Mei-column: Homoseksualiteit in oorlogstijd

Mei-column: Homoseksualiteit in oorlogstijd

Reacties uitgeschakeld voor Mei-column: Homoseksualiteit in oorlogstijd

‘Hij is sullig en dom, goed als een schaap; wordt thuis niet voor vol aangezien. […] Hij wist niet dat die dingen voor de wet strafbaar werden’.

Gedurende de maand mei herdenken wij 70 jaar bevrijding in Nederland. Het is een moment waarop we stilstaan bij het leed van de oorlog en bij de vreugde van de bevrijding. In televisieprogramma’s, theaterstukken en boeken worden veel verhalen verteld over bekende en onbekende slachtoffers. Schitterend in afwezigheid is echter de vervolging van homoseksuelen. Zij waren vaak onbekende slachtoffers in een oorlogssituatie. Vóór de oorlog werden alleen mannen die daadwerkelijk seksueel contact hadden met minderjarigen vervolgd. Onder de Duitse wetgeving werd het mogelijk om alle homoseksuele mannen te vervolgen. Wat betekende de Duitse wetgeving voor de situatie van homoseksuelen?

Tot 1791 was sodomie in Nederland strafbaar. Onder sodomie werd elke vorm van niet-reproductief seksueel contact verstaan. Gedurende de 19e eeuw was er discussie over de bestraffing van homoseksualiteit maar werd de Franse wetgeving van 1811 niet aangepast. In 1911 was er ook discussie, maar nu werd homoseksueel contact tussen een minderjarige (16 tot 21 jaar) en een meerderjarige daadwerkelijk verboden (artikel 248bis). De wet was zowel op vrouwen als mannen toepasbaar en was gebaseerd op in de Nederlandse samenleving gevestigde ideeën over homoseksualiteit. Historica Anna Tijsseling beschrijft in Schuldige Seks deze ideeën aan de hand van de ‘Draculathese’. De Draculathese stelt dat homoseksueel contact altijd het gevolg was van een kwaadaardige volwassene die onschuldige minderjarigen verleidde. Omdat bij jongeren de seksuele identiteit nog niet gevormd was, zouden deze jongeren gevaar lopen om door dit soort contacten zelf ook homoseksueel te worden. Minderjarigen werden in rechtszaken dan ook niet als medeschuldigen gezien. Men vreesde echter wel dat een ‘besmette’ homoseksueel zelf ook weer jongeren zou verleiden .

Tijdens de Duitse bezetting werd op 31 juni 1940 verordening 81/1940 ingevoerd. Deze verordening verbood elk homoseksueel contact tussen mannen. Vrouwen werden hierbij niet genoemd. De verordening had tot gevolg dat minderjarigen voortaan ook vervolgd konden worden. Dat botste met het Nederlandse idee van de onschuldige minderjarigen. Ik heb voor mijn scriptie onderzocht of er ook daadwerkelijk minderjarigen werden veroordeeld op basis van verordening 81/1940. Hierbij heb ik mij gericht op strafzaken van de rechtbank van ’s-Hertogenbosch.

Vóór de Tweede Wereldoorlog was de betrokkenheid van de familie en omgeving met verdachten erg groot. De rechtbank ontving vaak brieven die de verdachten ondersteunden en pleitten voor hun vrijlating. De familie en de omgeving boden vaak aan om verdachten extra te begeleiden. Zo probeerden zij een gevangenisstraf te voorkomen. Gedurende de Tweede Wereldoorlog verdween echter deze betrokkenheid. Hoogstwaarschijnlijk hadden de oorlogsomstandigheden hier een groot aandeel in. Het aantal vervolgingen van minderjarigen was gedurende de Tweede Wereldoorlog echter gering. In één strafzaak in 1943 werd een 20-jarige verdachte veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf. Deze strafzaak lijkt een uitzondering. In enkele strafzaken was er wel sprake van minderjarigen die geld of goederen hadden geaccepteerd in ruil voor seksuele handelingen. Deze minderjarigen zijn zelf niet veroordeeld, omdat ze werden gezien als getuigen.

Het is moeilijk een verklaring te geven voor het geringe aantal veroordelingen van minderjarigen . De informatie over de Brabantse homoseksuele subcultuur is namelijk zeer beperkt. Wellicht zochten homoseksuelen de anonimiteit en verzwegen zij daarom informatie. Hierdoor lag de prioriteit voor hen ook niet bij het leggen van contacten. Het risico was groot dat vrienden of kennissen als medeplichtige werden gezien en daarom opgepakt zouden worden. Daarnaast was er bij de politie onwil en onkunde om homoseksuelen te vervolgen, zo stelt socioloog Rob Tielman in Homoseksualiteit in bezet Nederland. Het kleine aantal strafzaken en de dunne strafdossiers onderbouwen deze verklaring.

De bevrijding van heel Nederland in 1945 betekende niet het einde van de vervolging voor homoseksuelen. Hoewel verordening 81/1940 werd afgeschaft, bleef het Nederlandse artikel 248bis gehandhaafd. Minderjarigen werden weer beschermd, maar volwassen homoseksuelen werden nog steeds gestigmatiseerd. Uit de strafdossiers van 1933 tot 1951 komt naar voren dat veel verdachten zichzelf schaamden, worstelden met hun eigen gevoelens en bang waren voor het oordeel van de omgeving. Zij hadden vaak suïcidale neigingen en zagen zichzelf als ‘vies’ en ‘verkeerd’. De steun aan verdachten veranderde ook en zij werd professioneler. De rechtbank ontving steeds minder brieven vanuit de omgeving van de verdachten en steeds meer rapporten van psychiaters en advocaten.

De bevrijding bracht hoop op een andere toekomst, maar voor homoseksuelen bleek deze toekomst ver weg. Pas in 1971 werd artikel 248bis afgeschaft. Vanaf toen kon een 22-jarige homoseksuele man niet meer worden veroordeeld vanwege een relatie met zijn 20-jarige vriend. De strijd voor de rechten van homoseksuelen is een strijd die nog steeds wereldwijd plaats vindt. Zo heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) pas in 1990 homoseksualiteit van de lijst van psychische aandoeningen geschrapt. Acceptatie en erkenning zijn ook in Nederland niet altijd vanzelfsprekend. Geweld tegen homoseksuelen haalt nog regelmatig het nieuws.  Deze maand sta ik daarom niet alleen stil bij de Tweede Wereldoorlog maar ook bij de strijd voor vrijheid in de liefde.

Kleine versie

 Anne Verschueren is 27 jaar en heeft geschiedenis gestudeerd aan de Radboud Universiteit Nijmegen, richting Gender  Studies. In 2012 is ze afgestudeerd op ‘De strafrechtelijke vervolging van homoseksuelen in ‘s-Hertogenbosch’. 

About the author:

Back to Top