Linse Goeman: Une société sans amour?

Linse Goeman

Samenvatting

Hoe beïnvloedde de opkomst van het christendom en de ‘barbaren’ het welzijn van kinderen in de late oudheid? Gingen kinderen erop vooruit? Of waren zij het kind van de rekening in dit chaotische tijdperk? In dit toegankelijke onderzoek van Linse Goeman worden bovenstaande vragen op enthousiaste manier beantwoord. Een hele sliert kinderen passeert hierbij de revue; vondelingen en bloedjes van kinderen tot aan personificaties van pure onschuld. Ook grimmige onderwerpen als infanticide worden niet onder het tapijt geveegd. Dit alles resulteert in een spraakmakend narratief dat zeker niet is geschikt voor kinderen, maar wel voor geschiedliefhebbers.

Download de PDF

Linse Goeman (pdf)

Lees met ISSUU

Volledige Tekst

Inleiding

De overgang van de late oudheid (ca. 284 – 650) naar de vroege middeleeuwen staat in de historiografie bekend als een abrupte breuk tussen twee perioden, die gepaard ging met grootschalig verval; de ontwikkelde samenleving van het Romeinse Rijk werd opgevolgd door een zogeheten minderwaardige ‘duistere’ opvolger. In de afgelopen decennia hebben historici echter vastgesteld dat, ondanks de sociale onrust waardoor de overgang zich liet kenmerken, evenzogoed sprake is geweest van continuïteit tussen beide perioden. De ontwikkelingen die onder het christendom en onder de toenemende invloed van de ‘barbaren’ waren ingezet, bleven zich immers voortzetten. Het is daarom discutabel in hoeverre mensen in deze overgangsperiode zich bewust waren van grote veranderingen in hun leefwereld.
Dit onderzoek neemt bovenstaande ‘breuk’ tussen de late oudheid en de vroege middeleeuwen onder de loep, toegespitst op de – al dan niet veranderde – ouder-kindrelatie gedurende deze periode. De centrale vragen die hierbij worden gesteld zijn: hoe behandelden ouders hun kinderen in deze turbulente tijd? En: welke invloed hadden het christendom en de opkomst van de ‘barbaren’ op het kind in de late oudheid?
In dit onderzoek wordt eerst gekeken naar de belangrijkste methodologische problemen van de mentaliteitsgeschiedenis, aangezien het onderwerp van dit onderzoek onder dit discipline valt. Het volgende hoofdstuk brengt in kaart hoe kinderen van zowel Romeinen, ‘barbaren’ als christenen leefden. Hierdoor wordt het centrale vraagstuk van dit onderzoek in de juiste context geplaatst. Het daaropvolgende hoofdstuk is een vergelijking tussen de verschillende opvattingen binnen de secundaire literatuur over de ouder-kindrelatie in de late oudheid en de vroege middeleeuwen. In dit hoofdstuk wordt ingespeeld op de discussie die zich vooral richt op ouderlijke liefde (o.a. wordt aandacht besteed aan de volgende vraag: hielden ouders tijdens de late oudheid van hun kinderen zoals mensen vandaag van hun kinderen houden?). Het laatste, reflectieve hoofdstuk, voorafgegaan door de conclusie, vormt de afsluiting van dit onderzoek.

1 Onderzoeksmethodologie

Mentaliteitsgeschiedenis is een jong en populair discipline binnen de geschiedwetenschap met een onuitputtelijke bron aan publicaties tot haar beschikking. Tegelijkertijd heeft de mentaliteitsgeschiedenis te kampen met ‘wetenschappelijke moeilijkheden’. Met name als het aankomt op de beschikbaarheid van bronnen.
Ten eerste, in weinig historische samenlevingen/culturen is exact opgeschreven wat de leden/participanten van deze samenlevingen/culturen dachten en voelden. Indien deze informatie desondanks moeten worden achterhaald, is de historicus aangewezen op zijn eigen instinct en inventiviteit om de gedachtegang van historische onderwerpen boven tafel te brengen. Hierdoor lijkt mentaliteitsgeschiedenis soms eerder op giswerk dan op wetenschappelijk verantwoord historisch onderzoek.
Ten tweede, als het aankomt op familiale geschiedenis (waaronder de ouder-kindrelatie valt) is het bronnentekort zeker schrijnend. In het verleden werd immers de voorkeur gegeven aan politieke en militaire onderwerpen, terwijl de ‘lichtere’ thema’s naar de achtergrond werden verschoven of simpelweg niet behandeld. Zo wordt in bronnen vaak de tijd genomen om het verloop van een veldslag tot in details uit te stippelen, terwijl de angsten en wanhoop van de op leven en dood strijdende soldaten niet worden besproken. Gelukkig kunnen in sommige gevallen studies van literaire bronnen een hulpmiddel vormen om de sociale achtergrond van historische onderwerpen te achterhalen, maar de weinig beschikbare informatie die de mentaliteitsgeschiedenis resteert, wordt vooral uit wetgevende, epigrafische, iconografische en archeologische bronnen gehaald.
Een derde probleem met de bronnen is dat deze vaak slecht zijn te dateren, wat problemen oplevert, aangezien dit onderzoek zich richt op een specifieke periode.
Het vierde probleem met de antieke bronnen is dat ‘barbaren’ voorafgaand aan hun bekering tot het christendom, niets hebben overgeleverd op schrift. Alle bruikbare informatie is afkomstig van Romeinse auteurs, wiens visie op ‘barbaren’ en kinderen als onbetrouwbaar moet worden beschouwd. Na hun bekering begonnen de ‘barbaren’ weliswaar geschriften te produceren, maar zij waren al zodanig beïnvloed door zowel de Romeinen als het christendom, dat ook zij een minder betrouwbaar beeld schetsen van hun eigen verleden.
Een bijkomend bronnenprobleem bestaat uit het feit dat de schaarse bronnen verhalen over de mannelijke elite en in substantieel mindere mate over de ‘gewone mensen’ en/of vrouwen in de Romeinse samenleving. Daarbij waren klassieke auteurs van nature nieuwsgierig naar het leven van personen met een grote historische impact – zoals koningen, keizers en generaals – waardoor zij eerder de levenswandel van dit soort figuren beschreven dan het wel en wee van Jan Modaal.
Ten slotte kiezen bronnen, met name religieuze bronnen, ervoor om eerder een ideaal beeld te schetsen dan een realistisch afspiegeling van de werkelijkheid. Zo probeerden auteurs hun tijdgenoten een voorbeeld te stellen. Hiermee hebben zij echter voor de contemporaine historicus een extra valkuil gegraven, die slechts kan worden overwonnen door het bronnenmateriaal secuur te filteren en feit van fictie te scheiden.
Naast het gebrek aan nuttige primaire bronnen, bleek tijdens dit onderzoek dat de meeste secundaire literatuur die op de geschiedenis van het kind ingaat, zich zelden specialiseert in de late oudheid. Aan de andere kant, het afgelopen decennium hebben historici dit gemis erkend en enkele standaardwerken over dit onderwerp gepubliceerd. Op zijn beurt valt daar weer tegen in te brengen dat zij zich grotendeels beperken tot Rome en daardoor de provincies buiten beschouwing laten. Kortom, ook de secundaire literatuur over het kind in de late oudheid is geen vetpot.
Niettegenstaande alle kanttekening: in iedere mentaliteitsstudie kan – ondanks het gebrek aan bruikbare bronnen of secundaire literatuur – dankzij een degelijke bronnenkritiek tot een wetenschappelijk onderbouwde studie te komen.

