Lex Noteboom: Binjamin Wilkomirski en de moord op de historicus

Lex Noteboom: Binjamin Wilkomirski en de moord op de historicus

Reacties uitgeschakeld voor Lex Noteboom: Binjamin Wilkomirski en de moord op de historicus

Lex Noteboom

Samenvatting

Hoe is het om slachtoffer te worden van bedrog? In 1995 publiceerde Binjamin Wilkomirski zijn werk Bruchstucke. Daarin beschrijft hij zijn schokkende ervaringen als Poolse Jood in een Duits concentratiekamp. Drie jaar later bleek het boek een totale fake en te zijn gefabriceerd door een Oostenrijkse auteur die nooit vervolgd is. Lex Noteboom stelt vast dat dit schrijversbedrog nooit de behandeling gekregen heeft die het verdient. Er zijn namelijk geen reputaties gesneuveld en er geen fouten erkend. Een zaak kortom die de rol en betekenis van de historicus vandaag de dag rechtstreeks raakt.

Download de PDF

Lex Noteboom (pdf)

Lees met ISSUU

Volledige Tekst

INLEIDING

Wat moet de wetenschappelijke gemeenschap met een getuigenis die op leugens is gebaseerd? Het antwoord lijkt simpel, maar deze vraag blijkt in de praktijk voor verdeeldheid te zorgen. In 1995 bracht Binjamin Wilkomirski het boek Bruchstücke (‘Brokstukken’) uit. Hierin beschreef hij het onderdrukte trauma dat hij opliep als klein jongetje in een Pools concentratiekamp. In de zomer van 1998 bleek, door het onderzoek van een Zwitserse journalist, dat het boek op leugens was gebaseerd. Wilkomirski zou in werkelijkheid Bruno Grosjean heten en niet Joods zijn.
De schokkende onthulling van Wilkomirski’s werkelijke identiteit verspreidde zich in een razend tempo over de hele wereld en werd gevolgd door andere onderzoeken die hetzelfde uitwezen: Binjamin Wilkomirski had nooit bestaan. Een grote rol in het massale geloof dat men Wilkomirski toekende, speelde de opmars van het concept ‘trauma’. Vooral de manier waarop herinneringen worden onderdrukt, was in de jaren negentig een veel besproken onderwerp. Toen Wilkomirski beschreef hoe de herinneringen van zijn jeugd in een concentratiekamp kwamen boven drijven, resoneerde dat met de ideeën van die tijd. In werkelijkheid bleek Bruno op jonge leeftijd van zijn moeder te zijn gescheiden. Dit heeft hoogstwaarschijnlijk voor zijn werkelijke trauma gezorgd.
Een onderwerp als de holocaust is erg belangrijk. Iets van deze orde van grootte dient in ons collectief geheugen gegrift te staan. Maar welke rol speelt een boek als Bruchstücke in dat proces van herinnering? De meningen daarover zijn erg verdeeld. Een belangrijk artikel is The True Wilkomirski van Norman Geras. Hij maakt een gigantische fout die desastreuze gevolgen heeft gehad voor de geschiedwetenschap. Hij wijst het boek namelijk een rol toe die op het eerste gezicht misschien gepast lijkt, maar in werkelijkheid de rol van een historische primaire bron overneemt. Dit terwijl de scheiding tussen een dergelijk werk en een historische bron juist zo belangrijk is.
In dit onderzoek zal dan ook eerst uitgebreid worden nagegaan wat Geras precies van het werk Bruchstücke denkt te mogen verwachten. Daarna zal ik uiteenzetten wat de hedendaagse functie van een historicus is. Aan het licht zal komen dat Geras een wetenschappelijke grens overschrijdt. Tenslotte zal ik die overschreden grens in het verdere debat rond Bruchstücke betrekken. Er zal aan het licht komen dat de plaats van de historicus te niet wordt gedaan door de functies die men aan Wilkomirski’s ‘getuigenis’ toekent. Het spanningsveld tussen persoonlijke herinnering en geschiedschrijving zal een zeer actuele kwestie blijken.

1: NORMAN GERAS EN DE PERFECTE HISTORICUS

Norman Geras schreef in 2006 een artikel over Bruchstücke genaamd ‘The True Wilkomirski’. Alvorens de controverse omtrent het waarheidsgehalte van Bruchstücke uitbrak, was Geras uitsluitend lovend over Wilkomirski’s werk, zoals hijzelf ook ruiterlijk toegeeft in ‘The True Wilkomirski’. Hierdoor voelde Geras zich geroepen om nog eens naar het werk te kijken op het moment dat de werkelijke identiteit/geschiedenis van Wilkomirski aan het licht kwam.
In eerste instantie lijkt Geras een redelijk punt te maken. Hij vat zijn stelling samen door de lezer te vragen het werk los van de schrijver en diens achtergrond te zien. Als na verloop van tijd de leugens van de auteur worden vergeten, blijft een ontroerende en prachtige roman over. Dit lijkt een redelijk voorstel. Als Geras echter zijn stellingname gaat onderbouwen, komt aan het licht dat de rolverdeling tussen een fictief werk en een historische primaire bron nog verre van duidelijk is: ‘Read thus, the book retains much of its power and quality as a narrative of what the memories of a child survivor might be.’
Met bovenstaande redenatie begeeft Geras zich op glad ijs. Het zien van het boek als een fictief werk verschaft het blijkbaar een zekere mate van authenticiteit. Wij mogen volgens Geras aannemen dat ervaringen van een Holocaust-overlevende sterk lijken op de verzonnen gebeurtenissen/ervaringen in Bruchstücke. Als echter een fictief werk al een illustratie van de waarheid is, wat leest men dan in een historische primaire bron? Die moet dan wel gevuld zijn met ontegenzeggelijke waarheden. Immers, wat is anders het verschil tussen beide? Die stelling zet aan tot contemplatie over de betrouwbaarheid van de historische wetenschap.
Terwijl ‘The True Wilkomirski’ voortschrijdt, wordt Geras’ twijfelachtige stellingname steeds gevaarlijker. De omstandigheden en gebeurtenissen in Wilkomirski’s boek zijn volgens Geras (ondanks hun fictieve aard) nog steeds meer dan relevant, enkel en alleen vanwege hun plausibiliteit: ‘They are not, now, things that actually happened. But they are of a kind that happened or at least that could have happened, in general if not in every instance’. Na het werk als fictie te categoriseren besluit Geras om meteen de ‘functie van fictie’ in alle algemeenheid te definiëren. Blijkbaar valt uit een fictief werk buitengewoon veel af te leiden. Deze vreemde theorie onderstreept hij nogmaals in de conclusie van dit bijzondere artikel:

Though they may not report any real particular event or episode, they can nonetheless elicit an understanding of the environment in which they are set, of the manner of what occurred there, of what it meant or how it felt to the participants, of individual motivation and character. It is in this mode that, in my view, Wilkomirski’s Fragments retains its quality as a novel of a Holocaust childhood and its truth in the way of literature.

Wat deze roman mag of hoort te doen, blijkt, volgens Geras, gigantisch veel. Misschien lijkt het op het eerste gezicht allemaal erg afstandelijk en voorzichtig, maar wat is het verschil tussen dit boek en een primaire historische bron? Als dit werk een begrip van de omgeving aan het licht mag brengen, de manier waarop iets is voorgevallen mag verduidelijken en hoe het voelde of wat het betekende voor de individuele betrokkenen mag verklaren, welke functie blijft dan over voor de historische bron? In de perfecte wereld van dit artikel beschrijft een primaire bron de absolute waarheid. Immers, dat is de enige rol die de bron nog rest.

Gezien de verwarring die blijkbaar vandaag nog kan ontstaan over de spanning tussen persoonlijke herinnering en geschiedenis, lijkt het nuttig om weer terug te gaan naar de basis door het werk van de historicus te definiëren. Oftewel, waar kijkt een historicus naar als hij of zij een bron interpreteert?

2: DE IMPERFECTE HISTORICUS

De vraag wat geschiedenis precies is, en waar de geschiedkundige zich mee bezig houdt, werd voor het eerst in de negentiende eeuw gesteld. De Duitse historicus Leopold von Ranke vroeg zijn collega’s enkel te kijken naar wat er werkelijk gebeurd was: ‘Wie es eigentlich gewesen’. Deze stelling werd ter discussie gesteld door de positivisten, die meer nadruk legden op het verzamelen van ‘feiten’, alvorens conclusies te trekken. Hierdoor ontstond de mogelijkheid om een objectief feit te achterhalen of verkrijgen. Als je op een dergelijke manier naar de geschiedenis kijkt, heeft Geras een redelijk artikel geschreven: de historicus houdt zich bezig met de absolute feiten die zijn overgeleverd, terwijl een boek als Bruchstücke illustreert hoe het geweest zou kunnen zijn. De discussie eindigde hier echter niet, maar werd een andere kant opgestuurd door de empirische school. Die sprak nog wel over absolute feiten, maar stelde dat deze veranderden in de handen van de historicus. Immers, deze is ook maar een subjectief mens. Nu wordt de grens met Wilkomirski’s werk al twijfelachtiger.
De methode van de empirische relativering werd toentertijd uitgebreid geanalyseerd. Dit resulteerde bijvoorbeeld in de belangrijke stelling van Benedetto Croce: ‘All history is contemporary history’. Hiermee wilde hij illustreren dat een historicus altijd geschiedenis schrijft op basis van zijn eigentijdse beleving van de wereld. De persoonlijke dimensie relativeert het gebruikt van bronnen tot een interpretatie. Daarmee vervult de primaire bron, of het voormalige historische feit, al bijna dezelfde functie als het boek Bruchstücke. Het is niet meer dan een illustratie van hoe het geweest zou kunnen zijn.

De laatste stap in dit proces is het relativeren van de ‘historische feiten’ zelf. Immers, niet alleen de historicus kijkt door de lens van zijn of haar tijd en persoonlijkheid, ook de historische figuur die een bron opmaakt, is menselijk (en gaat daardoor subjectief te werk). In de jaren zestig waren er wetenschapsfilosofen, zoals G.R. Elton, die concludeerden dat de wetenschap eigenlijk iedere vorm van waarheid had verworpen. Dit vanwege de subjectiviteit van de waarnemer. In diezelfde tijd werd Eltons relativering verder doorgevoerd door te stellen dat historische feiten slechts overgeleverde inschattingen zijn. Dus eigenlijk beschrijft de geschiedenis een interpretatie (door de historicus) van een inschatting (de bron) van het verleden.
De relativiteit van de geschiedschrijving is duidelijk. Wat verder belangrijk is om te definiëren, is de hedendaagse rol van een autobiografie. Hieruit zal namelijk blijken dat Geras de onware getuigenis van Wilkomirski een functie toekent die al ‘ingenomen’ is door de autobiografie. Een belangrijke hedendaagse historicus die zich diep in de krochten van de wetenschapsfilosofie en historiografie heeft begeven is John Tosh. In zijn boek, The Pursuit of History, definieert hij alle denkbare bronnen. Dit met de postmoderne stelling over geschiedschrijving waar we net op zijn uitgekomen in zijn achterhoofd: ‘Autobiographies may be very revealing of mentalities and values, but as a record of events they are often inaccurate and selective to the point of distortion’. De waarde die Geras aan Bruchstücke toeschrijft, is dus even groot als die van een primaire historische bron. De moderne interpretatie van een historisch werk en een roman lopen, als we Geras moeten beamen, door elkaar heen. Wat is volgens John Tosh dan de functie van fictieve literatuur? ‘(…) all creative literature offers great insight into the social and intellectual milieu in which the writer lived, and often vivid descriptions of the physical settings as well’. Een roman geeft dus enkel inzicht in de omgeving van de auteur. Deze zal het milieu waarin hij leeft, bewust of onbewust, verwerken in zijn roman. De roman speelt dus maar een kleine rol in het vasthouden van de historische werkelijkheid.
Volgens deze definitie mag Wilkomirski ons inlichten over ‘the social and intellectual milieu and the physical settings’, waarin hij leefde. Wilkomirski leefde niet in een concentratiekamp tijdens de holocaust. Zijn boek mag ons dus niets vertellen over die fysieke of emotionele context. Ook niet hoe die ‘setting’ zou kunnen zijn geweest. Wat hij wel heeft ondergaan, is een ernstig jeugdtrauma. De scheiding tussen hem en zijn moeder heeft waarschijnlijk een grote rol gespeeld in zijn waanbeelden. Dus, volgens de definitie van John Tosh mag het boek Bruchstücke ons iets vertellen over de trauma’s van een Zwitsers jongetje zonder ouders. Dat is namelijk de ‘s’ waarin de schrijver zich bevond, terwijl hij het boek schreef. Ondanks deze uitgebreide onderbouwing is mijn positie er niet één die algemeen geaccepteerd is in de wetenschappelijke discussie over Bruchstücke.

3: DE GETRAUMATISEERDE WAARHEID

In ‘Beyond the Question of Authenticity: Witness and Testimony in the Fragments Controversy’ neemt Michael Donald een belangrijke stellingname in over Bruchstücke en het fenomeen trauma. Wat benadrukt wordt in dit artikel, is de vreemde manier waarop een traumatische ervaring wordt opgeslagen in het geheugen: ‘(…) the victim of [trauma] was never fully conscious during the [event] itself (…) and so any testimony of the event will bear at best an oblique relation with it, since we can only say what we know as experience.’ De schrijver wil de positie van echte holocaustslachtoffers relativeren, opdat men anders naar het werk Bruchstücke kan kijken. De holocaustslachtoffers hebben namelijk iets traumatisch meegemaakt en kunnen, door de manier waarop een trauma werkt, daar nooit accuraat verslag van doen.
Ook hier is weer sprake van een misvatting over de historische wetenschap. Eerder is geconcludeerd dat een primaire bron niets meer is dan een interpretatie. Geschiedschrijving is de subjectieve lens die een illustratie van de historische werkelijkheid geeft. Kortom, als een oorlogsslachtoffer zijn ervaringen enkel mistig en gefragmenteerd kan vastleggen, dan is dat de historische werkelijkheid.
Het idee dat men zo dicht mogelijk bij een absolute waarheid moet komen, lijkt ouderwets. Voor de geschiedkundige is er eigenlijk geen absolute en objectieve waarheid. Wat de historicus nastreeft, is een hypothetische absolute waarheid, die in werkelijkheid nog zeer subjectief blijft. Deze is opgebouwd uit een ‘gemiddelde’ tussen de bronnen die hij gebruikt. Wat duidelijk moet worden, is dat de interpretatie van een historisch figuur de enige werkelijkheid is die een historicus tot zijn subjectieve beschikking heeft. Als alle historische figuren tijdens een significante gebeurtenis getraumatiseerd werden, is die staat van perceptie de enige werkelijkheid van dat moment.
Een artikelen als dat van Donalds gaan ervan uit dat in het heden een absolute waarheid kan worden verkregen van bijvoorbeeld historische gebeurtenissen zoals de holocaust. Dit lijkt onmogelijk vanwege de vele persoonlijke percepties en perspectieven waar een gebeurtenis doorheen reist voordat hij ‘aankomt’ in een historisch artikel.
Zo wordt geschreven: ‘(…) with respect to trauma, memory is always secondary since what occurs is not integrated into the experience or directly remembered’. Deze stelling gaat ervan uit dat alle mensen die een trauma ondergaan, hun verschrikkelijke ervaring niet in de werkelijkste vorm ontvangen. Donalds stelt dat persoonlijke geschriften eigenlijk niets over de geschiedenis zeggen omdat zoiets als een trauma de werkelijke gebeurtenis uitwist. Een trauma zou zelfs leiden tot een ‘gat in de geschiedenis’. Oftewel, in Donalds artikel wordt de historische rol van holocaustslachtoffers tot bijna niets gereduceerd:

At the heart of any memory is forgetting, the loss of the original event and that loss’s destructive force on any subsequent testimony; this is all the more true of traumatic memory. And this loss complicates the project of recuperating the fact of the Holocaust through the memories of those who were there, and it lies at the centre of the problem of testimonies that may not bear witness to the Shoah but provide evidence of some other trauma.
Norman Geras onderbouwt deze stelling in zijn verdediging van Wilkomirski’s werk. Hij beschrijft het probleem in de vorm van een ruimtelijke afstand. De persoon of ‘agent’ in kwestie staat op een bepaalde afstand van de realiteit tijdens zijn bestaan. Dit komt door zijn subjectieve perceptie van de werkelijkheid. Een trauma maakt de afstand tussen dat persoon en de realiteit dusdanig groot, dat men geen historische waarheden kan ontleden aan een dergelijk verslag.
Kortom, Donalds wil ‘the facts of the holocaust’ achterhalen en Geras is op zoek naar een ‘agent’ met zo min mogelijk afstand van de werkelijke omstandigheden. Beiden hopen tevergeefs een objectieve werkelijkheid te achterhalen, die nooit echt bestaan.
Laten wij Geras theorie als voorbeeld nemen: indien alle ‘agents’ in een bepaalde werkelijkheid van een moment een trauma ondergaan, nemen ze daardoor collectief precies dezelfde afstand. Ieder ‘agent’ heeft een verandering doorgegaan, maar daarna staan zij allen weer op dezelfde plaats. Die afstand is dan de nieuwe werkelijkheid omdat daar het gemiddelde van de percepties van die groep ligt. Als mensheid kunnen we alleen kennen wat onze zintuigen ons laten observeren. De enige werkelijkheid die we dus kennen, is de menselijke werkelijkheid. In het geval van holocaustslachtoffers is de enige beleving die er bestaat een traumatische. Immers, er is waarschijnlijk geen enkel mens dat niet getraumatiseerd uit een genocide komt. Daarmee is dat dus de enige werkelijkheid. De traumatische ervaring is eigenlijk een accuratere beschrijving van het leven in een concentratiekamp dan de heldere uiteenzetting van iemand die er niet is geweest.
Geras schrijft dat hij de meeste werken van Holocaust-slachtoffers minder verhelderend vindt dan Brokstukken. Door de grootse afstand die de slachtoffers hebben, beantwoorden zij niet genoeg vragen. Hier is Geras dus opzoek naar een werkelijkheid die niet bestaat. Alle echte verslagen van de getto’s of vernietigingskampen zijn op een andere manier beschreven, omdat die de daadwerkelijk ervaring vastleggen. Wilkomirski is een buitenstaander: natuurlijk beschrijft hij de situatie anders. Wat Geras als een werk met veel gemis leest, is een werk dat een onbeschrijfelijke ervaring beschrijft: de onbeschrijfelijke en enige werkelijkheid van de holocaustslachtoffers.
Een veelvoud aan artikelen is uitgekomen waarin Wilkomirski wordt verdedigd door te stellen dat zijn trauma en waanbeelden hem werkelijk tot een holocaustslachtoffer maakten. Aan de andere kant zijn ook werken gepubliceerd die de andere extreme opzoeken door te stellen dat de controverse rond Bruchstücke bewijst dat een getuigenis slechts kan worden gebruikt om je met slachtoffers te identificeren. Verder vervullen die getuigenissen geen enkele rol.
Met geen van bovenstaande extremen kan ik het eens zijn. Een historicus neemt een gemiddelde van de velen menselijke werkelijkheden die hij kiest te gebruiken. Dit geldt voor een administratieve bron, waar fouten in kunnen staan, of een gedicht over een tijdsgeest, dat door een sociopaat kan zijn geschreven. Getuigenissen vormen daar een belangrijk onderdeel van. Het gemiddelde tussen de menselijke percepties van een groep is de werkelijkheid van die groep. Als de historicus die werkelijkheid interpreteert, is dat de enige historische werkelijkheid die er bestaat en die misschien wel ooit heeft bestaan.
Wilkomirski’s artikel is een verzinsel, of hij dat nu zelf gelooft of niet. Als het lezen van het verzonnen verhaal de lezer op welke emotionele manier dan ook beweegt, is dat uitstekend, omdat die lezer de Holocaust zal onthouden. Op wetenschappelijk gebied vertelt het ons enkel iets over waanbeelden die kunnen ontstaan na het ervaren van een zwaar jeugdtrauma. Eventueel voegt Bruchstücke ook iets toe aan de kennis over de beleving van de Holocaust door geesteszieken. Het vertelt echter niets over het meemaken van een oorlog en al helemaal niets over het meemaken van de Holocaust.

CONCLUSIE

Al met al is gebleken dat Binjamin Wilkomirski een boek heeft geschreven dat voor veel verwarring zorgt over de rol van de historicus. Geen van de deelnemers aan het debat heeft het expliciet over geschiedenis als vak. Echter, door een op leugens gebaseerde getuigenis verregaande autoriteit te verlenen, zoals Norman Geras deed, kom je op het terrein van de geschiedschrijver terecht. Blijkbaar was een afbakening van de geschiedschrijving nodig om ervoor te zorgen dat de Holocaust op een zo wetenschappelijk mogelijke manier deel van ons collectieve geheugen blijft.
Door te laten zien dat de geschiedschrijving eigenlijk al een interpretatie van een inschatting is, blijkt dat de rol die Geras een werk als Bruchstücke ziet vervullen, veel te ver gaat. Deze mag zelfs niet illustreren hoe het wel eens zou kunnen zijn geweest voor een slachtoffer. Dat is namelijk al wat de geschiedschrijving doet. Er vanuit gaan dat de historicus opzoek is naar een objectieve en absolute waarheid, lijkt mij achterhaalt en onrealistisch.
De enige waarheid die in mijn ogen nog bestaat, is het gemiddelde tussen de menselijke percepties, die zijn overgeleverd. De historicus maakt daar weer een selectie uit en laat er, bedoeld of onbedoeld, zijn eigen subjectiviteit op los. Iets als een absolute historische waarheid is een illusie. Als die waarheid door het toedoen van een trauma enkel uit mistige beschrijvingen kan bestaan, is dat juist de scherpst mogelijke weerspiegeling van de omstandigheden.
Bruchstücke is op wetenschappelijk gebied slechts voer voor de psychoanalyse. En dan alleen met betrekking op een in Zwitserland geboren, niet-Joodse jongen die werd gescheiden van zijn moeder en nooit direct in aanraking kwam met de oorlog. Het zegt niets over de werkelijkheid van een kleine jongen in een Pools vernietigingskamp. Dat is een werkelijkheid die enkel de slachtoffers kunnen en mogen beschrijven.

LITERATUURLIJST

Bernard-Donalds, Micheal, Beyond the Question of Authenticity: Witness and Testimony in the Fragments Controversy, PMLA 116:5 (2001).

Carr, E.H., What is History? (Basingstoke 1961).

Elton, G.R., The Practice of History (Fontana 1969).

Geras, Norman, The True Wilkomirski, Res Publica 8:2 (2002).

Gross, Andrews en Micheal J. Hoffman, Memory, Authority, and Identity: Holocaust Studies in Light of the Wilkomirski Debate, Biography: An Interdisciplinary Quarterly 27:1 (2004).

Hungerford, Amy, Memorizing Memory, The Yale Journal of Criticism 14:1 (2001).

Maechler, Stefan, The Wilkomirski Affair: A Study in Biographical Truth (New York 2001).

Tosh, John, The Pursuit of History: aims, methods and new directions in the study of modern history (3e editie: Harlow 1999).

Wilkomirski, Binjamin, Brokstukken: een jeugd 1939-1948 (Amsterdam 1996).

About the author:

Back to Top