Longread: Cuba, revolutionair suikereiland op de breuklijn tussen Marxistisch-Leninisme en Maoïsme

Longread: Cuba, revolutionair suikereiland op de breuklijn tussen Marxistisch-Leninisme en Maoïsme

Longread: Cuba, revolutionair suikereiland op de breuklijn tussen Marxistisch-Leninisme en Maoïsme

Reacties uitgeschakeld voor Longread: Cuba, revolutionair suikereiland op de breuklijn tussen Marxistisch-Leninisme en Maoïsme

Wie denkt dat de geschiedenis van de ‘Koude Oorlog’ zich eenvoudig laat indikken tot een halve eeuw van spanning tussen Oost en West komt bedrogen uit. Zo lieten de zogenaamde ‘derde wereldlanden’ zich niet inlijven bij één van de grote kampen, en rommelde het ook onderling in het ‘Vrije Westen’ en in het Rode kamp met enige regelmaat. Het boterde bijvoorbeeld niet echt tussen de Sovjet-Unie en de Volksrepubliek China. Deze twee rode grootmachten wedijverden om het leiderschap in het communistische kamp; een nogal merkwaardige uiting van het revolutionaire ideaal ‘Arbeiders aller landen, verenigt u!’ Desondanks wist een groep Cubaanse revolutionairen, juist dankzij deze onderlinge verdeeldheid in het rode kamp, haar eigen revolutie te beschermen tegen de (para)militaire- en economische kracht van de Verenigde Staten.

Om het een en ander inzichtelijk te maken, zal worden getracht een globaal beeld te geven van de verhouding tussen de Volksrepubliek China en de Sovjet-Unie. In het bijzonder de wens van Mao Zedong om de Sovjet-Unie voorbij te streven als zelfverklaarde uitvalsbasis van de wereldrevolutie verdient hier onze aandacht. Verderop in dit artikel zal worden gekeken naar de wijze waarop de Cubaanse revolutionairen, juist dankzij deze onderlinge verdeeldheid in het rode kamp, in het zadel konden blijven.

 

Spanningen in het Oosten

De interne strubbelingen in de communistische wereld bleven niet beperkt tot ‘disciplinaire acties’ van de Sovjet-Unie tegen haar satellieten, zoals het neerslaan van de Hongaarse opstand in 1956 of de Praagse Lente van 1968, maar namen in 1969 zelfs de vorm aan van een gewapend grensconflict tussen de twee grootmachten van de communistische wereld: de Sovjet-Unie en de Volksrepubliek China. Gevechten tussen het Chinese Volksleger en Sovjettroepen in de Xinijang- en Zhenbao- regio’s, tussen maart en augustus 1969, kostten aan tientallen militairen het leven, en maakten op niet mis te verstane wijze aan het Westen duidelijk dat van één ‘rood gevaar’ geen sprake kon zijn. De Chinezen en de Sovjets hielden er ieder duidelijk een eigen beleid en een eigen benadering van ‘de revolutie’ op na.

Het grensconflict van 1969 stond natuurlijk niet los van eerdere ontwikkelingen tussen de twee rode grootmachten, maar illustreert wel duidelijk het sluimerende conflict dat tijdens de Koude Oorlog woedde tussen de Chinese Volksrepubliek en de Sovjet-Unie. Binnen de communistische wereld was een ideologische breuklijn ontstaan tussen het ‘Westerse’ Marxistisch Leninisme van Moskou en het ‘Aziatische’ Maoïsme gebaseerd op de leer van de Chinese leider Mao Zedong. Hierbij trachtten beide partijen de enige juiste interpretatie en toepassing van de geschriften van Karl Marx te claimen om zichzelf de leidende rol in de internationale communistische beweging te kunnen toe-eigenen, met alle prestige van dien. Deze (ideologische) spanningen tussen de twee communistische grootmachten zijn bekend komen te staan als het Rode Schisma.

 

‘Internationale solidariteit’ in het Rode Schisma?

Opvallend is dat de Chinezen en de Sovjets probeerden elkaar de loef af te steken als ideologische en materiële pleitbezorger voor tal van onafhankelijkheidsbewegingen en revolutionaire groeperingen in de derde wereld, in de hoop zo deze bewegingen ideologisch in de eigen ideologische agenda te passen. Dit gebeurde zowel om de pr-waarde, het vervullen van een voortrekkersrol op weg naar de socialistische utopie, als om de meer pragmatische reden om op de langere termijn nieuwe ‘bondgenoten’ als clientèle binnen te halen en de eigen invloedssfeer te vergroten. Zo bezien kan bijvoorbeeld ook de Chinese steun aan de Vietnamese onafhankelijkheidsbeweging in haar strijd tegen de Franse overheersing van dat land tussen 1949 en 1954 worden geïnterpreteerd.

Hoewel gecamoufleerd door de ogenschijnlijke internationale solidariteit, waren de Chinezen in de eerste decennia na hun revolutie van 1949 vooral uit op het verbeteren van hun eigen positie in het internationale krachtenveld. Om de eigen positie binnen het rode kamp te versterken, door op te treden als suikeroom van allerhande communistische bevrijdingsbewegingen, en door de schijn van ideologische gedrevenheid te wekken wilde Mao legitimiteit winnen. ‘Het voorlopige doel, zo vertelde Mao zijn intimi begin 1960, was in de hele wereld ‘het denken van Mao Zedong ( het Maoïsme) te propageren’’, laat Jung Chang ons in zijn biografie van de ‘grote roerganger’ weten.[1] Dat ‘het voorlopige doel’ alle middelen heiligde werd op pijnlijke wijze duidelijk toen bleek dat op Mao’s bevel miljoenen tonnen rijst werden geëxporteerd naar ‘hulpbehoevende’ socialistische staten, terwijl ontelbare Chinezen omkomen van de honger. Dit kan deels in deze context worden uitgelegd als een noodzakelijke ‘inhaalslag’ van het Maoïsme, dat toch zo’n drie decennia achterliep op de Sovjet-Unie en daardoor extra moeite moest doen om deze te evenaren of voorbij te streven.

Daarbij verkeerde Mao’s Volksrepubliek, al vanaf sinds het moment waarop zij is uitgeroepen, in een diplomatiek isolement. De Volksrepubliek had nauwelijks formele diplomatieke betrekkingen met andere staten en de Chinese zetel in de VN werd bezet gehouden door de naar Taiwan uitgeweken regering van Chiang Kai-Shek. Een allesbehalve gunstige uitvalspositie voor de ambities van Mao, die ijverig zocht naar kanalen om zijn diplomatieke invloed te vergroten.

Gezien de vaak zware omstandigheden waaronder de eerder genoemde ‘bevrijdingsbewegingen’ moesten opereren, kan goed worden begrepen dat zij zich graag lieten sponsoren met steun en advies van de Chinezen of Sovjets en dat zij zo de politieke consequenties daarvan op de koop toe namen: want wiens brood men eet… Een korte analyse van de verschillende ‘bevrijdingsoorlogen’ en revolutionaire guerrilla’s in de loop van de twintigste eeuw, wijst uit dat het hebben van een internationale ‘lifeline[2] van essentieel belang was in het geval van een asymmetrisch conflict met een veel sterkere tegenstander zoals een koloniale overheerser of de reguliere strijdkrachten van een gevestigd regime.[3] Ter illustratie: ook Mao zelf had aanvankelijk, uit pragmatische overwegingen, hulp van de Sovjets aanvaard om zijn Volksrepubliek te consolideren.

 

Niet rood, maar olijfgroen!