2 Het kind in de late oudheid en vroege middeleeuwen

De late oudheid beslaat een periode waarin grote veranderingen plaatsvinden in het Romeinse Rijk. Zo krijgt de Romeinse samenleving in toenemende mate te maken met invallen van volkeren aan de limes (‘grenzen’). Deze ‘barbaren’, die later door hun ontwrichtende invasies zouden bijdragen aan de ondergang van het Rijk, lukten het gaandeweg beter om zich binnen de grenzen van het Rijk te vestigen. Ten slotte won een nieuwe godsdienst, het christendom, aan populariteit. De ‘barbaren’ sloten deze religie al snel in hun armen, en ook de Romeinen raakten steeds meer overtuigd van Christus’ boodschap. Onder keizer Theodosius I (r. 379 – 394) werd het christendom zelfs ingesteld tot staatsreligie van het Romeinse Rijk. De onrust die in deze tijd de kop opstak, maakte een manier om al deze ontwikkelingen met elkaar te vereenzelvigen noodzakelijk.
Het christendom won rap aan populariteit in de steden en slaagde daarnaast erin om stapsgewijs ook het platteland te veroveren. In die beginperiode probeerde de christelijke kerk zo snel mogelijk richtlijnen vast te leggen voor haar volgelingen. Gies beschouwt deze bindende voorschriften voor (onder andere) historici van de Romeinse samenleving als interessant, aangezien deze iets vertellen over de tijd waarin ze zijn gecreëerd. Immers, het christendom ontstond in de schoot van het Romeinse Rijk, waardoor het talrijke Romeinse waarden met zich meedroeg en in sommige provincies zelfs samenging met de romanisering. Toch kende het christelijke gedachtegoed ook nieuwe en revolutionaire ideeën die braken met het Romeinse normen- en waardenpatroon. Deze verschillen tussen beide ‘systemen’ maakten dat andere tijden aanbraken voor de Romeinen.

Alvorens de aandacht naar het vraagstuk over ouderlijke liefde te verleggen, is het noodzakelijk stil te staan bij de situatie van het kind. Aangezien het binnen de opzet van dit onderzoek echter niet de bedoeling is om exhaustief in te gaan op de achtergrond van het Romeinse, ‘barbaarse’ en christelijke kind, wordt hieronder een slechts een korte schets gemaakt.

2.1 Romeinen

De immer pragmatisch ingestelde Romeinen beschouwden kinderen niet als volwaardige burgers van het Rijk. Kinderen waren immers (nog) niet in staat om het Rijk te verdedigen en dit gold in de Romeinse samenleving als de belangrijkste taak van een burger. Het was dan ook zaak dat ouders hun kinderen zo goed mogelijk opvoedden en kneden tot weer- en strijdbare burgers.
Hun kinderen grootbrengen, zagen de Romeinen niet als een lichte zaak. Niet alleen was dit een zware investering van geld en tijd; een hoge kindersterfte plaagde de Romeinse samenleving. Om die reden overdachten Romeinen hun situatie goed voor aan een dergelijk lange en moeilijke taak te beginnen. Het is dan ook in zekere zin begrijpelijk dat de Romeinse maatschappij zwakkere, armere en daardoor ongewenste kinderen liever kwijt was dan rijk. Dit maakte dat praktijken als kindermoord, te vondeling leggen en abortus als algemeen aanvaard werden beschouwd in alle lagen van de samenleving.
Indien een kind daarentegen de kans kreeg op te groeien, kreeg het de best mogelijke opvoeding. In het geval dat het kind behoorde tot een lagere klasse, betekende dit dat het samen met vader, moeder of een ander familielid mee mocht lopen om in de loop van de jaren steeds meer taken over te nemen. Op die manier maakte het kind zich het beroep van zijn verwant stapsgewijs eigen. Een rijker kind werd in zijn eerste levensjaren, tot het moment van schoolgaan aanbrak, opgevoed door slaven. Rijke Romeinse ouders zagen hun kind hierdoor erg weinig. Dit werd bovendien versterkt doordat rijke kinderen werden opgevoed in de slavenvertrekken waar ze speelden met de slavenkinderen.
Wat de rolverdeling tussen de Romeinse vader en moeder aangaande opvoeden betreft: vaders waren streng en hielden nauwgezet toezicht op hoe kinderen zich gedroegen, terwijl moeders begaan waren met de spirituele en religieuze kant van de opvoeding.
Binnen de Romeinse maatschappij behoorden trouwen, scheiden en overspel plegen tot alledaagse praktijken. Uit die overspelige vrijpartijen kwamen allerlei kinderen voort. Historicus Nathan stelt dat deze kinderen evenveel kans op ouderlijke liefde maakten, maar dat zij toch niet zo’n speciale of unieke waarde hadden als nakroost geboren uit een sterke, liefdevolle band, zoals het christendom later zou prediken.
Al met al moet worden gesteld dat mede door de opvoeding door slaven, de band tussen ouders en kinderen niet sterk is geweest in de Romeinse samenleving. Het is mogelijk dat ouders bewust afstand hielden van hun kinderen om zichzelf te beschermen tegen de emotionele pijn die was te wijten aan de grote kindersterfte. Dit garandeerde tevens dat een kind ‘vervangbaar’ werd, waardoor de emotionele schade van een kind verliezen, beperkt bleef. Desondanks spreken Romeinse ouders in primaire bronnen, die gaan over de dood van hun kind, vaak over de emotionele pijn die met dit verlies gepaard ging. Maar tegelijkertijd wordt ook het verlies van een nuttige investering aangekaart. Kortom, hier is sprake van een ambivalente houding van ouders ten opzichte van hun kinderen, die blijkbaar werden gewaardeerd als ‘dierbare investeringen’.

