Longread: Pieter Oudshoorn, Prijsinformatie. Vroege overheidsambities voor de consument

Longread: Pieter Oudshoorn, Prijsinformatie. Vroege overheidsambities voor de consument

Longread: Pieter Oudshoorn, Prijsinformatie. Vroege overheidsambities voor de consument

Reacties uitgeschakeld voor Longread: Pieter Oudshoorn, Prijsinformatie. Vroege overheidsambities voor de consument

Ondoorzichtige prijsinformatie zorgt voor problemen, met name in de dienstensector. Bijvoorbeeld bij het boeken van vliegtickets en andere vakantieproducten blijkt dat deze diensten vaak niet zijn af te nemen voor de prijs waarmee wordt geadverteerd. De prijs is, naast de kwaliteit, één van de belangrijkste aspecten voor de consument bij de keuze voor een product of dienst. Tegenwoordig is het heel normaal dat bij de producten in de winkels een prijs staat aangegeven. Vrijwel alle producten die voor de verkoop worden aangeboden aan consumenten, moeten van een prijsaanduiding (inclusief btw) zijn voorzien.[1] Deze verplichting heeft de markt voor de consument doorzichtiger gemaakt.

De Autoriteit Consument Markt (ACM) en de Reclame Code Commissie (RCC) treden nu vooral op tegen misleidende vormen van prijsaanduiding. De verplichte prijsaanduiding heeft echter niet altijd gegolden en is via een langdurig besluitvormingsproces tot stand gekomen. Hoe en waarom is de prijsaanduiding tot stand gekomen? En op welke gebieden kan de prijsaanduiding nog verbeterd worden? Om deze vragen te kunnen beantwoorden, zal in het vervolg de ontwikkeling van de prijsaanduiding worden beschreven en zal bekeken worden in hoeverre de ondoorzichtigheid daadwerkelijk is teruggedrongen.

 

Van vaste naar vrije prijzen

Gedurende verschillende perioden in de twintigste eeuw heeft de overheid voor kortere of langere tijd over de bevoegdheid beschikt om in te grijpen in de prijsvorming. De acute schaarste als gevolg van de Tweede Wereldoorlog vereiste verstrekkende maatregelen op het gebied van de goederenvoorziening, waarbij een zo evenwichtig mogelijke prijsvorming essentieel was.[2] In een poging de levensmiddelen op een eerlijke manier over de bevolking te verdelen, waren deze producten (tot begin jaren vijftig) alleen op de bon verkrijgbaar.

Tijdens de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog werd een geleide loonpolitiek gevoerd in het streven naar volledige werkgelegenheid en een goede internationale concurrentiepositie. De regering wilde via ingrepen in de prijsvorming voorkomen dat loonstijgingen meteen in de prijzen zouden worden doorberekend, om het gevaar van een ‘loon- en prijsspiraal’ te beteugelen. Het ingrijpen in de prijsvorming werd vanaf dat moment gezien als een middel om de inflatie te beheersen en in te grijpen in de economische conjunctuur.

Het gevaar van de loon- en prijsspiraal deed de vraag rijzen of de overheid over de permanente bevoegdheid moest beschikken om in te grijpen in de prijsvorming. De overheid volgde het advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) over de prijsvorming van goederen en diensten. Er werd vooropgesteld dat “de vrije prijsvorming een essentiële functie in ons economische bestel vervult en dat ingrijpen van overheidswege in het vrije verkeer zoveel mogelijk moet worden vermeden. Er kunnen zich echter – ook wanneer er geen sprake is van buitengewone omstandigheden – op het gebied van de prijsvorming ontwikkelingen voordoen, die uit het oogpunt van het algemeen belang als onaanvaardbaar moeten worden beschouwd. Met het oog hierop dient de overheid in staat te zijn, indien nodig, in de prijsvorming in te grijpen.” [3]

Hierop werd in 1961 de Prijzenwet ingevoerd. Deze wet kent aan de overheid de permanente bevoegdheid toe om in te grijpen in de prijsvorming van goederen en diensten als instrument van het conjunctuurbeleid. Vanaf dat moment werden er prijsbeschikkingen vastgesteld voor vrijwel alle goederen en diensten. Deze beschikkingen bestonden uit maximumprijzen of maximumprijsverhogingen of voorschriften betreffende het voeren van een administratie waaruit de vorming van de prijs blijkt.