Een ietwat afwijkend pad werd afgelegd door het regime van de Cubaanse revolutionair Fidel Castro, die in 1959 het Caribische eiland ‘bevrijdde’ van de dictator Fulgencio Batista en de zogenoemde ‘olijfgroene-revolutie’ uitriep. De beweging van Castro was er, na een lange guerrillastrijd op het platteland en in de Cubaanse Sierra’s, zonder buitenlandse hulp in geslaagd om het regime van Batista omver te werpen. Zodoende had de Cubaanse revolutie zich niet op voorhand gelieerd aan één van de twee rode grootmachten, terwijl de revolutie zich wel sterk kantte tegen de belangrijkste ideologische tegenstander van het rode kamp: de Verenigde Staten van Amerika.

Castro en de zijnen zagen echter al snel in dat het onbegonnen werk zou zijn om ‘hun revolutie’ eigenhandig te verdedigen tegen de militaire macht van de VS. Verschillende incidenten, met de mislukte invasie in de Varkensbaai van 17 april 1961 als hoogtepunt, hadden uitgewezen dat ‘de revolutie’ gewapenderhand zou moeten worden verdedigd. Washington trachtte de revolutie immers gewapenderhand de kop in te drukken en zou daarom met gelijke munt moeten worden terugbetaald. Niet ten onrechte hielden Castro en zijn revolutionaire kabinet rekening met een herhaling van het Varkensbaaiscenario, of zelfs een openlijke militaire interventie door de Verenigde Staten op Cuba: een dreiging waaraan de revolutionaire Cubaanse strijdkrachten zelfstandig onmogelijk het hoofd zouden kunnen bieden.

 

Toenadering tot het rode kamp

Buiten verschillende (para)militaire acties voerden de Amerikanen ook de diplomatieke druk op door te dreigen met een suikerquotum. De VS probeerden hiermee Cuba, dat financieel afhankelijk was van zijn suikerexport naar de VS, economisch te isoleren.[4] Door jaren van blinde oriëntatie op de afzetmarkt in de VS en de invloed van Amerikaanse multinationale bedrijven, was de Cubaanse landbouw hoofdzakelijk gericht op de suikercultuur. Daardoor was het eiland voor een belangrijk deel van haar primaire levensbehoeften afhankelijk geworden van import uit de VS, die Cuba met een boycot van Cubaanse suiker in een wurggreep hielden. Geconfronteerd met de militaire en economische macht van de VS zagen de Cubaanse revolutionairen zich genoodzaakt op zoek te gaan naar een buitenlandse beschermer en alternatieve handelspartner. Deze zou als ‘grote broer’ de VS, meer specifiek de CIA, ervan kunnen weerhouden de Cubaanse revolutie de kop in te drukken zoals in 1954 ook in Guatemala was gebeurd.[5]

Die buitenlandse beschermer werd niet onlogisch gezocht in het communistische kamp; de ideologische tegenhanger van het ‘Yankee-imperialisme’. Zowel de Sovjets als de Chinezen hadden zich sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog al verschillende malen formeel en informeel bemoeid met het lot van diverse ‘bevrijdingsbewegingen’ en antikoloniale oorlogen zoals in Algerije, Korea en Vietnam. Hierdoor konden de verwachtingen van de Cubanen voor vergaande ondersteuning van de Cubaanse zaak worden verklaard. De vraag voor Castro’s revolutionaire regime was dan alleen: welke van de twee rode kemphanen te benaderen?

 

Ché Guevara en Mao Zedong

Vanuit Ideologisch perspectief kunnen een hoop parallellen worden getrokken tussen de olijfgroene Cubaanse revolutie en het Maoïstische model. Castro’s medestrijder en modelrevolutionair, Ernesto ‘Ché’ Guevara, deed achteraf verslag de ‘Revolutionaire Oorlog’ in zijn boek Pasajes de la Guerra Revolucionaria. [6] De door Guevara beschreven tactieken, in het bijzonder de tactiek van het creëren van bevrijde revolutionaire zones, en het agrarische karakter van de Cubaanse samenleving, roepen sterke associaties op met Mao’s beroemde geschriften over guerrillaoorlogsvoering uit 1937. Deze overeenkomsten wekken toch enige suggesties over de ideologische oriëntatie van de leiders van de Cubaanse revolutie, al blijft er veel twijfel bestaan over de aanvankelijke ideologische inslag van die revolutie zelf. Verschillende medestrijders van Castro hebben achteraf kenbaar gemaakt beslist niet door socialistische ideologie gemotiveerd de wapenen te hebben opgenomen – terwijl anderen, zoals de zelfverklaarde marxist en Mao-enthousiasteling Guevara, nooit hebben geprobeerd hun ideologische achtergrond te verhullen.

 

‘Koehandel’

Al in het najaar van 1960, dus voor de ‘Amerikaanse’ inval in de Varkensbaai, stuurde Fidel Castro diezelfde Ché Guevara als vertegenwoordiger van het revolutionaire Cuba naar de Volksrepubliek China. Guevara was tegen die tijd benoemd tot Revolutionair Minister van Industrie. Het doel van de reis was het verkopen van Cubaanse suiker aan de Chinezen en het loskrijgen van financiële, materiële en militaire steun van de Volksrepubliek. Tegelijkertijd stuurde Fidel ook vertegenwoordigers naar de Sovjet-Unie met exact dezelfde missie. Omdat de Sovjets en de Chinezen ten opzichte van de Cubanen niet voor elkaar wilden onderdoen, betaalden beide partijen een kunstmatig hoge prijs voor de Cubaanse suikeroogst, uit zogenaamde solidariteit.

Tijdens de onderhandelingen over deze suikerdeal ging Guevara bijzonder sluw te werk. Guevara wist zijn onderhandelingspartner, de Chinese premier Zhou-Enlai, uit de tent te lokken door gegevens te verstrekken over een kort daarvoor gesloten Russisch-Cubaanse suikerdeal. Het resultaat: in plaats van een eerder besproken order van 550.000 ton beloofde de Chinese premier 1 miljoen ton Cubaanse suiker af te nemen tegen een voor de Cubanen bijzonder gunstig, maar niet marktconform tarief, dat ook de Russen hadden beloofd te betalen voor de Cubaanse suiker. De prijs voor solidariteit? Het was in ieder geval de prijs die moest worden betaald om niet voor de Sovjets onder te hoeven doen en de Cubanen te imponeren. De laatste konden zich in de handen knijpen van geluk omdat de Chinezen hadden toegehapt.

Het voorbeeld van de suikerdeal lijkt exemplarisch voor de driehoeksverhouding Moskou- Havana- Peking. Zo suggereert Guevara biograaf Lee Anderson dat Fidel en Ché structureel hebben geprobeerd om de Sovjets en de Chinezen tegen elkaar uit te spelen, om zo veel mogelijk hulp voor Cuba binnen te slepen.[7] Want iedere nieuwe bondgenoot van de Chinezen zou ten koste van de geloofwaardigheid van de Sovjets gaan, en vice versa.

 

Cubaanse raketcrisis

Enige jaren later, tijdens de Cubaanse Raketcrisis van 1962, zien we dat Castro’s Cuba militaire assistentie ontving vanuit de Sovjet-Unie om zijn revolutie tegen Amerikaanse agressie te kunnen verdedigen; en deed de Cubaanse bevolking zich tegoed aan Chinese rijst terwijl tegelijkertijd miljoenen Chinezen omkwamen van de honger tijdens de Grote Sprong Voorwaarts. De gevolgen voor Castro waren dat Russische troepen op Cuba worden gestationeerd en de Cubaanse economie afhankelijk raakte van buitenlandse ontwikkelingshulp.

Geopolitiek bezien vormde Cuba voor de Sovjets een ideale uitvalsbasis om met middellangeafstandsraketten het Amerikaanse vasteland te bedreigen. Zo trachtten de Sovjets een antwoord te bieden op de dreiging van Amerikaanse intercontinentale wapens die steden in de gehele Sovjet-Unie bedreigden. De Sovjets overwogen in het najaar van 1962 ook om tactische kernwapens en bommenwerpers naar Cuba te sturen, om deze strategische kernwapens te beschermen. Hierdoor zouden de Cubanen, indirect, de beschikking krijgen over de juiste middelen om een grootschalige militaire interventie door de VS te kunnen pareren. Zover zou het uiteindelijk niet komen, maar de diplomatieke druk van de Sovjet-Unie maakte wel dat Washington uiteindelijk afzag van verdere (para)militaire acties tegen het regime van Fidel Castro.

Tegelijkertijd kon Mao Zedong zich presenteren als de man die Cuba hielp ontsnappen aan een hongersnood, door het van import afhankelijke eiland te voorzien van rijst. Bovendien wist Mao, middels een publicatie in de officiële staatskrant van de Volksrepubliek, de schijn van Internationale Rode solidariteit te wekken. Zo verklaarde de Chinese Staatskrant dat ‘650 000 000 Chinezen klaar staan om de Cubaanse revolutie te verdedigen’. Daarmee droegen ook de Chinezen hun steentje bij aan de in rap tempo oplopende spanningen tussen ‘oost’ en ‘west’ . Een interessant detail in deze zaak is het feit dat Mao, na afloop van de Cubaanse raketcrisis, de Russische leider Nikita Chroestjov publiekelijk verweet de Cubanen te hebben verraden door toe te geven aan Amerikaanse druk. Daarmee werd de afhandeling van de raketcrisis een nieuw twistpunt in het sluimerende conflict tussen de Sovjets en de Chinezen.

 

Besluit

Wat als een paal boven water lijkt te staan is dat de assistentie van Moskou en Peking aan Havanna niet enkel voortkwam uit revolutionaire solidariteit, maar vooral uit pragmatische politieke en prestigieuze overwegingen. Het regime van Fidel Castro spon garen bij de verdeeldheid tussen de Sovjet-Unie en de Chinese Volksrepubliek. Door handig in te spelen op die onderlinge verdeeldheid wist het regime van Castro militaire assistentie van de Sovjets te winnen, waardoor de VS afzagen van verdere (para)militaire interventies op Cuba. Tegelijkertijd kon met Chinees geld en assistentie een begin worden gemaakt met de industrialisatie van het eiland en werd met Chinese rijstleveranties de van import afhankelijke bevolking gevoed. Zodoende werd op Cuba een hongersnood voorkomen, en daarmee een mogelijke voedingsboden voor antirevolutionaire sentimenten afgewend. Daartegenover kan worden betoogd dat de toenadering tot de communistische mogendheden op den duur zou leidden tot een paradoxale afhankelijkheid van het Rode Kamp, terwijl Castro’s revolutie juist een eind had willen maken aan de overheersing van Cuba door vreemde mogendheden, en in het bijzonder de VS.

LEES HIER DE SCRIPTIE WAAR DEZE LONGREAD OP GEBASEERD IS.

WIL JIJ OOK JE SCRIPTIE PUBLICEREN EN EEN LONGREAD SCHRIJVEN? STUUR DAN NU JE STUK OP.

 

NOTEN

[1]. Chang & J. Halliday, Mao. Het onbekende verhaal (Amsterdam 2005), 588.

[2] Ter illustratie kan hier worden gewezen op het belang van de de ‘Ho-Chi-Min Route’ voor de Vietcong/Vietminh.

[3] J. P. Cann, ‘Low-intensity conflict, insurgency, terrorism and revolutionary war’, in M. Huges & W. J. Philpott, Modern military history (New York 2006).

[4] J. Villa, de & J. Neubauer, Fidel Castro, 127.

[5] L. Delputte, Cuba na Castro. Een eiland in omwenteling (Amsterdam/Antwerpen 2009), 62.

[6] Ernesto ‘Ché’ Guevara, Pasajes de la Guerra Revolucionaria (Havanna 2006), vertaald naar het Nederlands onder de titel De Argentijn. Herinneringen aan de Cubaanse Revolutionaire Oorlog (Breda 2008).

[7] J.L. Anderson, Che Guevara. A Revolutionary life (London 1997), 490.

About the author:

Back to Top