2.2 ‘Barbaren’

Begin twintigste eeuw beschouwden historici de Romeinse en ‘barbaarse’ maatschappijen als fundamenteel verschillend. Recent schreef Gies dat beide maatschappijen wel degelijk gelijkenissen vertoonden. De ‘barbaarse’ maatschappij was namelijk in feite de Romeinse in een vroeger stadium. Zo bestonden de fundamenten van hun maatschappijen uit dezelfde economische, sociale, wettelijke en religieuze aspecten.
Ongeacht dit gemeenschappelijk fundament, verschilden de Romeinen en ‘barbaren’ als het aankomt op opvoeding. Zo waren de ‘barbaren’ onderverdeeld in verschillende Sippe, wat vertaald kan worden als ‘geslacht’. Hiermee wordt een groep verwanten aangeduid die van dezelfde voorouders afstammen (onduidelijk blijft hoever zo’n verwantschap meestal terugging). Herlihy heeft uitgerekend dat zo’n Sippe maximaal vijftig families kon bevatten. In de ‘barbaarse’ samenleving bestond een sterke link tussen familie en politiek: hoe meer krijgers een familie kon leveren, hoe belangrijker de familie was binnen de maatschappij. Op het einde van de oudheid werd afstamming steeds belangrijker volgens Kroesshells theorieën. Hij vermoedt dat de ‘barbaren’ in tijden van oorlog hun interne cohesie versterkten. Zo vormden de verschillende stammen een sterker front tegenover de Romeinen. Herlihy denkt daarentegen dat de kernfamilie in de late oudheid steeds meer de rol van de Sippe overnam als sociale basiseenheid van de samenleving. Op die manier verloor de Sippe zijn functies aan andere sociale groepen die op basis van territorium waren ingedeeld in plaats van volgens bloedband.
Ook in de ‘barbaarse’ familie bestond een vorm van patria potestas (de ‘vaderlijke macht’) binnen het gezin, die de ‘barbaren’ munt of mundium noemden. Dit gebruik stemde overeen met zijn Romeinse evenknie, alleen eindigde de macht van de ‘barbaarse’ vader over zijn zoon wanneer die in het huwelijk trad of een krijger werd. Daarbij beschermden gebruiken en instituten kinderen tegen de macht van hun vader. Guichard en Cuvillier trekken dit laatste echter in twijfel, aangezien zij geen limiet zien aan de vaderlijke macht over zijn kinderen.
In de ‘barbaarse’ samenleving waren niet alleen ouders verantwoordelijk voor hun kinderen, maar de volledige gemeenschap. Indien ouders niet in staat waren om hun kinderen zelf op te voeden, nam een matrilineair familielid deze taak over. ‘Barbaren’ hechtten minder waarde aan de opvoeding dan Romeinen, vindt Herlihy. Hij beweert dat het voortbestaan van de ‘barbaarse’ cultuur niet vereiste dat tijd en aandacht werden gestopt in het opleiden en disciplineren van kinderen.
‘Barbaarse’ ouders waren over het algemeen ouder dan hun Romeinse collega’s en zowel Gies als Goody vermoeden dat ze daarom ‘bewuster aanwezig’ waren bij de eerste levensjaren van hun kinderen. Alle kinderen werden gelijk opgevoed en die uit de hogere klasse werden niet gescheiden van slavenkinderen opgevoed. Slechts een klein onderscheid bestond in de opvoeding tussen jongens en meisjes; meisjes werden toevertrouwd aan de moeder en jongens stonden onder verantwoordelijkheid van de vader.
Guichard en Cuvillier constateren dat meisjes minderwaardig waren in de ogen van de ‘barbaren’. Zo hadden ze niet dezelfde rechten als hun jongens. Over het algemeen werden ‘barbaarse’ vrouwen echter wel beter behandeld dan hun Romeinse tegenhangers.
Tacitus meent dat de Germanen kindermoord verwierpen. Gies stelt daarentegen dat de ‘barbaren’ wel degelijk aan kindermoord deden, ‘in a fashion very similar to the Roman’, maar dat de moralistische Tacitus dit verbloemde om de Romeinen het juiste voorbeeld te geven. Herlihy denkt op zijn beurt dat kindermoord niet zo frequent voorkwam als bij de Romeinen; aangezien ‘barbaren’ niet zo zwaar investeerden in een opvoeding, konden ze het zich veroorloven om veel kinderen te hebben. Verder was het volgens Herlihy de gewoonte om een baby te doden vooraleer hij voedsel tot zich had genomen.