Vervolgens waren er tot 1982 ononderbroken prijsbeschikkingen voor vrijwel alle goederen en diensten van kracht om deze verhogingen tegen te gaan. De Economische Controle Dienst zag toe op de handhaving van de beschikkingen. Door het nieuwe verschijnsel van de stagflatie werd ingrijpen in de prijzen als economisch noodzakelijk gezien. Levensmiddelen vormen hierop een uitzondering; die waren vanaf 1974 niet meer gebonden aan deze maximumprijsvoorschriften; in verband met de scherpere prijsconcurrentie en met de sterkere kostenontwikkeling dan in andere sectoren.[4]

Eind jaren zeventig begon er twijfel te ontstaan over de effectiviteit van de prijsbeheersing. In het kader van de deregulering, en de toenemende belangstelling voor de aanbodzijde van de economie, werd er daarom besloten met ingang van 1 januari 1984 geen algemene prijsbeschikking meer af te kondigen. Vanaf dat moment geldt er een systeem van vrije consumentenprijzen.[5] Het prijsbeleid heeft zijn oorspronkelijke vorm teruggekregen, waarbij de bevoegdheden van de Prijzenwet slechts als uiterste middel achter de hand worden gehouden.[6]

 

Een ondoorzichtige markt

Tot eind jaren veertig was het koopgedrag van de consument overzichtelijk en eenvoudig. Er waren maar weinig producten op de markt, die bovendien vaste prijzen hadden. Dat zou echter snel veranderden. Met het toenemen van de welvaart en de technologische vooruitgang kwamen er steeds meer nieuwe producten en nieuwe aanbieders; later werden ook de vaste prijzen losgelaten. Het werd daardoor voor de consument steeds moeilijker om de juiste keuzes te maken. De hiermee gepaard gaande ondoorzichtigheid van de markt was voor de nog jonge consumentenorganisaties, onder anderen de Consumentenbond, aanleiding om te pleiten voor een betere informatievoorziening. Het verbeteren van de prijsinformatie aan de consument werd daarom één van de eerste doelen van de overheid toen zij in de jaren zestig een speciaal consumentenbeleid begon te voeren.

 

Wettelijk verplichte prijsaanduiding

In navolging van de consumentenorganisaties, zag ook de overheid het belang van goede prijsinformatie aan de consument. Op grond van artikel 2.3 van de Prijzenwet 1961 kon de overheid voorschriften geven over het bekend maken van prijzen, waartegen goederen en diensten werden aangeboden. De eerste prijsaanduidingsbeschikking, die verplichtte tot het geven van een prijsaanduiding voor producten, volgde al in 1961. Deze verplichting gold met name voor levensmiddelen, veel andere producten waren toen nog vrijgesteld. Na een wijziging in 1965 vielen televisietoestellen bijvoorbeeld niet meer onder de uitzonderingen, omdat deze tot het normale gebruikspatroon waren gaan behoren.[7] De eerste (en wat later zou blijken, de enige) prijsaanduidingsbeschikking voor diensten kwam in 1969. Bij de controle op de naleving van de Prijzenbeschikking kappers bleek dat in een steeds groter aantal gevallen de gebruikelijke tarieflijst in de kapsalons ontbrak. Om prijsversluiering tegen te gaan werden de kappers verplicht hun prijzen bekend te maken.[8] Dit soort prijslijsten zijn jarenlang onderwerp van discussie geweest in de ambachtelijke dienstensector (bijvoorbeeld bij aannemers en loodgieters).

