Liefde voor de Archieven: Morele dilemma’s in het archief

Liefde voor de Archieven: Morele dilemma’s in het archief

Liefde voor de Archieven: Morele dilemma’s in het archief

Reacties uitgeschakeld voor Liefde voor de Archieven: Morele dilemma’s in het archief

Het is nieuw, het is schokkend en onthutsend en het is te vinden in het archief!

Deze week een column van de docent die aan zijn studenten de liefde voor de archieven probeert mee te geven. We lazen al kort over hem in een eerdere column in deze reeks, nu vertelt Hans de Waardt over zijn eigen archiefervaringen.

Het zal ergens in 1987 zijn geweest. Ik was in het toenmalige Algemeen Rijks Archief, nu het Nationaal Archief (NA), bezig met het onderzoek voor mijn dissertatie over het geloof in toverij in het gewest Holland tussen 1500 en 1800.  Ik had uit het archief van het Hof van Holland en Zeeland (AHvH) de eerste stukken waar men dan aan denkt zoals de sententieregisters en de criminele papieren al doorgenomen en ik was nu op zoek naar gegevens in minder voor de hand liggende registers en papieren. Ik vroeg een bundel losse stukken aan die in de inventaris wat vagelijk wordt omschreven als ‘Dagvaarten en afschriften van stukken betreffende criminele zaken, voor het Hof van Holland en de Hoge Raad, misschien afkomstig van een advocaat, 1606-1610’ (NA AHvH inventaris nummer (inv.nr.) 6216).

Ik vond in die bundel een kopie van een verontwaardigde brief die het Hof op 15 mei 1564  had gestuurd naar de Grote Raad van Mechelen, toen het hoogste gerechtshof van de Lage Landen. Het Hof was erg boos omdat de Raad overwoog het appel in behandeling te nemen dat een vrouw uit het dorp Uitdam genaamd Tryn Jan Gebbes had ingediend. Deze vrouw werd verdacht van toverij en was door het gerecht van Monnickendam tot een ondervraging op de pijnbank veroordeeld omdat zij niet had willen bekennen. Zij was van die uitspraak in beroep gegaan bij het Hof maar dat had dit appel afgewezen. Nu verzocht zij de Grote Raad het vonnis ongedaan te maken en de Raad had haar verzoek dus niet zonder meer afgewezen.  Vanuit Den Haag schreef het Hof naar de Raad in Mechelen dat het goede gronden had gehad voor zijn beslissing en gaf daarom wat achtergrondinformatie.  Tryn was door drie toveressen die inmiddels al waren terechtgesteld als medeplichtige genoemd. Zij zou met de andere vrouwen naakt in de Achtergouw bij Monnickendam hebben gedanst en dus aan een sabbat hebben meegedaan. Op da moment zaten nog drie andere vrouwen voor hetzelfde delict gevangen in Waterland, het baljuwschap waarin Monnickendam lag.

Tijdens het transcriberen begreep ik gaandeweg dat ik hier een omvangrijke procesreeks op het spoor was gekomen waarvan tot dan toe niemand had geweten dat die had plaatsgevonden. Tenminste zeven vrouwen waren aangeklaagd van wie er zeker drie waren geëxecuteerd.  Dit was groot. Ik nam een pauze. Ik was blij met deze vondst.  Maar het lot van deze vrouwen was gruwelijk. Over zo’n vondst mocht ik toch niet blij zijn. Ik voelde een moreel dilemma.

Een archiefonderzoeker kan zomaar gegevens vinden over personen of gebeurtenissen  die geheel zijn vergeten. Hij is dan dus de enige op de hele wereld die daar kennis over heeft en dat is een spannend gevoel. Pas als hij zijn bevindingen publiceert kunnen ook andere mensen die kennis krijgen. Elke historisch onderzoeker kent deze ervaring.  Het hangt van de onderzoeksvraag af of de kans groot is dat je vondsten verhalen vertellen die zo dramatisch zijn als dit kettingproces. Maar uiteindelijk gaat het er om dat je gegevens vindt die licht werpen op het thema van je onderzoek. En inderdaad, het kan gebeuren dat je een dag, misschien wel een paar dagen achtereen alleen maar zit te bladeren in de stukken zonder iets tegen te komen dat voor jou van belang is. Maar dan zomaar, onverwacht leg je een goudader open. En wat doe je dan als die vondst werkelijk prachtig is, maar geen gegevens aandraagt over je onderwerp. Elke onderzoeker zal dan op zijn minst besluiten om een aantekening te maken van de vondst om er later eens een apart onderzoek aan te wijden. Maar soms is de gevonden bron zo mooi en rijk dat de betreffende onderzoeker ter plekke besluit een nieuwe onderzoeksvraag te formuleren die aansluit bij de nieuwe prachtvondst. Archiefonderzoek is spannend, het is vaak heel verassend maar kan dus ook een moreel aspect hebben. Kun je wel alles publiceren dat je hebt gevonden?

Met Tryn Jan Gebbes is het niet goed afgelopen. Toen ik eenmaal haar naam wist kon ik verder op zoek en vond in het archief van de procureur generaal van het Hof en in de financiële administratie van die instelling aanwijzingen dat zij uiteindelijk toch is terechtgesteld. In het archief van de Grote Raad dat in het Algemeen Rijks Archief in Brussel wordt bewaard heb ik geen sporen van haar zaak kunnen vinden. Misschien heeft de Raad gedaan wat het Hof had gesuggereerd en een van zijnde raadsheren die voorheen raadsheer in Den Haag was geweest om advies gevraagd. Deze Christiaan de Waert zal inderdaad het een en ander aan informatie hebben kunnen verschaffen.

SAM_1811Hans de Waardt studeerde in 1981 af aan de UvA, en promoveerde in 1991 aan de Erasmus  Universiteit Rotterdam op het proefschrift Toverij en samenleving. Holland 1500-1800. Sinds 2001  is hij docent bij de afdeling Geschiedenis aan de Faculteit der Letteren van de VU.

About the author:

Nieuwsbrief

Back to Top