Onder invloed: Buiten onszelf – Het genie en de droom

Onder invloed: Buiten onszelf – Het genie en de droom

Onder invloed: Buiten onszelf – Het genie en de droom

Reacties uitgeschakeld voor Onder invloed: Buiten onszelf – Het genie en de droom

Het leek mij krankzinnig, onwaarschijnlijk vooral. Maar toen ik er langer over nadacht moest ik toegeven: ook de werkelijkheid treedt soms buiten de grenzen van het geloofwaardige. Ik zat met de vriendin van mijn oom te eten. Zij vertelde over haar grootmoeder, Myra Juliet Farrell. Een vrouw met een eigen Wikipedia pagina en twee dozijn patenten op haar naam. Myra was uitvinder. Dat was al vrij ongebruikelijk voor een vrouw in het begin van de twintigste eeuw, maar nog ongebruikelijker was de manier waarop ze tot haar uitvindingen kwam. Nee, ik zeg het verkeerd: de manier waarop haar uitvindingen tot haar kwamen.

Die uitvindingen – zoals de drukknoop, een kogelwerende barricade, een licht dat 200.000 meter de lucht in kan schijnen en verscheidene geneesmiddelen – openbaarden zich namelijk door dromen. In de nachtelijke uren, terwijl ze in diepe slaap was, stond ze op en begon te schrijven op alles wat er maar voorhanden was – vaak waren dat de muren van haar slaapkamer. Alsof ze in een trance was. Achteraf herinnerde ze zich niets meer. Ze ontwaakte en zag dan een tekst op de muur staan. Het wordt nog vreemder: die droomtekeningen waren namelijk steevast achterstevoren geschreven. In spiegelbeeld.

Zo’n droom redde zelfs eens haar leven. Toen Myra in Broken Hill woonde, leed ze aan ademhalingsproblemen vanwege loodvergiftiging, een veelvoorkomend probleem in die oude mijnstad. Verscheidene dokters vertelden haar dat ze niet lang meer te leven had. In de Sunday Times van 23 december 1928 vertelt Myra: ‘Ik voelde dat ik veel te jong was om te sterven. Er moest wel iets zijn dat mij zou kunnen genezen!’ Ze bad en concentreerde zich. ‘Uiteindelijk kwam inspiratie tot me. Ik werd op een morgen wakker en zag dat ik in mijn slaap een lijst met zeven ingrediënten had opgeschreven. Deze lijst was achterstevoren.’ Ze hield hem voor de spiegel en maakte op basis van die lijst een tablet dat ze verbrandde. Toen ze de dampen inhaleerde was ze binnen drie jaar volledig genezen. Het was alsof een onzichtbare geest zijn invloed had doen gelden op haar leven. Een beschermengel.

Genius

Myra’s creatieve proces mag ons vandaag de dag misschien eigenaardig toeschijnen, vroeger zou men er niet raar van hebben opgekeken. Voor de oude Grieken en Romeinen was het volkomen vanzelfsprekend dat een mens zijn inspiratie ontvangt van buitenaf. Van een onbekende, irrationele macht die met ons samenleeft. Zo’n creatieve geest noemden de Romeinen een ‘Genius’: een voortbrenger. Uit de etymologie blijkt dat de Genius inderdaad iets te maken had met het voortbrengen van nieuwe ideeën; er bestaat namelijk een zekere verwantschap tussen het Italiaanse genio [genie] en generare [genereren]. Een mens is dus niet een genie. Hij heeft er een: een ongrijpbare, magische metgezel die zijn denken aanwakkert en zo zijn bestaan richting geeft.

De Genius zelf is in geen enkel opzicht verstandig. Sterker nog, hij gaat ons verstand juist te boven. Wanneer hij ons toefluistert treden wij ‘buiten onszelf’. Het wordt ervaren als een ‘verstandsverbijstering’: tijdelijk beschikken we niet meer over onze normale verstandelijke vermogens. Onbewust worden we aangestuurd. In een bepaalde richting gedwongen. Later herinneren we ons niet meer wat we hebben gezegd of gedaan. Het is als een soort mist, of als een droom.

Mon bon

Ten tijde van de Verlichting nam het geloof in een onbekende macht buiten ons bewustzijn sterk af. De mens zelf, en vooral zijn verstand, werd het centrum van het universum. Een genie werd nu juist gezien als iemand die zijn eigen ideeën genereerde. Iemand die met zijn verstand de wereld om zich heen veranderde. Zijn stempel op de dingen drukte. In de achttiende eeuw werden daarom in meerdere landen in Europa copyright wetten ingevoerd. Wie slim was eigende zich de ideeën die van buitenaf tot hem kwamen meteen toe.

Dat de Genius over het hoofd werd gezien, baarde hem echter geen zorgen. Daar, buiten ons denken om, voelt hij zich immers het meest op zijn gemak. Het is de plek die hem eigen is. Vanuit die verstopplek doemt hij nog altijd op om zo nu en dan een meesterwerk voort te brengen. Zo heeft Thomas Mann ooit verteld dat hij tijdens het schrijven van De dood in Venetië op een gegeven moment in een soort trance raakte en dat het voelde alsof hij werd ‘meegevoerd door de lucht’. Ook Henry James schaamde zich niet voor de hulp die hij van buiten kreeg. Hij had, geloofde hij, een beschermengel die hij in zijn Aantekeningen ook wel ‘mijn gezegende genius’ of ‘mon bon’ noemde. Hij wachtte op hem tijdens het schrijven en zag hem dan vlak bij zich zitten. Soms zelfs voelde hij de adem van de genius langs zijn wang strijken. Dan wist hij dat hij zich over moest geven aan zijn mon bon.

Bij Huraki Murakami nam de Genius de gedaante aan van een van zijn eerdere verhalen om hem vermanend toe te spreken: ‘Een kort verhaal dat ik lang geleden schreef kwam midden in de nacht mijn huis binnenstormen, schudde me wakker en schreeuwde “Hey, dit is niet de tijd om te slapen!”’ Aangespoord door die stem zag Murakami zichzelf vervolgens een boek schrijven.

Duizelingwekkende inversie

De droomtekeningen van Myra zijn dus minder merkwaardig dan ik aanvankelijk dacht. Maar vanwaar die spiegeling? Ook daarin blijkt Myra geen uitzondering. De Amerikaanse dichter Ruth Stone werd soms getroffen door soortgelijke verdraaiingen. Terwijl ze in Virginia op het platteland werkte, voelde ze een gedicht over het landschap aan komen stormen, als een ‘donderende trein van lucht’. Dan wist Stone dat ze als de bliksem het huis in moest gaan om op tijd pen en papier te vinden, zodat ze het gedicht op kon schrijven terwijl het door haar heen raasde. Soms gebeurde het dat ze niet snel genoeg was. Dan rende ze door het huis op zoek naar een pen en voelde het gedicht door haar heen gaan, juist op het moment dat ze een pen ter hand nam. Met haar andere hand trok ze het gedicht dan terug haar lichaam in, terwijl ze neerschreef wat er tot haar kwam. Als ze daarna keek wat er op papier stond dan zag ze dat het gedicht in een perfect handschrift was opgeschreven, maar wel achterstevoren.

Een verklaring zou kunnen zijn dat de ontmoeting met de Genius een duizelingwekkende inversie is. Als de Genius dat deel van ons is dat zich buiten het verstand en het bewustzijn schuilhoudt, het onderbewust dus, dan valt het ook buiten dat wat wij als onze identiteit beschouwen. De Genius is de Ander: de buitenstaander waaraan wij onszelf spiegelen. Wellicht dat het directe contact met die buitenwereld ons voor een kort ogenblik binnenstebuiten keert. De Ander neemt ons over, bestuurt ons. Zonder dat we het zelf doorhebben.

Het is slechts een theorie. Het werkelijke antwoord valt denk ik niet met het verstand te verklaren. Misschien dat het me later te binnen schiet. Vannacht.

Door Jilt Jorritsma

Jilt Jorritsma is geschiedfilosoof en essayist. Hij studeerde moderne geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en was verbonden aan de werkgroep ‘Beroepsethiek voor historici’ van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap. Hij is hoofdredacteur van Jonge Historici en publiceert bij verschillende media over de tegenwoordigheid van het verleden in het heden. 

About the author:

Nieuwsbrief

Back to Top