Mei-column: ‘weten’ en ‘niet weten’

Mei-column: ‘weten’ en ‘niet weten’

Reacties uitgeschakeld voor Mei-column: ‘weten’ en ‘niet weten’

Zeventig jaar na de bevrijding van Nederland moeten we in deze maand niet alleen stilstaan bij de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, maar ook nagaan wat toekomstig onderzoek over deze donkere periode uit de recente geschiedenis zou moeten brengen. In april is juist deze vraag het centrale thema geweest op het jaarlijkse congres van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap (KNHG). Het nut van comparatieve vergelijkingen, microgeschiedenissen en ook het gebruik van populaire media werden genoemd als mogelijke nieuwe invalshoeken voor toekomstig onderzoek. Opvallend afwezig was echter de ‘interdisciplinaire aanpak’. Deze interdisciplinariteit lijkt in Europa nog steeds niet vanzelfsprekend.

De vraag ‘wat men wist’ van hetgeen de Joodse Nederlanders te wachten stond in Oost-Europa is al decennia lang een terugkerend onderwerp. In 2012 laaide dit debat opnieuw op na de publicatie van Bart van der Boom’s Wij weten niets van hun lot: gewone Nederlanders en de Holocaust. Met name Evelien Gans en Remco Ensel uitten onder andere kritiek op de manier waarop Van der Boom conclusies trok uit gefragmenteerd en vaak tegenstrijdig bronmateriaal. Zijn belangrijkste conclusie, gebaseerd op 164 dagboeken, is dat ‘de gewone Nederlanders’ – een tamelijk dubieuze woordkeuze – niet hadden geweten van het direct uitmoorden van Joden na aankomst in concentratiekampen in het Oosten. Van der Boom stelt tevens dat indien zij wél hadden ‘geweten’, meer tot veel meer Nederlanders onderdak hadden geboden aan de Joodse Nederlanders die op zoek waren naar een onderduikplek. Ook op deze stelling is veel kritiek gekomen. Immers, indien men nog beter op de hoogte was geweest van de verschrikkingen waartoe de Duitsers in staat waren, lijkt het veel logischer om te stellen dat zij dan nog veel minder bereid waren geweest om het lot te tarten en Joden in onderduik te nemen.

Het feit dat steeds meer historici zich in dit debat hebben gemengd is niet verwonderlijk aangezien de these van Van der Boom in veel breder perspectief vragen oproept, bijvoorbeeld over het gebruik van bepaald bronmateriaal – dagboeken – en de conclusies die daaraan verbonden mogen worden. Inmiddels lijkt de scherpte van het debat te zijn verdwenen. Daar waar Van der Boom in eerste instantie op zijn blogspot wekelijks een nieuw overzicht van de reacties die zijn boek had opgeroepen voorzag en daar zelf uitgebreid op in ging, wordt er nog nog slechts sporadisch melding gemaakt van een reactie op zijn werk. Iedereen die iets wilde toevoegen aan het debat heeft zijn zegje gedaan. Echter, een belangrijk aspect is onderbelicht gebleven. Hoewel er al eerder is gerefereerd aan het feit dat ‘weten’ of ‘niet weten’ niet de juiste terminologie is om dit deel van de geschiedenis te benaderen, zijn er geen handvatten verstrekt om een nieuwe weg in te slaan in toekomstig onderzoek . Een interdisciplinaire benadering waarbij de psychologie een centrale rol speelt zou hier verandering in kunnen brengen. Dit is cruciaal voor het begrip van de manier waarop Nederlanders tussen 1940 en 1945 de informatie die hen bereikte over de omstandigheden in Oost Europa interpreteerden en verwerkten. Dit heeft gevolgen voor de manier waarop men dacht over datgene wat de Nederlandse Joden in Oost-Europa te wachten stond.

Een voorbeeld vanuit de sociaal-psychologie is de Terror Management Theory (TMT), een belangrijke theorie die eind jaren ’90 voor het eerst geformuleerd is en daarna herhaaldelijk getest en genuanceerd is door middel van nieuw, aanvullend onderzoek. Deze theorie gaat ervan uit dat wanneer een individu met kritieke informatie wordt geconfronteerd die ‘death related thoughts’ stimuleert, er uiteindelijk een afweermechanisme optreedt dat deze gedachten niet alleen actief onderdrukt, maar er ook voor zorgt dat positieve gevoelens daarvoor in de plaats worden geformuleerd. Indien een individu dus geconfronteerd wordt met informatie die mogelijk levensbedreigend voor de eigen persoon, of de directe omgeving kan zijn, is de kans op onderdrukking van deze informatie groot.

De informatie die beschikbaar was in bezet Nederland over de barre situatie in het Oosten was zowel kwantitatief als kwalitatief groter dan vaak wordt aangenomen. Zo werd in februari 1942 een illegaal pamflet voor Henk van Randwijk verspreid waarin hij stelde dat de Nederlandse niet-Joden ‘wakker moesten worden’ en hun Joodse buren moesten helpen omdat zij hetzij tijdens het transport, of in de kampen stierven. In juni 1942 stelde de BBC dat niet minder dan 700.000 Joden door de Duitsers al was uitgemoord. Niet alleen omdat zij geen eten kregen, maar ook het gebruik van mobiele gaskamers wordt genoemd. Alhoewel we ons moeten afvragen in hoeverre deze informatie het gehele volk direct bereikte, moet ook vastgesteld worden dat juist dit soort kritieke informatie hoogst waarschijnlijk van groot belang werd geacht vooral door hen wie de deze informatie betrof – de Nederlandse Joden – waardoor de kans op verspreiding groot was.

Als we de Terror Management Theory in ogenschouw nemen kunnen we vaak tegenstrijdige opmerkingen die bijvoorbeeld ook in het onderzoek van Van der Boom naar voren zijn gekomen in de dagboeken die hij gebruikt, beter verklaren. Het bekendste voorbeeld daarvan is wellicht Etty Hillesum die eerst in haar dagboek schrijft dat ‘reeds honderdduizend van onze rasgenoten uit Holland zwoegen onder een onbekende hemel of liggen te rotten in een onbekende aarde’ en zich later afvraagt welke boeken ze mee zal nemen op transport – kennelijk ervan uitgaande dat er de gelegenheid zal zijn om rustig een boek te lezen in de kampen in Oost Europa. Het begrip van wat er zich afspeelde in ‘het Oosten’ is niet te duiden in termen van ‘weten’ en ‘niet-weten’. In plaats daarvan moeten we proberen inzicht te krijgen in het ingewikkelde (psychologische) proces van contemporaine informatieverwerking. Daar waar dagboek schrijvers wellicht in eerste instantie de indruk kunnen wekken op de hoogte te zijn geweest van de situatie in het Oosten kan dit inzicht door allerlei vormen van psychologische verwerking later teniet gedaan zijn. Dit voorbeeld toont dat we naast de historische benadering op zoek moeten gaan naar manieren om andere onderzoeksvelden bij deze benadering te betrekken. Dit kan een belangrijke stap zijn voor toekomstig onderzoek en tevens meer licht werpen op de al vaak opgeworpen vraag met betrekking tot de manier waarop de Duitse bezetting beleefd werd.

Laurien-Vastenhout Laurien Vastenhout (1991) is historica en is naast haar Masters “Holocaust and Genocidestudies” en  “Onderzoeksmaster Geschiedenis” als stagiair werkzaam geweest bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust-,  en Genocidestudies en het Amsterdams 4 en 5 mei comité. Voor de eerstgenoemde Master schreef ze, aan de hand  van interviews uit de USC Shoah Foundation collectie, over de toekomstperspectieven van Joodse overlevenden van  de Holocaust tijdens de oorlog. Vanaf oktober zal zij in Engeland gaan beginnen aan haar vergelijkende PhD  onderzoek naar het functioneren van de Joodse Raden van Nederland, België en Frankrijk.

 

About the author:

Back to Top