 

Wijziging Prijzenwet en pps

Omdat alleen een prijsaanduiding bij de producten de consument nog niet voldoende houvast bood, pleitten de consumentenorganisaties vanaf de jaren zestig ook voor een prijsaanduiding per standaardhoeveelheid (pps). Dit leidde ertoe dat het onderwerp in de jaren zeventig op de beleidsagenda van de overheid kwam, echter zonder veel resultaat. De SER achtte destijds een pps alleen bruikbaar voor homogene producten en producten waarvan de consument de kwaliteitsverschillen voldoende kent, zoals vlees en groente. Voor overige producten werden standaardisatie van verpakkingseenheden en hoeveelheidsaanduidingen aanbevolen.[9] Hoewel de pas gevormde CCA in 1967 adviseerde om bepaalde branches zelf een verbetering van de prijsaanduiding te laten bewerkstelligen, werden er op vrijwillige basis geen bevredigende afspraken gemaakt.[10]

Daarom besloot de staatssecretaris van Economische Zaken, in lijn met het standpunt van de CCA, om de bevoegdheid voor het opleggen van een verplichte pps via een wijziging van de Prijzenwet te creëren.[11] Vanaf dit moment konden bij algemene maatregel van bestuur voorschriften worden opgelegd voor het bekendmaken van prijzen van goederen per standaardhoeveelheid, bijvoorbeeld de prijs per kilo, per liter of per stuk, alsmede voor prijsaanduidingen van diensten. In 1980 trad eindelijk de gewijzigde Prijzenwet uit 1974 in werking.[12] Feitelijk was er echter in 1980 ten opzichte van de Prijsaanduidingsbeschikking van 1965 nog niet veel veranderd.

In 1986 wordt het Besluit prijsaanduiding goederen zodanig gewijzigd dat er vanaf dat moment een pps-aanduidingsverplichting geldt voor levensmiddelen die los of in variabele hoeveelheidsverpakkingen worden aangeboden.[13] In datzelfde jaar wordt vervolgens ook de Prijzenwet gewijzigd, zodat deze verplichting ook geldt voor reclames en catalogi over levensmiddelen.[14] Hierdoor staat tegenwoordig bij vrijwel alle levensmiddelen, bijvoorbeeld bij een pak melk of een pot pindakaas, een prijs per kilo vermeld.

 

Prijsaanduiding van diensten

De overheid en de consumentenorganisaties hadden als doel om alle aanbieders van diensten te verplichten tot een duidelijke prijsaanduiding. Met het Besluit prijsaanduiding goederen 1980 kwam er ook een wettelijke basis om voorschriften op te leggen, ten aanzien van de prijsaanduiding en specificatie van rekeningen voor aangeboden diensten. Het bleek echter niet mogelijk om een regeling te ontwerpen voor de prijsaanduiding en de specificatie van rekeningen voor de gehele dienstensector, omdat de aard van de diensten te veel verschilde. Hierdoor konden er geen algemene afspraken gemaakt worden over een algehele prijsaanduiding. De Commissie Prijsbekendmaking werd in 1979 om advies gevraagd over het voorstel voor een eerste wettelijke regeling voor een deel van de dienstensector, namelijk de ambachtelijke dienstverlening.[15]

De commissie stemde in met het voorstel om wettelijke regelingen te treffen op gebied van de prijsaanduiding en prijsspecificatie van standaardverrichtingen.[16] Over de wijze van prijsbekendmaking vooraf bestond wel verdeeldheid. De ondernemers achtten een prijsaanduiding in tariefboek voldoende, terwijl de overige leden pleitten voor een in het oog opvallende prijsaanduiding die vanaf de openbare weg zichtbaar was. De commissie bracht in 1983 ook nog advies uit over prijsaanduiding en specificatie van rekeningen in de verblijfsrecreatiesector en sprak zich uit voor een wettelijke regeling op dit gebied.[17]

