Joris Noordenbos: Het plot van Aristoteles

Joris Noordenbos: Het plot van Aristoteles

Reacties uitgeschakeld voor Joris Noordenbos: Het plot van Aristoteles

Joris Noordenbos

Samenvatting

Er is meer Aristoteles in ons leven dan we denken. De principes waaraan een goed verhaal moet voldoen, heeft deze Griekse denker al heel lang geleden opgeschreven in zijn bekende werk Poetica. Joris Noordenbos heeft onderzocht hoe relevant Aristoteles vandaag de dag nog is. Eerst las hij de Poetica zelf om te kijken of en op welke punten moderne filmmakers hem nog steeds volgen. De uitkomst is verrassend, zoals Joris analyse van The Truman Show, een door Peter Weir geregisseerde en in 1998 uitgebrachte film, laat zien.

Download de PDF

Joris Noordenbos (pdf)

Lees met ISSUU

Volledige Tekst

INLEIDING

Is het maken van een goede film of het schrijven van een goed verhaal te leren? Wie daarop ja antwoordt, zegt impliciet dat er algemene regels zijn te formuleren die leiden tot een succesvol verhaal. Vele handboeken voor het schrijven van verhalen of filmscenario’s laten geloven dat dit zo is. Deze boeken benaderen het schrijversvak als een ambacht dat te leren is. Roemert Lievaart verwoordt het als volgt:

Film maken is een ambacht, waarin niets aan het toeval wordt over-gelaten. […] Film maken is toepassen van eindeloos veel regels. Goed film maken lukt pas als de regels in je bloed zitten. Beter film maken bestaat uit het weer loslaten van de regels – en het weten waarom.

Zeer waarschijnlijk was Aristoteles ook van mening dat het schrijven van een goed verhaal te leren is. Hij beschreef in zijn Poëtica een aantal regels waar volgens hem een verhaal aan moet voldoen om te slagen. Verassend genoeg komen de hedendaagse basisregels van verhalen overeen met de regels voor een Griekse tragedie, zoals Aristoteles deze heeft opgesteld. De manier waarop wij drama ervaren is ook grotendeels op de Griekse tradities gebaseerd. Vooral in Hollywood films wordt vaak vastgehouden aan de traditionele opbouw en structuur van de oude Grieken.
Vanuit de ambitie om als filmregisseur mijn brood te verdienen ben ik erg geïnteresseerd in verhalen en films en heb een groot aantal boeken over het schrijven van verhalen en filmscripts gelezen. In bijna al deze boeken wordt Aristoteles aangehaald. Hieruit ontsprong het idee om de meester zelf te bestuderen. De opzet is om alle verwijzingen van de moderne schrijvers op een rijtje te zetten en daarnaast de Poëtica te bestuderen. Zo zal duidelijk worden in hoeverre de huidige principes van drama en plot gebaseerd zijn op oude Griekse tradities. Dit biedt verder de kans om deze principes beter te leren kennen en te leren beheersen, want ook ik denk dat goed schrijven te leren is.
Een werk waar ik tijdens dit onderzoek veel aan heb gehad is dat van Ari Hiltunen Aristotle in Hollywood. Zijn these ligt dicht bij die van dit onderzoek: wat wordt er heden ten dage nog gebruikt van de principes van Aristoteles bij het construeren van succesvolle films en televisieseries? Hoewel zijn werk zeer bruikbaar is, zijn er ook een aantal verschillen in werkwijze. Hiltunen legt de nadruk op de uitwerking van een goed verhaal op de kijker/lezer en minder op de manier hoe deze uitwerking tot stand is gekomen. Hij gebruikt vele voorbeelden waardoor een diepgaande analyse ontbreekt. Desalniet-temin is dit goedgeschreven werk een aanrader.
Dit onderzoek naar Aristoteles verliep in een aantal stappen en die vormen de basis voor de opbouw van deze scriptie. Allereerst is de Poëtica goed bestudeerd en zullen in het eerste hoofdstuk Aristoteles en zijn Poëtica uitgebreid aan bod komen. Wie was deze filosoof en waarom schreef hij dit werk? De Poëtica zal worden samengevat om de lezer met de belangrijkste zaken bekend te maken. Er wordt vooral gekeken naar de dramatische principes en verhaalstructuur. Aan welke regels houdt de structuur zich en hoe kan de toepassing van regels volgens Aristoteles leiden tot een goed verhaal? Deze punten zullen helpen bij mijn analyse van het werk die ik in het tweede hoofdstuk zal geven. Wat betekenen de zaken die Aristoteles schreef precies en hoe zijn deze te vertalen naar onze tijd?
In het derde hoofdstuk zal gekeken worden naar een moderne Hollywoodfilm om te zien hoe houdbaar de theorieën van Aristoteles nu nog zijn. Er is gekozen voor The Truman Show uit 1998. Deze film is een voorbeeld van een succesvolle blockbuster die zich een typisch product van Hollywood mag noemen. Toch zijn in deze film heel duidelijk principes en theorieën van Aristoteles terug te vinden. Uiteindelijk wil ik de balans opmaken en kijken wat er nog van de principes van Aristoteles over is, meer dan tweeduizend jaar nadat hij ze opschreef.

1: ARISTOTELES EN DE POËTICA

Aristoteles (384 v.Chr. – 322 v.Chr.) mag met recht een van de grondleggers van de westerse filosofie genoemd worden. Nog steeds staan er in bibliotheken veel van zijn werken. De populariteit van deze werken wordt bewezen door het feit dat deze tot op de dag van vandaag nog steeds worden vertaald. Jonathan Barnes weet het mooi te verwoorden: “Aristoteles torent als intellectuele reus boven de oudheid uit. Nog nooit had iemand zoveel bijgedragen aan de wetenschap, en na hem kon niemand de hoop koesteren zijn prestaties te evenaren.” Al in zijn eigen tijd wist Aristoteles generaties leerlingen te inspireren en dat doet hij tot op de dag van vandaag. Ook ik ben zo’n leerling, geïnspireerd door de grote filosoof.

1.1 Het leven van Aristoteles

Maar wat is er eigenlijk bekend over de filosoof Aristoteles? Over zijn persoonlijkheid en karakter is weinig bekend. Barnes vermeldt dat Aristoteles een dandy was met vele ringen om zijn vingers. Hij scheen ondanks een slechte spijsvertering en zijn spillebenen goed gehumeurd en vrijgevig te zijn geweest. Hij werd geboren in het plaatsje Stagaira op het schiereiland Chalcidice. De familie van Aristoteles was welgesteld en beide ouders waren arts. Zijn vader was een vriend van koning Amyntas III van Macedonië. Hierdoor genoot Aristoteles een aristocratische opleiding. Op zijn achttiende verhuisde hij naar Athene, waar hij ging studeren op de academie van Plato. Hier zou hij nog 19 jaar studeren en lesgeven tot de dood van zijn meester. Aristoteles is daarna gaan reizen door Azië, waar hij de lokale flora en fauna ging bestuderen. Daar werd hij gevraagd door de nieuwe koning van Macedonië, Philip II, om zijn zoon les te geven, die de boeken in zou gaan als Alexander de Grote.
Het is interessant om te zien dat enkele van de meest invloedrijke personen in de geschiedenis elkaar zo hebben beïnvloed. Plato kreeg les van Socrates en gaf zelf les aan Aristoteles. Die gaf op zijn beurt weer les gaf aan Alexander de Grote. Tijdens zijn functie als hoofd van de Macedonische koninklijke opleiding, gaf hij aan nog twee toekomstige koningen les: Ptolemaeus en Casander. Over de monarchie zei Aristoteles: “Er is maar één ding dat de monarchie kan verantwoorden. Als de deugdelijkheid van de koning en zijn familie groter is dan die van al zijn onderdanen bij elkaar. Uiteraard schaarde hij Alexander en zijn vader onder dit type monarchen.”
Aristoteles keerde in 335 BC terug naar Athene waar hij zijn eigen school begon, het Lyceum. Het is een veel gemaakte misvatting het lyceum te zien als een ouderwetse vorm van de moderne universiteit. Barnes verwerpt deze misvatting door uit te leggen dat het zowel een heiligdom als een sportschool tegelijk was. Het was een stuk minder formeel dan wij gewend zijn. “Er waren geen examens, geen titels, geen vaste leerplannen en vermoedelijk ook geen officiële inschrijving en collegegeld.” Op zijn eigen lyceum gaf Aristoteles twaalf jaar les. Hij combineerde dit met het zelf uitvoeren van onderzoek. Vermoedelijk bestond de collegestof voornamelijk uit de onderzoeksverslagen. Waarschijnlijk heeft Aristoteles in deze jaren het meeste van zijn werk geschreven.

1.2 Het werk van Aristoteles

Aristoteles’ werken gaan over een groot aantal onderwerpen zoals politiek, biologie en natuurkunde, maar ook over muziek, retorica en poëzie. Hoewel een indrukwekkende hoeveelheid werk van hem in bibliotheken te vinden is, wordt vermoed dat dit nog maar een derde is van wat hij daadwerkelijk heeft geschreven. Tweederde is in de loop der tijd beschadigd geraakt of verloren gegaan. Dit is één van de redenen dat er rond het werk van Aristoteles een zekere mystiek hangt. Veel van zijn werken zijn moeilijk te dateren. De reden hiervoor wordt duidelijk uitgelegd door Ben Schomakers:

Het lijkt erop dat Aristoteles de meeste van zijn werken niet in een keer schreef, en toen bereid was ze voorgoed uit handen te geven, maar er eerst een heel geconcentreerde schets van maakte, waaraan hij dan vervolgens in de loop van vele jaren telkens naar terugkeerde, om eraan te laboreren, te polijsten en er ook nieuwe en latere ideeën of voorbeelden in te lassen.

Elke auteur die over Aristoteles schrijft, haast zich te zeggen dat zijn werk zeer interpreteerbaar is. De voornaamste reden is dat veel delen van zijn werk verdwenen zijn. Er zijn wat beschadigde delen hersteld, hier kunnen fouten in zitten. Belangrijker is echter, dat wat is overgebleven in vele gevallen aantekeningen zijn en geen uitgewerkte stukken.
In zowel de samenleving, als in de wetenschap is Aristoteles begonnen aan een verassende comeback. Dat zijn reputatie in Europa in de zeventiende eeuw enigszins in verval kwam, werd vooral veroorzaakt door de wetenschappelijke revolutie. De voornaamste reden hiervoor was dat hij de officiële filosoof van de katholieke kerk was, sinds Thomas van Aquino het Aristotalisme als referentiedenken had opgelegd. Vanaf die tijd werd Aristoteles lang gebruikt om zich tegen af te zetten en te illustreren hoe ver de wetenschap en de filosofie sinds de oudheid ontwikkeld was. Inmiddels wordt hij weer volop gelezen en bestudeerd. Ook in het kader van drama en de Poëtica wordt weer onderzoek naar zijn werk gedaan.
1.3 De Poëtica

In de Griekse oudheid was het gebruikelijk dat filosofen en schrijvers een Poëtica schreven. Letterlijk betekent het ‘over de kunst van de poëzie’ en het was een uiteenzetting van hun gedachtes over het schrijversvak. Sommige van deze Poëtica’s zijn bewaard gebleven, zoals de Ars Poëtica van Horatius. Dat Aristoteles ook een Poëtica schreef is in die zin niet meer dan logisch. Het past in zijn oeuvre, omdat hij over alle onderwerpen schreef waar de Grieken zich mee bezig hielden. Het doel waarmee Aristoteles zijn Poëtica schreef verantwoordt hij in zijn werk als volgt: “Over poëzie wil ik het hebben: over het effect van elke vorm, over de manier waarop het verhaal opgebouwd en gestructureerd moet worden om een gedicht te laten slagen…” In de Poëtica ligt de focus voornamelijk op de tragedie. Het vermoeden bestaat dat het werk ooit uit twee delen heeft bestaan en dat het deel dat de komedie bevat verloren is gegaan.
Het is belangrijk te realiseren dat hetgeen Aristoteles opschreef in zijn Poëtica niet zelf verzon. Verhalen zijn zo oud als de mensheid zelf en verhalen hebben structuur en regels nodig. In het onder scenaristen zeer gerespecteerd boek Story, zegt Robert McKee hierover:

These principles are “classic” in the truest sense: timeless and transcultural, fundamental to every earthly society, civilized and primitive, reaching back through millennia of oral storytelling into the shadows of time. When the epic Gilgamesh was carved in cuneiform on twelve clay tablets 4,000 years ago, converting story to the written word for the first time, the principles of Classical Story Design were already fully and beautifully in place.

Op deze uitspraak valt natuurlijk wat af te dingen, want verteltradities verschillen soms weldegelijk tussen verschillende culturen.

Wat het citaat echter wel illustreert, is dat Aristoteles niet opnieuw het wiel uitvond, maar analyseerde wat al duizenden jaren in ontwikkeling was. Dit is een prestatie op zich. Kenneth A. Telford, een vertaler van Poëtica, zegt het treffend: “For great art is seldom transparent to the untutored. Most of us need guidance in sharpening our sensibilities to what art has to offer us. Aristoteles was een van de eerste die de grote kunst van vertellingen en verhalen wist te doorgronden.
Het valt op dat de twee vertalingen van het werk die ik gebruik, een Nederlandse en een Engelse, in opzet verschillen. Hoewel de twee in essentie redelijk overeen komen, is het tekenend dat de inhoudsopgave die de beide boeken van de Poëtica geven verschillen. Dit onderzoek is voornamelijk gebaseerd op de Nederlandse vertaling. Tussen de Nederlandse vertaling en het oorspronkelijk werk zit een vertaling minder, wat hopelijk tot minder interpretatiefouten leidt. Verder wordt er in de Nederlandse vertaling meer uitleg gegeven. De Engelse vertaling is gebruikt om begrippen te duiden of onduidelijkheden op te helderen.
De Poëtica van Aristoteles is grofweg als volgt opgebouwd. Eerst besteedt hij in twee hoofdstukken aandacht aan de poëzie in het algemeen en gaat hij in op de verschillende vormen ervan. Hij vervolgt met een zeer uitgebreid hoofdstuk over de tragedie, dit vormt het hoofdbestanddeel van het overgebleven werk. Er volgt een korter hoofdstuk over het epos, dat hij duidelijk onderscheidt van een tragedie. De belangrijkste overeenkomst van het epos en de tragedie is dat in beide het verhaal en de handeling centraal moet staan. Een belangrijk verschil is echter dat een epos een langere tijd kan beslaan dan een tragedie. Het epos zal verder in dit hoofdstuk niet meer behandeld worden gezien de vele overeenkomsten met de tragedie. Het werk eindigt met een kort hoofdstuk over uitvoeringspraktijken van de poëzie. Aristoteles analyseert grammatica door onderscheid te maken tussen verschillende semantische eenheden: de letters zoals klinkers en medeklinkers, lettergrepen, woorden en ten slotte zinnen. Hoewel Aristoteles hier dieper op in gaat is het voor de rest van dit betoog niet van belang. Om deze reden wordt deze verdieping achterwege gelaten.
Omdat Aristoteles de nadruk legt op poëzie en met name tragedie, zal alleen daar op worden ingegaan in dit hoofdstuk. Het epos en de uitvoeringspraktijken zijn dan ook minder van toepassing op het verdere onderzoek. De Poëtica is soms wat ongestructureerd, wat ook verklaart waarom de onderstaande samenvatting af en toe van de hak op de tak springt. Op sommige punten heb ik structuur aangebracht om de duidelijkheid te vergroten.

1.3.1 Poëzie

Over poëzie merkt Aristoteles op dat de epische, tragische, komische, dithyrambische en het grootste deel van de fluit en lierpoëzie neerkomen op uitbeelding. Poëzie beeldt volgens Aristoteles altijd mensen uit die handelen. Poëzie kan onderling wel verschillen in de middelen, de objecten en de manier waarmee ze uitbeeldt: sommige poëzie maakt gebruik van muziek, andere van verzen. De objecten kunnen ook verschillen. Uitgebeelde personen kunnen respectabel of minderwaardig zijn. Dit komt volgens Aristoteles omdat het menselijk karakter geneigd is onderscheid te maken tussen goed en slecht. Hij betoogt dat daaruit volgt dat in een toneelstuk mensen beter, slechter of zoals ze zijn kunnen worden afgebeeld en geeft hier enkele voorbeelden van. Volgens Aristoteles zit in dit principe ook het verschil tussen de komedie en de tragedie. De eerste beeld mensen slechter dan ze zijn, de tweede juist beter. De manier waarop iets verteld wordt kan ook verschillen. Dit kan middels een woordelijke vertelling over uitgebeelde personages, zoals in een epos, of door direct personages op te voeren zoals in een drama.

Aristoteles vervolgt door te analyseren waarom mensen aangetrokken worden tot poëzie. Hij komt op twee redenen uit. Mensen houden van uitbeelding omdat ze er iets van kunnen leren en er plezier aan beleven. Ook hebben mensen een natuurlijke aanleg voor ritme en harmonie die ieder een belangrijk bestanddeel vormen van poëzie:

Mensen hebben van jongs af een natuurlijke neiging tot ‘uitbeelding’ en verschillen daarin van alle andere dieren. Ze doen veel aan uitbeelding, leren veel dingen voor het eerst door uitbeelding en beleven veel plezier aan de confrontatie met uitbeelding.

1.3.2 Tragedie

Aristoteles zegt dat hij het over de tragedie wil hebben. Op de komedie zal hij later terugkomen, maar zoals al eerder gezegd wordt dit deel vermist. Eerst geeft hij een definitie van de tragedie:

Een tragedie is een uitbeelding van een handeling, een belangrijke en ernstige handeling, die afgerond is en een zekere omvang heeft; … Ze beeldt mensen uit die iets ondernemen en uitvoeren, maar niet als een vertelling, en door medeleven en vrees bewerkstelligt ze de zuivering van dit soort ervaringen.

Aristoteles gaat verder met een opsomming van de elementen waaruit een tragedie bestaat in de volgorde van de belangrijkheid voor het stuk: het plot, de karakters, de taal, de logica, de visuele enscenering en de zang. Het is duidelijk dat Aristoteles de nadruk legt op het plot en de karakters. Het plot is volgens hem de “verbinding en de structuur van de gebeurtenissen”. Hij vindt hierin het plot belangrijker dan de karakters, omdat volgens hem tragedies waarin karakters goed behandeld zijn, maar het plot niet deugt minder worden gewaardeerd dan die waarin het plot deugt, maar de karakters niet goed zijn uitgewerkt. Hij zegt daarover verder dat hij wel tragedies kent zonder karakters, maar dat een tragedie zonder plot en handelingen hem ondenkbaar lijkt.
Eén van de eerste zaken die Aristoteles betoogt is dat het verhaal een zeker lengte moet hebben en dat dit begrensd moet zijn. Hij formuleert dit door te zeggen dat de omvang bestaat uit een duidelijk begin, midden en eind. Later zal hij opnieuw op de indeling terugkomen, maar dan noemt hij de delen proloog, episoden en aftocht. Deze worden volgens hem gescheiden door koordelen. De grens die wordt gesteld aan de lengte van een verhaal wordt niet duidelijk toegelicht. Aristoteles zegt hierover alleen dat de omvang niet te klein moet zijn, want dan kan het publiek zich niet meer focussen, maar ook zeker niet te groot, want het hele verhaal moet wel te overzien blijven. In een tragedie komen in ieder geval een intrige en een ontknoping voor. De intrige begint bij de start van het verhaal en loopt tot de ommekeer. De ontknoping loopt van de ommekeer tot het slot.
Aristoteles vervolgt te zeggen dat het plot een eenheid moet zijn, de gebeurtenissen moeten met elkaar in verband staan. Dit houdt in dat een schrijver een selectie moet maken uit alles wat hij over een verhaal of persoon kan vertellen. Wat moet overblijven is alles wat voor het verhaal van wezenlijk belang is. In verhalen wordt bijvoorbeeld zelden verteld dat een persoon iets eet, of naar de wc gaat, tenzij dit voor de rest van het verhaal essentiële handelingen zijn. Aristoteles heeft hierom goede woorden over voor Homerus. Volgens Aristoteles vertelde Homerus alleen wat voor het verhaal strikt noodzakelijk was.
Aristoteles noemt nog een aantal zaken die hij van belang acht voor de structuur van een tragedie: ommekeer, herkenning en lijden. Wat betreft de ‘ommekeer’ vind ik zowel de Nederlandse, als de Engelse vertaling nalatig. Beide laten het na de term te noemen die Aristoteles hiervoor zelf gebruikte: peripeteia. Dit is voor Aristoteles een zeer cruciaal punt. De encyclopedie Britannica weet het begrip peripeteia zeer treffend samen te vatten:

The turning point in a drama after which the plot moves steadily to its denouement. […] The shift of the tragic protagonist’s fortune from good to bad, which is essential to the plot of a tragedy. It is often an ironie twist, as in Sophocles’ Oedipus Rex when a messenger brings Oedipus news about his parents that he thinks will cheer him, but the news instead slowly brings about the awful recognition that leads to Oedipus’s catastrophe.

De herkenning is de verandering van onwetendheid naar inzicht, dit kan gelden voor de hoofdpersoon, maar ook voor het publiek. De ideale situatie is volgens Aristoteles wanneer de ommekeer samenvalt met de herkenning. Verderop in de Poëtica noemt Aristoteles verschillende vormen van herkenning: ten eerste is er de herkenning door ‘tekens’. Dit kunnen bijvoorbeeld littekens zijn die veel duidelijk maken. Aristoteles vindt dit in een verhaal een teken van onkunde van de schrijver. Dan kan er herkenning zijn die door de schrijver is bedacht. Een voorbeeld hiervan is een onlogische bekentenis van een personage, maar ook dit is volgens Aristoteles geen goede optie. Vervolgens is er de herkenning door herinnering: emoties die door een herinnering worden opgewekt, laten zien wie iemand werkelijk is. Dan is er herkenning door redeneren, wat redelijk voor zich spreekt. Daarna is er de onduidelijke herkenning door tegenstrijdige gegevens. Als laatste is er de herkenning die volgt uit gebeurtenissen uit het verhaal. Deze laatste optie heeft voor Aristoteles de voorkeur. Het laatste element is het lijden. Dit is volgens Aristoteles de handeling waarin iemand pijn heeft, beschadigd of vernietigd wordt. Aristoteles gaat hier veel korter op in dan de ommekeer.

Aristoteles besteedt veel aandacht aan een belangrijke vraag: wat is tragisch? Hij illustreert dit door eerst te zeggen wat niet tragisch is. Een slecht mens die na ongeluk geluk ervaart is verre van tragisch. Een goed mens die na geluk ongeluk ervaart is weerzinwekkend, maar ook niet tragisch. Een goed mens dat na ongeluk geluk ervaart is juist mooi en dus ook niet tragisch. Wel tragisch is wanneer een goed en vooral herkenbaar persoon, zonder dat hij dat verdient, geluk voor ongeluk inwisselt. “[Dit ongeluk; JN] moet niet een gevolg van laf gedrag of slechtheid zijn, maar voortkomen uit een bepaalde ‘dwaling’, die begaan is door personen van hoog aanzien en in voorspoedige omstandigheden…” Deze vorm werkt volgens Aristoteles het beste, omdat deze vrees en medeleven opwekt. Aristoteles besluit deze paragraaf door te zeggen dat een goede tragedie slecht moet aflopen. Dat mensen toch een goed einde willen “heeft te maken met de gebrekkige smaak van het publiek.” Aristoteles spreekt zichzelf verderop tegen. Dan betoogt hij namelijk dat in een goed plot het ongeluk op het laatste moment moet worden afgewend. Daarmee suggereert hij een goede afloop.
Aristoteles heeft beweerd dat een tragisch plot een ommekeer of peripeteia nodig heeft en dat de hoofdpersoon, zonder dat hij dit verdient, in ongeluk terechtkomt. In dit hoofdstuk geeft hij twee middelen die deze tragische werking kunnen versterken. Ten eerste wordt de tragiek groter als de hoofdpersoon verwant is met de mensen die in zijn daden betrokken zijn: “Maar wanneer het tragisch lijden plaatsvindt waar verwantschap is, wanneer bijvoorbeeld iemand zijn broer of vader doodt, … zijn het deze vormen van lijden die we moeten beschrijven.”

Ten tweede wordt de tragiek versterkt als de hoofdpersoon niet bewust is van zijn daden, tot hij ze heeft uitgevoerd en dan inziet wat er gebeurd is.
Aristoteles gaat maar kort in op de hoofdpersoon uit een tragedie, terwijl hij deze na het plot het belangrijkste vindt. Hij noemt vier eigenschappen waaraan een karakter moet voldoen. Ten eerste moet een karakter ‘goed’ zijn, ten tweede moet een karakter ‘passend’ zijn en overeenkomen met de persoon die hij is, ten derde moet een karakter overeenkomst vertonen en ten slotte moet een karakter consistent zijn. Wat Aristoteles waarschijnlijk hiermee bedoelde is dat hoofdpersonen moreel goed moeten zijn, gelijkenis moet vertonen met werkelijke mensen en in het verhaal keuzes moet maken die passen bij zijn persoonlijkheid.
2: DE POËTICA GEANALYSEERD

In dit hoofdstuk zal nader worden gekeken naar een zestal van Aristoteles’ principes en deze zullen worden geanalyseerd. De vraag zal daarbij zijn of ze in de moderne tijd nog gelden en op welke manier ze veranderd zijn. Deze principes gaan over de structuur en de eigenschappen van de tragedie. Dit betreft achtereenvolgens de aktestructuur, de ommekeer of peripeteia, tragiek, het belang van karakter en plot, het verschil tussen story en plot en de eenheid van tijd, plaats en handeling. Voordat ik op deze specifieke principes inga, zal eerst uitgelegd worden wat het basisprincipe van klassieke en moderne verhalen is.

2.1 Basisprincipe verhalen

De term ‘drama’ die Aristoteles hanteert is afkomstig uit de Griekse Oudheid, maar de precieze herkomst is onduidelijk. Het vermoeden is dat het woord drama afkomstig is van het Griekse woord drân, dat niet meer dan handelen betekent. Tegenwoordig wordt er een andere associatie met drama gemaakt, mensen lezen verhalen, gaan naar theater of kijken een film voor sensatie, spanning, humor of romantiek; kortom drama. De basisregel voor speelfilms stelt dat drama is conflict. Conflict is een doel met een hindernis. Dit komt neer op het volgende schema:

Drama = Conflict = Doel + Hindernis

Hoewel dit simpel lijkt, geldt deze klassieke basisstructuur voor het overgrote deel van de verhalen. Er is altijd een hoofdpersoon met een doel dat hij moet bereiken, waarbij er hindernissen op zijn pad komen. Om dit te verduidelijken zal ik een voorbeeld geven. In Shakespeare’s Romeo & Juliet is het doel van de hoofdpersonen om gelukkig met elkaar te kunnen zijn en hun liefde te uiten. De hindernissen worden gevormd door hun beider families. De oude Grieken noemde de hoofdpersoon met een doel de ‘protagonist’. Dit is Grieks voor éérste (protos) en acteur/handelaar (agonist). Dit is op te vatten als de hoofdpersoon waarmee het publiek zich moet inleven en zich moet vereenzelvigen met zijn doelen. De hindernissen worden opgeworpen door de antagonist (Anti betekent tegen). Dit is niet, zoals bij de protagonist, altijd een persoon. Het kan natuurgeweld, ziekte of iets anders zijn. Concluderend kan gezegd worden dat het klassieke verhaal bestaat uit een protagonist die een doel heeft, waarbij er hindernissen worden opgeworpen door de antagonist. Het verhaal zal pas voorbij zijn als de protagonist de antagonist heeft verslagen en daarmee zijn doel heeft bereikt.

2.2 Aktestructuur

Zoals al duidelijk werd in het vorige hoofdstuk hechtte Aristoteles veel waarde aan het plot. Hij betoogde ondermeer dat elk plot een begin, een midden en een eind heeft. Ieder plot bestaat uit een proloog, episodes en een aftocht en ieder plot bevat een intrige en een ontknoping. Door deze informatie te combineren wordt het mogelijk om meer te weten te komen over de afzonderlijke delen, die ik vanaf nu aktes zal noemen en wordt het mogelijk af te leiden welke functie deze hebben in het plot.
De eerste akte bevat een proloog dat het begin aanduidt. De functie van de eerste akte is de expositie. De protagonist, de antagonist en alle andere personages worden in de expositie geïntroduceerd. Ook wordt het doel van de protagonist duidelijk, waardoor het plot op gang komt. Dit wordt ook wel het motorisch moment genoemd, er is dan geen weg meer terug voor de protagonist. De tweede akte bestaat uit verschillende episodes en bevat de intrige. Dit is de ontwikkelingsfase waarin de meeste gebeurtenissen van het plot plaatsvinden. In dit deel wordt door de antagonist de obstakels opgeworpen en die door de protagonist worden overwonnen. Dit gebeurt volgens vast stramien: ongeveer in het midden van de tweede akte is de protagonist dicht bij het bereiken van zijn doel. Wanneer dit niet lukt, lijkt het doel onbereikbaar. Door de vele dramatische ontwikkelingen is de tweede akte de langste van de drie. Een oud spreekwoord zegt dan ook ‘the second act is the best’. De derde akte is de combinatie van de ontknoping en de aftocht en vormt de ontknoping van het plot, waarmee het einde wordt aangegeven. De actie komt in een stroomversnelling met een climax als gevolg. In de klassieke vorm is de climax de ultieme confrontatie tussen protagonist en antagonist. Afhankelijk van de tragedie of het verhaal zal de protagonist zegevieren en zijn doel bereiken of zich in het ongeluk storten. Daarmee is het plot afgerond.
De drie aktestructuur is zeer invloedrijk geweest. Hoewel er nog steeds veel aan wordt vastgehouden, is er door de jaren heen ook het één en ander veranderd. Zoals schrijfster Renate Dorrestein in een vraaggesprek zei:

In moderne verhalen is steeds meer sprake van een tweedelige structuur. In het eerste deel worden alle verhaallijnen uitgezet en de spanning opgebouwd. Het tweede deel vormt het afronden van de verhaallijnen en het inlossen van de spanning. Er is simpelweg geen tweede akte meer waar de spanning en de akte redelijk constant zijn.

2.3 Ommekeer, peripeteia

Elk plot heeft volgens Aristoteles een peripeteia die een scheiding vormt tussen de intrige en de ontknoping. In de moderne verhaalstructuur zijn duidelijke sporen terug te vinden van de peripeteia. Nu wordt echter gesproken van plotpoints. De functie van een plotpoint is enigszins anders dan die van een peripeteia. Een peripeteia is een punt waarin geluk naar ongeluk omslaat. Een plotpoint geeft wel een belangrijke verandering aan, maar dit hoeft niet zo extreem te zijn.
In hedendaagse plots wordt vaak gebruik gemaakt van twee plotpoints. De eerste betekent het einde van de eerste akte en is vaak een gebeurtenis waardoor de protagonist niet alleen zijn doel ziet, maar waardoor ook de noodzaak van het bereiken van dit doel duidelijk wordt. Het tweede plotpoint komt aan het einde van de tweede akte. Het doel hiervan is het plot op een slotconfrontatie afsturen. Hoewel het tweede plotpoint nooit uit de lucht komt vallen is het vaak wel een onverwachte wending in het verhaal. Bij zowel het eerste plotpoint als het tweede, is het cruciaal dat het verhaal onomkeerbaar verandert.

2.4 Tragiek

Aristoteles houdt zich ook bezig met de oorsprong van drama en tragiek. Volgens hem komt drama voort uit een herkenbare en moreel goede hoofdpersoon die, buiten zijn eigen schuld om, in ongeluk beland. Wat van deze opvatting in onze tijd nog te zien is, is dat de hoofdpersoon sympathiek, herkenbaar en moreel goed moet zijn. Er zijn inmiddels tal van films waarin de protagonist een slechterik is, denk aan Bonny & Clyde, Butch Cassidy and the Sundance Kid en Pulp Fiction (de hoofdpersonen zijn in deze films respectievelijk bankovervallers, dieven en huurmoordenaars). Hoewel deze mensen maatschappelijk gezien ‘slecht’ zijn, zijn ze op een moreel niveau goed, of in ieder geval sympathiek en herkenbaar. Dit is nodig want anders kan het publiek zich niet met de protagonist identificeren en leven ze niet met hem of haar mee.
Aristoteles’ opvatting over de meest tragische manier van ongeluk is niet meer zo van toepassing. Hij zegt dat de oorzaak van het ongeluk dat de protagonist overkomt, buiten hemzelf moet liggen en bij voorkeur de schuld moet zijn van een persoon van hoog aanzien. In modern drama is men van mening dat het veel tragischer is wanneer de protagonist zijn eigen ongeluk gecreëerd heeft zonder het te weten en dit later beseft. De tragiek zit dan is het lijden dat het gevolg is van het besef dat men het ongeluk aan zichzelf te danken heeft. Eigenlijk spreekt Aristoteles zichzelf ook tegen. Oedipus is een van Aristoteles’ beste voorbeelden en daarin is de held ook zelf verantwoordelijk voor zijn ongeluk.

2.5 Karakter of plot

Er is een aloude discussie binnen het schrijversvak waarin de vraag wordt gesteld wat meer van belang is: de karakters of het plot. Anders gezegd: bepaalt het plot wat de karkaters doen, of bepalen de karakters het verloop van het plot? De vele boeken die zijn geschreven over het schrijversvak zijn vaak onduidelijk en illustreren vooral dat veel mensen er nog niet uit zijn. Aristoteles nam hier wel een duidelijk standpunt in, want hij betoogt nadrukkelijk dat het plot belangrijker is dan de karakters.
Lajos Egri ziet dit anders. Egri is schrijver van talloze verhalen en toneelstukken, maar vooral bekend van zijn invloedrijke werk The Art of Dramatic Writing. Dit boek wordt algemeen beschouwd als een van de beste werken op het gebied van toneelschrijven, maar is daarnaast een bijbel op het gebied van het schrijven van verhalen en scenario’s. In zijn boek komt ook de vraag naar voren wat in een verhaal belangrijker is, karakters of het plot. “To find the real answer is not an academie problem. It is an answer which will make a deep impression on the future of playwriting, since it is not the answer which was dictated by Aristotle.”
Egri is het dus niet met Aristoteles eens dat plot belangrijker is dan de karakters, “character creates plot, not vice versa.” Hij illustreert dit met tal van voorbeelden, van Hamlet tot Oedipus: “If Oedipus had been any other type of men, tragedy would not have befallen. Had hè not been hot-tempered, hè would not have killed a stranger on the road.” Het punt van Egri is simpel samen te vatten: in een goed verhaal heeft de hoofdpersoon een karakter en op basis van dit karakter maakt de hoofdpersoon keuzes. Deze keuzes geven het verhaal wendingen. Andersom zou volgens hem onmogelijk zijn: “If you try to force a character into a situation where hè does not belong, you will be like Procrustes who cut the feet off the sleeper to make him fit the bed.”

2.6 Story en plot

Aristoteles behandelt in enkele alinea’s het verschil tussen ‘story’ en ‘plot’. Bordwell en Thompson, die een standaardwerk over filmanalyse schreven , hebben twee volledige pagina’s nodig om dit uit te leggen. Aristoteles zei hierover: “… het verloop van de gebeurtenissen moet zo gestructureerd zijn dat het weglaten of het veranderen van een onderdeel het geheel doet veranderen of aan het wankelen brengt.” Aristoteles suggereert hiermee dat er zaken zijn die in het plot worden weggelaten, maar die wel deel uitmaken van het verhaal. Dit is ook wat Bordwell en Thompson betogen: “the set of all events in a narrative, both the ones explicitly presented and those the viewers infers, constitute the story… The term plot is used to describe everything visibly and audibly presented in the film before us.” Een voorbeeld hiervan is het reizen in films. Zelden is de hele reis zichtbaar, slechts het weggaan en aankomen wordt in beeld gebracht.

2.7 Eenheid van tijd, plaats en handeling

Tot slot speelt de eenheid tussen tijd, plaats en handeling een belangrijke rol binnen de vertelprincipes van verhalen. Vele mensen brengen deze eenheid direct in verband met Aristoteles en dit is niet helemaal terecht. Aristoteles zegt bijvoorbeeld dat een tragedie verschilt van een epos door de lengte, omdat een tragedie bij voorkeur korter is en maar één etmaal beslaat. Dat dit absoluut geen noodzaak is, blijkt uit het feit dat Aristoteles zelf tragedies positief waardeert waarvan het plot meer dan een etmaal beslaat, bijvoorbeeld Oedipus.
De eenheid van plaats en handeling komt voort uit de vorm van een tragedie. Omdat deze wordt opgevoerd met acteurs en een podium, kan er volgens Aristoteles maar één plaats tegelijk worden uitgebeeld. Dit betekent echter niet dat er in de gehele tragedie niet van plaats wordt gewisseld. De eenheid van handeling betekent voornamelijk de logische opbouw van het verhaal. De oorzaak van deze misvatting moet worden gezocht in de uitleg van zestiende-eeuwse Italiaanse literatuurwetenschappers die deze zaken onterecht hebben samengevat als eenheid van tijd, plaats en handeling.
Het is duidelijk geworden dat veel van de principes van Aristoteles nog steeds gebruikt worden. Soms in een gewijzigde vorm, zoals de steeds vaker terugkomende twee aktestructuur en de plotpoints. Één van de principes heeft de tijd niet doorstaan, in tegenstelling tot Aristoteles zijn inmiddels meer mensen van mening dat karakters het plot bepalen en niet andersom.
3: THE TRUMAN SHOW

In dit hoofdstuk zal gekeken worden of de principes ook in de praktijk worden toegepast. Zijn het de principes van Aristoteles die een moderne Hollywood film maken tot wat het is, of is de structuur van de film gebaseerd op nieuwe vertelstrategieën? Daarvoor zal de hedendaagse film The Truman Show worden geanalyseerd. Deze film uit 1998 is gekozen omdat de film met recht een product van het moderne Hollywood genoemd mag worden. Peter Weir (1944) die de film heeft geregisseerd, is een Amerikaanse regisseur deel veel in Hollywood werkt. Hij heeft sinds de start van zijn carrière in 1969, talloze scenario’s geschreven en films geregisseerd zoals The Death Poet Society en Master and Commander. De hoofdrolspeler Jim Carrey is een typische Hollywoodster met films op zijn naam als Eternal Sunshin of the Spotless Mind, The Mask en Ace Ventura. Hoewel hij vooral bekend is geworden om zijn komische kwaliteiten, is Carrey een veelzijdig acteur en heeft hij ook een aantal serieuze rollen op zijn naam staan. Zijn tegenspeler Ed Harris is ook een veteraan uit Hollywood. Met films als A Beautiful Mind en Enemy at the Gates.

3.1 Samenvatting van The Truman Show

De film vertelt het verhaal van Truman Burbank die leeft in het rustige stadje Seahaven. Het is een idyllische plek en keurig in alle opzichten. Seahaven is een eiland omringd door water, waar de enige manieren om het vaste land te bereiken, bestaan uit een brug en een ferrydienst. Trumans leven is in alle opzichten normaal en volgens ‘the American dream’. Hij heeft een leuke vrouw, zijn ‘highschool sweatheart’ Myrel, een prachtig huis en een normale baan bij een verzekeringskantoor. Naast zijn beste vriend Marlon is Truman bekend met veel van de bewoners van het stadje. Truman is een goedgezinde en vrolijke man die altijd in een goed humeur verkeert.
Wat Truman niet weet, is dat hij in een artificiële wereld leeft. Hij is namelijk de ster van het televisie programma The Truman show. Zijn hele wereld is gecreëerd in een enorme studio en alle mensen, inclusief zijn vrouw en beste vriend, zijn acteurs. Wind, regen, de zon en de maan, het zijn allemaal special-effects in een enorm planetarium die Truman gevangen houdt, weg van de buitenwereld. Overal zijn camera’s geplaatst die Truman permanent in beeld brengen. De show wordt gemaakt door Christof, een mediamagnaat die zich god voelt over Seahaven en zichzelf ziet als een vader van Truman.
Truman beseft zich dit echter allemaal niet. Om hem in deze kunstmatiger wereld te houden zijn er allemaal trucjes verzonnen. Zijn hele leven lang is zijn ontdekkingsdrang klein gehouden. Ook is Truman bang voor water, nadat zijn vader door de makers is verdronken op een zijltochtje. Dit heeft zo’n indruk op Truman gemaakt dat hij niet in de buurt van water durft te komen en vast zit op het eiland.
Truman begint iets van de situatie op het eiland te vermoeden na een serie rare incidenten. Er valt een lamp uit de lucht (onderdeel van de artificiële hemel) en een defect aan zijn autoradio laat hem opeens het radiocontact tussen de acteurs en Christof horen. Nadat hij ook zijn overleden vader ziet, die in een rebelleuze actie de show is binnengedrongen, ruikt Truman onraad. Hij begint zich onvoorspelbaar te gedragen en ziet daardoor nog meer zaken die hij niet hoort te zien. Hij uit zijn verwarring bij zijn moeder en beste vriend, maar hij krijgt niet de antwoorden die hij zoekt. Deze ontwikkelingen roepen bij Truman herinneringen op aan zijn jeugdliefde Sylvia, die hij, ondanks zijn huwelijk, nooit is vergeten. Na een vluchtige romance wilde Sylvia Truman de waarheid achter de show vertellen, maar werd snel van de set gehaald. Het excuus was dat ze naar Fiji moest verhuizen. Fiji is hierdoor een mystieke plaats voor Truman geworden en hij droomt ervan erheen te vliegen en Sylvia te vinden.
Nu Trumans achterdocht gewekt is en met de gedachte aan Sylvia in zijn achterhoofd, probeert hij zijn vertrouwde wereld te verlaten. De makers van de show willen hem echter niet laten gaan en opeens zijn alle vliegtickets uitverkocht, wil de bus niet rijden en is de ferry kapot. Truman besluit om een serieuze ontsnappingspoging te wagen. Met zijn vrouw Myrel opgesloten in de auto, rijdt hij richting de brug die de verbinding is met het vaste land. Daar slaat de waterangst toe, maar met gesloten ogen, vol gas en een gillende Myrel weet hij de overkant te bereiken. Een volgend obstakel wordt gevormd door een gefingeerde bosbrand. Als hij ook die weet te doorstaan, komt hij tot overmaat van ramp bij een nucleair ongeluk. Truman beseft dat dit geen toeval kan zijn en slaat te voet op de vlucht. Helaas komt hij niet ver en wordt door de politie thuis afgeleverd.
Om hem te kalmeren gaat Marlon met Truman een biertje drinken. Marlon komt met een schokkende onthulling. Trumans vader blijkt inderdaad nog te leven en Marlon heeft hem gevonden. Hoewel dit een middel moet zijn om Truman weer tot rust te brengen, geeft het hem het zelfvertrouwen om zijn waterangst te overwinnen. Truman besluit tot een nieuwe strategie. Met behulp van een vermomming weet hij zich aan het zicht van de camera’s te onttrekken. Dit doet bij Christof alle alarmbellen rinkelen en er komt een zoekactie op gang. Hoewel het hele stadje mee zoekt, is Truman onvindbaar. Hij heeft hierdoor genoeg tijd om zich op zijn vaders oude zeilboot te wagen. Hij vaart weg van het eiland terwijl Christof intussen verder in paniek raakt. In een uiterste poging zijn creatie te redden wordt er een storm gecreëerd. Omdat Truman niet omkeert maakt Christof de storm zo heftig dat Truman bijna verdrinkt. Truman is echter zo vast besloten, dat hij zich uit de storm vecht en verder zeilt. Onvermijdelijk komt hij bij de rand van de studio. Als hij op het punt staat deze te verlaten wordt hij toegesproken door Christof. De regisseur legt Truman uit dat hij voor veel mensen een held en een inspiratiebron is. Christof wil Truman overtuigen om in zijn veilige wereld te blijven met het argument dat hij alles heeft wat hij zich wensen kan. Nu Truman de waarheid kent, wil hij niet meer terug en juist zijn ontdekkingsdrang achterna. Truman is vastbesloten en hij verlaat de show op zoek naar zijn ware liefde Sylvia.

3.2 Analyse van The Truman Show

Nu het verloop van de film bekend is, wil ik met een analyse van het plot kijken hoeveel van de principes van Aristoteles in The Truman Show zijn terug te vinden. Allereerst valt op dat de film het klassieke schema van drama naadloos volgt.
Dit schema stelt dat drama=conflict=doel+hindernis. In de film is er een protagonist die een doel heeft, Truman: het vinden van zijn ware liefde en daarmee het ontdekken en verlaten van de show. Om dit doel te bereiken moet hij een aantal hindernissen overwinnen die worden opgeworpen door de antagonist. De antagonist is in dit geval niet alleen de persoon Christof, maar ook een arena, The Truman Show. Het is namelijk de show die het grootste obstakel is bij het bereiken van Trumans doel. De hindernissen die de antagonist oproept zijn concreet in de vorm van water en bosbranden, maar ook abstract. Truman zal zich eerst moeten beseffen dat de wereld waarin hij leeft niet echt is. Omdat we de wereld accepteren zoals we hem zien is dat besef een gedegen obstakel.

3.2.1 Tragiek en karakter

Hoewel de film vaak komisch is van toon, blijft het een tragisch verhaal. De film blijkt goed de principes van Aristoteles over tragiek te volgen. Aristoteles stelde dat iets tragisch is wanneer de herkenbare en moreel goede hoofdpersoon buiten zijn schuld om in ongeluk terecht komt. Nog tragischer is het ongeluk dat veroorzaakt wordt door een hogere autoriteit en een familielid. In hoeverre is dit het geval in The Truman Show? Ten eerste is het belangrijk te kijken of Truman moreel goed en herkenbaar is. Dat Truman een moreel goed persoon is moet blijken uit zijn gedrag en levenswijze. Hij heeft een goed huwelijk en een goede baan. Verder is hij heel vriendelijk tegen de mensen om hem heen, zoals buren, straatverkopers en collega’s. Zij zijn ook heel aardig tegen hem, hij is dus geliefd. Ook is Truman herkenbaar. Hij woont in een typische Amerikaanse suburb, in een typisch Amerikaans huis en hij heeft een normale kantoorbaan. Ook in zijn kleine maniertjes is Truman herkenbaar: hij praat tegen zichzelf in de spiegel, maakt grapjes en doet stiekem andere dingen tijdens zijn werk. Om die redenen kan de kijker zich met hem identificeren en zal de kijker zich zijn lot aantrekken.
Volgens Aristoteles moet de protagonist van een tragedie van een staat van geluk naar ongeluk, buiten zijn schuld om. Truman leidt een gelukkig leven, hij heeft niet alleen de zaken die hij zelf belangrijk vindt, hij wordt ook door zijn omgeving met aanzien bekeken. Omdat hij steeds meer het gevoel krijgt dat de wereld om hem heen niet echt lijkt te zijn, gaat hij naar een staat van ongeluk. Dit ongeluk is niet zijn eigen schuld, maar die van een hogere macht of instantie. Dit kan zowel Christof zijn, de show, of de buitenwereld die dit vermaak nodig heeft. Ook het feit dat Christof een soort vader is van Truman vergroot het drama. Het ongeluk wordt hem aangedaan door iemand die juist voor hem zou moeten zorgen.

3.2.2 Aktestructuur en peripeteia

Volgens Aristoteles heeft een plot een drie akte structuur met een begin, midden en eind. Deze structuur is goed toe te passen op de film. De eerste 29 minuten van de film zijn de eerste akte en de expositie. Hierin wordt niet alleen aan ons als kijkers de show uitgelegd, we ontmoeten ook alle relevante personages en krijgen hints dat Truman alles zal ontdekken. En we leren het doel van de protagonist kennen; het vinden van zijn ware liefde en daarmee het uitbreken uit de show. Van hieruit begint de tweede akte waarin de verhaallijnen worden uitgewerkt. Truman gaat steeds meer onderzoeken en begint steeds wantrouwiger te worden. Ook doet hij een aantal pogingen om Seahaven te verlaten. De meest extreme poging is die met zijn vrouw in de auto. Met het mislukken van deze laatste poging en het terugvinden van zijn vader eindigt de tweede akte. De derde akte begint na 1 uur en 15 minuten. Dit laat ongeveer 15 minuten over voor de derde akte; de ontknoping. Hierin doet Truman zijn grote ontsnappingspoging die uitloopt in de klassieke strijd tussen de protagonist en de antagonist. Dit is het gevecht tussen Truman en de storm van Christof. Nadat Truman dit gevecht heeft gewonnen kan hij de show verlaten en zijn grote liefde vinden. Daarmee is zijn doel bereikt, en heeft hij alle hindernissen overwonnen.
De klassieke driedelige structuur van Aristoteles houdt dus stand in dit verhaal. Toch wil ik ook kijken in hoeverre het verhaal zich houdt aan de tweedelige structuur die nu gangbaarder is. Er zijn goede argumenten te vinden die deze structuur steunen. In deze theorie is er maar één omslagpunt en die ligt op 45 minuten in de film, wat ook het midden van de film is. Dit is het punt dat Truman met zijn vrouw de ontsnapping waagt. Al Trumans verwarring en frustratie monden uit in deze actie. Het mislukken van de ontsnapping is voor Truman het meest overtuigende bewijs dat er dingen niet kloppen. De tweede helft van de film is het afronden van alle openstaande verhaallijnen. Ondanks dat deze structuur ook te verdedigen valt, ben ik van mening dat de driedelige structuur beter van toepassing is op The Truman Show. Voornamelijk omdat in de tweedelige structuur de expositie en de ontknoping wegvallen, terwijl die een te wezenlijk deel uitmaken van de film om niet benoemd te worden. Verder is Trumans mislukte ontsnapping beter te zien als een tweede plotpoint waarbij de protagonist zijn doel bijna lijkt te bereiken, maar er net niet in slaagt.
Als Aristoteles de film zou kunnen zien, denk ik dat hij het een goede film zou vinden, onder andere omdat het zijn definitie van peripeteia opvolgt. Er vindt een heel duidelijk moment van ommekeer plaats en dit valt samen met de herkenning. In de finale van de film wordt alles Truman duidelijk doordat hij een gesprek voert met Christof. Dit is het moment waarop zijn hele wereld daadwerkelijk instort, want nu pas is het zeker dat zijn hele leven een leugen is. Dit is een geval van ommekeer waarbij alles wat goed leek opeens slecht blijkt te zijn. Bij het kijken naar een moderne film wordt duidelijk dat de principes van Aristoteles in deze tijd toepassing zijn. Zelfs een hedendaagse film volgt veel van zijn principes.
CONCLUSIE

Door de Poëtica te bestuderen heb ik niet alleen de principes van Aristoteles beter te leren kennen, maar ook kunnen zien hoe bruikbaar de principes nu nog zijn. Nu mijn onderzoek ten einde is kan ik concluderen dat de principes van Aristoteles over verhaalstructuren en plot bruikbaar zijn om ook vandaag de dag een goed en spannend verhaal te schrijven. Het bestuderen van de Poëtica is echter geen gemakkelijk werk is. De oorsprong van het werk zijn namelijk onuitgewerkte aantekeningen die waarschijnlijk nooit voor publicatie bedoeld zijn. Verder ontbreekt een groot deel van het werk. Het viel op dat vertalers van de Poëtica een keuze hebben moeten maken tussen trouw blijven aan de moeilijk leesbare tekst, of deze leesbaarder te maken en daarmee veel te moeten interpreteren. In alle gevallen hebben is gekozen voor het eerste.

In het tweede hoofdstuk is duidelijk geworden dat een aantal van de kernprincipes van Aristoteles van toepassing zijn op de hedendaagse verhalen. Ze worden nu nog gebruikt door scenarioschrijvers of zijn iets aangepast. De belangrijkste zijn de driedelige structuur die nog steeds in veel verhalen en films wordt toegepast en de peripeteia, oftewel plotpoints. Hoewel een structuur met twee delen ook steeds meer gebruikt wordt, zal de driedelige structuur op korte termijn zeker niet verdwijnen. De peripeteia wordt in aangepaste vorm nog steeds ingezet en wordt nu plotpoint genoemd. In moderne verhalen worden echter twee plotpoints gebruikt, in tegenstelling tot de Aristotelische peripeteia. Plotpoints eerder kritieke gebeurtenissen in het verhaal, dan een complete ommekeer van omstandigheden.
Het principe van Aristoteles dat geen stand meer houdt inde moderne tijd is de verhouding tussen plot en karakters. Aristoteles was van mening dat karakters ondergeschikt zijn aan het plot. Lajos Egri, een invloedrijke toneelschrijver, is dit niet met hem eens. Zijn boek The Art of Dramatic Writing is te zien als betoog voor het karakter. Hij stelt in het verhaal de karakters het verloop van het plot bepalen en niet andersom.
Tot slot is er gekeken naar een hedendaagse Hollywoodfilm om te zien op de principes van Aristoteles ook in de praktijk nog worden gebruikt. Daartoe is de film The Truman Show uit 1998 geanalyseerd. Hieruit kwam naar voren dat zelfs een moderne blockbuster gebruik maakt van de regels die Aristoteles meer dan tweeduizend jaar geleden opschreef.

Aan het einde van deze scriptie is dan ook maar één conclusie mogelijk. De principes die Aristoteles voor tragedies opstelde zijn bruikbaar voor goede hedendaagse verhalen. Zelfs een nieuw medium als film maakt gebruik van de regels Aristoteles die hij in zijn Poëtica heeft opgesteld. Daarmee mag gezegd worden dat Aristoteles door middel van zijn werk vandaag springlevend is.

LITERATUURLIJST

Barnes, Jonathan, Aristoteles (Rotterdam 2000).

Bordwell, David and Kirstin Thompson, Film Art. An introduction (Boston 2004).

Egri, Lajos, The Art Of Dramatic Writing. lts Basis in the Creative Interpretation of Human Motives (New York 1946).

Green, Peter, Alexander of Macedon 356-323 B.C. A historical biography (Berkely 1991).

Hiltunen, Ari, Aristotle in Hollywood. The anatomy of successful storytelling (Bristol 2002).

Jong, Jan de, Syllabus Literaire begrippen. Meer dan 200 literaire begrippen verklaard. Beschikbaar op: http://www.fontys.nl/lerarenopleiding/tilburg/nederlands/SYLLABUS %20LITERAIRE%20BEGRIPPEN.doc

Lievaart, Roemer B., Speelfilms maken. Alles over films maken op video (Amsterdam 1995).

McKee, Robert, Story. Substance, structure, style, and the priciple of screenwriting (Kent 1999).

Pellegrin, Pierre, Aristoteles. Vader van alle wetenschappen (Amsterdam 2007).

Pisters, Patricia, Lessen van Hitchcock. Een inleiding in mediatheorie (Amsterdam 2007).

Schomakers, Ben, Aristoteles. Over Poëzie (Leende 2000).

Schwab, Gustav, Griekse mythe en sagen (Trendbook 1986).

Six, Jan, Medea. Editie Jan Konst, (© 2002) Beschikbaar op: Http://www.dbnl.org/tekst/six_001mede01_01/colofon.htm.

Telford, Kenneth A., Aristotle’s poetics. Translation and analysis (London 1985).

About the author:

Back to Top