2.3 Christenen

De opkomst van het christendom beïnvloedde de positie van het kind in de samenleving van de late oudheid. Zo veranderde het christendom de betekenis van het huwelijk, wat op zijn beurt gevolgen had voor hoe kinderen werden gewaardeerd in de late oudheid. Hoe kwam deze ontwikkeling tot stand? Allereerst werd de symboliek waarmee het huwelijk zich omringde, belangrijker. Twee mensen kozen bewust voor een onafscheidelijk bestaan tot aan hun dood en de kerk beschouwde kinderen als een natuurlijk product van zo’n relatie; dit verschafte kinderen een hogere status. Ze waren immers een uitkomst van de hoogste relatie die twee aardse mensen met elkaar konden hebben en tevens een bevestiging van de liefde die daarmee gepaard ging.
De christelijke ideologie beschouwde kinderen voortaan ineens als volwaardig. De kerk verbood daarom infanticide, abortus en anticonceptiva. Elk levend wezen diende met evenveel respect te worden behandeld. De staat volgde dit voorbeeld en verbood kindermoord in 374. Tevens werd ongewenste kinderen te vondeling leggen voortaan als een zonde beschouwd, terwijl dit voordien als algemeen aanvaard gold. Herlihy nuanceert dit door te stellen dat ouders bleven doorgaan met hun ongewenste kinderen te vondeling leggen. Oftewel, een daling van het aantal vondelingen kwam tot stand.
Verder stonden kinderen symbool voor de pure onschuld, aangezien ze nog niet met ‘het kwaad’ in contact waren gekomen. Toch was deze status erg dubbelzinnig, want ondanks hun kinderlijke onschuld waren ze voortgekomen uit de erfzonde van Adam en Eva en daardoor van nature slecht en vatbaar voor alle grillen van het kwaad. Over deze duale status bestond grote onduidelijkheid en discussie onder geestelijken. Augustinus verklaarde hierover dat ‘ita imbecillitas membrorum infantilium innocens est, non animus infantium’ (‘zo is het niet dat kinderen onschuldig zijn door hun geest, maar door de zwakheid van hun kinderlijke lichaamsdelen’ – vert. L. Goeman). Hij zag kinderen niet per definitie als ‘puur goed’, want een ongedoopt kind bracht de rest van zijn eeuwige leven door in de hel. Het doopsel stond immers symbool voor het wegvegen van alle zonden die waren meegegeven aan het kind. Eyben schrijft dat kinderen in het algemeen tot aan hun adolescentie of pubertijd worden gezien als onschuldig. Hij vermeldt ook dat Augustinus zich in deze opvatting niet kon vinden.

Al met al moet worden geconcludeerd dat het christendom een ideologische omslag bewerkstelligde voor hoe kinderen werden benaderd in de samenleving van de late oudheid. Maar in de praktijk veranderde niet veel. De maatschappij ging haar kinderen niet direct als waardevoller beschouwen. Praktijken als kindergeweld en -handel leefden voort.
De kerk trachtte om kinderen zo veel mogelijk te beschermen tegen dit kwaad op allerhande manieren. Zo probeerde ze een zo positief mogelijk beeld van de allerjongsten van de maatschappij te schetsen. Bovendien poogde ze om ouders een ander beeld van hun kinderen mee te geven. Ouderlijke liefde vormde om die reden een belangrijk aspect binnen de waarden van de kerk. Verder riep het christendom ouders op om hun eigen kinderen zelf op te voeden, zoals bij de ‘barbaren’ het geval was. Deze tendens om als ouder meer betrokken te zijn bij de opvoeding was weliswaar al voor de opkomst van het christendom ingezet, maar de kerk stimuleerde dit fenomeen om de ouderlijke band te versterken. Bovendien nam de kerk zelf initiatieven om achtergestelde kinderen te helpen. Zo richtte ze wees- en armenhuizen op. Daarnaast zamelde ze geld in om geroofde kinderen terug te kopen. Ook kwam de kerk in opstand tegen incestueuze praktijken en kindermishandeling.
Zoals hierboven is besproken, probeerde de kerk de leefomstandigheden van kinderen te verbeteren. Toch mag niet worden vergeten dat het volk niet altijd akkoord ging met de nieuwe regels die het christendom oplegde. Zo merkt Goody op dat mensen de wensen van de kerk op het gebied van familie en huwelijk niet altijd respecteerden en soms zelfs tegenwerkten.