Naar aanleiding van de verschillende dereguleringsrapporten besloot het Ministerie van Economische Zaken in 1983 echter dat een vrijwillige vorm van prijsaanduiding van diensten de voorkeur verdiende en gestimuleerd zou worden. De vrijwillige regelingen dienden tot stand te komen op initiatief van de betrokken bedrijfstakken en eventueel in overleg met de consumentenorganisaties. Het voornemen om algemene prijsaanduidingsvoorschriften voor diensten op te stellen, kwam hiermee in zijn geheel te vervallen. Uiteindelijk werd ook het enige prijsaanduidingsbesluit voor de dienstensector, de kappers, ingetrokken met de implementatie van de Europese dienstenrichtlijn in 2007.[18] Er zijn in bepaalde branches wel afspraken gemaakt in het voorwaardenoverleg over de prijsaanduiding in aangeboden offertes, maar niet over de generieke prijsaanduiding vooraf.

 

Europese richtlijnen

Ook op Europees niveau was de prijsinformatie één van de eerste consumentenonderwerpen. De betere prijsinformatie werd nagestreefd om de positie van de consument te beschermen en niet alleen in het kader van de interne markt. Om te beginnen werd in 1979 overeenstemming bereikt over een richtlijn over prijsaanduiding voor bepaalde levensmiddelen [19] Voor de prijsaanduiding van niet-levensmiddelen en de pps werd een zeer lang besluitvormingsproces doorlopen. De richtlijn over prijsaanduiding voor niet voor voeding bestemde producten kwam pas in 1988 tot stand. De Commissie Prijsbekendmaking bracht in 1983 hierover haar laatste advies uit; zij werd in 1983 opgenomen in de ‘nieuwe CCA’.[20] Deze beide richtlijnen werden in 1998 vervangen door één richtlijn over de prijsaanduiding. Daarmee is eindelijk de prijs- en pps-aanduidingsverplichting voor zowel levensmiddelen als niet-levensmiddelen doorgevoerd. Gelet op de inhoud van de richtlijn, dient er zoveel mogelijk worden gekozen voor standaardisatie van verpakkingseenheden.

 

Ondoorzichtigheid teruggedrongen

De onderzoeksvraag was: Hoe en waarom is de prijsaanduiding tot stand gekomen? En op welke gebieden kan de prijsaanduiding nog verbeterd worden? Deze vragen zijn in het voorgaande beantwoordt door eerst naar de prijswetgeving te kijken en vervolgens de totstandkoming en ontwikkeling van de prijsaanduiding uiteen te zetten. Het loslaten van de prijzenwetgeving vormde namelijk de aanleiding voor de roep om een prijsaanduidingsverplichting.

De toenemende product- en prijsdifferentiatie maakte de verbetering van prijsinformatie aan de consument een belangrijke prioriteit. Die verbetering heeft een lang besluitvormingsproces doorlopen. Er valt een duidelijke verschuiving waar te nemen van de standpunten van zowel de overheid als de CCA. Nadat in de jaren zestig bleek dat er op vrijwillige basis geen bevredigende resultaten bereikt werden, werd er ingezet op een wettelijke verplichting.

Voor de consument betekent de prijsaanduidingsverplichting dat de markt voor producten redelijk doorzichtig is als het gaat om de prijsinformatie. Deze doorzichtigheid is ook toegenomen door de vele beschikbare vergelijkingssites. Er doen zich af en toe alleen nog gevallen voor van misleidende prijsvergelijking of misleidende reclame. De Reclame Code Commissie beoordeelt in deze gevallen of er voldoen is aan de Wet Oneerlijke Handelspraktijken en de Nederlandse Reclame Code. Het gaat hierbij veelal om het specifieke prijsvoordeel: misleiding door middel van onjuiste prijsaanbiedingen. Er wordt geadverteerd met kortingen ten opzichte van prijzen die nooit gegolden hebben.

Van de ambities ten aanzien van de prijsaanduiding in de dienstensector is niet veel terecht gekomen. Deze sector is voor de consument nog betrekkelijk ondoorzichtig wat betreft de prijs van de aangeboden diensten. Één van de onderwerpen van het huidige voorwaardenoverleg is de prijsaanduiding in de offertes van aangeboden diensten. Hierover zijn in verschillende branches afspraken gemaakt. De ACM houdt zich momenteel met name bezig met de reisbranche en de prijsaanduiding vooraf. Bij het boeken van vliegtickets en andere vakantieproducten, blijkt dat deze diensten vaak niet zijn af te nemen voor de prijs waarmee wordt geadverteerd. Er blijken nog heel wat extra kosten bij te kunnen druppelen; vandaar de naam ‘price dripping’.

 

LEES HIER DE SCRIPTIE WAAR DEZE LONGREAD OP GEBASEERD IS.

WIL JIJ OOK JE SCRIPTIE PUBLICEREN EN EEN LONGREAD SCHRIJVEN? STUUR DAN NU JE STUK OP.

 

NOTEN

[1] Staatsblad 2003/229, Besluit van 21 mei 2003, (Besluit prijsaanduiding producten).

[2] J. Bos, ‘Prijzenwet’, Nederlandse Staatswetten no. 127 (1962) 13.

[3] SER-Advies inzake wijziging van de Prijzenwet (SER-publicatie 65/16) 4.

[4] Tweede Kamer, zitting 1974-1975, Rijksbegroting voor het dienstjaar 1975, 13 100 Hoofdstuk XIII Economische Zaken, nr. 3, Bijlage I van de Memorie van Toelichting. Eerste jaarrapport overheidsbeleid consumentenaangelegenheden 1973-1974 (1974) 21.

[5] Tweede Kamer, zitting 1984-1985, 18 647, nr. 2, Jaarrapport overheidsbeleid consumentenaangelegenheden 1983-1984 (1984) 69-70.

[6] Tweede Kamer, zitting 1985-1986, 19 247, nr. 2, Jaarrapport overheidsbeleid consumentenaangelegenheden 1984-1985 (1985) 44.

[7] Staatscourant 1965/249, Wijzing Prijsaanduidingsbeschikking goederen 1963.

[8] Staatscourant 1969/84, Prijsaanduidingsbeschikking kappers 1969.

[9] SER-Advies inzake wettelijke maatregelen ter bevordering van het ordelijk economische verkeer (SER-publicatie 71/21), Het standpunt van de CCA staat in bijlage II over consumentenaspecten 16.

[10] SER/CCA-Advies over het vraagstuk van de prijsinformatie aan de consument (SER-publicatie 67/20) 30.

[11] SER/CCA-Advies inzake hoeveelheidsaanduiding, standaardisatie van verpakte hoeveelheden en prijsaanduiding per standaardhoeveelheid (SER-publicatie 72/19) 4-20.

[12] Staatsblad 1980/190, Besluit prijsaanduiding goederen 1980.

[13] Staatsblad 1986/46, Besluit van 23 januari 1986 tot wijziging van het Besluit prijsaanduiding goederen 1980.

[14] Tweede Kamer, zitting 1985-1986, 19 374, nr. 2, Wijziging van de Prijzenwet (1986).

[15] Tweede Kamer, zitting 1979-1980, Rijksbegroting voor het dienstjaar 1980, 15 800 Hoofdstuk XIII Departement van Economische Zaken, nr. 7, Jaarrapport overheidsbeleid consumentenaangelegenheden 1978-1979 (1979) 23-24.

[16] SER/Commissie Prijsbekendmaking-Advies prijsaanduiding ambachtelijke dienstverlening (SER-publicatie 82/03) 12-24.

[17] SER/Commissie Prijsbekendmaking-Advies regeling prijsaanduiding en specificatie rekeningen verblijfsrecreatiesector (SER-publicatie 83/11) p.19-20.

[18] Staatsblad 2009/500, Aanpassingsbesluit dienstenrichtlijn.

[19] Richtlijn van de Raad van 19 juni 1979 inzake de bescherming van de consument op het gebied van de prijsaanduiding van levensmiddelen. (79/581/EEG).

[20] SER/Commissie Prijsbekendmaking-Advies inzake prijsaanduiding en prijsaanduiding per standaardhoeveelheid (pps) van levensmiddelen (SER-publicatie 83/08) 19-21.

About the author:

Back to Top