Liefde voor de Archieven: Goed kijken is het halve werk – Handschriftfragmenten en palimpsesten

Liefde voor de Archieven: Goed kijken is het halve werk – Handschriftfragmenten en palimpsesten

Liefde voor de Archieven: Goed kijken is het halve werk – Handschriftfragmenten en palimpsesten

Reacties uitgeschakeld voor Liefde voor de Archieven: Goed kijken is het halve werk – Handschriftfragmenten en palimpsesten

Sommige historische bronnen zijn meer dan wat ze op het eerste oog lijken te zijn: een geheel andere wereld of tijd kan verborgen liggen onder hun oppervlakten. Voorbeelden van zulke bronnen zijn laatmiddeleeuwse handschriften en vroegmoderne drukken. In diverse Nederlandse en Vlaamse archieven en bibliotheken bevinden zich zogeheten middeleeuwse handschriftfragmenten in vroegmoderne drukken, of blijkt een laatmiddeleeuws handschrift een palimpsest te zijn. Wat vertellen handschriftfragmenten en palimpsesten ons over het verleden? Welke vaardigheden zijn er zoal nodig om zulke bronnen op het spoor te komen?

Wat zijn handschriftfragmenten en palimpsesten?

Het is niet altijd gemakkelijk te omschrijven wat handschriftfragmenten zijn. Een handschriftfragment kan grofweg opgevat worden als een deel van wat eens een complete tekst was; of als een stuk perkament of papier dat niet meer gebruikt kon worden, omdat het beschreven of bedrukt was. Dit wordt door paleografen en codicologen ook wel een maculatuur genoemd.

Een palimpsest, ofwel een codex rescriptus, is een hergebruikt stuk perkament. Een tekst, die eerder op het perkament is geschreven dan de huidige zichtbare tekst, is eraf geschraapt. Op die manier kan een kopiist of boekbinder het perkament opnieuw gebruiken. Perkament was immers kostbaar, waardoor spaarzaamheid geboden was. Aan de hand van enkele voorbeelden zal ik proberen te laten zien welke informatie handschriftfragmenten en palimpsesten kunnen bieden voor historici die de archieven in duiken.

In de band van het boek

In de Nederlandse en Vlaamse archieven moet nog veel werk verzet worden voordat een bezoeker daadwerkelijk een inzicht heeft in de hoeveelheid handschriftfragmenten die in, om of tussen archiefstukken verscholen liggen. Een voorbeeld zijn enkele handschriftenfragmenten in het Regionaal Archief Nijmegen (RAN), die gebruikt zijn als boekband of als dekblad om de boekband te verstevigen in administratieve stukken van het stadsbestuur Nijmegen. Vooral bij een kopert, een band bestaande uit één solide omslag, gemaakt van perkament, treffen we veel handschriftfragmenten aan in het RAN.

Een opmerkelijk archiefstuk in het RAN is geïnventariseerd als ‘Oud Archief Nijmegen 375, inv.nr. 4062’. Het gaat hierbij om een handgeschreven, papieren register met pacht-, verkoop-, verhuur- en andere contracten uit de periode 1543, 1551-1559. De omslag is een perkamenten maculatuur, dat vermoedelijk dateert uit de twaalfde eeuw. Door de afwisseling van tekst en muzieknotatie doet het denken aan de tekstuele structuur van een brevier, een liturgisch boek dat voor de mis werd gebruikt.

Zonder aandacht voor de boekband zou een historicus al snel een van de oudste stukken van het RAN over het hoofd hebben gezien. Dat dit blad eens – door wellicht een kloosterling – in de buurt van Nijmegen gebruikt is, zegt ons iets over welke boeken wel of niet veelvuldig gebruikt werden voor de mis. Desalniettemin is verder onderzoek nodig om dit met zekerheid vast te kunnen stellen. Kortom, wanneer historici de omslag van een boek als een historische bron op zichzelf bestuderen, kunnen handschriftfragmenten ons iets vertellen over het boekgebruik van de middeleeuwse lezer.

De tekst achter een tekst

Een bron die ik recentelijk zelf heb bestudeerd is een vijftiende-eeuws handschrift met het inventarisatienummer Ms. 8059, die zich bevindt in de depots van de Koninklijke Bibliotheek Brussel. Oorspronkelijk is het handschrift afkomstig uit de Utrechtse Paulusabdij. Vermoedelijk is het handschrift geschonken aan een groep enthousiaste jezuïtische historici, de zogeheten Sociéte des Bollandistes, die hagiografische teksten onderzochten in de vroege zeventiende eeuw. In het handschrift zijn 48 hagiografische teksten te vinden, zoals de Passio santic Bonifatii episcopi et martyris, een heiligenleven over St. Bonifatius (ca. 675-754).

Na een paleografische analyse, waarbij de lettervormen en schrijfwijze van de folia met elkaar zijn vergeleken, kan er gesteld worden dat het handschrift door vier verschillende kopiisten is geschreven in twee verschillende typen schrift. Drie kopiisten schreven in de zogeheten gothica cursiva en een kopiist in de gothica textualis.

Afgezien van deze interessante paleografische kenmerken is met name de codicologie, ofwel de materialiteit, van dit handschrift interessant. De katernen, de verzameling van een of meer gevouwen bladen, zijn zeer onregelmatig. Zo vinden we katernen die bestaan uit drie, vier en vijf dubbelbladen. Hoewel dit wel vaker voorkwam, bevatten 10 van de 28 katernen bladen die enkel, dubbel of als een kimblad later zijn ingebonden om het katern aan te vullen. Dit vraagt om een nadere blik op elk van deze bladen en de onderliggende structuur van de katernen.

Brussel, Koninklijke Bibliotheek, Ms. 8059, f. 190r. Door de vervaagde tekst in de kantlijn van het blad is goed te zien dat de vijftiende-eeuwse hagiografische teksten zijn geschreven op hergebruikt perkament.

Al snel blijkt, wanneer men alle bladen een voor een onder de loep neemt, dat het om hergebruikt perkament gaat. Ongeveer 95 procent van dit handschrift bestaat uit hergebruikt perkament. Slechts één katern bestaat uit niet-hergebruikt perkament. Momenteel heb ik al minstens twee verschillende typen schrift kunnen ontdekken op de hergebruikte bladen, maar verder onderzoek zal nodig zijn om precies te achterhalen om welke teksten het gaat, waar de bladen precies zijn schoongemaakt en uit welke periode de ‘verborgen’ teksten dateren. Het handschrift in Brussel laat zien dat er nog voldoende interessante informatie over het middeleeuwse verleden te vinden is in bibliotheken en archieven die op het eerste oog wellicht niet gelijk zichtbaar is.

Hoe verder?

Om bronnen als handschriftfragmenten en palimpsesten te bestudere, is er een vaardigheid die historici zich goed eigen moeten maken: kijken. Door aandachtig ieder detail van een handschrift op te nemen, ontdekt de historicus informatie over de levensloop van een middeleeuws handschrift. Hoe is het handschrift gemaakt? Hoe is het handschrift overgeleverd? Wat hebben latere gebruikers van het handschrift er zoal mee gedaan?

Dit biedt de historicus belangrijke contextinformatie over waar, wanneer en hoe een tekst is gebruikt. Immers, historisch onderzoek gaat niet enkel over de inhoud van een tekst, maar ook de context waarin een tekst is overgeleverd. Zonder goed te kijken, kunnen handschriftfragmenten en palimpsesten die nu nog verscholen liggen in de archieven en bibliotheken, voor nog langere tijd ongezien blijven liggen.

 

Door Nick Pouls.

 

Nick PoulsNick Pouls (1992) rondde een Bachelor Geschiedenis en Master Oudheidstudies af aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij vervolgde zijn studie aan de Researchmaster Medieval Studies aan de Universiteit Utrecht waar hij recentelijk cum laude is afgestudeerd. Momenteel volgt hij een Master Archivistiek: Erfgoed- en Hedendaags Documentbeheer aan de Vrije Universiteit Brussel. Als historicus, en archivaris in spé, is hij mateloos geïnteresseerd in de verschriftelijking van de middeleeuwse samenleving en de middeleeuwse leescultuur. Om deze fenomenen te bestuderen maakt hij veelvuldig gebruik van hulpwetenschappen als de paleografie en codicologie.

 

 

About the author:

Back to Top