Liefde voor de Archieven: Archiefavonturen

Liefde voor de Archieven: Archiefavonturen

Liefde voor de Archieven: Archiefavonturen

Reacties uitgeschakeld voor Liefde voor de Archieven: Archiefavonturen

‘Ik heb nog wel iets interessants voor je.’ Met die woorden begint vaak een nieuw archiefavontuur. Voor ik het weet zit ik achter het stuur van de Peugeot van mijn moeder, de achterbak en -bank volgestouwd met dozen archiefmateriaal. Mijn onderzoek naar de geschiedenis van het Nederlands Dagblad (ND) en het Reformatorisch Dagblad (RD) speelt zich natuurlijk veel in archieven af. Maar aangezien deze kranten relatief kort geleden ontstonden, zijn veel betrokkenen nog in leven. Ik weet ze te vinden, en zij mij, omdat ze ergens op zolder nog wel iets hebben liggen. Uniek archiefmateriaal, welke historicus zegt daar nee tegen?

Het woord ‘kont’

Een van de eerste ontmoetingen die me op het spoor brengt van aanvullend archiefmateriaal, is bij een bijeenkomst van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (HDC) aan de VU. Ik leer er Hans Werkman kennen: een beminnelijke heer, die je met de speelse pretoogjes van een jonge hond gadeslaat terwijl hij je tegemoet treedt. Hij hoort me aan over mijn onderzoek en zegt: ‘Kom eens bij me langs, ik heb iets interessants voor je.’ Een datum is gauw gevonden. Bij hem thuis heeft hij twee dozen die voorbestemd zijn voor het HDC. Ik mag ze lenen. Eenmaal bij mij thuis blijken de dozen allerlei unieke perspectieven te bieden op de geschiedenis van het ND.

Werkman bespreekt vanaf de jaren zestig literatuur in de krant, waaronder schrijvers als Jan Wolkers. Dat kan niet elke gereformeerde waarderen. Vooral uit de jaren zeventig zitten er wat boze briefjes in. Maar het archief biedt meer dan dat: het werpt een licht op de afgelopen pakweg 50 jaar van het ND. Een lezer is verontwaardigd dat Werkman het woord ‘kont’ gebruikt. ‘In het woord “kont” klinkt iets door van minachting voor dit lichaamsdeel. Ons is dan ook van kindaf geleerd dat een christen zo niet mag spreken.’ De literatuurcriticus reageert dat het woord ‘kont’ een veelgebruikt woord is voor het achterwerk van grote dieren. Hij schrijft: ‘Ik hoop dat u het verschil dat ik maak, kunt billijken.’ Ik koester de gedachte dat hij het woord billijken bewust kiest. Dergelijke briefjes wil ik niet missen.

Sporen die overblijven

Via Hans Werkman leer ik Bert de Jong kennen. Een heer van 90 lentes jong die zijn hele leven in de journalistiek werkte: bij het Zeeuwsch Dagblad, De Rotterdammer en Trouw. Ik breng hem een bezoek om hem te spreken over zijn leven, zijn werk en mijn onderzoek. De geschiedenis van de dagbladjournalistiek is een komen en gaan van kranten. Een perspectief als het zijne biedt een inkijkje in een verleden waar ik alleen maar van kan dromen. Neem alleen al twee van de drie kranten waar hij werkte: in rook opgegaan. Het is aan de historicus om te werken met de sporen die overblijven. Een gesprek met zo’n man zegt meer dan duizend archiefsnippers.

Er is meer. Van tevoren mailt hij me: ‘Neem een apparaat mee om te fotograferen, want ik heb iets als illustratie van je boekwerk.’ Het blijken vier loden styps te zijn: de loden blokken met daarop de namen van de Kwartetbladen, vier protestantse dagbladen die na een moeizaam fusieproces in 1972 opgingen in dagblad Trouw. Met die loden blokken werden de titels van de kranten gedrukt. Hij kreeg ze mee naar huis nadat ze voor het laatst waren gebruikt. Inderdaad, loodzwaar, maar voor een pershistoricus toch niet minder dan een historische sensatie. En dat alles onder gniffelend toezien van Bert de Jong.

De loden styps

Oud papier

Zo nu en dan kom ik op de redacties van het ND en RD om bij te praten over mijn onderzoek. Zulke bezoekjes zijn alleen al nuttig doordat ik blijf beseffen: zo’n krant maken, dat is elke dag een strijd tegen de tijd. Ik kom er in contact met Herman Veenhof, een nieuwsgierige en eigengereide journalist die er al sinds medio jaren tachtig werkt. Ook hij kan het niet laten me op aanvullend archiefmateriaal te wijzen, bij hem thuis. ‘Een auto is wel handig.’ Ik weet genoeg: daar is wat te halen. Zijn vrouw kijkt me meewarig aan: ‘Weet je het zeker?’ Het is inderdaad niet mis: zeven omvangrijke en zware dozen, die me van harte worden uitgeleend. Wanneer de dozen terug moeten? ‘Leen ze zolang je wilt!’ Opgeruimd staat netjes zullen ze daar denken.

Ik ben linea recta naar mijn ouderlijk huis gereden. In mijn appartement is er geen plek voor zoveel dozen. Het zijn prachtige avonturen: ik kom in contact met interessante mensen met unieke verhalen, die me zo nu en dan verrassen met een bonus in de vorm van oud papier. Oud papier dat ik tot leven mag wekken.

Door Christoph van den Belt.

Christoph van den Belt (1991) studeerde Geschiedenis aan de Radboud Universiteit. Tijdens zijn studie hield hij zich voornamelijk bezig met persgeschiedenis, wetenschapsgeschiedenis en religiegeschiedenis in de 19e en 20e eeuw. Sinds november 2016 is hij verbonden aan de Vrije Universiteit en de Christelijke Hogeschool Ede, waar hij werkt aan een proefschrift over de geschiedenis van het Nederlands Dagblad en het Reformatorisch Dagblad in de periode 1960-heden.

 

About the author:

Back to Top