Passie en avontuur – het antistof van een historica

Passie en avontuur – het antistof van een historica

Begeef je buiten de platgetreden paden der archieven!

Toen ik acht jaar geleden aan mijn studie geschiedenis begon waren enthousiasme, interesse en fascinatie voor het verleden mijn drijfveren. Toch bleef het stoffige imago van het werk van een historicus ergens in mijn achterhoofd aanwezig. Tijdens mijn studie raakte ik vastbesloten om te verkomen dat ik na een aantal jaar afgestoft zou moeten worden. Nu, tijdens mijn promotie, ben ik dit voornemen succesvol nagekomen.
Om onderzoeksdata voor mijn onderzoek naar negentiende-eeuwse plantagewinkels te verzamelen ging ik zes maanden naar de archieven van de Louisiana State University in Baton Rouge. Door de lange dagen in het archief was het onvermijdelijk dat ik een uiterst grote hoeveelheid stof verzamelde. Om dit van mij af te schudden besloot ik om mijn archiefwerk aan te vullen met veldwerk, wat mijn passie voor historisch onderzoek nog eens extra aanwakkerde en mijn avontuurlijke drang wist te bevredigen.

Veldwerk
Zo maakte ik een road trip door moerassen vanuit New Orleans, terwijl ik nat van het zweet, versterkt door het ontbreken van airconditioning in 35 graden, in mijn geleende auto zonder navigatie op zoek was naar een benzinestation. De meter kwam gevaarlijk dicht bij de E van empty en op de verlaten weg waarop ik reed, was geen gebouw te bekennen. In de verte zag ik een aangereden alligator levenloos in de berm liggen. Ik slikte verontrust. Uiteindelijk strandde ik niet, werd ik niet uiteengereten en was ik heelhuids in staat om tientallen plantages langs de Mississippi te bezoeken. Ik sprak zoveel mogelijk mensen aan. Ik kwam terecht bij verlaten en vervallen oude plantagegebouwen, waar de robuuste eikenbomen met Spaans mos de stilte in het broeierige en naar stilstaand water ruikende moerasachtige landschap een dreigend sfeertje gaven. De buit leek tegen te vallen: slechts één plantage verschafte mij archiefdocumenten. Achteraf gezien een gouden vondst.

Via de Zuidelijke gastvrijheid kwam ik in contact met een hulpvaardige manager van een plantage. Hij leidde me rond in een oude plantagewinkel en we reden daarbij met zijn pick-up truck dwars door de suikervelden. De Mexicaanse arbeiders in de brandende zon werkten gestaag door met het planten van suiker, terwijl ik alles vastlegde met mijn fotocamera. Uiteindelijk kon ik zelfs een bezoek brengen aan een oude suikerfabriek en kreeg ik toegang tot een kluis vol met oude documenten van een winkel.

Een poos later ging ik op bezoek bij een chique Zuidelijke dame die op de plantage van haar schoonfamilie woonde en mij meenam naar het huis van een voormalige arbeider. Woonachtig in een projects-achtige woonwijk, werd ik voorgesteld aan deze negentig jarige man die net een uur daarvoor ontslagen was uit het ziekenhuis. Ik nam, totaal onvoorbereid, plaats op een bank die eruit zag en rook alsof het geruime tijd de hangplaats was geweest van enigszins incontinent persoon. Hij en een jongere en iets beter verstaanbare voormalige werknemer vertelden alles wat ze zich konden herinneren van het werk op de plantage en de plantagewinkel. Op de terugweg benadrukte de vrouw dat haar schoonfamilie nooit heeft meegedaan aan de uitbuitende praktijken die vroeger op plantages voorkwamen. Arbeiders waren een deel van de familie. De middag eindigde met een lunch met gerookte zalm en vers fruit op het terras, omringd met Greek Revival zuilen en uitzicht over de uitgestrekte suikerplantage.

Wat begon als een middel tegen het vervallen in de uitzichtloze saaiheid van het digitaliseren van archiefmateriaal, bleek onderdeel van mijn historisch onderzoek te worden en door mede-historici te worden geïnterpreteerd als “veldwerk”. Naast een vollediger beeld van het onderzoeksgebied kreeg ik toegang tot niet eerder geïnventariseerde documenten, beoefende ik opeens oral history en heb ik met de meest uiteenlopende mensen – van archivarissen, wetenschappers en museumdirecteuren tot
werkgevers en werknemers van plantages – contact gehad. Mijn pleidooi is daarom het volgende: begeef je buiten de platgetreden paden der archieven. Volg je passie op zoveel mogelijk manieren. Laat het stof geen grip op je krijgen!

  Ventie

Karin Lurvink (1987) werkt als promovendus bij de Vrije Universiteit (VU) (2011-2016). Ze vergelijkt  gedwongen winkelnering in de veengebieden in Nederland met katoen- en suikerplantages in Louisiana, 1865-1920. Tijdens haar master Global History aan de VU heeft ze gestudeerd aan de Graduate School van de Louisiana State University en een onderzoeksstage gelopen bij het slavernij-instituut Ninsee, welke in 2013 resulteerde in de theaterproductie Rebelse vrouwen.

Leave a comment

Back to Top