Liefde voor de Archieven: een monogame relatie met je archief?

Liefde voor de Archieven: een monogame relatie met je archief?

Liefde voor de Archieven: een monogame relatie met je archief?

2 Reacties op Liefde voor de Archieven: een monogame relatie met je archief?

Monogame relatie met je archief

“Promoveren in de geschiedenis komt in de praktijk neer op een monogame relatie met één of ander archief,” vertelde een vriendin van mij eens voordat ze aan haar promotietraject begon. Het archief neemt inderdaad een belangrijke plaats in binnen de belevingswereld van de historicus. Zo lijkt het althans, afgaand op de archivale loftuitingen van menig jong historicus op deze site. Michel Ketelaars vergelijkt archieven met snoepwinkels en noemt een privé-archief het mooiste wat er bestaat. (Voor de historicus dan hè?)

Sterker nog, het archief is de belevingswereld van menig historicus. De geschiedenis is abstract. Zij is ontastbaar, vluchtig en bestaat alleen in ons gemeenschappelijke geheugen. Het archief is doorgaans het enige wat daar fysiek van overblijft. Waar de jurist de rechtszaal heeft, de chemicus zijn laboratorium, en de arts het lichaam van de patiënt, rest de historicus enkel een stoffige ladekast met vergeelde documenten en een knorrige archivaris als enig menselijk aanspreekpunt.

Maar niet voor mij

Ik heb best lang geschiedenis gestudeerd maar mijn ervaring met het archief is toch anders. Ik heb tijdens mijn studie geschiedenis dat hele archief überhaupt nooit echt ervaren. Nou ja, twee keer misschien. De eerste keer was toen ik als tweedejaars een onderzoekje deed naar de geschiedenis van mijn college in de VS. Toen las ik in schoolkranten uit de jaren 30 over het elitebesef van studenten uit die tijd. De tweede keer moest ik naar de Maryland State Historical Archives voor een onderzoek naar de koloniale tabakseconomie in Maryland en Virginia. Een gepensioneerde baliemedewerker vertelde me dat alles eigenlijk gewoon gedigitaliseerd en gratis toegankelijk was, en zelfs in tekstformaat, zodat ik niet eens vroeg-18e-eeuwse handschriften hoefde te ontcijferen. De vooruitgang gaat zelfs aan de historicus niet voorbij.

Dat was in 2007. Het digitale is blijven kleven en ik ben sindsdien geen archief meer binnen geweest. Voor mijn bachelorscriptie over Nederlandse migratie naar de VS  gebruikte ik de site van de Koninklijke Bibliotheek. Voor een onderzoek naar Nederlands-Amerikaanse betrekkingen tijdens de Indonesië-kwestie gebruikte ik FRUS, beschikbaar via de site van het Amerikaanse State Department. Voor mijn masterscriptie raadpleegde ik primaire bronnen gewoon via Google Books. En ga zo maar door.

Bekentenis

Nu moet ik iets bekennen. Ik kies mijn onderwerp en doe mijn onderzoek op basis van welke bronnen het meest toegankelijk (lees: online beschikbaar) zijn. Maakt mij dat een salonhistoricus? Misschien. Daarnaast is het ook zo dat uitgaan van online beschikbare bronnen in feite een extra barrière aanbrengt tussen de historicus en zijn onderwerp. Er komt een extra persoon tussen de feiten en de interpretatie daarvan. Er wordt immers een subjectieve keuze gemaakt over welke bronnen wel en niet gedigitaliseerd worden.

Uitgaan van een beperkt of voorgeselecteerd bronnenmateriaal is echter niets nieuws; hij gaat ook op voor ‘analoge’ bronnen. Voor de intrede van de computer en het internet gaven historici hun onderzoek ook vorm op basis van redelijk praktisch beschikbaar materiaal. Soms lag het achter slot en grendel. Of het was niet vertaald. Wellicht lag het archief aan de andere kant van de wereld. Net zo goed als nu gold vroeger dat historici net water zijn: ze stromen in de richting van de minste weerstand.

photo Jan van Ewijk (1986) volgde een liberal arts opleiding aan Washington College in Maryland, USA. Daarna  behaalde hij een MSc in Public Policy aan de Universiteit Maastricht en een MA in American Studies aan de  Universiteit van Amsterdam. Momenteel werkt hij bij een communicatiebureau in Den Haag. 

About the author:

2 Comments

  1. Lonneke Geerlings  - 15 april 2014 - 06:44
    /

    Er zitten nogal wat haken en ogen aan volledig digitaal historisch onderzoek doen. Teksten zijn slecht ‘ge-ocr’t’, of afbeeldingen vallen weg vanwege auteursrechten (gezien! ). Het grootste problemen is dat je niet weet wat je niet vindt. Maar dat geldt natuurlijk ook voor analoog onderzoek!

    • Jan van Ewijk  - 15 april 2014 - 09:30
      /

      Dag Lonneke – Het viel me dus op dat de nadelen in vergelijking met de voordelen erg meevielen. Ik was vaak onder de indruk van de hoeveelheid bronnen die gedigitaliseerd zijn. En vrij toegankelijk! Zoals op de site van de KB of van Oxford. Met OCR heb ik nooit problemen gehad, maar dat komt misschien omdat mijn onderzoeksgebied in de 19e en 20e eeuw ligt en er al gedrukte bronnen waren. Verder is digitaal onderzoek doen natuurlijk erg ‘klinisch’, dat is wellicht voornamelijk een gevoelskwestie.

      Het grootste nadeel is, denk ik, dat je door uit te gaan van gedigitaliseerde bronnen geen revolutionaire ontdekking meer doet die een heel onderwerp in een ander daglicht kan zetten. Dat soort ontdekkingen doe je namelijk wel in een vergeten hoekje van een archief of op zolder.

Nieuwsbrief

Back to Top