2.4 Vroege middeleeuwen

De drie groepen, die hierboven afzonderlijk zijn besproken, bestonden niet los van elkaar. Alle gemeenschappen liepen door elkaar heen en smolten in sommige gevallen langzaam samen tot een geheel. Dit resulteerde in enkele belangrijke veranderingen. Een daarvan is dat het gezin voortaan bestond uit een koppel met zijn kinderen; het zogeheten kerngezin (vader, moeder en één of meer kinderen). Toch halen Guichard en Cuvillier in hun werk verschillende auteurs aan die in de vroegmiddeleeuwse maatschappij nog een uitgebreide(re) familie zien. Deze historici constateren pas rond de negende eeuw een omslag naar het kerngezin.
Aanvankelijk bleef de vaderlijke macht nog belangrijk, maar minder absoluut dan die onder de Romeinen en ‘barbaren’ was geweest. Lett vertelt bijvoorbeeld over een canon, opgesteld in 541, die huwelijken zonder toestemming van de ouders van de bruid verbood. Niettemin ondermijnde de kerk de vaderlijke macht na verloop van tijd.
Binnen de kerk werd nog steeds belang gehecht aan de onschuld van kinderen. Van alle kinderen waren jonge – en dus maagdelijke meisjes – naar mening van de kerk ‘de beste’. Hun kuisheid moest een voorbeeld voor iedereen vormen, zelfs de gehuwde mensen. Zo veel mogelijk seksuele onthouding was immers iets wat de Kerk stimuleerde.
Het te vondeling leggen bleef bestaan. Dit is overgeleverd doordat gedurende de middeleeuwen regelmatig wetten werden opgesteld die dit gebruik verboden. Lett ziet toch een verandering optreden door de invloed van zowel de ‘barbaren’ als de kerk. Ouders probeerden namelijk frequenter om eigenhandig hun kinderen op te voeden. Indien dat onmogelijk bleek, gaven ze de voorkeur aan het kind weggeven in plaats van het doden. Bovendien vermeldt Lett dat deze gebruiken zeker genuanceerd moeten worden: in de middeleeuwen was kindermoord geen veelvoorkomend fenomeen meer. Adoptie groeide daarenboven uit tot een volledig geregulariseerd gebruik, en dat gold niet alleen voor vondelingen adopteren. Het hoge sterftecijfer zorgde namelijk ervoor dat weinig kinderen hun volledige kindertijd bij beide ouders doorbrachten. Drie à vier kinderen op de tien groeiden bij ten minste één andere ouder op. Lett noemt het een ‘“circulation” de l’enfant médiéval’.
De primaire bronnen vermelden helaas weinig over het onderwijs. Hierdoor was Ariès (waarover later meer) geneigd te concluderen dat de kwaliteit van het onderwijs sterk achteruitging. Het christendom heeft echter een positieve invloed gehad op het onderwijs door onder andere dorpsschooltjes op te richten. Dit resulteerde erin dat de meeste kinderen – zij het in beperkte mate – leerden lezen en schrijven.

3 Une société sans amour?

Philippe Ariès (1914 – 1984) is de eerste historicus die de geschiedenis van het kind heeft onderzocht. Hij trok radicale conclusies en stelde dat het kind eigenlijk pas rond de industriële revolutie is erkend als een aparte categorie. Hij zegt hierover het volgende:

In medieval society the idea of childhood did not exist; this is not to suggest that children were neglected, forsaken or despised. The idea of childhood is not to be confused with affection for children: it corresponds to an awareness of the particular nature of childhood, the particular nature which distinguishes the child from the adult, even the young adult. In medieval society, this awareness was lacking.

Nadat Ariès’ werk uitkwam, gingen historici snel over tot een tegenaanval. De kritiek was zo heftig dat Ariès zich bij de herdruk van zijn boek Centuries of Childhood (1965) zelfs heeft verontschuldigd voor het feit dat hij zich zo miniem heeft ingewerkt in de middeleeuwen.
Ondanks dat de meeste historici zich tegenwoordig tegen Ariès keren, beschouwen enkelen – weliswaar uitzonderingen op de regel – zijn theorieën als juist. Edward Shorter bijvoorbeeld vindt dat de bronnen moeders in de oudheid neerzetten als onverschillig. Ook Elisabeth Badinter ziet het antieke westen als een ‘société sans amour’.
De meeste studies van vandaag benadrukken echter de liefde die ouders voor hun kinderen hadden. Toch dient deze positieve visie te worden verfijnd. Immers, zelfs indien de meeste ouders oprecht van hun kinderen hielden, zullen zich altijd uitzonderingen hebben voorgedaan. Historici als Herlihy proberen hun conclusies dan ook te nuanceren. Zo zegt hij dat ouders ongetwijfeld van hun kinderen hielden, maar dat ze tegelijkertijd niet terugdeinsden voor lijfelijk straffen als hun kroost niet aan de voorwaarden voldeed.
James constateert dat historici Ariès’ werk foutief interpreteren. Hij verwijst hierbij naar het bovengenoemde citaat van Ariès; hier staat volgens hem niet dat laatantieke en middeleeuwse ouders niet van hun kinderen hielden, maar dat ze niet als een aparte categorie werden beschouwd. Hiernaast stelt James vast dat een geïdealiseerd beeld bestond van de opvoeding/jeugd.
In tegenstelling tot wat James hierboven verkondigt, zijn bronnen gevonden die de kindertijd niet idealiseren, maar hem juist bestempelen als de ergste tijd van een mensenleven. Ook Herlihy meent dat de opvoeding, en vooral de schoolgaande periode als onderdeel hiervan, een harde tijd was. Zo kon Augustinus zich als volwassene nog levendig zijn lijfstraffen en de bijbehorende vernederingen herinneren. Die harde opvoeding is volgens Nathan de reden dat de kindertijd nooit werd afgeschilderd als een zorgeloze periode.

3.1 Bewijs voor ouderlijke liefde ontleend aan hulpdisciplines

Eerder werd al aangehaald dat onze belangrijkste informatie over kinderen uit de late oudheid en de vroege middeleeuwen afkomstig is uit archeologische, epigrafische, antropologische en literaire bronnen. Dankzij deze hulpdisciplines kunnen historici een studie van mentaliteitsgeschiedenis opbouwen. In deze paragraaf worden enkele belangrijke voorbeelden aangehaald zodat kan worden bewezen of ouderlijke liefde bestond.

Eerst en vooral verschaffen graven en grafstenen cruciale informatie over de waardering van het kind in de late oudheid. Archeologen richten hun aandacht bijvoorbeeld op grafgiften. Ook in kindergraven werden namelijk tal van deze geschenken geplaatst. Aan de hand van de talrijke soorten speelgoed, wiegen, juwelen, kistjes en kleren kan worden verondersteld dat kinderen omringd met zorg en liefde werden begraven.
Daarbij getuigen de talrijke grafstenen van de pijn die ouders voelden wanneer hun kind stierf. Herlihy haalt in dit verband Lodovico Muratori (1672 – 1750) aan, een geleerde die grafstenen ordende aan de hand van de hierop aangetroffen vormen van affectie. Op deze stenen staat te lezen hoelang een kind op aarde verbleef. Sommige vermelden zelfs exact het aantal uren dat het kind heeft geleefd. Ouders moeten dus de moeite hebben genomen om de geboortedag van hun kind bij te houden. Herlihy denkt dat ze dit mogelijk deden omwille van astronomische voortekens. Dit levert bewijs het feit dat ouders waren begaan met het lot van hun kinderen. Naast de geboortedatum vertellen de teksten iets over de liefde die ouders voor hun kinderen koesterden. Aan de hand van deze mooi en evenzo schrijnende teksten concluderen Lett en Nathan dat ouderlijke liefde bestond.
De antropologie levert evenzeer nuttige informatie op over liefde voor kinderen. Antropologen zijn namelijk in staat om de lijken van kinderen te onderzoeken zonder te worden beïnvloed door voorkennis van/over de contemporaine geschiedenis. Niet alleen biedt dit historici een handig middel om de vaststellingen uit andere disciplines objectief te controleren; ook kunnen historici dankzij deze specialisten kennis nemen van bijvoorbeeld de eetgewoonten, sterfomstandigheden en exacte leeftijd van de teruggevonden kinderlijken.
Ook iconografische bronnen verschaffen een bruikbaar inzicht in de visie op kinderen. Zo is met behulp van de manier waarop hij/zij kinderen heeft afgebeeld, vast te stellen hoe belangrijk kinderen waren voor de modale middeleeuwer. Daarnaast informeren deze bronnen over hoe kinderen gekleed gingen, met welk speelgoed ze speelden en nog talrijke andere interessante gegevens.
Literaire bronnen leveren eveneens bewijs voor ouderlijke liefde in de oudheid. Lett vindt bijvoorbeeld in teksten sporen van tederheid en genegenheid. Zo schrijft Cicero dat ‘cari sunt parentes, cari liberi (…) natura (…) in primis praecipuum quendam amorem in eos, qui procreati sunt, impellitque’ (‘ouders zijn dierbaar, dierbaar zijn kinderen (doordat) de natuur allereerst een buitengewoon innige liefde in de mens ingebouwd heeft’ – vert. L. Goeman). Het belang van dit citaat ligt erin dat Cicero een verklaring biedt voor ouderlijke liefde: het is natuurlijk. In andere culturen treft Gies gelijke inzichten over kinderen en concludeert dat kinderen wereldwijd worden ervaren als het belangrijkste resultaat van een huwelijk.
Kortom, bovenstaande hulpdisciplines tonen ieder stukjes van een puzzel die in zijn volledigheid aantoont dat laatantieke en (vroeg)middeleeuwse ouders hun kinderen liefhadden.

3.2 Interdisciplinaire bewijzen ouderlijke liefde

Tot slot worden in deze paragraaf enkele interdisciplinaire argumenten voor het bestaan van ouderlijke liefde aangehaald.
Het eerste argument komt van Johannes Chrysostomus (345 – 407). Hij heeft over de relatie tussen ouders en kinderen in zijn tijd – de tweede helft van de vierde eeuw na Christus – geschreven. De theologe Blake Leyerle haalt uit Chrysostomus’ teksten dat ouders aan de ene kant veel van hun kinderen hielden, maar dat ze hun kinderen niet volledig naar behoren konden opvoeden als ze hen aan slaven afstonden. (Dit laatste hoeft het eerste overigens niet uit te sluiten.)
O’Roark, een historicus, komt talrijke voorbeelden op het spoor in Chrysostomus’ teksten die het bestaan van ouderlijke liefde voor kroost in de late oudheid aantonen. Tevens bewijzen de teksten dat een algemeen maatschappelijk verlangen naar kinderen heerste, net als een alledaags begrip dat ouders gewoonlijk een liefdevolle relatie met hun kinderen hadden. Daarnaast noemt Chrysostomus, volgens O’Roark, een christelijk huwelijk pas perfect als dit (veel) mooie kinderen voortbrengt. Geen nageslacht produceren, werd in het Oost-Romeinse Rijk zelfs als een ziekte beschouwd.

In het eerste hoofdstuk is gebleken dat infanticide regelmatig voorviel in de Romeinse samenleving, maar dit is niet verwonderlijk, aangezien kindermoord in menige cultuur, en daarbij in uiteenlopende perioden, werd gepraktiseerd. De redenen voor infanticide waren economisch, religieus, sociaal en biologisch van aard. Kortom, de Romeinen waren dus zeker niet de enigen die dit gebruik kenden.
Toch blijkt dat Romeinse ouders in vergelijking met andere culturen hun kinderen gemakkelijker en frequenter afstonden. Dit is daarentegen niet noodzakelijk bewijs voor een gebrek aan ouderlijke liefde. Sommige ouders die niet in staat waren om hun kind op te voeden (vanwege bijvoorbeeld financiële redenen), kozen ervoor – uit bezorgdheid voor het welzijn van hun kind – om het een beter leven te bieden. Zo verwijst Jordanès naar de Visigoten die op een gegeven moment een vreselijke hongersnood kenden. Om niet al hun kinderen de hongerdood te zien sterven, hebben de Visigoten hen verkocht.
Niet alleen ‘barbaren’ namen in zware tijden extreme maatregelen; de Romeinen net zo. Zo kondigde in circa 450 de keizer af dat het in tijden van zware hongersnood was toegestaan om kinderen te verkopen. Hierdoor zou zowel de overlevingskans van ouders als kinderen worden vergroot.
Niet alle vondelingen of verkochte kinderen werden overigens slecht behandeld. Uiteraard eindigden sommigen in slavernij, maar anderen kwamen via adoptie in een liefhebbend gezin terecht. Bovendien heeft keizer Constantijn de maatregelen die waren ingesteld om kidnapping tegen te gaan, aangescherpt. Volgens O’Roark en Nathan is dat een bewijs dat kinderen steeds belangrijker werden in de maatschappij van de late oudheid.

Hoewel de kerk predikte voor volledige onthouding en maagdelijkheid als de puurste en heiligste menselijke vorm bestempelde, besloten (de meeste) vrouwen toch kinderen te baren. Chrysostomus begrijpt dat ze hun moederinstinct niet konden negeren. De kerk moest haar leer daarom aanpassen en instellen dat vrouwen eveneens verlost konden worden door kinderen te baren en groot te brengen.
Wat vaders betreft nuanceert O’Roark het beeld van de strenge pater familias door in de bronnen een betrokken en liefhebbende vader te ontdekken. Uiteraard kon een vader zijn kinderen straffen. In de meeste gevallen echter werd een kind een avondmaal ontzegd of kreeg hij/zij een pak slaag. Oudere kinderen konden gestraft worden door onterving. Chrysostomus rekent dit desondanks tot uitingen van vaderlijke liefde.
Een ander voorbeeld van ouderlijke liefde is het doopsel. In de late oudheid hechtten ouders steeds meer belang aan hun kinderen zo snel mogelijk laten dopen. Toch zou het nog tot de twaalfde en dertiende eeuw duren voor het een gewoonte werd baby’s na hun geboorte te dopen. Voordien werden alleen zieke kindjes meteen gedoopt. De kerk stimuleerde deze kinderdoop door ouders zwaar te straffen indien zij nalieten een ziek kind te dopen. Tevens werd in zo een geval de dichtstbijzijnde priester zijn functie ontnomen. Nathan merkt dit echter niet aan als een noodzakelijk voorbeeld van ouderlijke liefde: de kerk was weliswaar bezorgd om het zielenheil van hun jongste (zieke) leden, maar daardoor niet noodzakelijkerwijs over hun aardse leven.
Binnen de kerk schreef men dat Jezus bekend stond als een kinderliefhebber. Paus Leo I de Grote (400 – 461) vermelde in de vierde eeuw bijvoorbeeld dat ‘Christ loves childhood, for it is the teacher of humility, the rule of innocence, the model of sweetness.’ Aangezien de paus, logischerwijs de meest toonaangevende (levende) christen op de aardbodem, dit in de vierde eeuw na Christus schreef, moet de kerk in die periode belang hebben gehecht aan kinderen.
Hierbij moet een kanttekening worden geplaatst die direct bewijs levert voor een volgende instantie van ouderlijke liefde: in het vorige hoofdstuk is aangehaald dat de kerk kinderen nochtans niet zag als puur, onbedorven ‘goed’. Sterker nog, de kerkelijke macht verbood ouders om meer van hun kinderen te houden dan van God. Hieruit volgt de conclusie dat indien de kerk zich genoodzaakt zag om stelling te nemen tegen de liefde van ouders voor hun nageslacht, dat diezelfde ouders daadwerkelijk van hun kinderen hielden.
Aansluitend hierop kan worden gesteld dat de christelijke wens om tijd te besteden aan spirituele zaken, in zekere zin botst met een kind opvoeden. O’Roark besluit daarom dat christelijke ouders wel degelijk begaan moesten zijn met hun kinderen, aangezien deze indirect maakten dat hun ouders minder tijd over hadden voor het belijden van hun religie.

Conclusie

De opkomst van het christendom en de ‘barbaren’ zorgt in de late oudheid/vroege middeleeuwen voor flink wat spanningen in de Romeinse samenleving, wat een impact had op families in desbetreffende periode. In dit onderzoek werd de weerslag daarvan op kinderen bekeken.

Als eerste is gebleken dat kinderen en ouders aanvankelijk getekend waren door de hoge kindersterfte van hun tijd, maar dat gaandeweg – in tegenstelling tot de klassieke oudheid – een tendens ontstond om meer aandacht te besteden aan de opvoeding van kinderen. Dit kwam de kind-ouderrelatie ten goede.
Ten tweede is naar voren gekomen dat onder invloed van de kerk instellingen verschenen voor de minderbedeelden van de maatschappij. Dit maakte dat ouders hun kinderen minder snel te vondeling legden, maar dit fenomeen verdween daarmee niet volledig.
Een derde punt van weerslag op het kinderlijk welzijn, is de verbetering van hun algemene status in de samenleving. Ze werden onder invloed van het christendom gezien als volwaardige mensen. Hierdoor werden ze tegelijkertijd ideologisch belangrijker. Deze verbetering vergt echter enige verfijning, aangezien in de praktijk weinig veranderde. De levensomstandigheden bleven gelijk.
De zware studie/opleiding die velen moesten voltooien, maakte dat Romeinse kinderen hun kindertijd als een harde tijd ervaarden. ‘Barbaarse’ kinderen groeiden waarschijnlijk op onder zorgelozere en gelukkigere omstandigheden. Niet alleen was die zware prestatiedruk hun onbekend; alle kinderen waren in grotere mate gelijk aangezien de opvoeding niet was gesegregeerd op grond van klasse. Die vorm van gelijkheid heeft naar alle waarschijnlijk bijgedragen aan een minder zorgelijke jeugd.
Uit het onderzoek bleek ook dat ouders in de late oudheid wel degelijk van hun kinderen hielden, maar niet een erg goede band hadden met hun kroost. De opkomst van het christendom en de positieve invloed van de ‘barbaren’ maakten dat ouders de opvoeding vaker voor hun rekening namen, waardoor ook die band verbeterde. Tevens werd gedurende de middeleeuwen het kerngezin belangrijker, waardoor kinderen voor hun ouders evolueerden tot waardevolle gezinsleden die gekoesterd dienden te worden.
Aan het eind van bovenstaande bespiegeling resteert de vraag: hielden ouders in de late oudheid van hun kinderen? Hierop moet genuanceerd worden geantwoord. Aan de ene kant kan worden gesteld dat kinderen lang niet altijd een gemakkelijke jeugd doorliepen – vooral de Romeinse jongelingen. Aan de andere kant is het moeilijk om alle bewijzen te negeren en stellig te verkondigen dat ouderlijke liefde in gestelde periode ver was te zoeken. Allerhande bronnen en teksten overtuigen de meeste hedendaagse historici dan ook dat ouderlijke liefde wel degelijk bestond en zelfs als natuurlijk werd ervaren. Dat vormt dan ook het besluit van dit onderzoek: de oudheid was ‘une société qui connaissait l’amour’.

Reflectie

Ieder historisch onderzoek vergt een delicate aanpak. Een studie van ouderlijke liefde in het verleden is daarop geen uitzondering. Zo is het namelijk verkeerd om de contemporaine ouderlijke liefde op het verleden te projecteren; dit schetst een vertekend beeld. Iedere historische samenleving moet immers worden bekeken vanuit een context die rekening houdt met normen en waarden uit het desbetreffende tijdperk. Indien dit achterwege wordt gelaten, verzanden historische onderzoeken in onbegripvolle, moralistische studies die niets tot weinig bijdragen aan het begrijpen van voorbije tijden. Ter illustratie, de Romeinse ouderlijke liefde komt tegenwoordig wellicht over als aan de kille kant, maar Romeinse ouders zouden de contemporaine opvoedkunde waarschijnlijk bestempelen als onnodig mild, en daardoor onverantwoord. In dit onderzoek is gepoogd om waardeoordelen achterwege te laten om zo te komen tot een objectieve bestudering van de kind-ouderrelatie.
Een andere nuancering van dit onderzoek, is dat het christendom niet als enige instond voor de bescherming van kinderen. Meestal vertegenwoordigde het christendom stemmen van progressieve partijen die zich al voor de opkomst van de nieuwe godsdienst hadden ingezet voor de levensomstandigheden van de jongsten leden van de samenleving. De kerk nam die vernieuwende ideeën over. Niet alle credit voor de behartiging van de belangen van het kind in de late oudheid, mag daarom bij de kerk worden gelegd. Jammer genoeg is binnen het raamwerk van dit onderzoek geen ruimte om die revolutionaire ideeën te bespreken.

Literatuurlijst

Alexandre-Bidon, D. en Lett, D., Les Enfants au Moyen Age. Ve – XVe siècles (Hachette, 1997).

Ariès, P., Centuries of childhood (New York, 1965).

Ariès, P., L’enfant et la vie sous l’Ancien régime, (Paris, 1973).

Augustinus, Confessiones, Page, T.E. (ed.), trad. Watts W., (The Loeb classical library; Londen, 1912).

Badinter, E., L’Amour en plus. Histoire de l’amour maternel, XVIIIe -XIIIe siècles (Parijs 1980).

Cicero, De officiis, Goold, G.P. (ed.), trad. Miller W., (The Loeb classical library; Londen 1914).

deMause, L. (ed.), The history of childhood (New York, 1974).

deMause, L., ‘The evolution of childhood’, deMause, L (ed.), The history of childhood (New York, 1974) 1-73.

Eyben, E., ‘The early christian view of youth’, Satura lanx. Festschrift für Werner A. Krenkel zum 70. Geburtstag (Hildesheim, 1996) 239-255.

Eyben, E., Laes, C. en van Houdt T., Amor-Roma. Liefde en erotiek in Rome (Leuven, 2003) 15-49.
Gies, F. en Gies, J., Marriage and the family in the middle ages (New York, 1987).

Goldberg, P.J.P. en Riddy, F. (eds.), Youth in the middle ages (York, 2004).

Goody, J., The development of the family and marriage in Europe (Cambridge, 1994).

Guichard, P. en Cuvillier, J-P., ‘Barbarian Europe’, Burguière, A., Klapisch-
Zuber, C., Segalen, M. en Zonabend, F. (eds.), A history of the family. Volume one: Distant worlds, ancient worlds (Cambridge, 1996) 318-378.

Herlihy, D., Medieval households (Cambridge en Londen, 1985).

James, E., ‘Childhood and youth in the early middle ages’, Goldberg, P.J.P. en Riddy, F. (eds.), Youth in the middle ages (York, 2004).

Kroeschell, K., ‘Die Sippe im germanischen Recht’, Zeitschrift der Savigny-Stiftung für Rechtsgeschichte, Germanische Abteilung, 77 (1960) 1-25.

Laes, C., ‘Ouders en kinderen. Copernicaanse revolutie of variaties op hetzelfde thema?’, in: Eyben, E., Laes, C., en Van Houdt, T., Amor-Roma. Liefde en erotiek in Rome (Leuven 2003) 13-49.

Lett, D., ‘L’Enfant dans la Chrétienté Ve-XIIIe siècles’, Alexandre-Bidon, D., en Lett, D., Les Enfants au Moyen Age. Ve-XVe siècles (La vie quotidienne), Hachette, 1997, p. 17-125.

Leyerle, B., ‘Appealing to children’, Journal of Early Christian Studies 5.2 (1997) 243-270.

Muratori, L.A., Novus thesaurus veterum inscriptionum (vier delen; Milaan, 1739-1742).

Nathan, G.S., The family in late antiquity. The rise of christianity and the endurance of tradition (Londen en New York, 2000).

O’Roark, D., ‘Parenthood in late antiquity: the evidence of Chrysostom’, Greek, Roman and Byzantine Studies, 40.1 (1999) 53-81.

Pentikäinen, J., ‘Child abandonment as an indicator of christianization in the Nordic Countries’, Ahlbäck, T. (ed.), Old Norse and Finnish religions and cultic place-Names (Stockholm 1987) 72-91.

Riché, P. en Alexandre-Bidon, D., ‘L’enfant au Moyen Age: Etat de la question’, Fossier, R. (ed.), La petite enfance dans l’Europe médiévale et moderne (Toulouse, 1997) 7-29.

Shorter, E., Naissance de la famille moderne, XVIIIe-XXe siècles (Parijs, 1977).

Tacitus, Germania, Henderson J., (ed.), trad. Hutton M., rev. Warmington H., (The Loeb classical library; Cambridge, 1970).

Posts created 955

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven