Matthijs Valent: Tussen muren van gesticht en geest

Matthijs Valent

Samenvatting

Waanbeelden, zelfverheerlijking, lichamelijke aftakeling en uiteindelijk de dood. Dat was het tragische lot van patiënten die leden aan dementia paralytica, het laatste stadium van syfilis. In ‘Tussen muren van gesticht en geest’ onderzoekt Matthijs Valent de weg naar het gesticht van paralytici in Nederland tussen 1895 en 1910. Op welk moment werden de patiënten opgenomen? Wat gaf de doorslag? Hoe zag hun leven in het gesticht eruit? Aan de hand van een intensieve studie van de patiëntendossiers van het krankzinnigengesticht Meerenberg in Santpoort geeft Valent antwoord op deze vragen. Hiermee krijgen de patiënten en hun omgang met de ziekte eindelijk een gezicht.

Download de PDF

Matthijs Valent (pdf)

Lees met ISSUU

Volledige Tekst

INLEIDING

‘Patient is zoo druk, dat noch onderhoud, noch onderzoek mogelijk is. […] Al zijn uitingen zijn totaal incoherent en hij is nu en dan zeer agressief. De inlichtingen leren, dat patiënt vorig jaar al niet goed werd, toen ongenezen is ontslagen en nu hier voor 14 dagen is geïnterneerd. Krankzinnigheid komt niet in de familie voor. […] Verder wordt meegedeeld dat patiënt alle symptomen van dementia paralytica heeft, stijve pupillen, afwezige peesreflexen, spraak- en schrijfstoornissen, grootheidsideeën, dementie.’

Deze diagnose, gemaakt in 1910, stamt uit het patiëntendossier van een 45-jarige stukadoor. De man leed aan dementia paralytica, ook wel bekend als hersenverweking. De ziekte kwam op aan het einde van de negentiende eeuw en trof voornamelijk mensen in de kracht van hun leven. Lijders waren vooral mannen in de leeftijd van twintig tot veertig. De beschreven symptomen in het citaat zijn kenmerkend voor de ziekte. Dementia paralytica is in feite het laatste stadium van syfilis, waarin onder andere de hersenen worden aangetast. Dit was echter lange tijd nog onbekend, omdat de middelen ontbraken om de verantwoordelijke bacterie te herkennen, laat staan effectief te behandelen. Dementia paralytica kon dus niet genezen worden, men kon enkel de patiënt verzorgen en begeleiden naar het einde.
Patiënten met deze aandoening gingen na verloop van tijd steeds vreemder gedrag vertonen, waaronder grootheidswaanzin en een behoefte zich te ontkleden op ongepaste momenten. Daarnaast manifesteerden zich verschillende lichamelijke kenmerken die de lijder extra ongemak gaven, zoals spraakstoornissen en verlies van controle over de spieren. Lijders werden in deze fase duidelijk ‘gek’ en onhandelbaar voor hun omgeving, wat vaak tot opname leidde. Pas na 1910 kwam er een test om de ziekte aan te tonen en nog veel later werd behandeling mogelijk. Lange tijd bleef dementia paralytica dus een terminale ziekte en tastten artsen in het duister over oorzaak of mogelijke behandeling.
In de geschiedenis van de psychiatrie neemt dementia paralytica een unieke plaats in. Psychiatrie was rond 1900 nog een jonge tak van de geneeskunde. Het vak had aanvankelijk moeite aanzien te verwerven, maar door middel van de professionalisering van gestichten en vooruitgang in de wetenschap groeide het vertrouwen in de mogelijkheid mensen te genezen. Dementia paralytica vormde in deze tijd van vooruitgang een interessant onderdeel van de psychiatrie. Niet alleen kon er geen behandeling worden gevonden tegen dementia paralytica, ook het aantal lijders nam in Europa schrikbarend toe. In sommige landen vertegenwoordigden paralytici aan het eind van de negentiende eeuw tussen de tien en twintig procent van de gestichtsbevolking.
In deze studie staat de vraag centraal hoe paralytici in het gesticht terecht kwamen. Over de situatie in gestichten is al veel geschreven, maar het voortraject bleef tot op heden onderbelicht. Daarnaast komt ook de diagnose van de ziekte aan bod; over de oorzaak van dementia paralytica waren artsen het namelijk nog niet eens. Ook worden de ziekte zelf en de lijdensweg van de patiënten onder de loep genomen. Het onderzoek richt zich op de periode 1895-1910. Er zijn verschillende redenen voor het kiezen van deze tijdsspanne. Allereerst is de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw interessant aangezien zich in deze periode veel veranderingen in de psychiatrie aandienden. Zo maakte de wetenschap in deze tijd sprongen vooruit en bracht de aankomende eeuwwisseling veel sociale onrust met zich mee. Het was ook in deze periode dat de medicalisering van zowel het gesticht als de samenleving langzaam op gang kwam en deze tak van de geneeskunde in een stroomversnelling raakte.
Van een meer praktische aard is het feit dat de patiëntendossiers, waarop dit onderzoek zich baseert, pas na honderd jaar ter inzage beschikbaar zijn. Om deze reden eindigt het onderzoek in 1910. In dit decennium werd diagnose en kort daarna ook een behandeling mogelijk. Dit onderzoek richt zich op de periode dat de artsen deze ziekte beter begonnen te begrijpen, maar nog geen zekerheid hadden over diagnose en behandeling.
Een belangrijk aspect van het onderzoek vormen de patiëntendossiers van gesticht Meerenberg te Santpoort. Dit gesticht is gekozen vanwege zijn ligging in een sterk geürbaniseerd gebied. Dementia paralytica werd gezien als gevolg van het stadsleven en de gevaren die deze levensstijl met zich meebracht. Hierbij moet gedacht worden aan de povere levensomstandigheden in de arbeiderswijken en de beschikbaarheid van bordelen en drank. De kans dat hier veel bronmateriaal beschikbaar zal zijn is dus groter, mocht deze aanname kloppen.
Bij het onderzoek naar de dossiers is een steekproefmethode gehanteerd. Over de jaren 1895, 1900, 1905 en 1910 zijn in totaal vierenzestig dossiers bestudeerd. Het totale aantal gevallen van dementia paralytica over deze vier jaren bedraagt rond de honderd. Echter, niet alle dossiers boden bruikbare informatie en sommige stukken waren simpelweg niet te lezen vanwege het handschrift.
Het recentelijk verschenen Het gesticht van Joost Vijselaar is een van de eerste werken in Nederland dat op de hierboven beschreven methode het voortraject behandelt. Daarnaast hebben historici als Gemma Blok, Harry Oosterhuis, Jessica Slijkhuis en Marijke Gijswijt-Hofstra veel essentieel onderzoek verricht op het gebied van medische geschiedenis. Van over de grens zullen de werken van Edward Shorter, Joel Braslow en Gayle Davis in dit onderzoek veel aangehaald worden.
Deze scriptie begint met een beschrijving van dementia paralytica en een chronologisch overzicht van behandelingsmethoden door de jaren heen. De geschiedenis van dementia paralytica wordt gevolgd door een blik in het leven van lijders voor hun opname. Hier zullen de patiëntendossiers van het gesticht Meerenberg voornamelijk aan bod komen. De vraag wat de doorslag gaf voor hun opname staat hierbij centraal. De dossiers zullen gebruikt worden om te achterhalen op welke basis artsen hun diagnose maakten en hoe zij hun patiënten beoordeelden. Afsluitend wordt gekeken naar het leven in het gesticht en hoe het patiënten daar verging.

1: Gemaskerde ziekte. Geschiedenis van het ziektebeeld en behandelingen.

Geschiedenis van de diagnose
De bestudering van dementia paralytica kent meer facetten dan alleen een medische diagnose. De fysieke kenmerken gaan gepaard met verregaande psychische veranderingen die bepalend zijn voor de stempel die deze ziekte op patiënten drukt. In dit hoofdstuk komen zowel de fysieke kenmerken van de ziekte aan bod als de manier waarop er door de wereld over de ziekte werd gedacht.
De diagnose dementia paralytica is vrij jong. De Schotse historica Gayle Davis schrijft in haar boek The cruel madness of love uitgebreid over de geschiedenis van dit ziektebeeld. Volgens haar begon deze geschiedenis met de Franse arts Jean-Étienne Esquirol. Hij constateerde in 1816 dat dementia (verlies van verstandelijke vermogens) en paralyse (gedeeltelijke of gehele verlamming) in veel gevallen samenvielen. Dementia was echter al een gevestigd ziektebeeld op zichzelf en Esquirol zag de paralyse als een gevolg van manie. Zodoende werd de paralyse nog gezien als een geestelijke aandoening. Dit werd in 1822 tegengesproken door de Franse arts Antoine Laurent Bayle. Volgens Bayle werden dementia en paralyse allebei veroorzaakt door ontsteking van het hersenvlies. Hoewel men in 1826 constateerde dat het een ontsteking van de hersenschors en niet het hersenvlies betrof, werd Bayle sindsdien genoemd als de ontdekker van dementia paralytica als zelfstandig ziektebeeld.
In Groot-Brittannië was men langzamer met het accepteren van deze constatering en hier kwam de ziekte pas rond 1850 in dossiers voor, aldus het onderzoek van Davis. Nadat dementia paralytica ook hier als ziektebeeld was geaccepteerd steeg het aantal diagnosen sterk. Thomas Austin stelde in zijn werk uit 1859 dat de ziekte ongetwijfeld net zo oud was als waanzin zelf, men had het simpelweg tot dan toe gemist. In zekere zin moesten artsen leren de ziekte te zien. Ondanks dat het als zelfstandig ziektebeeld was vastgesteld, kon men de exacte oorzaken van dementia paralytica nog niet verklaren.

Drie stadia
De lange weg naar dementia paralytica begint bij een besmetting met de geslachtsziekte syfilis. Historica Gemma Blok beschrijft de hierop volgende lijdensweg uitvoerig. Syfilis wordt veroorzaakt door de bacterie Treponema pallidum en is overdraagbaar door middel van seksueel contact of tijdens de zwangerschap van moeder op kind. De ziekte is zeer verraderlijk, omdat deze zich uit in verschillende stadia die niet bij iedereen in dezelfde mate voorkomen en erg op andere aandoeningen kunnen lijken. Na de besmetting volgt een incubatietijd van drie tot negentig dagen waarin zich geen symptomen voordoen. Het eerste stadium uit zich in een zweer op de plek van besmetting (meestal mond of genitaliën) die hard en gevoelloos is. De lymfeklieren in de buurt van deze zweer zwellen in de meeste gevallen ook op. Na maximaal zes weken verdwijnen de klachten.
Tussen het eerste en tweede stadium zit een periode van vier tot tien weken waardoor de lijder het idee kan krijgen genezen te zijn. Het tweede stadium wordt gekenmerkt door lichte koorts en een scala aan huidklachten. De aandoeningen op de huid lopen zeer uiteen: van een paar rode vlekjes tot harde zweren die een groot deel van het lichaam bedekken. De symptomen zijn drie tot zes weken zichtbaar, hierna gaat de ziekte weer een inactieve fase in. Voor de lijder is dit een beslissend moment. Een derde van alle patiënten geneest uit zichzelf. Nog een derde blijft de bacterie bij zich dragen maar in een latente vorm, zij ondervinden hier verder geen hinder van. Beide groepen blijft een noodlot dus bespaard en slechts een derde van alle gevallen krijgt te maken met het gevreesde derde stadium.
Deze onfortuinlijke groep heeft in eerste instantie ook geen last van de ziekte, het derde stadium neemt namelijk de tijd zich aan te kondigen. De latente fase waarna de bacterie weer actief wordt duurt lang, in sommige gevallen begint het derde stadium pas na twintig jaar. Veelvoorkomend in deze fase zijn knobbels op de huid, maar de ziekte kan zich ook verspreiden door organen, ruggenmerg, hart- en vaatstelsel en de hersenen. Het derde stadium leidt bij twee tot tien procent van alle patiënten uiteindelijk tot dementia paralytica.
Patiënten die deze fase bereiken ervaren vaak eerst lichte symptomen als vermoeidheid, hoofdpijn en vergeetachtigheid. Ook kan de patiënt zich erg misselijk en prikkelbaar voelen en slaapstoornissen ervaren. Naast deze lichamelijke klachten treden er ook psychische veranderingen op. Sommigen worden erg suf en apathisch, zij lijken aan een zware depressie te lijden. De meerderheid ervaart echter het tegenovergestelde: die wordt energiek en druk. Het verloop van de ziekte bij patiënten uit deze groep is wederom in drie fasen te beschrijven. Als eerste dienen een subtiel spraakgebrek en spasmen in de gezichtsspieren zich aan. Ook de ogen worden aangetast, pupillen verliezen hun reflex waardoor ze altijd even groot blijven. Meestal zijn de pupillen ook ongelijk waardoor dit symptoom duidelijk zichtbaar is. Hierna volgt verlamming en verlies van controle over de spieren waarbij lijders vroeg of laat ook incontinent worden.

Waanbeelden en zelfverheerlijking
Geestelijk wordt de aftakeling nu zeer duidelijk. Lijders aan dementia paralytica stonden bekend om hun fenomenale waanvoorstellingen waarin zij zichzelf verheerlijkten. Patiënten beweerden met meer dan vijfhonderd vrouwen te zijn getrouwd of van diamant te zijn gemaakt. Ze spraken alle talen ter wereld of verzamelden troep waarin zij de meest waardevolle schatten ter wereld zagen. Ook waren patiënten vaak erg achterdochtig en niet zelden waren ze ervan overtuigd dat de duivel het persoonlijk op hen gemunt had.
Harry Oosterhuis en Jessica Slijkhuis geven in hun onderzoek een voorbeeld uit een dossier van het gesticht te Deventer:

Hij ziet mij voor de koning aan, noemt mij geregeld Sire, meent mij door zijn dapperheid en heldendrift zeer te kunnen bevoordelen, heeft plannen voor verschillende expedities die hij in Indië in een oogwenk tot een goed einde kan brengen, zoals hij als veldmaarschalk met 12 jaren in dezelfde betrekking ook reeds gedaan heeft […] Hallucinaties, ‘s nachts hoort hij zijne vrouw en worden hem meiden in bed gebracht. Als een enorm jager wil hij mij zijn jachtbuit: leeuwen, tijgers, allerlei wilde dieren levend gevangen ten geschenke geven. Hij vertelt allerlei verhalen van zijn ondervindingen, hij kan alles, niemand heeft zovele wapenfeiten bedreven als hij, de beambten ziet hij voor bekende officieren of de vechtmajoor aan; hij speelt met miljoenen goud en diamanten, benoemt mij tot hertog, bij den koningstitel […].

De waanbeelden gingen gepaard met toenemend ongepast gedrag. Lijders werden agressief en gedroegen zich zeer obsceen. Naaktlopen, vandalisme en ander sociaal onaanvaardbaar gedrag werd gewoonte voor de lijder, die zich van geen kwaad bewust was. Dit, gepaard gaande met een steeds verder aftakelend lichaam, moet slachtoffers van dementia paralytica een triest aanzien gegeven hebben. Families hadden in steeds sterkere mate te maken met een onhandelbaar persoon die zeer gewelddadig tegen zijn naasten kon zijn. Financieel liepen families ook risico. Vaak was het de kostwinner -mannen in de kracht van hun leven- die getroffen werd door de ziekte. Lijders die hun loon aanwendden om al hun escapades te bekostigen konden zo hun gezin te gronde richten. In hoofdstuk twee zal verder worden ingegaan op de aanloop naar opname en de vraag hoe lang men in staat was met een dergelijke persoon te leven.
De laatste fase was voor de verpleging minder belastend omdat de patiënt vaak volledig verlamd en geestelijk nagenoeg dood was. Het was in dit geval wachten totdat een van de vele complicaties van de ziekte de patiënt zou doden. Patiënten konden een toeval krijgen, stikken of simpelweg volledig uitputten. In de meeste gevallen ging een patiënt binnen twee tot vijf jaar door deze fasen heen, de bovengenoemde reeks van opstapelende symptomen voltrok zich dus binnen een vrij korte tijd. In hoofdstuk drie zal ik mij richten op de verpleging van patiënten en een beeld schetsen van de manier waarop ook verplegers vochten tegen deze niet te winnen strijd tegen de dood.
Dementia paralytica komt tegenwoordig nog steeds voor, onder de naam neurosyfilis, maar het ziektebeeld is veranderd. Waar vroeger de grootheidswaanzin en het losbandige gedrag duidelijke symptomen waren kenmerkt de ziekte zich tegenwoordig meer door apathie en dementie. De precieze oorzaak van deze verandering is niet bekend. In een artikel van de arts Francis R. Frankenburg wordt gesteld dat de bacterie sinds de komst van penicilline is gemuteerd. De varianten van de bacterie die een kuur overleven kregen immers opeens een sterkere overlevingskans vergeleken met het pre-penicillinetijdperk. Frankenburg acht het mogelijk dat door deze evolutie de ziekte zich anders manifesteert. Dit opmerkelijke feit wordt in de overige literatuur niet genoemd.

Morele lading
Uit het onderzoek van Slijkhuis en Oosterhuis blijkt dat er in het besproken tijdvak wel vermoedens bestonden over een connectie tussen syfilis en dementia paralytica, maar dat dit alles behalve een algemene consensus was. De definitieve bevestiging dat syfilis de oorzaak van hersenverweking was, kwam pas in 1913. Daarvoor was menig medicus bereid syfilis als een mogelijke oorzaak te beschouwen maar sloot men andere oorzaken niet uit. Het einde van de negentiende eeuw kende een sterke urbanisatie die een aantal typerende problemen genereerde. Het moderne leven met wijdverbreid alcoholmisbruik en onzedelijk gedrag –bordeelbezoek- werd vaak als oorzaak gezien van de vollopende gestichten. De drukke stad zou mensen daarnaast veel stress bezorgen. Alle geestelijke inspanning die van een stadsmens werd verlangd zou een verzwakkende werking op hun welzijn hebben.
Dit werd in contrast gesteld met het plattelandsleven dat minder hectisch was en waarin men dagelijks lichamelijke arbeid verrichtte. Plattelandslui bleef de hectiek en dus ook de kwalen van het stadsleven bespaard. De sterke ondervertegenwoordiging van boeren in de gestichten als lijders van dementia paralytica lag aan deze redenering ten grondslag. Daarentegen waren schippers, matrozen en militairen juist oververtegenwoordigd. Hun leven was immers zeer onregelmatig en vol met ongemakken. Daarnaast leidde hun bestaan vaak tot zogenoemde excessen in Baccho en Venere, respectievelijk drankmisbruik en zedeloosheid. Dementia paralytica kreeg op deze wijze een morele lading en werd zo tekenend voor opvattingen over bredere maatschappelijke kwesties.
Gemma Blok belicht een interessant aspect van deze visie. Zij stelt dat de zonden die zoveel voorkwamen in de stad, zoals dronkenschap en nervositeit, werden gezien als een gevolg van degeneratie (of achteruitgang). De evolutietheorie van Charles Darwin had flink wat stof doen opwaaien en men zag in deze periode mogelijkheden om dit concept vrij toe te passen op de samenleving. Mensen die al uit een ‘zwakke’ familie kwamen liepen het risico om nog verder van de sociale ladder af te glijden. Paralytici waren met hun gedrag uiteraard zeer geschikt voor het stigma van degeneratie.

Behandeling
Zekerheid omtrent de aard van dementia paralytica nam, zoals eerder beschreven, pas in het begin van de twintigste eeuw toe. Nadat was ontdekt dat syfilis door een bacterie werd veroorzaakt, ontwikkelde de Duitse arts August von Wassermann in 1906 een serologische test. Deze Wassermanntest maakte het mogelijk om met relatief grote nauwkeurigheid vast te stellen of iemand aan syfilis leed. Vervolgens werd in 1913 door de Japanse wetenschapper Hideyo Noguchi de bacterie Treponema pallidum in de hersenen van overleden paralytici gevonden. Een direct verband tussen syfilis en dementia paralytica was nu definitief gelegd. In de periode voor deze medische doorbraak was er scepsis over de rol van syfilis in het ziektebeeld dementia paralytica, hoewel menig arts al wel handelde uit de overtuiging dat syfilis de oorzaak was.
Behandeling van syfilis, en dus dementia paralytica, was problematisch omdat er geen effectief medicijn bestond. Tot de komst van penicilline na de Tweede Wereldoorlog waren patiënten, die na het tweede stadium van syfilis niet spontaan genazen, in feite ten dode opgeschreven. Dit weerhield artsen er echter niet van te proberen patiënten met zeer uiteenlopende methoden te genezen. Davis geeft een uitgebreid overzicht van de verschillende middelen.
Kwik werd al sinds de vijftiende eeuw gebruikt om syfilis mee te behandelen en was eind negentiende eeuw nog steeds een populair geneesmiddel. Hoewel dit zware metaal de syfilisbacterie niet doodt, verzacht het wel aandoeningen op de huid. De effectiviteit van kwik werd niet door iedereen erkend en menig arts dacht dat het de ziekte enkel verborg. Voor het oog leek de patiënt echter aan de beterende hand, in ieder geval totdat verdere fysieke en mentale aftakeling zich aandiende. Het bijeffect van overmatig kwijlen werd als bewijs van heilzaamheid gezien – de ideeën van de middeleeuwse sappenleer waren in deze tijd nog niet volledig in de ban gedaan. Kwik kan schade aan de nieren, huid en dikke darm aanrichten. Langdurige blootstelling aan kwik tast het zenuwstelsel en hersenen aan of is in het ergste geval zelfs dodelijk. Davis stelt dat kwik, ondanks de geringe effectiviteit, een geliefd middel was, juist vanwege de zware bijwerkingen. Rond syfilis hing een taboe, omdat men geloofde dat de lijder de ziekte op moreel dubieuze wijze had verkregen. In dit licht was een behandeling met kwik voor patiënten die dit ondergingen een straf voor hun zedeloze gedrag.
Immunoloog Paul Ehrlich ontdekte in 1909 een nieuw middel, bekend onder de merknaam Salvarsan. Het medicijn bleek zeer effectief tegen syfilis en werd met veel enthousiasme ontvangen. Artsen waren verheugd over de goede resultaten en Ehrlich zelf stelde de ‘magic bullet’ gevonden te hebben. Het gebruik van Salvarsan had echter ook nadelen, want hoewel het geen zware metalen bevatte, bestond het medicijn voor 31% uit het zeer giftige arsenicum.
De bovengenoemde middelen zijn de voornaamste, maar niet de enige medicijnen die weinig tot geen resultaat hadden. Pas in de twintigste eeuw ontstond een behandelingsmethode die effectiever was: de malariatherapie. De Oostenrijkse psychiater Julius von Wagner-Jauregg begon rond 1880 te experimenteren met verschillende middelen die hoge koorts veroorzaakten.
Een doorbraak kwam in 1917, toen hij op het idee kwam om malaria te gebruiken om gecontroleerd hoge koorts op te wekken. Hij injecteerde gedurende het volgende jaar in totaal negen paralytici met besmet bloed. De uitkomst was veelbelovend: Wagner-Jauregg gaf de therapie een slagingspercentage van 67%. Het succes bleef niet onopgemerkt en artsen in Europa en de Verenigde Staten begonnen deze therapie toe te passen. Hoewel het succes wisselend was en niet elke patiënt de hoge koorts overleefde waren artsen voor het eerst in staat meer te doen dan enkel een lijder naar de dood te begeleiden. Wagner-Jauregg ontving in 1927 voor zijn ontdekking de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde.
De malariatherapie bleef tot de introductie van penicilline de meest gebruikte behandeling tegen syfilis en dementia paralytica. De Amerikaanse arts en historicus Joel Braslow, gespecialiseerd in de sociale en culturele achtergrond van behandelingsmethoden, betwijfelt of de therapie uiteindelijk daadwerkelijk zo effectief was. Hij stelt dat er inderdaad veel minder doden vielen maar dat dit wellicht ook met andere factoren te maken had, zoals een betere hygiëne. De malariatherapie was volgens Braslow echter een revolutie op het gebied van dokter-patiëntrelaties. Het verdwijnen van de machteloosheid die voorheen gepaard ging met de behandeling van paralytici maakte patiënten menselijker. Waar men de patiënt voorheen zag als een ziektedrager die op een vast pad richting de dood zat, was er nu een kans op genezing, een proces waarbinnen interactie tussen arts en patiënt ontstond.
Paralytici in de periode van het dossieronderzoek van dit onderzoek zaten in een overgangsfase. De malariakuur bestond nog niet en een bijbehorende verandering in de houding tegenover paralytici was nog niet ingetreden. De professionalisering van de gezondheidszorg was al wel op gang gekomen.

2: Broeiende waanzin. De aanloop naar opname.

Het feit, dat voortdurend het aantal krankzinnigen in de gestichten verpleegd, toeneemt – welke toeneming niet evenredig is met die der bevolking – wordt veelal hieraan toegeschreven, dat sedert de gestichten in betere roep zijn gekomen, meer en meer het streven bestaat een lijder in een krankzinnigengesticht te plaatsen zoodra zich psychische afwijkingen vertoonen, zelfs in gevallen, waarin dit niet bepaald nuttig en noodig zou zijn. De ervaring in Meerenberg is hiermede in strijd. In een groot aantal gevallen blijkt, dat een zeer langen tijd vereischt werd alvorens de naaste omgeving tot de wetenschap kwam, dat de patiënt ziek en vervolgens, dat hij krankzinnig was, om ten slotte tot de erkentenis te komen, dat opneming in een krankzinnigengesticht noodzakelijk was. Dit is te bejammeren, omdat de genezingskans stijgt, naarmate de patiënt vroegtijdiger wordt opgenomen, bovendien in gevallen, waarin geen uitzicht op herstel bestaat, de lijder in een gesticht dikwerf een veel dragelijker leven leidt dan in de maatschappij.

Deze passage uit het jaarverslag van het Meerenberggesticht laat zien dat opname ook in 1910 de gemoederen al bezighield. De dokter hekelt het feit dat veel lijders niet tijdig worden opgenomen en ‘los’ blijven lopen. Hierdoor missen ze adequate behandeling die hen zou kunnen helpen de ziekte te overwinnen. Hoewel paralytici geen hoop op herstel hadden, bestond wel de vraag op welk moment het gesticht een betere leefomgeving werd dan hun eigen huis.

De weg naar het gesticht: literatuur
In dit hoofdstuk staat de aanloop naar de opname van paralytici centraal. Dit onderwerp is in de literatuur al wel besproken, maar een uitvoerig onderzoek op basis van patiëntendossiers is nog niet gedaan. Jessica Slijkhuis en Hans Oosterhuis lichten het onderwerp kort uit in hun artikel over dementia paralytica, evenals Gemma Blok in haar doctoraalscriptie. In Het gesticht bewandelt Joost Vijselaar het traject van huis naar inrichting van patiënten met uiteenlopende geestesziekten. Het thema wordt ook aangestipt in het werk van Gayle Davis, maar zij gaat niet diep op de materie in en richt zich meer op behandeling in het gesticht. Ditzelfde geldt voor Joel Braslow in Mental ills and bodily cures.
De Britse historici Roy Porter en David Wright gaan hier wel uitvoeriger op in. In hun werk The confinement of the insane hebben zij een internationaal georiënteerd scala aan artikelen verzameld waarvan een aantal zich richt op de aanloop naar opname en de achtergrond van patiënten. Vanwege het internationale karakter van dit boek lopen de bevindingen sterk uiteen. In een artikel beschrijft Harriet Deacon de situatie van een gesticht op Robbeneiland in de tweede helft van de negentiende eeuw. Hier zijn thema’s als racisme en segregatie belangrijk voor de omgang met krankzinnigen. Geheel anders is het artikel van Jonathan D. Ablard, waarin hij zich richt op psychiatrische hervormingen in Argentinië tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw. Ablard laat hierbij zien hoe een opkomend land worstelde met de modernisering en beperkte middelen en in welke mate de psychiatrie dit kan bijbenen. Het voert te ver alle bevindingen van dit boek te behandelen maar duidelijk is dat elke maatschappij er zijn eigen manier van omgaan met krankzinnigen op nahoudt.
In Het gesticht van Joost Vijselaar staat de aanloop naar opname van patiënten met verschillende vormen van krankzinnigheid in Nederland centraal. Uit zijn onderzoek blijkt dat patiënten dikwijls lange tijd thuis werden verzorgd voordat ze in het gesticht terecht kwamen. Vijselaar betoogt dat mensen niet zomaar werden weggestopt zodra ze lastig werden. De weg naar het gesticht was volgens Vijselaar complexer en kende meerdere stadia. Er was sprake van een grote tolerantie ten opzichte van afwijkend gedrag zolang de betreffende persoon wel functioneerde. Hierna volgde vaak nog een lange verpleging thuis die pas ophield als de situatie onhoudbaar werd.

Escalatie
Het moment dat er werd besloten tot opname duidt Vijselaar aan met escalatie. Deze escalatie kon verschillende oorzaken hebben. Dikwijls ging het hierbij niet om een verergering van de toestand van de lijder, maar eerder om een verandering in de directe omgeving. Families bleken vaak wel in staat een persoon met psychische klachten op te kunnen vangen. Deze thuisverpleging kon echter wegvallen als de naasten zelf niet meer in staat waren dit vol te houden. Echtgenoten konden zelf ziek worden, broers en zussen konden trouwen of verhuizen, ouders werden door ouderdom incapabel of overleden simpelweg. Door dergelijke ontwikkelingen konden lijders die voorheen nog in de samenleving pasten opeens een te zware last worden.
Naast het wegvallen van naasten als verzorgers kon escalatie uiteraard ook bij lijders zelf optreden. Vijselaar definieert verschillende factoren die aanleiding konden geven tot plaatsing in een gesticht. Drukte of onrust waren de meest vertegenwoordigde redenen om een persoon te laten opnemen. De definitie is breed en kan fysieke onrust, ziekelijke bewegingsdrang, als wel vreemd gedrag als schreeuwen of razernij aanduiden. Patiënten die zeer prikkelbaar werden, vloekend over straat liepen of wartaal begonnen uit te slaan kwamen al snel in aanmerking voor opname. Vooral bij wangedrag in het openbaar kon besloten worden dat het gesticht een betere omgeving was. Men wilde bijvoorbeeld voorkomen dat de lijder in een soort dorpsgek veranderde. Families van een bekende ‘gek’ zullen wellicht op een gegeven moment de beschimpingen zat zijn geworden. Ook gedrag dat aandacht van de politie trok, zoals agressie of obsceen gedrag, kon per geval de aanloop naar een inrichting versnellen.
Bovengenoemd gedrag was weliswaar een indicator van waanzin maar kon lang getolereerd worden, met name als het binnenshuis bleef. Het veroorzaken van opstootjes kon problemen opleveren maar zolang er zich geen ernstige incidenten voordeden was het niet noodzakelijk iemand op te nemen. Deze overlast kon echter langzaam veranderen in gevaar voor anderen en de lijder zelf. Psychosen konden tot agressief gedrag leiden waarbij lijders familie of buren verbaal bedreigden. Fysiek geweld kwam uiteraard ook voor; Vijselaar beschrijft meerdere gevallen van messen en bijlen in de handen van verwarde personen.
Gevaar voor anderen kon ook onbedoeld optreden. Demente ouderen konden niet meer met vuur vertrouwd worden en waren dus een gevaar in elk regulier huishouden. De familie kon wellicht wel de zorg voor een zieke op zich nemen maar niet in staat zijn continu iemand in de gaten te houden. Van andere aard was het geval van een debiele man met open tuberculose. Zolang hij hoestend over straat liep was hij een regelrecht gevaar voor de volksgezondheid, ook al had hij het zelf niet door. Deze mensen konden zichzelf en anderen onbedoeld in ernstig gevaar brengen en verpleging in een gesticht was dan het veiligst voor iedereen.

Gesticht Meerenberg
Vijselaar beschrijft de weg naar het gesticht in brede zin, dat wil zeggen alle vormen van krankzinnigheid. Zoals beschreven in het eerste hoofdstuk waren paralytici een geval apart; hun symptomen konden in een korte tijd sterk verergeren en gingen vaak gepaard met zeer heftig gedrag. Aan de hand van de dossiers van Meerenberg zal nu worden ingegaan op de specifieke problemen van dementia paralytica en hoe deze lijders in het gesticht terecht kwamen. Centraal staat de directe aanleiding voor opname, bestempeld door Vijselaar als escalatie. Net als in het onderzoek van Vijselaar zal ook gekeken worden naar de opmerkingen van artsen bij de opname. Vonden zij dat de lijder er slecht uitzag en dat te lang met opname was gewacht? Of was dit bij paralytici niet aan de orde?
De aanvraag voor opname van een krankzinnig persoon was wettelijk geregeld. Voor de periode van dit onderzoek is de wet die op 29 april 1841 werd bekrachtigd van belang. Hierin werd een krankzinnige gedefinieerd als: ‘allen die van het geheel of gedeeltelijk vrije gebruik van hun verstandelijke vermogens beroofd zijn.’ Een partner of familielid kon bij de rechtbank een opname aanvragen, mits diegene over een verklaring van een arts beschikte. De patiënt zelf kon echter niet gehoord worden. Dit veranderde bij een wetswijziging op 27 april 1884. De definitie van een krankzinnige verdween bij deze wijziging uit de wet. Daarmee werd gedrag van dat moment meer bepalend of iemand opgenomen werd. Ook kon nu de burgemeester bij spoedeisende gevallen een verzoek tot opname indienen. Dit moest binnen 24 uur bij de officier van Justitie gemeld worden.
Paralytici zijn niet prominent aanwezig in Vijselaars boek Het gesticht. Er wordt wel een paar voorbeelden genoemd en dit illustreert een typerend beeld. Een goed voorbeeld betreft een man die was opgenomen in het academisch ziekenhuis te Utrecht die tijdens zijn verblijf opeens zeer agressief werd. Hij haalde de ziekenzaal overhoop en sloeg zusters. Naar aanleiding van dit gedrag werd besloten om hem over te plaatsen naar het gesticht Endegeest. Een andere patiënt kreeg last van hallucinaties en kon ook niet meer adequaat behandeld worden.
Gemma Blok geeft in haar werk een overzicht van het aantal paralytici dat is opgenomen in Nederland over een periode van 1875 tot 1914. Over de periode 1895 tot 1910 bestond de landelijke bevolking van gestichten gemiddeld voor 6,1% uit paralytici. In de onderstaande tabel is het aantal opgenomen lijders van Meerenberg weergegeven.

Jaar Paralytici opgenomen % van alle opnames Man/vrouw verhouding
1895 43 18% 13,3:1
1900 19 8% 8,5:1
1905 20 7% 4:1
1910 19 7% 8,5:1
Bron: NHA, Provinciaal Ziekenhuis nabij Santpoort te Bloemendaal, Jaarverslagen 1895, 1900, 1905, 1910.

Met name door de uitschieter van 1895, lag het percentage paralytici tussen 1895 en 1910 op 10% van alle opnames. Maar ook in de andere jaren is het aantal paralytici in Meerenberg hoog vergeleken bij de landelijke cijfers. Dit kan verklaard worden door de ligging in een sterk verstedelijkt gebied. Het gros van de patiënten is afkomstig uit Amsterdam. De angst voor de stad als veroorzaker van geestesziekten blijkt dus niet geheel ongegrond. Hoewel arbeiders de grootste groep vormden, zijn er ook genoeg dossiers te vinden over mensen van een hogere stand.
De dossiers van het gesticht Meerenberg zijn over het algemeen vrij uitgebreid maar informatie over het moment van opname is niet altijd even gemakkelijk te vinden. Het voortraject wordt in verschillende maten in detail beschreven. Sommige dossiers vertellen over een aanloop van enkele jaren waarin de lijder tekenen van krankzinnigheid begint te vertonen. In andere gevallen wordt slechts de directe aanleiding voor opname genoemd. In sommige gevallen wordt slechts een paar symptomen genoemd zonder een vermelding over wat uiteindelijk de doorslag gaf. Over lijders wordt vaak gezegd dat ze al een tijdje niet goed waren. Het gaat hierbij meestal om perioden van enkele maanden tot een jaar. De volgende gevallen zijn geselecteerd vanwege hun uitgebreide dossiers waarin de aanloop wel beschreven wordt, waardoor een duidelijk beeld geschetst kan worden van de patiënt.
Escalatie door middel van opmerkelijk gedrag vinden we bij een veertigjarige man uit Amsterdam. De man was sinds een half jaar zeer onrustig en begon zich in toenemende mate als een typische paralyticus te gedragen. Hij werd kooplustig, opvliegend en kreeg ‘macrodenkbeelden’. Deze grootheidswanen leidden uiteindelijk tot zijn opname in het gesticht. De man had een koets besteld om zichzelf door de stad te laten rijden en weigerde bij het einde van de rit de koetsier te betalen. Hij was immers van koninklijke bloede en zag dit als zijn recht. De man vond via de politie snel zijn weg naar het gesticht.
Een ander opmerkelijk geval was dat van een 52-jarige agent. Zijn opname volgde na een vrij lange weg van vreemd gedrag. De man begon in de buurtwinkels aan wildvreemden uitnodigingen voor zijn verjaardag uit te delen. Ongetwijfeld keken mensen hier raar van op maar het was geen aanleiding hem te laten opnemen en er wordt niet vermeld dat de man hierdoor zijn baan verloor. Later ging de man vloekend over straat, verscheurde zijn kleren en werd agressief. De escalatie leek in dit geval het moment dat hij zijn eigen huis kort en klein sloeg. Via het Wilhelmina Gasthuis kwam hij in Meerenberg terecht.
Bij een 44-jarige vrouw uit Amsterdam waren de symptomen ook duidelijk. Zij leed aan hallucinaties en had stereotype grootheidswanen. Zo beloofde ze haar buurman plechtig hem tot hoofdcommissaris van Arnhem te maken en meende ze zelf erg rijk te zijn. Daarnaast sloeg ze haar man en zoontje. Uiteindelijk gaf echter niet haar agressieve gedrag de doorslag. Ze kwam in Meerenberg via het Wilhelmina Gasthuis, waar ze terecht was gekomen nadat ze lang aan de waterkant had gezeten in de waan dat haar kind daar was verdronken.

Dat vreemd gedrag en obsceniteit niet de directe aanleiding voor opname hoefden te betekenen bewijst het geval van een 36-jarige man. Afgezien van de drang om in het bijzijn van anderen met zijn vrouw te ‘coïteren’ had de man nog meer opmerkelijke daden verricht. Zo was hij met een klein kind (het dossier vermeldt niet of het zijn eigen kind betrof) de stad ingegaan en had hij vervolgens de koffer van een conducteur gestolen. Blijkbaar was dit nog niet bont genoeg; opname volgde pas toen hij zijn vrouw had aangevallen.
De redenen om een persoon te laten opnemen waren niet altijd even zuiver, zo blijkt uit het geval van een 42-jarige vrouw uit Hoorn. Zij was al eerder opgenomen in het Wilhelmina Gasthuis maar op verzoek van haar man na dertien maanden weer ontslagen. Hoewel ze werd gediagnosticeerd met dementia paralytica was de oorzaak onbekend. De behandelend arts vulde deze oorzaak zelf maar in en noteerde pontificaal het label ‘achterlijk’ op haar dossier. Haar gedrag was vergeleken met dat van andere patiënten vrij mild, ze was verward en verwaarloosde het huishouden. Ook gaf zij geld uit en verliet ze het huis, om vervolgens door de politie weer thuisgebracht te worden. Het beeld dat van haar wordt geschetst in het dossier doet vermoeden dat zij slechts een geestelijk minder begaafd persoon was. De verwaarlozing van haar taken in het huishouden nam haar man zeer zwaar op, wellicht was hij haar gewoon zat en kwam opname in Meerenberg hem het beste uit.
Bij een 47-jarige agent werd dementia paralytica waarschijnlijk geacht, maar men sloot een hersentumor niet uit. Over de oorzaak wist de arts alleen te zeggen dat de patiënt erg veel rookte. Dat hij erg ziek was stond niettemin buiten kijf. De man was sinds een half jaar erg suf, hij kwijlde en urineerde bovendien in de hoeken van zijn huis- en slaapkamer. Voor zijn vrouw was dat reden genoeg om opname aan te vragen. Het is een typisch geval van een overbelast zorgsysteem: er was geen sprake van gevaar, maar de vrouw kon het niet meer opbrengen om voor haar man te zorgen.
De bevindingen van dit onderzoek komen overeen met de conclusie die Joost Vijselaar in Het gesticht trekt. De lijders werden allemaal opgenomen nadat hun gedrag zeer extreme vormen had aangenomen. Het moment dat lijders agressief of zeer obsceen werden, is in de meeste gevallen doorslaggevend. Dit is tegelijk ook typerend voor paralytici. Hoewel zij uiteindelijk aftakelden tot een staat van verlamming, zowel lichamelijk als geestelijk, is er geen enkel geval gevonden van een patiënt die in deze staat is opgenomen. Artsen merkten ook nooit op dat de patiënt door zijn omgeving was verwaarloosd. Als een patiënt fysiek in slechte staat was zag men dit als een gevolg van ziekte of levensstijl. Lijders bereikten in de meeste gevallen dus al de grenzen van hun omgeving met het gedrag dat ze vertoonden.

3: Enkele reis. Verblijf in het gesticht en het lot van lijders.

Slechte omstandigheden
Uit hoofdstuk twee is al naar voren gekomen dat de paralytici die werden opgenomen in Meerenberg daar niet voor niets zaten. Joost Vijselaar heeft aangetoond dat opname voor de meeste vormen van krankzinnigheid gerechtvaardigd was, wellicht enkele uitzonderingen daargelaten. Zodoende strookt het resultaat van deze onderzoeken met de mening van de arts die zijn relaas doet in het jaarverslag van 1910, geciteerd aan het begin van het vorige hoofdstuk. Eén aspect is echter nog niet bekeken: het verblijf in het gesticht zelf.
De slechte omstandigheden in gestichten aan het einde van de negentiende eeuw hebben voor veel commotie gezorgd. Uitvoerige behandeling van dit onderwerp rechtvaardigt een onderzoek op zichzelf maar een treffend voorbeeld kan de situatie goed illustreren. Dit is het geval van de weduwe Johanna Stuten uit Gempt. Zij heeft tweemaal in gesticht Het Slijkeinde te Den Haag gezeten om behandeld te worden voor de melancholie die was opgetreden na de dood van haar man in 1889. Zij werd als ‘niet hersteld’ ontslagen, al achtte zij zichzelf wel genezen. Daarmee bleef de krankzinnigheidsverklaring van kracht. Hierdoor was ze niet alleen juridisch handelingsonbekwaam maar in feite voor de maatschappij nog steeds ‘gek’. Dit was problematisch gezien haar intentie een verslag over haar verblijf in het gesticht te publiceren. In deze ‘lijdensgeschiedenis’ liet zij zich erg negatief uit over de toestanden in Het Slijkeinde en het is niet ondenkbaar dat de dokter weigerde haar als hersteld te erkennen uit angst voor de gevolgen van dit verslag. Met een krankzinnigheidsverklaring die nog van kracht was, zou dit verslag veel minder indruk maken. In ieder geval publiceerde Stuten het stuk pas toen zij een contraverklaring had verkregen die haar genezen verklaarde.
In het verslag is te lezen dat Stuten tijdens haar verblijf zware reumatiek had opgelopen als gevolg van opsluiting in een natte cel terwijl het buiten hevig vroor. Zij beklaagde zich daarnaast over de gebrekkige hygiëne, het ongemakkelijke meubilair en de mishandeling van patiënten. Het gebrek aan controle maakte deze personen weerloos en gezien de verdere erbarmelijke omstandigheden concludeerde ze dat de dierenbescherming daar nog een vruchtbaar terrein voor haar werkzaamheden zou hebben.

Omstandigheden in Meerenberg: diagnose
Patiënten opgenomen in Meerenberg zullen het vergeleken met andere gestichten vrij goed hebben gehad. De Provinciale Staten waren vanaf 1841 wettelijk verplicht zorg te dragen voor de krankzinnigen binnen de grenzen van hun provincie. Waar in andere provincies bestaande gestichten slechts werden aangepast was Meerenberg in 1843 als nieuw door het college van Gedeputeerde Staten aangekocht. Met haar ligging net buiten Bloemendaal zal Meerenberg een fijnere omgeving zijn geweest dan menig oud gesticht dat zich in het centrum van de stad bevond.
De artsen in Meerenberg besteedden veel aandacht aan de ziektegeschiedenis van patiënten. Zo werd zelfs voor een patiënt van middelbare leeftijd een ziekte uit diens jeugd vermeld. De lichamelijke conditie werd ook beoordeeld. Artsen leken dus al somatische redenen voor een psychische stoornis te zoeken. Geestelijk werd de patiënt ook uitgeplozen. Elk dossier vermeldt de opleiding die de patiënt heeft genoten en een schatting van diens verstandelijke vermogens. Weer blijkt dat artsen in sommige gevallen vrij denigrerend kunnen zijn. Bij de opname van een 37-jarige vrouw werd opgemerkt dat ‘de patiënt altijd al achterlijk was’. Het is mogelijk dat de woorden die de artsen gebruiken toentertijd een andere lading hadden dan tegenwoordig, maar zelfs in dat geval was het gebrek aan respect voor patiënten in veel gevallen schrijnend.
Naast de conditie van de patiënt kwam ook diens familie aan bod. Uiteraard werd de vraag gesteld of de ouders verwant waren. Er zijn echter geen gevallen aangetroffen waarbij dit het geval was. De ziektegeschiedenis van de naasten was ook van belang. Kwamen er psychische aandoeningen voor in de familie? Als een van de ouders al overleden was werd meestal de doodsoorzaak vermeld. Opmerkelijk is de veelvoorkomende opmerking dat de familie nerveus was. De dossiers geven geen verdere definitie van deze nervositeit en dus is niet exact te achterhalen wat ermee bedoeld wordt. Het is echter voor te stellen dat families zich ongemakkelijk voelden indien er werd doorgevraagd over persoonlijke details. Echter, er werden vaak opmerkingen opgeschreven naast de oorzaak van de ziekte bij de patiënt zelf. Zo kan met enige voorzichtigheid worden geconcludeerd dat het meer om een klinische diagnose ging dan enkel om de constatering van afwijkend gedrag.
Betreffende de diagnose en het verband tussen syfilis en dementia paralytica tonen de dossiers een interessant beeld. Zoals in het eerste hoofdstuk is besproken, was het voor dokters uit deze periode niet vanzelfsprekend dat dementia paralytica veroorzaakt werd door syfilis. Soms werd syfilis wel vermoed of als een mogelijke oorzaak genoemd. In andere gevallen wijdde men de oorzaak volledig aan andere factoren.
Dit wordt geïllustreerd door een voorval van een veertigjarige Amsterdammer die werd opgenomen nadat hij had geweigerd voor een koetsrit te betalen. Deze man vertoonde typische symptomen van dementia paralytica en de behandelende arts diagnosticeerde dit meteen. Van syfilis was echter geen sprake. De oorzaak was drank, aldus het dossier. Daarnaast was erfelijkheid volgens de arts een belangrijke oorzaak. De moeder van de patiënt was immers ook onrustig van karakter.
Drank speelde bij een 36-jarige man de hoofdrol, ook al vermoedde men ook dat hij aan syfilis leed. De man ontkende zelf aan syfilis te lijden maar klaagde wel over een terugkerend eczeem aan ‘de onderste intimiteiten’. Naast deze twee factoren heeft de arts ook ‘warmtestraling’ als oorzaak genoteerd. Helaas licht hij dit verder niet toe en uit het dossier is niet af te leiden of de man veel in de zon was geweest.
Ook een 52-jarige agent paste in het beeld van een paralyticus met een afwijkende oorzaak. Deze man had namelijk tijdens het Palingoproer een klap op zijn hoofd gekregen. Hoewel hij hier geen directe hinder van heeft ondervonden zag de arts dit toch als de oorzaak van het gedrag dat hij sinds 1903 begon te vertonen. Naast het hoofdtrauma werd in dit geval syfilis wel vermoed, maar niet als hoofdoorzaak aangeduid. De familie was, aldus de arts, nerveus.
Naast drank, verwondingen aan het hoofd en erfelijke factoren zag men ook psychische problemen als oorzaak. Een 42-jarige machinist, die na participatie aan een staking was gedegradeerd, werd sinds twee jaar steeds neerslachtiger en erg prikkelbaar. Hoewel de man aanvankelijk vooral in zichzelf was gekeerd werd zijn gedrag steeds zorgelijker. Hij kreeg last van hallucinaties en werd agressief tegen zijn vrouw en kinderen. Dit culmineerde in een zelfmoordpoging, waarna de vrouw opname aanvroeg. Zijn diagnose luidde dementia paralytica als gevolg van ‘achteruitgang’ en ‘huiselijke moeilijkheden’. Wederom was van syfilis geen sprake, ook al constateerde de arts wel dat de man ongelijke pupillen had. Lang verbleef de man echter niet in Meerenberg, want hij werd na vijftien dagen als ‘niet hersteld’ ontslagen.
Deze gevallen stammen uit de periode vóór de intrede van de Wassermanntest van 1906 en dit verklaart waarom nog bij zoveel patiënten een andere oorzaak dan syfilis werd vastgesteld. Dossiers van na 1906 waarbij dit het geval is zijn een stuk schaarser. Deze bestaan echter wel. Een 38-jarige houthandelaar kwam in Meerenberg terecht nadat zijn vrouw opname had aangevraagd. De man was al enige tijd zeer driftig en werd een gevaar voor zijn omgeving. Bij aankomst constateerde de arts dat de man fanatiek aan het tandenknarsen was en sterk met zijn armen beefde. Als oorzaak van zijn ziekte staan ‘zorgen’ en ‘acute ziekte’ vermeld. Over zijn zorgen is het dossier kort en bondig: het bedrijf van de man liep al enige tijd niet goed en dit zorgde voor veel stress. De arts meende blijkbaar dat dit de oorzaak van zijn symptomen was en niet een gevolg van verwaarlozing door ziekte. Over de ‘acute ziekte’ wordt helaas geen informatie gegeven.

Behandeling in Meerenberg
Op het gebied van de behandeling zijn de dossiers van Meerenberg schaars met informatie. Van andere methoden dan bedverpleging wordt geen vermelding gemaakt en de dossiers lijken vooral gericht op de voortgang -of achteruitgang in dit geval- van de patiënt. Slechts bij één geval is daadwerkelijk vermelding van medicijngebruik aangetroffen. Dit betrof een jongeman die voor syfilis met kwik behandeld was. Dit was echter voorafgaand aan zijn opname in Meerenberg. Afgaand op de aantekeningen kreeg de patiënt tijdens zijn verblijf geen medicijn toegediend.
Aantekeningen over het gedrag van patiënten zijn wel te vinden en hieruit kan gereconstrueerd worden hoe zwaar de verpleging van een paralyticus was. Het dossier van een 52-jarige man geeft een duidelijk beeld van hoe de behandeling van een paralyticus verliep. De man in kwestie was tien jaar voor zijn opname blind geworden en had vijf jaar later plotseling een hoge intolerantie voor alcohol. Hij werd na zijn dagelijkse bittertje zeer kwaadaardig en wilde naar buiten om meer drank te halen. Iedereen die hem hierin belemmerde sloeg hij met zijn stok. Zijn handicap weerhield hem er ook niet van drie á vier keer per week naar een bordeel te gaan, een gewoonte die hij er pas op nahield nadat hij blind was geworden. Ook ‘zag’ hij bloemetjes en kleine mannetjes, die hij met veel plezier wegblies.
Eenmaal opgenomen werd hij er niet rustiger op. Alleen al de stem van een zuster was voldoende om hem zeer opgewonden te maken en hij sloeg bijna constant obsceniteiten uit. Ook bleef hij gewelddadig: een broeder takelde hij met zijn nagels dusdanig toe dat deze met hechtingen behandeld moest worden. Hoewel een dergelijk gedrag de verplaatsing van de patiënt naar een isoleercel zou rechtvaardigden, wordt hier geen melding van gemaakt. Men probeerde enkel de man te kalmeren en terug zijn bed in te krijgen. Binnen enkele maanden leek dit gedrag af te nemen en de aantekeningen van de arts wijzen op verdere aftakeling. De drukte van de patiënt nam af, evenals de rest van zijn lichamelijke en geestelijke functies. De man stierf twee maanden later.

Brief
Een zeldzame vondst in het archief biedt de mogelijkheid om uit eerste hand de behandeling van hersenverweking te kunnen beschrijven. Het betreft een tweetal brieven, geschreven door een 36-jarige vrouw. Zij werd via het Wilhelmina Gasthuis patiënt in Meerenberg nadat haar man opname had aangevraagd. De vrouw was erg prikkelbaar en de man vertrouwde haar niet meer met hun kind, iets waar zij erg boos over kon worden. De oorzaak van haar ziekte was onbekend, maar het dossier vermeldt in ieder geval dat haar oogpupillen niet reageerden op hun omgeving, wat een bekend ziekteverschijnsel was.

Uit de brief is af te leiden dat de patiënt deze aan haar dochter heeft gestuurd. Zij beschrijft haar intentie alles te doen wat de arts voorschrijft om haar prikkelbaarheid te overwinnen en thuis weer een leefbare situatie te creëren. Afsluitend zegt ze nog altijd haar liefhebbende moeder te zijn. De vrouw lijkt geestelijk nog helder en in staat normale zinnen te formuleren. Ook qua handschrift is niets abnormaals te bespeuren.

Naast de schrijnende laatste zin, waarin ze hoopt nog naar huis te mogen omdat ze zo van haar kind houdt, is er een duidelijk verschil met het eerste fragment. Het zogenaamde ‘paralytische’ handschrift is overduidelijk: de vrouw was in de dertig maar schreef als een bejaarde. Ook de zinsbouw en woordkeuze verraden dat haar mentale vermogens sterk waren verslechterd. Net als voor alle andere paralytici was er voor deze vrouw geen hoop meer in de laatste fase van haar ziekte. Ze stierf enkele maanden later.

Verplegingsduur en overlijden in Meerenberg
Paralytici stierven over het algemeen allemaal in het gesticht, op een enkeling na die als ‘onhersteld’ werd ontslagen. In de onderstaande tabel staat de verplegingsduur van patiënten tot aan hun overlijden weergegeven. Deze cijfers komen uit de jaarverslagen en zijn een som van de lijders die in dat jaar zijn overleden. Hierdoor kunnen de cijfers afwijken van de eerdere tabel die het aantal opnames van dat jaar weergeeft.

Duur verpleging 1895 (m/v) 1900 (m/v) 1905 (m/v) 1910 (m/v)
<3 maanden 5/1 6/0 1/1 3/0 3 tot 6 maanden 5/0 3/0 2/2 2/0 6 tot 12 maanden 7/0 8/0 4/0 9/0 1 tot 2 jaar 5/3 2/0 4/0 4/0 2 tot 3 jaar 3/0 0/0 1/2 0/0 3 tot 4 jaar 2/0 2/0 1/0 1/0 >4 jaar 1/0 0/0 0/0 0/0
Bron: NHA, Provinciaal Ziekenhuis nabij Santpoort te Bloemendaal, Jaarverslagen 1895, 1900, 1905, 1910.

Over het lot van paralytici is veel geschreven en de bevindingen van dit onderzoek bevestigen het bestaande beeld. Lijders takelden in een schrikbarend tempo af en er was geen hoop op verbetering. Voor een klein aantal patiënten lag er enig voordeel in het feit dat ze geestelijk in zo’n mate waren afgetakeld dat ze het laatste stadium niet meer bewust meemaakten. Anderen hadden minder geluk: binnen de instortende restanten van hun geest konden zij enkel machteloos afwachten tot hun lichaam het eindelijk zou begeven.
De eerder genoemde 52-jarige man lijkt uitzonderlijk agressief, maar het gebruik van dergelijke vormen van geweld tegen personeel is in dit onderzoek niet aangetroffen. De broeders en zusters leken meer hun handen vol te hebben aan het terug naar het bed leiden van onrustige patiënten. Ook konden paralytici erg luidruchtig zijn en met name zusters zullen het wat betreft obsceniteiten soms zwaar te verduren hebben gehad. Er was echter niet alleen maar sprake van kommer en kwel. Lijders konden voor bepaalde periodes ook zeer vrolijk zijn en in hun wanen het verplegende personeel een grootse beloning voor hun diensten beloven.
Voor zover de dossiers in detail treden over de behandeling van patiënten, komt naar voren dat men voornamelijk bedverpleging toepaste. Het kalmeren van lijders lijkt de prioriteit te hebben gehad en uit de onderzochte dossiers blijkt nergens dat patiënten in een isoleercel zijn geplaatst. Opgemerkt moet worden dat dit wellicht sporadisch gebeurde maar dat deze gevallen door de steekproef zouden kunnen zijn geglipt. Ook de slechte staat waarin sommige dossiers verkeren bemoeilijkt het ontcijferen van het handschrift. Desondanks kan geconcludeerd worden dat men over het algemeen van dwangverpleging afzag. Vanwege de snelle aftakeling bleven lastige patiënten bovendien niet lang voor onrust zorgen, want ze waren al snel niet tot meer in staat dan in bed te blijven liggen.

CONCLUSIE

Dementia paralytica had maar één mogelijke uitkomst. De weg naar de dood van paralytici is tragisch en, zoals is gebleken, kort. In dit onderzoek is naar voren gekomen dat het leven in het gesticht voor velen hetzelfde was. Men kwam vaak in een onrustige staat binnen, takelde binnen een bestek van een aantal maanden af en stierf snel. Mensen van verschillende standen en beroepen eindigden allemaal als een bedlegerig wrak.
De uniciteit van lijders in de laatste fase van hun leven staat in fel contrast met hun weg naar het gesticht. Elk dossier geeft een unieke situatie weer van zowel het gedrag van de lijder als de reactie van diens omgeving. Sommige lijders werden agressief of hielden er een te luxueuze levensstijl op na. Andere gevallen waren onschuldiger, zoals de man die weigerde zijn koetsrit te betalen. Echter, hoe verschillend lijders ook waren, uiteindelijk vielen ze toch op vanwege hun opmerkelijke gedrag. Overlast kon dus in meerdere vormen komen, maar het is duidelijk dat paralytici zich met hun gedrag op een gegeven moment voor hun naasten zo onmogelijk maakten dat opname onvermijdelijk was.
Uit het tweede hoofdstuk is naar voren gekomen dat de manier waarop escalatie plaatsvond zeer uiteenlopend kon zijn. Agressiviteit tegen de familie of partner lijkt de kroon te hebben gespannen. Ten tweede is zeer eigenaardig gedrag in het openbaar de meest voorkomende aanleiding om iemand te laten opnemen. Overbelasting van de familie wat betreft zorg kwam niet zoveel voor: in de dossiers die ik heb onderzocht zijn de meeste lijders al opgenomen voordat ze in staat zijn hun naasten veel overlast te bezorgen. Zoals Joost Vijselaar ook al in Het gesticht aantoont, was opname niet een middel dat werd gebruikt om lastige personen weg te stoppen. Op een dubieus geval na waren de patiënten in alle door mij onderzochte dossiers echt ziek.
Voor zover ik dit in mijn onderzoek heb kunnen concluderen, bleef de patiënten van Meerenberg blootstelling aan veel ineffectieve medicijnen van die tijd bespaard. De artsen van Meerenberg zagen wellicht geen heil in dergelijke medicamenten, of ze hadden andere redenen om medicijngebruik af te zweren. Bedverpleging was het middel om paralytici zo goed als het ging te behandelen. Niemand zal hun lijdensweg benijden. Deze had echter door het gebruik van medicijnen nog pijnlijker kunnen zijn.
Verdere details over de verpleging is te schaars om in een duidelijke conclusie te formuleren. De dossiers geven hier en daar opmerkingen over de last die paralytici voor het personeel waren. Het incident waarbij een man het gezicht van een broeder openkrabde, toont aan dat paralytici moeilijke patiënten konden zijn. Echter, het valt moeilijk te zeggen hoe een dergelijke overlast zich verhield tot patiënten met andere stoornissen.
Wat betreft de diagnoses die toentertijd werden gesteld, komt zeer sterk naar voren dat de Wassermanntest een belangrijke ontwikkeling was in het ziektebeeld van dementia paralytica. Het aantal patiënten dat na 1906 nog met een andere oorzaak dan syfilis werd vastgesteld, daalt drastisch vergeleken met de jaren daarvoor. Het verband tussen syfilis en dementia paralytica bestond al wel in de periode vóór 1906 maar moest vaak wijken voor andere vermeende oorzaken als drank of hoofdletsel. Met de komst van de Wassermanntest werd het mogelijk de aanwezigheid van syfilis aan te tonen. Hierdoor was er minder ruimte om bijvoorbeeld drankmisbruik aan te wenden als verklaring voor het leed van lijders. Deze wetenschappelijke basis voor een diagnose heeft artsen duidelijk meer zekerheid en vertrouwen gegeven in het beoordelen van de ziekte.
Met de komst van penicilline na de Tweede Wereldoorlog verdween dementia paralytica vrijwel geheel als ziektebeeld. Niet alleen werd sindsdien een grote hoeveelheid mensen een vreselijk lot bespaard, ook kon de psychiatrie hiermee in één keer een hoofdstuk afsluiten. Het fenomeen dementia paralytica was niet alleen een ziekte maar had een morele lading. Men zocht voor de komst van de Wassermanntest de oorzaak nog vaak bij onzedelijke uitspattingen. Bordeelbezoek kon uiteraard besmetting met syfilis als gevolg hebben. Echter, het was niet de daad zelf maar de syfilisbacterie die uiteindelijk mensen ziek maakte.
Hersenverweking was hiermee een ziekte die alleen in een bepaalde periode voorkwam. Hersenverweking werd als spiegel van de maatschappij van het fin-de-siècle beschouwd. Met het verdwijnen van dementia paralytica is in feite ook een stuk archaïsch gedachtegoed afgedaan.

LITERATUURLIJST

Ablard, Jonathan D., ‘The limits of psychiatric reform in Argentina, 1890-1946’ in ed. Roy Porter en David Wright, The confinement of the insane. International perspectives, 1800-1965 (New York 2003) 226-247.

Blok, Gemma, Hersenverweking in Nederland. Het psychiatrisch vertoog over dementia paralytica, 1844-1930 (Amsterdam 1995).

Braslow, Joel, Mental ills and bodily cures: psychiatric treatment in the first half of the twentieth century (Berkeley 1997).

Braslow, Joel, ‘Effect of therapeutic innovation on perception of disease and the doctor-patient relationship: a history of general paralysis of the insane and malaria fever therapy, 1910-1950.’, American Journal of Psychiatry 152 (1995) 5, 600-665.

Davis, Gayle, The cruel madness of love. Sex, syphilis and psychiatry in Scotland, 1880-1930 (Amsterdam 2008).

Deacon, Harriet, ‘Insanity, institutions and society: the case of the Robben Island Lunatic Asylum, 1846-1910’ in ed. Roy Porter en David Wright, The confinement of the insane. International perspectives, 1800-1965 (New York 2003) 20-53.

Frankenburg, Frances R., ‘Neurosyphilis, malaria, and the discovery of antipsychotic agents.’, Harvard Review of Psychiatry 16 (2008)5, 299-307.

Nys, Liesbet e.a., De zieke natie: over de medicalisering van de samenleving, 1860-1914 (Groningen 2002).

Oosterhuis, Harry en Marijke Gijswijt-Hofstra, Verward van geest en ander ongerief: psychiatrie en geestelijke gezondheidszorg in Nederland (1870-2005) (Houten 2008).

Raju, Tonse N.K., ‘Hot Brains: Manipulating body heat to save the brain.’, Pediatrics 117 (2005) 320-321.

Shorter, Edward, A history of psychiatry: from the era of the asylum to the age of Prozac (New York 1997).

Slijkhuis, Jessica en Harry Oosterhuis, ‘Kadaverhersenen en excessen in Baccho en Venere. Dementia Paralytica in de Nederlandse psychiatrie (1870-1920)’, Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 7 (2010) 27-49.

Vijselaar, Joost, Het gesticht. Enkele reis of retour (Amsterdam 2010).

Archieven

Noord-Hollands Archief

Provinciaal Ziekenhuis nabij Santpoort te Bloemendaal
Inv. nr. 89, dossiernummers 7335, 7339
Inv. nr. 98, dossiernummers 8571, 8594
Inv. nr. 104, dossiernummers 9511, 9602
Inv. nr. 105, dossiernummers 9755, 9764, 9784, 9797
Inv. nr. 114, dossiernummers 10923, 10934
Inv. nr. 105, dossiernummers 10998, 11032
Krankzinnigenwet

Provinciale Ziekenhuizen
Inleiding, Meerenberg
Inv. nr. 228, 1906-1910

Posts created 973

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven