Longread: Floortje Guijt, ‘Monsterlijke’ geboorten: Paracelsus en zijn Liber de Homunculis

Longread: Floortje Guijt, ‘Monsterlijke’ geboorten: Paracelsus en zijn Liber de Homunculis

Longread: Floortje Guijt, ‘Monsterlijke’ geboorten: Paracelsus en zijn Liber de Homunculis

Reacties uitgeschakeld voor Longread: Floortje Guijt, ‘Monsterlijke’ geboorten: Paracelsus en zijn Liber de Homunculis

In het jaar 1512, vlak na een bloedige veldslag tussen paus Julius II en Franse koning Lodewijk XII, werd er in het nabijgelegen stadje Ravenna een ‘monster’ geboren. Het nieuws over het misvormde kindje, hoogstwaarschijnlijk geboren met een zeldzame aangeboren afwijking, verspreidde zich vlot over Europa.

Al reizend verandert het verhaal: de twee beentjes worden één been, de ene afbeelding toont het kind met vleermuisvleugels waar een ander vogelachtige vleugels weergeeft. Het kind wordt in latere bronnen beschreven met een hoorn bovenop het menselijke hoofd, twee vleugels in plaats van armen, slechts één voet in de vorm van een klauw, een extra oog in het kniegewricht en zowel mannelijke als vrouwelijke genitaliën. Daarnaast bezit het kind volgens vele bronnen een kruisvormig merkteken op de borst. Op bevel van de paus laat men het wezentje verhongeren, maar afbeeldingen en schilderijen van het monster blijven circuleren door heel Europa.

Het Monster van Ravenna sprak tot de verbeelding van de zestiende-eeuwse mens. De geboorte zorgde voor een golf van reacties, variërend van ontzag tot angst en afkeer. Daarnaast ontstond een sterkere drang om het proces van conceptie te doorgronden en te bevatten waar deze monsters vandaan kwamen. Waren deze wezentjes een teken van God, een gevolg van hekserij, of bestond er een natuurlijke verklaring voor hun bestaan?

Over de vraag hoe de menselijke reproductie werkt, wordt al eeuwen gediscussieerd. De oudste gedetailleerde tekst met embryologische kennis komt uit de vijfde eeuw voor Christus en wordt geassocieerd met de Griekse arts Hippocrates. Deze kennis wordt voornamelijk beschreven vanuit verloskundig perspectief en heeft nog weinig te maken met ‘algemene’ biologie. Pas met Aristoteles (382-322 v. Chr.) komt biologie op als een onderwerp van onderzoek. Er bestaat geen twijfel dat Aristoteles veel praktisch onderzoek deed naar reproductie en het leven; de verhalen over de ontleding van dieren en ongeboren foetussen daarover spreken boekdelen. We mogen ook de invloed van Galenus van Pergamos (129 – c.201/216) niet onderschatten. Zijn volumineuze werken bevatten een groot deel van de medische kennis van de Oudheid en zouden deze door gaan geven aan de wetenschappers van de middeleeuwen.

Eén van deze middeleeuwse wetenschappers was Phillipus Aureolus Theophrastus Bombastus van Hohenheim, beter bekend als Paracelsus. Deze arts, geboren in 1493, heeft ons een schat aan manuscripten en talloze sterke verhalen over zijn leven nagelaten. Zijn literaire werk was controversieel en zijn anti-intellectuele houding schoot veel tijdgenoten in het verkeerde keelgat. Hij bespotte de kennis van de grote namen uit de Oudheid en verkoos een meer experimentele benadering van de geneeskunde. Deze handelswijze resulteerde in een serie zeer effectieve geneesmethoden, maar ook de haat en afgunst van andere artsen uit zijn tijd.

In mijn scriptie heb ik een van Paracelsus’ teksten, de Liber de Homunculis, binnen het middeleeuws (natuur-) wetenschappelijke en filosofische vertoog geplaatst. In deze tekst is een aantal belangrijke thema´s aan te wijzen: reproductie, monsters en de ziel. De middeleeuwse visie op deze (en andere) onderwerpen was sterk beïnvloed door de beschikbare kennis uit de Oudheid, en dan voornamelijk door de werken van Aristoteles. Als belangrijkste bron van kennis vormden zijn beschikbare teksten de kern van het curriculum aan de universiteiten. De verschillende thema’s binnen de Liber de Homunculis geven zicht op hoe Paracelsus omging met – en zich verzette tegen – de heersende middeleeuwse visies over deze onderwerpen. Het thema van ‘monsterlijke’ geboorten is slechts één van deze onderwerpen. In deze longread wil ik behandelen in hoeverre de analyse van Paracelsus over dit onderwerp overeenkwam met gelijktijdige interpretaties van het Monster van Ravenna en dergelijke monsters. Om dit te illustreren ga ik kort in op de middeleeuwse visie op menselijke conceptie en de monsters die hieruit konden voortkomen. Eerst introduceer ik de traditionele visie op conceptie door kort in te gaan op de theorieën van Aristoteles en Galenus. Hierna weid ik uit over de heersende ideeën over monsters en afwijkende geboorten. Dit wordt gevolgd door een uitleg van Paracelsus’ visie op deze onderwerpen, gebaseerd op mijn bevindingen uit de Liber de Homunculis.

 

Mensen en monsters in de late middeleeuwen

De middeleeuwse Europeaan associeerde natuurlijke wonderen voornamelijk met de grenzen van de bekende wereld. In deze gebieden zouden bijzondere, exotische rassen bestaan die qua uiterlijk en gewoonten zeer verschilden van de mens. In de twaalfde eeuw werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen deze exotische rassen en monsterlijke individuen. Dit onderscheid berustte op de aanname dat de natuur voorspelbaar was; onder normale omstandigheden weerspiegelde de fysieke wereld de natuurlijke orde waarin oorzaak en gevolg overheersten. Een compleet ras van afwijkende wezens was een bijzonder verschijnsel, maar was goed te verklaren volgens de wetten der natuur. Een afwijkend en uniek individu viel juist op omdat deze afweek van de norm. Inmenging van God en andere bovennatuurlijke machten waren hier, volgens de middeleeuwse geest, de aangewezen oorzaak voor. Vanaf 1500 lijkt er een verschuiving in interesse plaats te vinden van de exotische rassen aan de randen van de wereld naar de monsterlijke individuen in de eigen samenleving.

Bijbelse monsters hadden een sterke invloed op hoe monsterlijke geboorten in de middeleeuwen werden geïnterpreteerd. Deze Bijbelse wezens waren lopende allegorieën, waarbij elk fysiek attribuut een profetische waarde had. Religieuze interpretatie van monsterlijke geboorten werd mede hierdoor aangewakkerd, maar er bleef ruimte voor wetenschappelijke verklaringen vanuit de natuurfilosofische hoek. De monsters werden vaak gezien als waarschuwing aan de samenleving, gezonden door God vanuit een paradoxale genade wanneer Hij de mensen moest straffen voor hun collectieve zonden. In de late vijftiende eeuw, voorafgaand aan de Reformatie, waren de monsterlijke geboorten een teken van morele tekortkomingen, zowel voor het individu als de maatschappij. Deze werden gereflecteerd in natuurlijke afwijkingen en misvormingen en werden in toenemende mate gekoppeld aan religieuze of politieke gebeurtenissen. Er werd vanaf de late vijftiende eeuw steeds harder gezocht naar een antwoord op de vraag waarom kinderen met aangeboren afwijkingen bijvoorbeeld zo ‘misvormd’ ter wereld kwamen. Ambroise Paré, een Franse arts en chirurg uit de vroege zestiende eeuw, maakte een lijst waarin onder andere de invloed van God, de kwaliteit van het zaad en de invloed van de moeder werden genoemd. Het eerder genoemde Monster van Ravenna werd op verschillende manieren verklaard. Het kind zou zijn geboren aan een non en een frater, wat betekent dat het kind in zonde was verwekt. De monsterlijkheid kan verklaard worden als een gevolg van deze zondige daad. Daarnaast werd het kind ook gezien als goddelijke straf voor de zonden van de mensheid; de oorlog die vooraf ging aan de geboorte van het monster moet de woede van God hebben afgeroepen.

 

Conceptie en de kracht van het zaad

De traditionele visies op conceptie waren sterk gebaseerd op de kennis uit de Oudheid. Er zijn twee categorieën te onderscheiden: de Aristotelische visie, en de visie van Hippocrates en Galenus van Pergamos. Galenus was overtuigd van het bestaan van het vrouwelijk zaad, dat een (beperkt) vormend vermogen bezat en dat gecombineerd moest worden met het mannelijk zaad om conceptie te laten plaatsvinden.[1] Hij leidde dit af uit de aanwezigheid van de eierstokken, die werden gezien als testes, en het feit dat kinderen vaak in enige mate op de moeder lijken. Desondanks schreef hij, net als Aristoteles, enorme vormende krachten toe aan het mannelijk zaad.[2]

Aristoteles ontkende het bestaan van het vrouwelijk zaad met het argument dat de natuur van de vrouw te zwak was om daadwerkelijk zaad te vormen. Aristoteles stelt dat het mannelijke zaad de vorm van het embryo aanlevert, terwijl de vrouw zorgt voor de materie in de vorm van menstruum, of menstruatiebloed.[3] Hij ‘bewijst’ deze visie als volgt. Wanneer beide partijen zowel materie als vorm zouden aanleveren, zou een van de twee partijen overbodig zijn; er is namelijk maar één stimulus nodig om materie en vorm te doen samenkomen. De aanwezigheid van vrouwelijk zaad zou in dat geval al genoeg moeten zijn om het menstruum te activeren, met een vorm van parthenogenesis als gevolg. Deze reductio ad absurdum was voldoende om menig geleerde te overtuigen van de juistheid van Aristoteles filosofie.[4] Het mannelijke aspect wordt door Aristoteles beschouwd als actief en essentieel, terwijl de vrouw enkel passief bijdraagt aan de conceptie. Zij levert het materiaal, wat vervolgens door de hitte in het mannelijke zaad tot embryo wordt gevormd. Aristoteles verklaarde de gelijkenis tussen moeder en kind door te stellen dat het menstruum zich kon ‘verzetten’ tegen de invloed van het mannelijk zaad. Het geslacht van de foetus wordt bepaald door de dominantie van het mannelijk zaad over de materie van het menstruum. Wanneer deze materie zich te veel verzet, kan het mannelijk zaad niet voldoende invloed uitoefenen en vormt zich een vrouwelijke foetus; een mas occasionatus, ofwel een imperfecte man.

Deze visies vormden de basis waarop de middeleeuwse kennis werd opgebouwd. Er was binnen deze wetenschap echter geen sterke verklaring voor de gebeurtenissen die sterk afweken van de norm. Afwijkingen of imperfecties konden volgens Aristoteles verschillende oorzaken hebben. Het kon aan het menstruum liggen, dat door gebrek of overdaad aan materie een tekort of overschot aan ledematen kon veroorzaken. Ook kon de vormende functie van de baarmoeder of het zaad belemmerd worden door externe invloeden, zoals het dieet van de moeder of de invloed van de sterren.[5] Als laatste werd de verbeelding van de moeder genoemd als mogelijke oorzaak van misvormde of afwijkende geboorten. Deze theorie, die door Hippocrates al werd beschreven, stelt dat monsterlijke geboorten het directe gevolg zijn van de mentale voorstellingen van de vrouw tijdens de conceptie en zwangerschap.[6] Sterke emoties, zoals verlangen of angst, maar ook mentale voorstellingen die zij maakt, laten hun sporen achter.

 

Paracelsus: een alchemische benadering van conceptie

Paracelsus’ werk heeft een duidelijk doel: het bevorderen van de ontwikkeling van de geneeskunde. Daarnaast schetst hij een duidelijk ideaal waar artsen naar zouden moeten streven.

Paracelsus is van mening dat geneeskunde in een breed perspectief moet worden gezien. Hij baseert zijn theorieën op het idee dat de mens verbonden is aan de natuur als geheel; het leven van de mens kan niet los worden gezien van het grotere plaatje. Het is de taak van de dokter om de patronen in de hemel, de patronen op aarde en de fysiologische patronen in de mens te onderzoeken en begrijpen.

Paracelsus’ theorieën over menselijke geboorte zijn sterk verstrengeld met zijn visies op geneeskunde en alchemie. De tweeledigheid van de mens, verankerd in zowel de natuurlijke en de spirituele wereld, is een bekend onderdeel van zijn theorieën. Vanuit dit idee deed Paracelsus een poging om conceptie en de wording van de mens te begrijpen en beschrijven. Hij stelde dat bepaalde aspecten van het menselijk lichaam natuurlijk waren, terwijl andere aspecten een goddelijke oorsprong hadden.[7] Hierbij benaderde hij het menselijk lichaam op eenzelfde manier als middeleeuwse alchemisten de transformatie van metalen beschreven; hij gebruikt een soort alchemie om het proces van conceptie uit te leggen. Overtuigd dat reproductie wordt geïnitieerd door God, plaatst Paracelsus het zaad van de mens in het liquor vitae, of levensvocht, in de menselijke geest. In latere teksten wordt het liquor vitae ook beschreven als vloeistof die in alle ledematen aanwezig is en geactiveerd wordt door het verlangen, waarna het zaad naar de baarmoeder getrokken wordt. Wanneer dit liquor vitae gestimuleerd en verhit wordt door verlangen, vindt er een transformatie plaats en wordt het imaginaire zaad gematerialiseerd tot een soort vloeistof en vervolgens tot een vaste stof.

In tegenstelling tot zijn tijdsgenoten besteedt Paracelsus veel aandacht aan de rol van de vrouw bij conceptie. Hierbij kijkt hij voornamelijk naar de baarmoeder, die hij een belangrijke rol toeschrijft. Het is niet enkel een passieve ontvanger voor het mannelijk sperma, maar een actieve ‘magneet’ die het zaad naar zich toe trekt. Daarnaast maakt Paracelsus de baarmoeder verantwoordelijk voor het ordenen van het reproductieve materiaal dat het aantrekt. Zijn ideeën rondom verwekking en monsterlijke geboorten veranderen sterk door de jaren heen, net als veel van zijn andere denkbeelden. Het feit dat hij zijn eigen uitspraken ondermijnt, soms zelfs binnen dezelfde tekst, is op te vatten als een teken dat Paracelsus zelf nog worstelde met de juiste interpretatie van zaad, conceptie en geboorte. Binnen zijn vroege werken over conceptie en menswording zijn er wel drie terugkerende thema’s te onderscheiden:

  1. God is betrokken bij reproductie, maar Paracelsus is inconsistent in welke mate en in welk stadium deze goddelijke interventie plaatsvindt.
  2. Paracelsus zet zich sterk af tegen de heersende tradities en hekelt zijn mede-geneesheren die ‘advies’ verkopen en op deze manier geld verdienen aan reproductie, een zaak waar ze geen invloed op kunnen uitoefenen.
  3. In sommige teksten zijn afwijkende geboorten het gevolg van het aantrekken van het verkeerde reproductieve materiaal door de baarmoeder, in andere gevallen suggereert Paracelsus dat ongezond of ziekelijk zaad zich mengt met het gezonde materiaal. In weer andere teksten heeft de verbeelding en leefwijze van de moeder invloed. De oorzaak van de afwijkingen worden uitgebreid onderzocht, maar hij komt niet tot een eenduidig antwoord.

 

De gevaren van de kracht van het zaad

Paracelsus ideeën over de vermogens van het menselijk zaad zijn, in tegenstelling tot andere thema’s in zijn teksten, enigszins consistent. In de Liber de Homunculis zien we de visie van Hippocrates en Galenus deels terug, maar Paracelsus gaat een stap verder door te stellen dat beide zaden zelfstandig tot homunculi, of mensachtige wezens, kunnen uitgroeien. Zolang het zaad zich in een geschikte omgeving bevindt, binnen of buiten het lichaam, zal het zich tot een ‘gewas’ ontkiemen en uitgroeien tot monster. Dit is een significante aanpassing van het oudere idee van de twee zaden, waarin beide zaden vereist zijn om nieuw leven te creëren. Het menselijk vermogen om nieuw leven te creëren en zich voort te planten wordt in de Liber de Homunculis geschetst als een last en een gevaar. Elke vorm van lust resulteert in het genereren van levensvatbaar zaad dat, wanneer er incorrect mee wordt omgesprongen, de potentie heeft om uit te groeien tot een monster of een ‘homunculus’. Paracelsus dicht grootse krachten toe aan dit zaad; het kan zich, bij zowel man als vrouw, zelfstandig en zonder enige extra stimulus vormen tot een monster. Dit is exact het reductio ad absurdum dat in de voorgaande eeuwen menig geleerde had overtuigd van de juistheid van Aristoteles’ theorie, waarin deze vorm van parthenogenesis als onmogelijk werd beschouwd. Paracelsus beschouwt dit niet enkel als een mogelijkheid, maar benoemt het als onvermijdelijk gevolg van het verkeerd omspringen met lust en zaad. Op alle plaatsen, binnen én buiten het lichaam, waar men dit zaad laat rusten, heeft het de kans om een (mensachtig) monster te vormen.

Het is volgens Paracelsus gevaarlijk om het opgewekte zaad zomaar uit het lichaam te laten; als er niet voorzichtig mee wordt omgesprongen kan dit de verwekking van monsters tot gevolg hebben. De levensverwekkende kracht van sperma is zo groot dat het zelfs wanneer het uitgedroogd is, het nog steeds een gewas of monster kan creëren als het in aanraking komt met een Digestif zoals de aarde. Paracelsus stelt dat het binnenhouden van het zaad echter ook gevaarlijk is. Dit zou voornamelijk bij vrouwen voorkomen; lust wekt de generatie van zaad op en een deel hiervan nestelt zich in het moederweefsel, ofwel de baarmoeder. Het bevindt zich hier wel op de juiste plek, maar het mist het mannelijke zaad, met misgeboorten en ziektes als gevolg. Bij mannen vindt een vergelijkbaar proces plaats. Zaad dat men binnenhoudt, zal intern ontbinden en in zijn eigen warmte tot een ‘gewas’ ontkiemen. Zo vormen zich hompjes vlees binnen in het lichaam en ontstaan er ziektes.

Ondanks alle gevaren die bij lust en de generatie van zaad komen kijken, keurt Paracelsus het af dat mensen maagd willen blijven. Hij stelt dat Christus geen maagden wil die hij niet zelf heeft uitverkoren tot dat lot, omdat enkel deze uitverkorenen hem trouw kunnen zijn. Wanneer men zelf met geweld kuisheid wil bewaren, dan rest er voor de mannen enkel de optie om ‘de bron af te graven’, ofwel om zich te laten castreren. Paracelsus suggereert hier dat castratie de enige manier is waarop de man waarlijk kuis kan blijven; zo kan er namelijk geen zaad meer gegenereerd worden en zijn er geen gevaren. De andere mogelijkheid om veilig met zaad om te gaan is het huwelijk, zodat het niet op een andere plaats dan het moederweefsel terecht komt. Voor vrouwen is castratie niet mogelijk; voor hen is het huwelijk de enige optie om te garanderen dat hun zaad geen ongewenste monsters genereert, aldus Paracelsus.

 

Conclusie

De middeleeuwse verklaringen voor monsterlijke geboorten en misvormde kinderen lopen sterk uiteen. Zowel de natuurlijke verklaringen, gebaseerd op de kennis uit de Oudheid, en de religieuze verklaringen hadden een plaats in de discussie over de herkomst van deze monsters. Daarnaast waren er mensen zoals Paracelsus, die zich verzetten tegen de oude kennis en een eigen poging waagden tot het verklaren van deze ingewikkelde processen. Hij bracht nieuwe ideeën naar voren, paste naar eigen inzicht oude theorieën aan, maar bleef ondanks zijn strijd tegen de traditionele visie toch een kind van zijn tijd. Wat de onderwerpen van conceptie en monsters betreft, propageert Paracelsus een radicale visie die in zijn tijd ongeëvenaard was. Hij verwerpt grotendeels de inbreng van God en verkiest een meer natuurlijke verklaring voor de geboorte van monsters. Hij bouwt hier voort op een oudere theorie over de vermogens van zaad maar maakt deze krachten zo groot en onbeheersbaar dat enkel drastische maatregelen een vorm van controle bieden. Zonder deze maatregelen is het ontstaan van monsters en homunculi volgens Paracelsus onvermijdelijk.

 

LEES HIER DE SCRIPTIE WAAR DEZE LONGREAD OP GEBASEERD IS.

WIL JIJ OOK JE SCRIPTIE PUBLICEREN EN EEN LONGREAD SCHRIJVEN? STUUR DAN NU JE STUK OP.

NOTEN:

[1] M.A. Hewson, Giles of Rome and the medieval theory of conception (Londen, 1975), 68.

[2] J. Needham, A history of embryology (Cambridge 1934), 52: “The seed having been cast into the womb or into the earth–for there is no difference– then after a certain definite period a great number of parts become constituted in the substance which is being generated.”

[3] Needham, A history of embryology, 21; D.C. Lindberg, The beginnings of western science. The European scientific tradition in philosophical, religious, and institutional context, prehistory to A.D. 1450 (Chicago 2007), 63.

[4] Een reductio ad absurdum is een vorm van argumentatie waarbij een bewering als correct wordt bevonden door te wijzen op de absurde gevolgen als deze incorrect was, of vice versa.

[5] Hewson, Giles of Rome, 192.

[6] T. Thanem, The monstrous organization (Cheltenham 2011), 59; L.J. Kilmayer, ‘Toward a medicine of the imagination’, in: New Literary History, vol 37:3 (2006), 585; W. Doniger & G. Spinner, ‘Misconceptions: female imaginations and male fantasies in parental imprinting’, in: Daedalus, vol 127:1 (1998), 97; M.-H. Huet, Monstrous imagination (Harvard 1993), 1; Paré, On Monsters and Marvels, 3.

[7] A.E. Cislo, Paracelsus’s theory of Embodiment: Conception and Gestation in Early Modern Europe (Londen 2010), 13.

About the author:

Back to Top