [de Germanen] een diepgewortelde verering van voorouders en kenden zij groot respect toe aan militair machtsvertoon. De Einherjahr, de in de slag gevallen krijgers welke aan de zijde van Wodan in het Walhalla verblijven mogen ook niet als goden worden aangemerkt ondanks hun verblijf onder de goden. De Edda, ons belangrijkste bronmateriaal om een inzicht te verwerven in de mythologie en daarmee het religieuze wereldbeeld van de Germanen, vermeldt duidelijk de verschillende oorsprong van mensen en goden in het lied “Völspula” . In welke context zou de constatering van Velleius Paterculus (zie appendices bijlage 2) over het erkennen van de keizer Tiberius als een godheid door een Germaanse krijger kunnen worden geplaatst?
Velleius Paterculus vermeld in zijn Geschiedenis van Rome een gebeurtenis waarin een Germaans hoofdman de macht van keizer Tiberius erkent naar hem verwijst als een god . Hiermee lijkt deze zich als het ware symbolisch te onderwerpen aan de macht van de “god Tiberius”. Kan het handelen van deze door zijn volk uitgestuurde vertegenwoordiger ook op een andere manier worden geïnterpreteerd?.
Vanuit Romeins perspectief kan deze passage worden bekeken als: een bevestiging van de macht van de “goddelijke” keizer, zelfs de barbaren erkennen de macht van de keizer en tonen zich daarmee onderworpen. Vanuit het perspectief van de “barbaar” kan het een en ander ook op een andere manier worden opgevat. Al eerder is vermeld dat bij de Germanen een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen mensen en goden, in afkomst en dus in essentie. We weten echter, uit de Edda’s, dat deze goden zich wel regelmatig onder de mensen begaven. Zelfs dat Wodan als legerleider optrad en deelnam aan conflicten tussen mensen . In het licht van een dergelijk geloof zou gesteld kunnen worden dat de betrokken Germanen hier Caesar voor Wodan hielden, die zich onder de mensen begaf. Het militaire karakter van de situatie kan hierop wijzen. Het idee dat de jonge Germaanse mannen zich liever de confrontatie met de “godheid” die zij aanbidden aangaan dan zich onder zijn bescherming te stellen, lees om genade te smeken, kan worden geïnterpreteerd als uiting van de Germaanse krijgsgeest. Om een dergelijk geloof beter inzichtelijk te maken bied het Edda-lied Grímnismál, (‘het lied van de gemaskerde’) word een plaats in het Walhalla als het hoogst haalbare voor de sterfelijke mens voorgesteld. In het Edda-lied Völsupá word- ook de uiteindelijke ondergang van het Walhalla beschreven. Het hoogst haalbare zou dus ook niet voor eeuwig zijn. Voor de individuele krijger was een eervolle nederlaag immers van grotere waarde dan een schamele overwinning. Hoe anders zou een krijger ooit beter in staat zijn zichzelf te bewijzen dan in het aangezicht van Wodan zelf? Toch lijkt een dergelijke volledige overgave aan Wodan in de praktijk slechts door een beperkte groep krijgers, de zogenaamde Brserkr, te zijn nagestreefd . Deze groep woeste en in trance verkerende krijgers moeten wellicht eerder worden gezien als fanatici,

4.2 Claudius Civilis als goddelijke aanvoerder?

In de context van de vergoddelijking van een succesvol militair aanvoerder is een aspect dat mogelijk heeft bijgedragen aan de brede steun die de Bataafse opstand ontving van andere stammen erg interessant. Hoewel puur speculatief omdat de beschikbare bronnen over een dergelijke associatie niets vermelden zou een verband kunnen worden gelegd tussen Wodan, die in de overlevering naar voren komt als een wijs en verstandig militair aanvoerder, en de sluwe, strategisch begaafde Civilis. Beide misten één oog, een handicap die wellicht heeft bijgedragen aan de mate waarop de oproep van Civilis gehoor vond onder de stammen die hij opriep zijn opstand te ondersteunen. Deze handicap van Civilis vermeldt Tacitus wanneer hij hem vergelijkt met Hannibal die ook één oog miste . Op zich lijkt het missen van één oog een vrij triviaal gegeven, vooral voor een militair als Civilis in een tijd toen de medische wetenschap naar hedendaagse standaard als erg slecht kan worden bestempeld. Maar wie weet wat de gelijkenis tussen een mens en een god in het heetst van de strijd heeft kunnen betekenen. Bedenk dat binnen het Germaanse wereldbeeld de men er van uitging dat goden zich regelmatig zouden bemoeien met de mensenwereld. Als onderdeel van de mythevorming rondom de persoon van Civilis moeten we dit gegeven in ons achterhoofd houden.
De passage waaruit bovenstaand citaat afkomstig is [Paterculus} geeft echter geen informatie over het verdere verloop van zaken. Het optreden van zowel Arminius als Julius Civilis, beide voor hun “verraad” op erg goede hand met de vertegenwoordigers van Rome, zal in ieder geval illustreren dat er van een ongenaakbare loyaliteit en onderwerping aan Rome en de keizer geen sprake was. Op Arminius en Civilis komen we overigens later terug. Eerder lijkt vooral de pragmatische waarde van overeenkomsten met en “onderwerping” aan Rome, als de meest praktische keuze uit Germaans oogpunt, voor de hand te liggen.

4.3 Eervolle collaboratie of zelfbewust handelen?

Een bondgenootschap bood vele lucratieve aspecten: opname in de Romeinse legioenen zou menig jonge krijger verzekeren van de mogelijkheid zich in de strijd te bewijzen. In vredestijd trokken vele vrije jonge Germaanse mannen weg van hun stam, om in andermans oorlogen zichzelf in de strijd te bewijzen en buit te vergaren weet Tacitus ons te vertellen. Omdat oorlogsroem als erg belangrijk voor het bevestigen van de eigen status als vrije man werd geacht, moet een keuze voor opname in de Romeinse legers, door Germaanse mannen, gezien zijn als een verzekering van maatschappelijk succes .
Het duidelijke onderscheid dat wordt gemaakt tussen vrije mensen en slaven door de Germanen, laat Tacitus weten, kan hun schijnbaar vijandige houding die Paterculus opmerkt verklaren . Onderhandelen vanuit een zwakke positie, ongewapend zijn, gold als oneervol. Dit omdat juist het dragen van wapens het onderscheid zichtbaar maakte tussen een vrij man en een slaaf. Onderhandelen vanuit een zwakke positie zou er op neer komen dat in een eventueel verbond Rome de overhand zou hebben, hetgeen een samenwerking zou betekenen van ongelijkwaardige partners.

Geen enkele kwestie, openbaar noch privé, handelen ze ongewapend af. Maar het gebruik wil dat niemand de wapens aanneemt voordat de stam hem daartoe geschikt bevonden heeft. Dat gebeurt in de volksvergadering, wanneer een jongeman van de leiders of zijn vader of verwanten plechtig een schild en werpspies krijgt aangereikt. Dit is voor hen de toga, het eerste ereblijk voor de jeugd. Voordien worden ze beschouwd als deel van het huis, daarna van de stam’.

Bovenstaand citaat uit De Germanen benadrukt de manier waarop wapens en status onlosmakelijk met elkaar waren verbonden bij de Germaanse stammen. Het Edda-lied Hávamál bevat bovendien een letterlijke instructie door de oppergod Wodan/Odin aan de vrije man om bewapend te zijn, waarheen hij ook gaat . Het Germaanse leger dat Paterculus vermeld kan dus evengoed een vergadering van vrije mannen zijn geweest! Door gewapend aan de Romeinen te verschijnen kon de eigen kracht en onafhankelijkheid benadrukt worden en een gunstige in uitgangspositie in onderhandelingen worden afgedwongen. Een bondgenootschap met Rome, lijkt dus vooral gewenst uit eigen belang en werd niet gezien als onderwerping aan Rome. Een erg begrijpelijk standpunt voor een volk dat zelfs het gezag van haar hoogste eigen adel als relatief beschouwt.

5: Opstand tegen Rome: Arminius en Civilis

Dat de Germanen zichzelf als ‘vrij’ beschouwden in hun bondgenootschap met Rome, en Rome hen ook als zodanig behandelde geeft Tacitus duidelijk aan in de hoofdstukken 29 en 30 van De Germanen. In deze hoofdstukken maakt hij een duidelijk onderscheid tussen de Germanen en andere bevolkingsgroepen/etnische minderheden woonachtig in Germanië, groepen die in tegenstelling tot de Germanen, belastingen betaalden aan het rijk
Het strategisch handelen van Civilis in de beginfase van zijn opstand geeft ons meer materiaal om van een vooral praktische loyaliteit ten opzichte van de keizer te spreken. Hoe kwam een uiterst loyale en zeer gewaardeerde bondgenoot ertoe de wapenen tegen Rome op te nemen? Tacitus vermeldt duidelijk dat in de periode welke de aanleiding voor de opstand vormde de machtsverhoudingen in het Bataafse land ernstig begonnen te veranderen . Van een soevereine stam, vrijgesteld van belastingen slechts verplicht om krijgers te leveren,werden zij plots overgeleverd aan de schijnbare willekeur en corruptie van gouverneur Aulus Vitellius Germanicus . Deze trachtte met de opbrengst van het plunderen van Germanië zijn greep op het keizerschap in Rome te verstevigen .
Onder de voorwaarden van orders aan hem verstrekt door een andere pretendent voor de troon, Titus Flavius Vespasianus, kon Civilis een opstand tegen de troepen van Vitellius legitimeren . Hiermee werd hem tevens de mogelijkheid geboden om op legitieme wijze de machtsverhouding tussen zijn stam en Rome opnieuw in zijn voordeel te brengen. Uit het feit dat Civilis, nadat Vitellius word uitgeschakeld door aanhangers van Vespasianus, de wapenen niet neerlegt blijkt zijn loyaliteit niet bij Vespasianus, maar bij zich zelf te hebben gelegen. In de redes waarmee Civilis de Bataven en andere stammen opriep in opstand te komen tegen Rome, lag de nadruk op de verschoven machtsbalans voor stammen gelieerd aan Rome . Stammen die niet aan Rome waren verbonden spiegelde hij een gemakkelijke zege en een rijke buit voor, zaken waarvoor het Germaans mannenhart alles behalve ongevoelig was ! Hieruit volgt opnieuw dat opportunisme in ieder geval voor een deel van de opstandelingen gold als een belangrijke drijfveer.
Hoe het precies met Civilis afloopt is niet geheel duidelijk, wel is ons bekend dat hij bij zijn overgave in aanmerking voor gratie kwam . Zijn stam knoopte opnieuw, onder haar oude, gunstige voorwaarden een bondgenootschap met Rome aan. In de collectie van het Nijmeegs museum De valkhof bevind zich momenteel de zeer rijke inhoud van het graf van een inheemse krijgsman uit de periode van de Bataafse opstand . Omdat bij het graf geen graf inscripties zijn gevonden is het niet met zekerheid te zeggen voor wie de extreem gulle grafgiften waren bedoeld. Gezien de hoge status van Civilis en de periode waaruit het graf stamt word gespeculeerd over een mogelijk verband, het ontbreekt mij echter aan de nodige bronnen om mij in dit debat te mengen. Wel illustreert het graf een nieuwe periode van welvaart voor de Bataven, mogelijk gemaakt door de gunstige voorwaarden waarop zij opnieuw aansluiting vonden bij Rome. In die zin kan, de Bataafse opstand dus worden gezien als een succes. De Bataven slaagden er in om opnieuw onder voor hun gunstige voorwaarden vrede te sluiten met Rome met alle voordelen van dien.
Deze vooral praktische loyaliteit ten opzichte van Rome kan ook worden herkend in de aanloop naar de grote Germaanse opstand waarvan men de zogenaamde Varusslag in 9 na Christus als beginpunt neemt. Arminius gold als zeer loyaal ten opzichte van Rome, hij groeide zelfs als gijzelaar op in die stad. De komst van Publius Quinctilius Varus als gouverneur naar Germanië in het jaar 7 na Christus zorgde voor een ommekeer in de machtsbalans. Van gelijkwaardige vrije partners in een verbond met Rome werden de stammen langs de Rijn door Varus tot slaven gemaakt . Dit stootte menig Germaans vorst zwaar tegen de borst, terwijl enige andere vorsten juist door goede persoonlijke contacten de kant van Rome kozen . Hieruit spreekt het gevolg van de typische Romeinse verdeel en heers politiek als middel om onderworpen volkeren onder de duim te kunnen houden.
De inzet van Arminius lijkt echter veel meer te zijn geweest dan die van Civilis. Na openlijk Rome te zijn afgevallen en verschillende legioenen te hebben vernietigd, wil Arminius overgaan tot de aanval en de strijd verplaatsen naar Romeins gebied . Zijn oproep hiertoe vond echter geen gehoor, waardoor een status-quo ontstond. Ondanks een oplaaiende Germaanse burgeroorlog tussen voor en tegenstanders van samenwerking met het imperium, waarbij vooral de voorstanders behoorden tot groepen die Romeinse steun ontvingen, zoals bijvoorbeeld de Marcomani . Verschillende latere Romeinse expedities om de schande van 9. weg te wissen liepen uit op mislukkingen. Evenals de droom van Augustus om heel Germanië bij het Imperium in te lijven.

CONCLUSIE 

Op grond van al het voorgaande zou kunnen worden gesteld dat “de Germaan” in relatie tot Rome vooral moet worden gezien als een krijger, wiens loyaliteit lag bij het nastreven van zijn eigen geluk. Zijn ‘geloof’ bood hem een breed scala aan voorbeelden van goden- en heldendaden, die konden dienen als referentiekader om zijn eigen leven aan te spiegelen. Vooral zijn persoonlijke soevereiniteit, en die van zijn verwanten, werden hierbij hoog in het vaandel gehouden. De keuze: ‘vrijheid of onderwerping?’ bestond in die zin niet. De Germanen waren vrij, ondanks de culturele en politieke invloed van buitenstaanders op de Germaanse samenleving. Zolang deze buitenstaanders mogelijkheden boden aan de stammen van Germanië om zich naar eer en geweten te ontwikkelen, dan werden deze kansen aangrepen. Kwam het er op neer dat ontwikkelingen aan de Germaanse stammen werden opgedrongen van buiten af, dan waren zij het aan zichzelf, elkaar en hun voorouders verplicht als vrije mensen hun vrijheid te beschermen.
In die zin kan dus wel worden gesproken van een morele drang naar vrijheid, ingegeven door vertellingen van eeuwenoude goden- en heldendichten. Het ging er niet om de verhalen van goden en helden, verteld bij het haardvuur tijdens de lange, barre winters, letterlijk te nemen. Voor het letterlijk nemen van dergelijke verhalen als ‘het woord van god’ zou bovendien een hogere graad van organisatie noodzakelijk zijn geweest. Een dergelijke overkoepelende structuur, welke op grond van religieuze dogma’s haar eigen absolute gelijk zou claimen, is eigenlijk een tegenpool van de pluriforme en gedecentraliseerde Germaanse mythologie en wereldbeschouwing. Men moet ze [de verhalen uit bijvoorbeeld de Edda] zien als een moreel kompas, in detail onderhevig aan constante ontwikkeling maar in de kern toch altijd de zelfde waarden bevattend.
Dat zijn de achtergronden die we in de gaten moeten houden wanneer we het handelen van de Germanen als collectief en tevens de individuele Germaan, ten opzichte van Rome bekijken. Van Romeins perspectief uit bestond redelijk wat kennis over de aard der Germanen. Niet alleen de vermeldingen van Tacitus, maar ook de succesvolle inzet van Germaanse hulptroepen in de legers van Rome illustreren dit. De verdeel en heers politiek die zij voerden in Germanië, gedurende de eerste twee eeuwen na Christus, zou aan de basis liggen van de ondergang van het West-Romeinse Rijk. Omdat de leerling de meester uiteindelijk zou ontgroeien.

BIJLAGEN

Bijlage 1. Citaat uit: Aat van Gilst de Eeuwige ordening,Blz. 161. In dit citaat wordt, door van Gilst, de door de Tubanten bij Housesteads in Noord-Engeland achtergelaten inscriptie besproken.

‘Behalve wapen- en oorlogsgod was Týr ook god van het thing of rechtsgeding. Twee inscripties uit de eerste helft van de derde eeuw spreken van Mars Thingsus: bij Housesteads in Noord-Engeland zijn twee wijstenen bij de restanten van de Hadrianuswal gevonden. Uit de inscriptie van de ene blijkt dat Germanen, burgers van de stam der Tuihanti, deze hebben opgericht voor de god Mars Thingsus en de beide Alaisiagen Bede en Fimmeline: Deo Marti Thingso et duabus Alaesiagis Bede et Fimmilene et n(umini) Aug(usti) Ger(mani) cives Tuihanti v.s.l.m.’.

Bijlage 2. Citaat uit Velleius Paterculus History of Rome II.107

‘I cannot resist inserting a minor incident even into this narrative of great events. Our camp was on the nearer bank of the river I have just mentionen(Elbe); on the far bank there was a glittering array of the enemey’s troops, but hastily retreating [at every movement of our ships]. But one of the barbarians, a senior man in years, very tall, high-ranking as shown by his dress, embarked in a canoe- a hollowed out log, as is their custom – and steerd his own course to the middle of the river. Then he asked if he could have permision to land in security on our bank, and to look at Caesar. Permission was granted, so he beached his canoe and gazed at Caesar for a long time without speaking. Then he spoke: “Our young men are crazy: they worship your divine power when you are absent; but when you arrive they would rather go in terror of your arms than put themselves under your protection. Buts I, Caesar, by your kind permission, have seen the gods of whom I used once only to hear; nor have I ever hoped for or experienced a happier day in my life.”He was given permission to touch Caesar’s hand; and then he went back to his boat, and carried on ceaselessly gazig back at Ceasar until he reached his own side’s bank of the river.’

Bijlage 3. Grafsteen van Fannius, Ubische lijfwacht van keizer Nero, gevonden te Rome.

‘Fannius / Neron(is) Claudi / Caesaris Aug(usti) / corpori(s) custos / dec(uria) Cotini / nation(e) Ubius / vixit ann(os) XIIX h(ic) s(itus) e(st) / posuit Corinthus / dec(uria) eadem heres eius / ex colleg(io) German(orum)’.

LITERATUURLIJST

Beard, Mary, John. North en Simon Price (ed.), Religions of Rome. Volume I. A History (Cambridge 1998). 11e druk 2010.

Beard, Mary, John. North en Simon Price (ed.), Religions of Rome. Volume II. A Source book (Cambridge 1998). 11e druk 2009.

Blois de, L. en van der Spek, R.J.,Een kennismaking met de Oude Wereld (Bussum 1983). Zesde, herziene, druk 2006.

Cesar, Claudius Julius., Oorlog in Gallië; Vertaald uit het Latijn door Vincent Hunink (Gennep 1997).

Dio, Cassius. Augustus: keizer van Rome; vertaald uit het Latijn door G.H. de Vries (Amsterdam 2002).

Evola, Julius., Rivolta contro il mondo moderno (Rome 1969). Vertaald naar het Engels door Guido Stucco, onder de titel Revolt against the modern world (Vermont 1995).

Gilst van, A., De Eeuwige ordening. Mythologie en religie in het oude Noord-Europa (Soesterberg 2004).

Hunnink, V, De Germanen, (Amsterdam 2000) Vertaling van: Tacitus, De origine et situ Germanorum uit het Latijn.

Hunnink, V, De opstand van de Bataven, (Amsterdam 2005). Vertaling van Tacitus, bundeling uit Historiën 4 en 5.

Jung, E.F., De Germanen: Bloei en neergang van de bedwingers van het Romeinse rijk (Amsterdam 1978).

Orlin, Eric.M, Temples, Religion and politics in the Roman Republic (Leiden 1997).

Seyger, Gerard, De oudheid van Twente (Enschede 2010).

Sturluson, S., Poëtische Edda; vertaald uit het oud IJslands en ingeleid door Marcel Otten (Baarn 1994). Herziene druk Amsterdam 2004.

Tacitus, C., De opstand van de Bataven; bundeling uit Historiën 4 en Historiën 5, vertaald door Vincent Hunnink (Amsterdam 2005).

Tacitus, C. De origine et situ Germanorum; vertaald uit het Latijn door Vincent Hunnink onder de titel De Germanen (Amsterdam 2000).

Posts created 946

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven