Interview met Marco Hennis, ambassadeur te Wenen

Interview met Marco Hennis, ambassadeur te Wenen

Reacties uitgeschakeld voor Interview met Marco Hennis, ambassadeur te Wenen

Diplomaat in Wenen

 Door Vincent Bijman

Sinds vorig jaar zomer heeft de Nederlandse ambassade in Wenen een nieuwe ambassadeur: Marco Hennis. Hij is voormalig grootmeester van het huis van Zijne Majesteit de koning. Op de middelgrote ambassade vervult hij een dubbele functie: hij is zowel ambassadeur alsook Permanent Vertegenwoordiger bij het IAEA (het Internationaal Atoomenergieagentschap) en andere VN instellingen. Tijdens de laatste maand van mijn stage bij de economische en politieke afdeling van de ambassade sprak ik met de heer Hennis over zijn studieachtergrond, zijn visie op leiderschap op een ambassadepost en de betrekkingen tussen Oostenrijk en Nederland.

Volgens ambassadeur Hennis bestaat er geen voorkeursopleiding om diplomaat te worden. ‘Historici, economen, juristen, sinologen, ze zijn allemaal te vinden bij Buitenlandse Zaken. Iedere studieachtergrond is naar mijn mening relevant, maar belangrijker is welke vaardigheden je tijdens je studietijd ontwikkeld hebt.’ Marco Hennis studeerde Sociale & Organisatie Psychologie aan de Universiteit Leiden. Hij werkte op verschillende ambassades, onder meer in Istanbul, Kabul en Sarajevo.

‘Binnen mijn studie heb ik een groot bijvak gedaan, de leer van de internationale betrekkingen. Dat heeft wat theoretische basis betreft de overstap naar de diplomatieke wereld vergemakkelijkt. Daarnaast deed ik in de laatste fase van mijn studie een praktisch onderzoek naar het werken en wonen van Nederlanders in ontwikkelingslanden. Dat onderzoek speelde zich af in Bangladesh en Kenia.  Toen ik destijds op onze ambassades in Nairobi en Dakha kwam leek het mij ook heel interessant werk en ik dacht ook dat ik mij daarvoor kwalificeerde. Mijn stage en mijn werk – ik kreeg namelijk toen ook een jaarcontract via Ontwikkelingssamenwerking – plus het bijvak dat ik had gedaan en ook een behoorlijke talenkennis maakte het voor mij iets makkelijker om mij kandidaat te stellen voor de diplomatenopleiding. Net als toen was de belangstelling ongelofelijk groot: elfhonderd gegadigden voor ongeveer twaalf plaatsen. In 1982 solliciteerde ik en in 1983 zat ik in “het klasje” (de opleiding voor startende beleidsmedewerkers bij Buitenlandse Zaken).’

Wat heeft u uit uw studententijd meegenomen?
‘In de eerste plaats dat je je een kritische academische houding eigen maakt. Als iemand mij vertelt “ik ben iemand die altijd dat en dat doet”, dan vraag ik mij af: zou dat zo zijn? Waarop baseer je dat? Uiteindelijk neem je vanuit je studie misschien niet alle gelezen literatuur mee, maar naar mijn overtuiging, meer de manier waarop je met elkaar leert omgaan en leert samenwerken.’

Veel mensen leggen niet zo snel een verbinding tussen de diplomatie en een rol in de koninklijke hofhouding. Wat waren uw overwegingen om deze overstap te maken?
‘Werken voor het koninklijk huis ligt, wat mij betreft, in het verlengde van werken als ambtenaar van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Als vertegenwoordiger in het buitenland werk je natuurlijk ook voor het staatshoofd; je werkt immers op Zijner Majesteits ambassade. Dat betekent, wat mij betreft, automatisch ook dat je voor die waarden iets moet voelen. Ik kreeg een ander soort verantwoordelijkheid. In 2008 werd ik door het ministerie van Buitenlandse Zaken uitgeleend aan de dienst Koninklijk Huis en in mijn rol als grootmeester benoemd door de toenmalige koningin.’

 Inmiddels bent u ambassadeur in Wenen. Hoe profileer je je op een post als leider?
‘Voor mij is het essentieel dat je als professional te allen tijde nadenkt over de rol die je speelt. Wat wil ik doen, wat kan ik verwachten in de rol die ik krijg? Dat is niet alleen iets voor leidinggevenden. Dat kan ook de rol van de student zijn, de rol van stagiair, de rol van iemand die zijn eerste baan heeft en op een gegeven moment promotie maakt – ik denk dat het heel erg goed is om na te denken over wat je kunt doen binnen jouw speelveld. In mijn geval betekent dat niet dat ik op een bepaald moment denk “ik ben een leider”. Het is een verantwoordelijkheid die je je langzamerhand tijdens je werkzame leven toe-eigent en leert.

Wat definieert volgens u goed leiderschap?
‘Een van de allerbelangrijkste dingen is eerst goed luisteren voordat je iets doet of zegt. Maar dat je ook sterk staat voor je overtuigingen en ideeën. Dat heeft te maken met je wereldbeeld – ik vind gelijkheid en evenwaardigheid belangrijke beginselen. Dit zijn dingen die je ontwikkelt door goed te kijken, goed te luisteren en dicht bij jezelf te blijven.’

Kwam u met bepaalde ideeën op deze post terecht en hebben die zich sterk veranderd?
‘Ja, dat denk ik wel. Dat heeft te maken met wat je aantreft op een post. In Wenen moesten we meer samenwerken binnen de drie verschillende geledingen die we hier hebben: bilateraal, VN en de zelfstandige OVSE delegatie die bij ons op de post onderdak heeft. Bezuinigingen spelen daarbij een rol, maar ook veranderde opvattingen over ons werk. Ik heb mij laten leiden door ideeën die hier al op de post bestonden.’

Tijdens de stage is het mij opgevallen dat u in staat bent om snel goede relaties op te bouwen. Waar moet een diplomaat in opleiding op letten bij het aangaan van goede banden met collega’s en contacten?
‘Dat is iets dat je in de loop der jaren kunt leren, vaak door vallen en opstaan. Maar ook daarin is het belangrijk dat je je rol kiest en goed luistert. Bovendien is het in ons vak cruciaal om snel vertrouwen te geven en te krijgen. Je moet duidelijk uitleggen wat je doet en je proberen je in te leven in de positie van je gesprekspartner. Een klein trucje is na te denken over wat een bepaalde gesprekspartner wil weten en met welke verwachtingen hij of zij binnenkomt.’

De relaties tussen Nederland en Oostenrijk zijn uitstekend. Hoe houd je zulke relaties in stand?
‘Wat ik met onze medewerkers op de ambassade wil is opnieuw bekijken hoe we dit land goed kunnen begrijpen en hoe we andere paden van samenwerking kunnen gaan kiezen. Dat doe je vooral door te kijken of we nog steeds de juiste netwerken aanboren. We zullen hard moeten werken om de verschillende interessante groeperingen hier – kunstsector, zzp’ers, wetenschap en NGO’s – beter in kaart te brengen. Daarnaast investeren wij in het onderhouden van contacten met Oostenrijkers die al een band hebben met Nederland, in de zin dat zij onze maatschappij redelijk goed kennen. Dan kom je namelijk in contact met mensen die ook de Nederlandse maatschappij kennen. Je kunt elkaars omgevingen, waarden en normen dan beter plaatsen.’

Ik kreeg de indruk dat u juist culturele diplomatie belangrijk vindt.
‘Niet alleen dat. Voor mij zijn drie terreinen in Oostenrijk essentieel. Economie, cultuur en geschiedenis. Economische diplomatie is voor ons van groot belang; wij bestaan bij de gratie van onze handel met het buitenland en onze handelspartners. Cultuur is in een stad als Wenen een voor de hand liggend vehikel. En Nederland heeft op cultureel vlak veel te bieden. Ten slotte is geschiedenis, met name de geschiedenis van de twintigste eeuw, een goede ingang om Oostenrijk beter te begrijpen. Juist via cultuur en geschiedenis kom je in aanraking met veel verschillende mensen. Ik bewaar goede herinneringen aan bezoeken aan Mauthausen en aan een ereveld voor slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in Salzburg. Jonge mensen die ik via de opening van een Anne Frank tentoonstelling hier heb ontmoet, kunnen van grote waarde zijn voor ons werk.’

Zorgen de recente ontwikkelingen – zoals de bouw van een ‘hek’ bij de Oostenrijkse grens – voor spanningen tussen Nederland en Oostenrijk?
‘Nee. Wij kennen elkaars standpunten goed en het thema migratie is een onderwerp dat heel Europa in zijn greep houdt. Discussie hierover heeft aanleiding gegeven om contacten tussen politici en ambtenaren te intensiveren. Dat wekt geen verbazing, want door onze bijzondere verantwoordelijkheid in het kader van het Nederlandse EU voorzitterschap spelen we een hoofdrol op verschillende dossiers.’

Is het ambt van ambassadeur toonaangevend veranderd of vindt u dat de historische continuïteit van uw functie de boventoon voert?
‘Het is al eeuwenlang de hoofdtaak van ambassadeurs en diplomaten om het land waarin zij gestationeerd zijn te begrijpen. Zij moeten immers aan hun hoofdstad uitleggen wat er gebeurt en beredeneren wat er in de nabije toekomst zou kunnen gebeuren. Nederland is op het wereldtoneel misschien geen hoofdrolspeler, maar op veel dossiers wel toonaangevend. Ons land is een constante speler die uit is op samenwerking, toegevoegde waarde, oog heeft voor het eigen economisch belang en ook zeker hecht aan onze waarden en normen.’

Wat geeft u huidige (geschiedenis)studenten mee die de ambitie hebben om diplomaat te worden?
‘Echt iets van je studie maken en tijdens je studie ook uiteenlopende dingen gaan doen – er op uit gaan, initiatief nemen, stages lopen, over jezelf nadenken. Als je het plan hebt om je bij Buitenlandse Zaken aan te melden, is het belangrijk dat je  dat ook niet als het enige zaligmakende ziet, of als het ‘hoogste doel’, maar dat je ook altijd een paar andere ijzers in het vuur hebt. Want er zijn zoveel andere dingen die ook ongelofelijk interessant zijn. Uiteindelijk moet je jezelf interessant vinden, niet het zijn van diplomaat. Dan bouw je ook een zeker zelfvertrouwen op. Een studie zoals geschiedenis is prima om bij Buitenlandse Zaken terecht te komen, maar uiteindelijk gaat het om de individuele persoon en diens kwaliteiten, niet om de studie.’

12387934_1074350245928582_2146653828_n

Vincent Bijman (1990) volgt de Onderzoeksmaster Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en  liep stage bij de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden in Wenen. Vincent  schrijft  met zijn masterscriptie de intellectuele biografie over Oskar von Niedermayer – een Duitse  diplomaat die  bekend staat als de Duitse ‘Lawrence of Arabia’. Daarnaast specialiseerde hij zich in de  geschiedenis van de  Europese integratie en de relatie tussen Duitsland en Europa.

 

About the author:

Back to Top