Jonge Historici oordeelt: de Libris Geschiedenis Prijs 2015 – De schaduw van de grote broer

Jonge Historici oordeelt: de Libris Geschiedenis Prijs 2015 – De schaduw van de grote broer

Jonge Historici oordeelt: de Libris Geschiedenis Prijs 2015 – De schaduw van de grote broer

Reacties uitgeschakeld voor Jonge Historici oordeelt: de Libris Geschiedenis Prijs 2015 – De schaduw van de grote broer

 

De naam van het beste geschiedenisboek van 2015 is bekend. Een vakjury verkoos ‘De Stamhouder’ als absolute winnaar van de Libris Geschiedenis Prijs. Ook wij hebben natuurlijk een mening klaar, zelfs na het definitieve oordeel. Namens JH hebben vijf recensenten de genomineerde titels voor de Libris Geschiedenis Prijs gelezen en een vonnis geveld. Vandaag bespreekt Bart Smits het boek ‘De schaduw van de grote broer’, geschreven door Laura Starink. 

Wat betekent het voor een volk en haar geschiedenis om anno 2015 te leven in de schaduw van de grote broer, Rusland? Op deze nog altijd actuele vraag probeert Laura Starink, die dertig jaar actief is geweest als NRC-journaliste, antwoord te geven door af te reizen naar vier Oost-Europese gebieden: Letland, Polen, Oekraïne en Kaliningrad. Ten grondslag aan elk hoofdstuk ligt het leidmotief van een problematische historische erfenis van de Tweede Wereldoorlog, waarbij een brede waaier aan interviews het narratief vormt.

In Letland wordt elk jaar herdacht dat op 16 maart 1944 twee Letse SS-legioenen gezamenlijk ten strijde trokken tegen het Rode Leger. Vechten tegen de Russen onder de swastika-banier wordt door veel Letten, ook nu nog, beschouwd als een heldendaad: de Russische bezetter werd meer gevreesd dan de Duitse. Alle voorzichtige pogingen tot nuancering van de Letse regering en historici ten spijt, leidt de herdenking sinds de Letse EU-toetreding in 2004 tot opgetrokken wenkbrauwen door heel Europa, terwijl Moskou ze gebruikt als propagandamiddel om de Letten af te schilderen als een volk van collaborateurs en neonazi’s.

Problematisch is eveneens de ‘ontdekking’ van de pogrom in het Poolse dorpje Jedwabne, waar op 10 juli 1941 de Joden van het dorp met stokken en knuppels in een schuur werden gejaagd en deze vervolgens in lichterlaaie werd gezet. Problematisch, omdat een groot deel van het Poolse volk – daarbij gesteund door de Katholieke kerk – de eigen natie ziet als één van heldhaftige partizanen en onschuldige slachtoffers, niet van daders. Nakomelingen van inwoners van Jedwabne schuiven de schuld steevast af op de Duitse bezetter, betwisten het dodental en weigeren ook nog 74 jaar later deel te nemen aan de bescheiden jaarlijkse herdenkingsplechtigheid. ‘Dissidenten’ die het stilzwijgen proberen te doorbreken, zoals kandidaat-burgemeester Stanislaw Michalowski, worden in de gemeenschap dan ook met de nek aangekeken.

In Kaliningrad, het vroegere Köningsberg van Emmanuel Kant dat na de oorlog bijna met de grond vernietigd werd en door Russen werd gekoloniseerd, onderzoekt Starink wat het betekent voor de identiteit van een volk om tussen twee vuren van de grootmachten in te zitten: inwoners voelen zich Europees, maar zijn Russisch, leven op Russisch grondgebied en kijken daarom met hele andere ogen naar de anti-Europese retoriek van de Moskouse politiek en media dan de rest van hun ‘landgenoten’.

schaduwgrotebroer

In het hoofdstuk over Oekraïne, ten slotte, ligt de nadruk op meer recente gebeurtenissen: de pro-Europese revolutie van Euromajdan in november 2013, de Russische invasie van de Krim en de daaropvolgende pro-Russische opstanden in Oost-Oekraïne. Dat ook in deze gebeurtenissen de Tweede Wereldoorlog voortleeft illustreert Starink door in te gaan op de herwaardering van Stepan Bandera, de leider van de Oekraïense onafhankelijkheidsbeweging in de Tweede Wereldoorlog. Door zijn strijd tegen de Sovjet-Unie vormt hij een inspiratie voor Oekraïense nationalisten, maar het feit dat hij collaboreerde met de nazi’s en door rechts-extremisten nu op het schild wordt gehesen maakt hem tot een zeer omstreden figuur: munitie voor Rusland om de onafhankelijkheidsbeweging van Kiev verder te doen afschilderen als een fascistische junta van bandieten. Eigenlijk toont De schaduw van de grote broer dus aan de hand van concrete voorbeelden hoe identiteit en geschiedenis van een zogenaamde imagened community – in dit geval de natiestaat  – op gespannen voet met elkaar kunnen staan.

Zoals elke goede verslaggever gebruikt Starink de show, don’t tell-techniek: de auteur zorgt voor de omkadering, maar de persoonlijke perspectieven van de geïnterviewden maken het verhaal. Deze aanpak maakt De schaduw van de grote broer tot een prikkelend en veelzijdig werk dat op geen enkel moment saai wordt. Tussen de regels door lees je dat Starink door haar jaren van journalistieke ervaring weet hoe ze de mensen heeft moeten benaderen en dat ze bovendien moeite heeft gedaan om zoveel mogelijk verschillende personen te kunnen spreken over een bepaalde kwestie. In het hoofdstuk over de pogrom van Jedwabne, bijvoorbeeld, komen naast historici onder meer dorpelingen, journalisten, politici, rabbijnen, een onderzoeksrechter en katholieke priesters aan het woord; beslist een knappe prestatie. Starink zelf verdwijnt daarbij allerminst naar de achtergrond: haar persoonlijke ervaringen en indrukken gedurende de reizen zijn eveneens genoteerd, waardoor je als lezer het gevoel krijgt met haar mee te reizen door Oost-Europa.

Tegelijkertijd is deze journalistiek insteek het grootste minpunt aan De schaduw van de grote broer. Voetnoten ontbreken en de literatuurlijst is met 18 titels behoorlijk pover te noemen, zeker voor een werk met een dergelijk breed gezichtsveld. Wie bijvoorbeeld meer wil lezen over Letse collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog zal alleen verder op speurtocht moeten gaan. Vanwege het actuele controversiële karakter van de besproken historische gebeurtenissen in De schaduw van de grote broer zou het geen overbodige luxe zijn geweest om een korte, historisch-verantwoorde literatuurlijst aan het einde van elk hoofdstuk te voorzien.

Wat verder opvalt is dat de auteur er weliswaar goed in slaagt om de historische problemen aan de kaak te stellen en te illustreren aan de hand van de vele interviews, maar daarbij in een typische journalistenval loopt: het verklaren van deze problemen wordt hoofdzakelijk overgelaten aan de geïnterviewden zelf. Met andere woorden: meningen worden aan de lezer gepresenteerd, maar – zeker in het geval van de historici ter plaatse – door de auteur nog te weinig geproblematiseerd. Een kritisch en aanvullend kader, dat echt boven het verhaal van de geïnterviewden weet uit te stijgen, ontbreekt grotendeels.

In het hoofdstuk over de herdenking van Letse SS’ers beweert de Letse historica Vita Zelçe bijvoorbeeld dat de overgrote meerderheid van legionairs gedwongen werd gemobiliseerd en dat er amper “echte nazi’s” bijzaten, terwijl twee pagina’s eerder nog een andere historicus beweert dat Letse legionairs zich vooral (vrijwillig!) bij de SS aansloten om Letland onafhankelijk van de Sovjet-Unie te maken. “De dubbele bezetting is historisch gesproken nog steeds een omstreden onderwerp”, tekent Starink op bij monde van de derde geschiedkundige Daina Bleiere. “Er zijn vele motieven te bedenken waarom je de ene keer verzet pleegt en de andere keer kiest voor collaboratie”, besluit Zelçe enigszins enigmatisch.

Het heeft er dus alle schijn van dat Starink zelf ook grote moeite heeft gehad om zich door dit historische mijnenveld te bewegen en daardoor uiteindelijk ‘maar’ kiest voor een perspectivistische aanpak; weliswaar een prima methode om tot het hart van het probleem te geraken en het in al zijn facetten te etaleren, maar waardoor de lezer aan het einde van elk hoofdstuk vaak achterblijft met de vraag welke mening nu precies wat waard is.

Ondanks deze punten van kritiek kan De schaduw van de grote broer beschouwd worden als een uitstekend vertrekpunt voor degene die kennis wil nemen van de problematische erfenis van de Tweede Wereldoorlog, de Russische bezetting en de huidige Russische invloed in verschillende delen van Oost-Europa. Starink weet telkens op knappe wijze de vinger op de zere plek te leggen, onderbouwd door de altijd boeiende en illustrerende anekdotes van mensen die elk op eigen wijze proberen om het controversiële nationale verleden een plaats te geven – of te gebruiken – in het heden.

Voor historici kan het boek vanwege de eerdergenoemde redenen echter minder interessant zijn. Is dat erg? Mwa. De schaduw van de grote broer blijft ondanks de genoemde minpunten een indrukwekkend werk, leest als een trein en heeft bovendien een groot lezerspubliek warm weten te krijgen voor actuele geschiedenis: binnen vijf maanden na publicatie was het boek al toe aan zijn vierde druk. De nominatie voor de Libris geschiedenisprijs 2015 was alleen al om deze reden terecht.

BartBart Smits (1988) studeerde actuele geschiedenis aan de Radboud Universiteit, waar hij voor zijn masterscriptie onderzoek deed naar de beeldvorming van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog in geschiedenismethoden voor het Nederlands voortgezet onderwijs (1950-2000). Sinds 2014 woont en werkt hij in België.

About the author:

Back to Top