Pieter Buitendijk: Oproerigheid in Delft

Pieter Buitendijk: Oproerigheid in Delft

Reacties uitgeschakeld voor Pieter Buitendijk: Oproerigheid in Delft

Pieter Buitendijk

Samenvatting

Pieter Buitendijk onderzoekt in dit stuk een oproer in zijn geboortestad Delft. Het ‘speelse’ element van dit oproer, pittige Delftse huisvrouwen die de hele stad meetrekken, maakt het stuk plezierig om te lezen. Buitendijk onderzoekt hoe en waarom dit oproer zo uit de hand liep, en waarom de lokale magistraat de situatie amper onder controle kreeg. Dit onderzoek leidde tot de ontdekking van waar het oproer ontstond en geeft ons interessante nieuwe details. Een vlot geschreven stuk met inzicht over de precaire machtsverhouding van een grote stad aan het begin van de Gouden Eeuw.

Download de PDF

Pieter Buitendijk (pdf)

Lees met ISSUU


 

Volledige Tekst

INLEIDING

De Opstand (1568-1648) drukte zwaar op de jonge Republiek en haar steden. De jarenlange strijd, zowel op land als op zee, had beide partijen uitgeput. De strijd tegen het machtige Spaanse Rijk kostte ook nog eens enorm veel geld. De vereiste financiën verkreeg men door het heffen van vele belastingen: de belastingdruk was groot. Vanwege de hoge belastingen drongen vooral de handelssteden aan op vrede; dat zou de handel ten goede komen. Tegelijkertijd waren er in de steden grote spanningen tussen katholieken (het oude geloof) en de protestanten (het nieuwe geloof). In sommige steden werd het verbod op het uitoefenen van het rooms-katholieke geloof streng nageleefd, maar in andere steden was er een gedoogbeleid. De religieuze spanningen liepen nog hoger op tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621). Wat begon als een wetenschappelijk conflict tussen de Leidse theologen Arminius en Gomarus, groeide uit tot een nationale kwestie die het hele land in beroering bracht: de Bestandstwisten. In deze onrustige tijden probeerde de stad Delft het hoofd boven water te houden.

Delft in het begin van de 17de eeuw

De situatie in Delft aan het begin van de zeventiende eeuw was miserabel. De 20.000 Delftenaren genoten tussen 1600 en 1630 nog niet van de voorspoed van de ‘Gouden Eeuw’:
“Soo dat men soude mogen seggen dat Delft vruchtbaar is om volck of mannen voort te brengen maer gebreckig is in ’t onderhouden ofte voeden tot haer eygen welstand […]”.
• Economisch gezien ging het Delft absoluut niet voor de wind. De bierbrouwerij, de belangrijkste nijverheid, was in verval geraakt. De uitwerking op de stadskas was significant: de inkomsten van de bieraccijns nam geleidelijk af tot ongeveer vijftig procent. De omvangrijke Delftse bierexport leed zwaar onder de gevolgen van de Opstand. De Spanjaarden controleerden de Zuidelijke Nederlanden, waardoor deze afzetgebieden werden verloren. De meeste brouwerijen werden aan het begin van de zeventiende eeuw opgeheven, Van Bleyswijck zei hierover:

• “[…] en dat het vervoeren van de bieren door den langduyrigen Oorlogh soo langs soo meer werde verhindert ende belet, soo sijn de Brouweriën mettertijt vermindert, verdwenen en overal verstroyt […]”.

• Ook de textielnijverheid leed zwaar; van de omvangrijke Delftse lakenindustrie van de 16de eeuw was weinig meer over. Toch was deze niet geheel verdwenen. De Delftse regenten probeerden deze industrie nieuw leven in te blazen door de textielindustrie extra te stimuleren. Vanaf 1590 begonnen zij hier al mee, maar met wisselend succes. Toch kon Delft niet concurreren met andere textielsteden zoals Leiden. Ook het, nu wereldberoemde, Delfts Blauw bood geen soelaas. De plateelindustrie bloeide pas vanaf 1640. Hoewel deze industrie later in de zeventiende eeuw de economische tegenslagen wist goed te maken.
De burgemeesters probeerden de economie ook te stimuleren door het aanleggen van een nieuwe haven: de (zuidelijke) kolk of “kulk”. Een voormalige fortificatie werd afgegraven om plaats te maken voor deze haven. De haven is overigens vereeuwigd op het prachtige schilderij ‘Gezicht op Delft’ (ca. 1660-1661) van Delftenaar Johannes Vermeer (1632-1675). Uiteraard moesten de aanlegkosten worden terugverdiend. De Delftse burgemeesters besloten daarom de graanaccijns te verhogen. Dit besluit werd de oorzaak van het oproer van 1616, een oproer dat de geschiedenis inging als een vrouwenoproer.
Onderzoek

Hoewel dit oproer een van de bekendste is van Delft zijn vele vragen onbeantwoord gebleven. Zo is het bijvoorbeeld onduidelijk waar de onrust daadwerkelijk begon. Ook de invloed van de kerk op het stadsbestuur, en het handelen van de schutterij en het stadsbestuur was nog niet eerder geanalyseerd. Dit onbekende terrein leidde tot enkele vernieuwende onderzoeksvragen: Waar begon het oproer en in hoeverre beïnvloedde de kerk het stadsbestuur tijdens het oproer? Heeft het optreden van het stadsbestuur de onrusten nu juist verergerd of gekalmeerd? Waarom functioneerde de schutterij zo slecht en hoe kon het dat zij de onrust niet konden bedwingen?
Uiteraard is er reeds enige literatuur over deze vraagstukken verschenen. De oudste stadsgeschiedenis staat op naam van Dirck van Bleyswijck (1640-1681) met zijn ‘Beschrijvinge Der Stadt Delft’ (1667). Als telg uit een oude regeringsfamilie en werkzaam in verschillende invloedrijke functies, o.ander a.ndere als burgemeester (1675), kwam onder zijn leiding ook de bekende ‘Kaart Figuratief’ tot stand. Afbeeldingen van deze kaart werden ook in Van Bleyswijcks boek gebruikt. Op Van Bleyswijck voortbordurend schreef Reinier Boitet (1691-1758) zijn ‘Beschryving der Stadt Delft’ (1729). Dit werk leunde zwaar op Van Bleyswijck, maar verdient vanwege de vele toevoegingen en aanpassingen een aparte vermelding. Daarnaast schreef gemeentearchivaris Jan Soutendam (1830-1891) nog ‘Mededeelingen uit het Archief der stad Delft’ (1862). Niet te vergeten is het hedendaagse werk van Abels en Wouters: ‘Nieuw en Ongezien’ over de kerk en samenleving in Delft en Delfland. Verder is er nog Francois Criep, substituut-griffier, die een nauwkeurig ooggetuigenverslag naliet van het oproer. Hoewel al deze bronnen een schat aan informatie bieden, was er tot nu toe geen poging ondernomen om het oproer van 1616 vanuit meerdere invalshoeken te analyseren. Door zowel de geografische locatie, het stadsbestuur als de schutterij te onderzoeken, is de hoop een beter begrip van dit oproer te bewerkstelligen.
De opbouw van de analyse is als volgt: allereerst een hoofdstuk waarin het oproer wordt beschreven, daarna volgen vier hoofdstukken die de eerdergenoemde onderzoeksvragen stuk voor stuk behandelen, uiteraard gevolgd door een conclusie.

1
Het oproer van 1616

Aan de hand van het ooggetuigenverslag van Francois Criep kwam de volgende beschrijving tot stand. Op 1 augustus 1616 liepen de spanningen in Delft hoog op. De burgemeesters hadden een nieuwe tarweaccijns aangekondigd welke op deze dag in zou gaan. Op iedere zak tarwe werd vanaf nu ‘“tien stuivers en agt penningen’” extra geheven, waardoor een zak tarwe nu maar liefst drieëndertig stuivers kostte. Door de accijnsverhoging werd het brood duurder, waardoor vooral de armen werden getroffen. Dit was tot groot ongenoegen van de Delftse huisvrouwen die moesten zien rond te komen van het toch al krappe huishoudgeld. Anticiperend op de nieuwe accijns hadden veel inwoners zakken tarwe ingekocht om deze nog snel voor de invoering te laten vermalen bij de molenaars. De molenaars konden deze toestroom echter niet op tijd verwerken, waardoor vele zakken tarwe op de zolders van de molens bleven liggen. De situatie stond op scherp.
Toen de pachter op 1 augustus 1616 arriveerde bij ééeen van de molens vermaande hij de molenaar niet verder te malen, voordat de nieuwe accijns was betaald. De aanwezige vrouwen waren het hier absoluut niet mee eens en zeiden: ‘“Wij hebben eens den accijns betaald, wij willen ’t U niet geven’”. Daarbij ontstond zoveel commotie dat de pachter vluchtte naar een nabijgelegen huis. Desondanks wisten de dames hem te pakken te krijgen en zij hebben hem ‘“ligtelijk dood geslagen’”. Het hek was van de dam. De oproerige groep vrouwen bonden een schort aan een stok als zijnde een geïmproviseerde bannier en trokken naar de markt. Een andere vrouw sloeg op een ketel waar zij het gemene volk mee wist op te hitsen. De spontaan gevormde stoet zwol aan met jongens en kinderen. De verhitte menigte riep: “’Wij zullen ’t niet geven of slaan dood den pachter’”. De burgemeesters waren zeer verontrust door de ontstane onrust op de markt en zij probeerden de menigte te doen verspreiden. Een snel uitgebrachte afkondiging moest dit verzorgen. Het ‘grauw’ (het gewone volk) hoorde het aan en riep met veel lawaai: “’wij en willen niet houd dan onse kinderen en geeft ons brood’”. Ondanks de pogingen de menigte tot bedaren te brengen bleef het tot in de avond onrustig. Het grauw was niet van plan het hierbij te laten. Die avond zeiden zij tegen elkaar:
“’Op morgen komen wij weder, of men schaft het af’”.
De volgende ochtend (2 augustus) wist een vrouw, door met een stok op een kindertrommel te slaan, de bewoners weer op te jutten. Het duurde niet lang voordat zij een groep jongens om zich heen had verzameld. In een ander gedeelte van de stad gebeurde hetzelfde: een vrouw gebruikte hier een ketel. De verschillende groepen Delftenaren, onder leiding van de opruiende vrouwen, kwamen samen op de markt waar het al spoedig zeer onrustig werd. De burgemeesters ontboden verschillende vrouwen om hun verhaal aan te horen, maar het bekoelde de situatie niet:
‘“Soo is ’t dat een vrouw, hebbende een groot hout, smijt daar mede op de door van ’t Stadhuis; doende zeer groot geweld; smijt eindelijk met haar vuysten ’t glas uit van Excijs-huiskens, daar op dat volgde dat Mans en Jongers met steenen begonnen te werpen ronds om ’t Stadhuis de glasen uit, braken de Excys-huiskens op; verscheurde de boeken: ’t geld weg werpende: de kussens in stukken snijdende.’”
De schout probeerde de massa te kalmeren, maar kreeg enkel stenen naar zijn hoofd gesmeten. Ook probeerden de burgemeesters door een nieuwe afkondiging het grauw te doen terugkeren naar hun huizen, maar ook dit vond geen gehoor. Daarop liet het stadsbestuur de schutterij komen, maar zij reageerden nauwelijks op deze oproep. Zij die reageerden werden bekogeld met stenen en hadden zeer veel moeite om door de opgeworpen barricades rond het marktplein te komen. Er ontstond steeds meer schade: “'[…] De Commotie, gewelt, en tumulte populair daer ouer ontstaen, soo aent Stadthuys accijnshuysgens, als andere particuliere burgers huysen […]”’. Ondanks enkele pogingen wist de schutterij de onrust niet te beëindigen. Uiteindelijk werd de impasse doorbroken door een burger genaamd Claas Jansz. van der Vorst. Hij overlegde met de burgemeesters in het stadhuis. Uiteindelijk kreeg het volk, of het grauw, haar zin: ‘de pacht was eraf’. De rust keerde dan toch weer terug in de stad.
Sterk overdreven geruchten van de onrusten bereikten ondertussen de nabijgelegen steden. Zo ging bijvoorbeeld het gerucht dat een paar burgemeesters waren doodgeslagen. Vendels en huursoldaten uit Den Haag, Schiedam, Rotterdam, Den Briel en Dordrecht arriveerden tussen 2 en 9 augustus om een helpende hand te bieden. De meeste keerden echter, vanwege de herstelde rust, meteen weer huiswaarts. In de weken na het oproer probeerde het stadsbestuur de ‘belhamels’ op te pakken. Uiteindelijk greep zij meer dan zestig verdachten. Opvallend was dat dit oproer de geschiedenis is ingegaan als een ‘vrouwenoproer’. Toch zijn er maar acht vrouwelijke verdachte opgepakt, waarvan er uiteindelijk drie werden verbannen: Dirckje de Borre, Reijm Isacx en Leonora huysvrouwe van Longeville.

2
De locatie van het oproer

In geen enkele bekende bron wordt vermeld waar het oproer precies begon. Ondanks het feit dat dit ‘vrouwen’-oproer vrij bekend is, was dit tot nu toe niet bekend. Dit hoofdstuk tracht daar achter te komen door de beschikbare bronnen te bestuderen. Het ooggetuigenverslag en oude kaarten en tekeningen worden aangewend om de locatie aan te wijzen.
Ooggetuige van Francois Criep schreef over de locatie: “'[…] aan de Geerweg, daar ’t rumoer eerst ontstond”’. Soutendam vermeldde verder dat deze straat in het noordoosten van Delft ligt. Dit lijkt inderdaad te kloppen, vandaag de dag bestaat de Geerweg nog steeds en deze is inderdaad gelegen in het noordoosten van de stad. Vanuit de bronnen is bekend dat het oproer ontstond door het weinig subtiele optreden van de pachter Jan Pietersz. of Jan Pieterse. Nadat hij de volle zakken tarwe op de zolder van een molen zag staan, belastte hij de molenaar te stoppen met malen, totdat de (extra) pacht was betaald. Daaruit bleek dat de pachter zich in een (koren-)molen bevond toen de onrusten begonnen. Gecombineerd met de eerder genoemde feiten, viel daaruit op te maken dat de onrusten moeten zijn begonnen aan een molen op de Geerweg. Maar welke molen was dat?
Betreft de molens van Delft zijn aanwijzingen te vinden in het boek ‘De Stad Delft: Cultuur en Maatschappij van 1572 tot 1667’. In dit boek is een artikel gewijd aan de molens van Delft, waarin wordt gesproken over de korenmolens in de buurt van de Geerweg. De dichtstbijzijnde zijn: de Proostmolen, Helmolen, Cooltuynmolen, Gasthuismolen en de Steckmolen. Opvallend is dat deze molens niet op de Geerweg zelf lagen, maar daar enkele honderden meters vandaan. Bedoelde ooggetuige Francois Criep wellicht een molen ‘in de buurt’ van de Geerweg? In dat geval komt de Proostmolen aan de Haagse Poort in aanmerking; deze lag op ongeveer 100 meter van de Geerweg.
Watermolen het Duyvelsgat

Op oude Delfts stadskaarten zijn verdere aanwijzingen te vinden. Op de bekendste kaart van Delft uit de zeventiende eeuw, Figuratief van Delft, was geen functionerende molen zichtbaar op de Geerweg (de straat lopend van onder naar boven op de illustratie). Wel de romp van een molen: zonder wieken (midden boven op de illustratie). Dit bleek een watermolen, en dus geen korenmolen, te zijn. Deze was geplaatst om het stilstaande water in de Delftse grachten te verversen met schoon water uit het naastgelegen Rijn-Schie kanaal:

“’omdattet water nu ter tijdt aldaer stille blijvet leggen ende daerom lichtelijck stincke”’.
Zodoende kwam deze molen in eerste instantie niet in aanmerking, omdat deze schijnbaar niet functioneerde tijdens het oproer en omdat hij diende als een watermolen. Echter, op een tekening van Jacob van Deventer (ca. 1550) was dezelfde molen wel met wieken afgebeeld. Verder bleek dat deze molen ook werd gebruikt om tarwe te malen, als secundaire werkzaamheid. Daarnaast was er bewijs dat deze molen, genaamd het Duyvelsgat, in 1588 nog sterk werd verbeterd. Hieruit valt op te maken dat men niet van plan was de molen af te breken. Deze verbeteringen werden uitgevoerd door de Leidse ingenieur Simon Steven. Hij optimaliseerde twee Delftse molens tussen 1584 en 1588. De molens maakten daarna driemaal zoveel “’shuyringe’” en ‘“beroeringe van water, als de twee voorgaende Molens plaghen te doen’”. Doordat de aangebrachte verbeteringen aan het einde van de zestiende eeuw werden uitgevoerd, moet deze molen nog jaren werkzaam zijn geweest. Maar was de molen nog werkzaam in 1616?

Het is onbekend wanneer de molen precies buiten werking werd gesteld. Wellicht werd het Duyvelsgat tegelijk met de andere watermolen aan de Langendijk opgeheven, in 1633. Maar het is ook mogelijk dat de molen nog functioneerde tot aan de ‘Delftse Donderslag’. Bij deze ramp in 1654 ontplofte het kruithuis met daarin ongeveer 100.000 pond aan kruit. Een groot gedeelte van de stad werd met de grond gelijk gemaakt. Daarom was het goed mogelijk dat de molen, die slechts 150 meter van het kruithuis verwijderd was, bij de ramp (op zijn minst) haar wieken kwijtraakte en in onbruik raakte. Op de illustratie bevindt zich rechtsonder de molen een open plek (thans de Paardenmarkt), waar het kruithuis stond.
Conclusie

De ooggetuige Francois Criep schreef over de locatie van het oproer: “'[…] aan de Geerweg, daar ’t rumoer eerst ontstond’”. Omdat het Duyvelsgat als enige gelegen was op de Geerweg, en vrijwel zeker functioneerde tijdens het oproer, moet dit de molen zijn geweest waar het oproer begon. Omdat de molen in 1588 nog was verbeterd is het zeer waarschijnlijk dat de molen in de jaren daarna nog werkzaam was. Op de kaart Figuratief van Delft (1675/1678) is de molen zonder wieken afgebeeld. Het is zeer goed mogelijk dat de molen zwaar beschadigd raakte door de ‘Delftse Donderslag’ van 1654. Een andere mogelijkheid is dat de watermolen buiten werking is gesteld in 1633, net als de tweede watermolen van Delft. Al met al was het hoogstwaarschijnlijk de molen het Duyvelsgat waar het oproer begon.

3
Het Delftse Stadsbestuur

Ook de stad Delft werd in de zeventiende eeuw bestuurd door een regentenpatriciaat. Om de gang van zaken omtrent het oproer van 1616 te begrijpen is het nodig het bestuur van destijds te onderzoeken. De hoofdvraag voor dit hoofdstuk luidt: In hoeverre beïnvloedde de kerk het stadsbestuur tijdens het oproer? Om deze vraag goed te kunnen beantwoorden, moet ook worden gekeken naar hoe het regentenpatriciaat in 1616 was opgebouwd. De antwoorden op de vragen schetsen de context van waaruit de handelingen van het stadsbestuur moeten worden bezien.

De opbouw van het regentenpatriciaat

‘“De regieringe van de Stadt Delft bestaet in Veertich, Vroedschappen, den Schout, vier Burgemeesteren ende seve Schepenen […]’” aldus de stadssecretaris Hendrick Hendricksz. Vockestaert (1650). Deze bestuursvorm was in gebruik van 1445 tot 1795 en dus ook tijdens het oproer van 1616.
Oorspronkelijk werd de veertigraad regelmatig bijeengeroepen voor het dagelijkse bestuur van de stad. In Delft vond dit vanaf 1600 steeds minder plaats; de burgemeesters en schout trokken het dagelijkse bestuur steeds meer naar zich toe. De veertigraad werd uit de vroedschap gekozen en zodoende kreeg deze belangrijke invloed, als basis van de machtspositie van het patriciaat. Net als in andere Hollandse steden mocht ook een Delftse burgemeester de lucratieve baantjes in de stad toewijzen. De beste functies kwamen terecht bij familie of bevriende relaties en mede hierdoor was de functie als burgemeester zeer gewild. Dankzij dit systeem wisten de burgemeesters hun invloed in alle lagen van de stad te versterken. Hun invloed en macht op het dagelijkse reilen en zeilen van Delft rond 1616 is dus aanzienlijk te noemen.
In de zeventiende eeuw bestond het regentenpatriciaat in de Hollandse steden veelal uit verwante families en bevriende relaties van de regenten. De oorzaak hiervan was het feit dat bij eventuele vacatures binnen de vroedschap of veertigraad, de regenten zelf een nieuwe opvolger kozen. Net als in andere Hollandse steden was ook het Delftse stadsbestuur dus een echte familieaangelegenheid. Tussen 1572 en 1667 bestond het patriciaat in Delft vooral uit de volgende families: Van der Burch, Van der Dussen, Duyst, Van Der Meer en Van Adrichem. Wanneer naar het regentenpatriciaat wordt gekeken tijdens de Delftse oproer van 1616, zijn er binnen het patriciaat enkele van deze namen te herkennen. De schout Dirk Bruinsz van der Dussen en twee van de zittende burgemeesters Frank Reyersz van der Burch en Jacob Adriaensz van Adrichem zijn telgen van de eerdergenoemde heersende families. Veel regenten trouwden met afstammelingen van andere heersende families. In Delft was bijvoorbeeld burgemeester Jacob Adriaansz. van Adrichem getrouwd met Maritgen van der Dussen, familie van de schout. De zoon van deze burgemeester, Jacob, trouwde met Sara van der Graef: familie van burgemeester Arent Jacobz van der Graef. Ook zoon van burgemeester van der Burch, Reinier (of Reyer), die overigens een belangrijk aandeel had in de vervolging van de relschoppers in 1616, trouwde met Aeltgen van der Graef. Dankzij deze voorbeelden wordt het duidelijk dat het regentenpatriciaat van Delft een hechte kliek van verwante families was. De burgemeesters konden, door hun grote invloed, familie of bevriende relaties lucratieve posities toespelen, om zo zelf steun te verwerven en in het zadel te blijven zitten.
De invloed van de kerk

Aan het begin van de zeventiende eeuw kreeg de gereformeerde kerk ook in Delft steeds meer vaste grond onder de voeten. Hierdoor werden binnen de stadsmuren de spanningen tussen de gereformeerden en katholieken steeds groter. Dit hoofdstuk onderzoekt de invloed van deze religieuze twisten op het Delftse stadsbestuur aan het begin van de zeventiende eeuw en het effect daarvan op het oproer van 1616 zelf. In hoeverre beïnvloedden de kerk en de religieuze onrusten het stadsbestuur tijdens het oproer?
In Delft waren de gereformeerden duidelijk in de minderheid vergeleken met de katholieken. Deze situatie kon mogelijk problemen opleveren voor de stad: de Staten van Holland hadden namelijk in 1573 elke uitoefening van de katholieke eredienst verboden. In de praktijk werd het ‘oude’ geloof gedoogd door het Delftse stadsbestuur. Ondanks het verbod hadden de katholieken nog genoeg invloed op het regentenpatriciaat om te voorkomen dat zij werden verdrongen. Na de Alteratie in 1572 bleven namelijk dezelfde families de stad besturen.
Net zoals in andere Hollandse steden, konden de Delftse katholieken godsdienstvrijheid bij de schout afkopen. In 1616 betaalden de Delftse katholieken de schout (in slechts negen maanden tijd) maar liefst 1000 gulden aan recognitiegeld om ongestoord bijeenkomsten te mogen houden. Priester Makeblijde, een vooraanstaand jezuïet, klaagde overigens dat de schout de recognitiegelden (en boetes) gebruikte om zijn eigen brouwerij uit te breiden. Ondanks alles, rapporteerden de katholieken in 1616 dat zij een “middelmatige vrijheid” genoten in Delft. Door het accepteren van recognitiegelden kunnen wij aannemen dat de schout, Dirk Bruinsz van der Dussen, niet gehinderd werd door gewetensbezwaren door dit smeergeld te vragen. Wellicht voerde hij dit gedoogbeleid om er simpelweg financieel beter van te worden. Een andere mogelijkheid is dat hij tolerant, of wellicht onverschillig, was jegens de katholieken. Bekend is dat hij zelf niet gereformeerd, katholiek of fel antipaaps was. Wat zijn motivatie ook was, hij gaf de katholieken tot aan 1616 (relatief) veel ruimte.
Niet alleen gebruikten de katholieken financiën om de schout te beïnvloedden. Ook wendden zij persoonlijke, beroepsmatige contacten of familierelaties aan om het stadsbestuur te bewegen tot het nemen van besluiten in het voordeel van de kerk. De talrijke familiebanden tussen het regentenpatriciaat en de kerkregeerders maakten een persoonsgerichte en informele benadering tot een logische modus operandi. Een voorbeeld is ouderling van der Dussen, hij gebruikte zijn familiebanden om regenten aan te sporen om maatregelen te nemen tegen onwettige huwelijken en hoererij in de stad. Een ander voorbeeld vond plaats in 1613. De Haagse predikant La Faille werd door zijn Delftse collega gevraagd om een rekwest te bespreken met enkele leden van het Hof van Holland, die tevens ouderling waren. Op deze manier trachtte de Delftse classis te bewerkstelligen, dat het plakkaat tegen vagebonden en bedelaars werd vernieuwd. Dit zijn voorbeelden waaruit blijkt dat predikanten hun persoonlijke banden gebruikten om gezagsdragers te beïnvloedden. Er zijn bewijzen dat deze gang van zaken speelde voor en na het oproer van 1616.
Hoewel het oproer duidelijk een sociaaleconomisch karakter had, greep de magistraat de onrust en chaos aan om juist de katholieken aan te pakken. Zoals zojuist beschreven werden de katholieken voor het oproer door de schout getolereerd, maar na afloop ging de schout over op strengere vervolging. Waarom gooide het stadsbestuur het roer ineens om? Jezuïet Makeblijde had hier wel een verklaring voor. Volgens hem dacht de magistraat dat de katholieken de werkelijke aanstichters van het oproer waren. Een mogelijke reden hiervoor is dat sommige arrestanten katholiek waren. Een van de arrestanten, ene Martinus Petri, was namelijk een katholiek. Waarschijnlijk was dit Maerten Pietersz Roelandt alias ‘Coecack’. Hij wordt genoemd in de ooggetuigenverslagen van het Hof van Holland. Wellicht wezen de regenten Petri en andere katholieken een sleutelrol toe tijdens de onrusten?
Er zijn wel aanwijzingen die in deze richting wijzen. Het is bijvoorbeeld op zijn minst opvallend te noemen dat een maand na het oproer, de stadsregeerders aankondigden dat zij de katholieke bijeenkomsten zouden helpen weren. Deze beslissing vond plaats naar aanleiding van een verzoek van de Delftse kerkraad die de magistraat met klem vroeg de ‘“conventiculen der papisten”’ te verhinderen. Mogelijkerwijs probeerde de kerkraad de onrusten te gebruiken om Delft verder te ‘dekatholiseren’. Dat de katholieken werkelijk de aanstichters waren lijkt onwaarschijnlijk. Het ooggetuigenverslag van Francois Criep, doorgaans zeer nauwkeurig, vermeldde niets over religieuze spanningen of oorzaken. Waarschijnlijker is dat de Delftse kerkenraad handig gebruik maakte van de chaos en de katholieken als zondebok aanwees. Zij konden zo aan macht winnen terwijl de katholieken aan macht inboette. De magistraat, geschrokken van het plotselinge geweld, stemde snel toe. In de nasleep van het oproer werden de katholieken dan ook strenger vervolgd. Zo werd Makeblijde in 1617 maar liefst vijf keer geconfronteerd met invallen van gerechtsdienaren. De schout liet hem niet met rust en eenmaal moest hij zelfs 600 gulden losgeld betalen, voordat hij werd vrijgelaten. Toch lieten de burgemeesters aan de schout weten dat ze hem niet voor langere tijd wilde interneren.
Een andere prominente katholiek werd, net als Makeblijde, uiteindelijk ook niet (voor langere tijd) gearresteerd: Stalpaard van der Wiele. Deze welbekende Delftse priester woonde in het Bagijnhof, het katholieke bolwerk van Delft. Waarschijnlijk wist iedere Delftenaar (waaronder de schout) dat hij hier woonde maar toch werd hij niet gearresteerd. Waarschijnlijk dankzij de hechte familiebanden met de schout. De zus van de schout, Ida, was namelijk de moeder van Stalpaards zwager Joost Dedel. Verder waren Pieter en Sasbout van der Dussen, twee vooraanstaande leden van de familie Van der Dussen, aanhangers van Stalpaard. Ondanks de religieuze onrusten aan het begin van de zeventiende eeuw werden de prominente katholieken niet actief vervolgd.
Conclusie

Concluderend valt op te maken dat het stadsbestuur wel degelijk werd beïnvloed door de religieuze twisten tussen katholieken en protestanten. De schout kreeg bijvoorbeeld recognitiegeld om de katholieken met rust te laten. Daarbij maakten zowel de katholieken als de protestanten gebruik van informeel persoonlijk contact en de familiebanden met de magistraat, om ervoor te zorgen dat het stadsbestuur beslissingen nam in het voordeel van de eigen kerk. De hechte familiebanden tussen het stadsbestuur en de kerkregeerders vergemakkelijkten deze gang van zaken. Opvallend aan de houding van het Delftse stadsbestuur is dat zij de chaos van het oproer (op aangeven van de protestanten) gebruikte om de vervolging van katholieken te verscherpen. Dit lijkt niet vanuit een religieuze overtuiging te zijn geweest, maar puur omdat zij een zondebok zochten voor het oproer van 1616.

4
Het optreden van het stadsbestuur

Dit hoofdstuk onderzoekt de reactie van de magistraat op het oproer. De stadsregeerders hadden verschillende repressiemiddelen om de onrust te doen verminderen. Ze konden proberen om het volk te kalmeren, bijvoorbeeld door persoonlijk contact, of om concessies te doen. Ook kon soms het prestige van een regent de gemoederen bedaren. Lichte dwang kon zij uitoefenen door bepalingen af te kondigen, bijvoorbeeld een sommering op straffe van een boete. Ook was het inzetten van de gerechtsdienaren of schutterij een optie. Toch stond de lokale overheid zwak wanneer het op een oproer aankwam. De schutterij was namelijk niet altijd betrouwbaar: soms koos zij partij voor het grauw of stadsbestuur of hield zij zich afzijdig. De medewerking hing soms af van de aard van het oproer. Bij voedseloproeren waren zij vaak wel betrouwbaar, bij belastingoproeren soms. Zodoende moest het stadsbestuur bepalen hoe het beste te handelen bij een oproer. De vraag voor dit hoofdstuk luidt: heeft het optreden van het stadsbestuur de onrusten nu juist verergerd of gekalmeerd?
1-2 augustus

De gebeurtenissen van 1 en 2 augustus 1616 lijken de burgemeesters zeer te hebben verrast. Nadat de ‘wijven’ op 1 augustus de pachter molesteerden en voor de nodige onrust zorgden, volgde er in eerste instantie geen reactie van de burgemeesters. Pas toen de onrust aanhield, probeerden de burgemeesters het grauw te dwingen om huiswaarts te gaan op straffe van een boete. Dit deden zij door middel van een publicatie: het had echter geen enkel effect. De publicatie zorgde enkel voor gejoel en geschreeuw. Hopende dat deze maatregel voldoende was, namen zij verder geen maatregelen en wachtten zij af in het stadhuis. Deze lakse, weifelende houding kwam hen de volgende dag duur te staan.
De heren burgemeesters merkten op de ochtend van 2 augustus dat er in verschillende wijken ‘op de ketel werd geslagen’. Trommelende vrouwen probeerden de Delftenaren te verzamelen om opnieuw te protesteren tegen de accijnsverhoging. De burgemeesters ontboden een handvol van de ergste raddraaiers, 3drie of 4vier vrouwen, in het stadhuis op de markt. Hierbij was ook een bakster die de pachter al eerder had belet zijn werk te doen. Wat er precies gezegd is, wordt niet duidelijk uit de bronnen, maar wel weten we dat de bakster zeer ‘“stout”’ sprak. De pogingen van de burgemeesters om het grauw te kalmeren leken ook nu geen enkel effect te hebben. Buiten het stadhuis werd het grauw alleen maar onrustiger. Nadat een huisvrouw het accijnshuisje zwaar beschadigde, begonnen mannen en jongens stenen te gooien en sneuvelden de ruiten van het stadhuis.
Francois Criep, de ooggetuige, schrijft in zijn beschrijving van het oproer:
‘“Abuis van de Heeren, hebbende gemerkt ’s daags te voren ’t geen daar passeerden, ende nu weder op een nieuw anging, hadden sulks soo kleen niet behoeven te agten; maar konden wel ordere onder de schutters bij tijds hebben gesteld, en de Commoty verhoed.”’
Inderdaad, de burgemeesters hadden verzuimd de dag ervoor enige maatregelen te treffen en lieten de situatie op zijn beloop. Criep merkte terecht op dat het stadsbestuur de schutters op zijn minst had moeten waarschuwen. Achteraf bezien, hadden zij zeker doortastender kunnen optreden. Bijvoorbeeld door de schutters uit het zicht te laten verzamelen, voor het geval de situatie uit de hand zou lopen. Een andere mogelijke maatregel was bijvoorbeeld om één of meerdere vendels te laten opstellen op de markt. Als zijnde een ontmoediging voor het grauw om zich te misdragen. Echter, geen van deze maatregelen waren getroffen, waardoor de situatie snel uit de hand liep.
De schout, Dirk Bruinsz van der Dussen, meende op deze tweede augustus dat hij door zijn autoriteit het volk kon bedwingen. Hij liep het belegerde stadhuis uit, in een poging het grauw tot bezinning te brengen. Maar hoe kwam hij op deze gedachte? Zijn moedige actie is goed te verklaren. De schout was al ruim zeven jaar in functie en was vanwege deze respectabele functie en bijbehorende ervaring een autoriteit om rekening mee te houden. Verder stamde de schout ook nog eens uit ééeen van de meest vooraanstaande families, zoals al in een eerder hoofdstuk werd beschreven. Ongetwijfeld meende de schout dat het verzamelde grauw naar hem zou luisteren vanwege zijn functie, staat van dienst en vooraanstaande familie. Helaas had de actie van de schout alleen niet de gewenste uitwerking: “'[de schout] verkeeg zoo veel steenen naar zijn kop, dat hij blijde was weder te geraken op ’t stadhuis […]”’. Over het wangedrag van het grauw ‘“waren de Heeren heel perplex”’. Het feit dat de burgemeesters verrast waren, onderbouwt dat zij zich niet realiseerden hoe erg de situatie uit de hand was gelopen: de burgemeesters hadden de situatie flink onderschat.
De bekogeling van de schout dwong de burgemeesters te reageren. Hoewel het afkondigen van plakkaten de situatie tot dan toe niet verbeterde, maar zelfs verergerde, besloten zij alsnog een nieuwe poging te wagen: ‘“[E]en ieder soude vertrekken naar sijn huis, men soude de vergaderingen doen leggen en haar te vrede stellen’”. Ook deze keer verbeterde een aankondiging de situatie niet. Er volgde een groot geroep: het grauw zag niets in een vergadering en zij wilden nu ook andere pacht hebben. Naast het verdwijnen van de nieuwe pacht op de tarwe, moest nu ook de pacht op het opperst kleed en de doodskisten verdwijnen. Het grauw kalmeerde dus niet, maar werd nog opstandiger door meer afschaffing van accijns te eisen.
Uiteindelijk besloten de burgemeesters in het geheim de schutterij op te roepen. Omdat het functioneren van de schutterij in een later hoofdstuk zal worden besproken, wordt daar hier niet op ingegaan. Voor dit hoofdstuk is het voldoende om op te merken dat het de schutterij niet lukte om het grauw te bedwingen. Uiteindelijk was het niet de schutterij of het stadsbestuur, maar een burger die de situatie wist te kalmeren. Ene Claas Jansz. van der Vorst betrad het stadhuis om de wensen van het grauw voor te leggen:
‘“[W]ij willen afhebben de nieuwe pagt, ende ’t opperste kleed, met ’t maken van de doodskisten.”’
De burgemeesters, feitelijk belegerd in het stadhuis en onder zeer zware druk, gaven grif toe en gingen akkoord met dit voorstel. De burgemeesters en schout “'[…] luyden de klok, lasen af, vergeven en vergeten te sijn ’t geen daar was gedaan. De pagt soude af zijn als ook het opperste kleed en de doods-kisten; hierover was een vrolijk geroep: Wij dancken de Heeren. Wij dancken de Heeren, weuiffende met hare hoeden.’”
Hiermee was de rust voorlopig wedergekeerd, het grauw keerde huiswaarts. Uiteindelijk wist het optreden van het stadsbestuur de oproerigheid niet te stoppen. Pogingen om de relschoppers tot inkeer te brengen faalden en het uitvaardigen van plakkaten had enkel een averechts effect. Pas toen de burgemeesters toegaven aan de eisen van de oproerkraaiers keerde de rust terug.
3, 9 en 15 augustus

In de nasleep van het oproer poogden de burgemeesters en de schout de orde zo snel mogelijk te herstellen. Na aanleiding van overdreven berichten stuurden andere steden hulptroepen. Als eerste arriveerde een vendel uit Den Haag. De broer van Prins Maurits, graaf Frederik Hendrik, leidde dit vendel. Op 3 augustus arriveerde ook nog een vendel Engelsen uit Schiedam. Omdat de rust al was hersteld (dankzij de concessie), arriveerde deze te laat om het verloop van het oproer te beïnvloeden.
Gesterkt door de gearriveerde vendels lieten de burgemeesters een week later, op 9 augustus, huiszoekingen doen om de oproerkraaiers op te pakken. De Franse huursoldaten en Delftse schutters ontdekten dat de ‘“principaalste Vogels’” al waren gevlogen en arresteerden slechts vier verdachten. Deze bleken overigens onschuldig.
‘“Ende de selve persoonen den voorleden nacht, in heur-luyder Huysen ghesocht zijnde, bevonden werden absent te zijn ende te latiteren. Soo ist, dat by desen eenen yegelijcken van weghen de Hooghe Overicheyt expresselijcken werdt verboden ende gheindiceert, de selve Persoonen ofte eenige van dien te huysen, hoven, ofte versteccken, op peyne van mede voor soo culpabel gehouden te werden, ende sulcx strafbaer te zijn, ghelijck de selve seditiese persoonen. Ende indien yemant eenighe der selven persoonen weet aen te wijsen, sulcx dat de selve daer door sullen mogen werden bekomen, sullen voor elcken Persoon genieten tot een vereeringe de somme van hondert Carolus guldens […].’
Het stadsbestuur constateerde dus dat veel verdachten zich schuil hielden en loofde beloningen uit. Dit werkte blijkbaar, want uiteindelijk werden er in totaal 64vierenzestig verdachten opgepakt.
Opmerkelijk genoeg werden zij door het Hof van Holland berecht en niet in Delft. Was dit onderdeel van een politiek spel? Vanwege de hoge mate van decentralisatie verzetten de steden zich doorgaans tegen Staatse inmenging. Waarom nu niet? Wellicht zagen de burgemeesters een kans om de bevolking voor zich te winnen. Het Delftse stadsbestuur ontving na de onrusten verschillende particuliere verzoeken om een pardon voor de verdachten. Volgens deze inzendingen waren de veroordeelden veelal ‘“Luyden van gering vermogen”’ en daarom “’genegen tot genade als rigeur van justitie”’. Ondanks de grote schade, beledigingen en dreigementen besloten zij dit verzoek door te sturen naar het Hof. De burgemeesters en schout verzochten Prins Maurits zelfs om gratie te verlenen. Het verzoek werd ingewilligd op 23 januari 1617; twintig van de veroordeelden kregen een pardon. De overige elf werden: ‘Uyt den lande gebannen’. Opvallend is dat er slechts drie vrouwen of ‘wijven’ onder hen waren. Weinig veroordeelde vrouwen dus voor een oproer die bekend staat als een ‘vrouwenoproer’. Mede dankzij het verzoek van het Delftse stadsbestuur kwamen de veroordeelden er dus genadig van af. Ongetwijfeld waren de veroordeelden het stadsbestuur daarvoor veel dank verschuldigd. Een interpretatie van voorgaande handelingen is dat de regenten zo de loyaliteit terugwonnen van de Delftse bevolking. Omdat de pacht op het graan en het doodskleed na het oproer gewoon weer ingevoerd werd, konden de regenten door deze maatregel de precaire machtssituatie behouden. Uiteindelijk veranderde de onrust niets: de pacht bleef en de stadsbestuurders behielden hun functies. Dit was overigens een terugkerend fenomeen in de zeventiende eeuw.
Conclusie

De daadkracht van de burgemeesters liet tijdens het oproer flink te wensen over. Op 1 augustus reageerden zij laks en deden weinig om de gespannen situatie te kalmeren. Op 1 en 2 augustus kondigden zij in totaal twee publicaties af, die het grauw alleen maar opstandiger maakten. Pogingen van de burgemeesters om de ergste raddraaiers tot inkeer te brengen waren te halfslachtig om enig effect te hebben. Toen de schout een joelende mensenmassa trotseerde was het al veel te laat: het grauw was door het dolle heen. Ooggetuige Francois Criep schreef over de actie van de schout: ‘“Dit was te spade, ’t volk was gaande, ‘waar goed geweest bij tijds daar in versien te hebben.’” Het stadsbestuur trad absoluut niet effectief op tijdens het oproer en liep steevast achter de feiten aan. De afgekondigde publicaties en aangekondigde vergadering verergerden de onrust alleen maar. In de nasleep herstelde de magistraat zich echter uitstekend.
Bewust van de onpopulaire pachtmaatregel en geschrokken van het spontaan ontstane geweld koos de magistraat ervoor om zich barmhartig op te stellen. Hoewel er flinke materiële schade was en de stadsbestuurders behoorlijk in het nauw waren gedreven, drongen zij niet aan op strenge straffen bij het Hof van Holland. Zij vroegen zelfs om gratie voor de veroordeelden. Hieruit blijkt dat het stadsbestuur probeerde in het reine te komen bij de Delftse inwoners. Het stadsbestuur werd door de Delftenaren ongetwijfeld gezien als ‘barmhartig’ door het verzoek om gratie. Verder wist het stadsbestuur, door de berechting in Den Haag plaats te laten vinden, zichzelf handig buiten spel te zetten. Het stadsbestuur kon zo geen blaam treffen als de veroordeelden streng werden gestraft. Het Hof van Holland deelde de straffen uit, waardoor het Delftse stadsbestuur de mogelijkheid had om als ‘redder’ op te treden. Politiek gezien dus erg slim gehandeld. Het optreden van het stadsbestuur in de nasleep van het oproer is dan ook gewiekst te noemen. Zij wisten door politiek handige zetten weer in het reine te komen met de bevolking.

5
De Delftse schutterij

Dit hoofdstuk onderzoekt de rol van de Delftse schutterij tijdens het oproer. Normaliter beschermden de schutters de stad tegen externe, of zoals tijdens het oproer van 1616, interne bedreigingen. De taak van de schutterij werd in de schuttersordonnantie van 1397 als volgt beschreven:
‘“[…]om ’t Gerechte te stercken, en de onrust te helpen benemen”’.
Toen de schutterij tijdens het oproer van 1616 (erg laat) werd opgeroepen bleek de schutterij absoluut niet in staat deze taak te vervullen. Het slechte optreden riep de volgende vragen op. Waarom functioneerde de schutterij zo slecht, en waarom wisten zij de onrust niet te bedwingen? Om deze vraag te beantwoorden is het nodig om eerst de opbouw van de Delftse schutterij te onderzoeken.
De opbouw van de schutterij

De vroegste bron aangaande de Delftse schutterij stamt uit 1397; toch was er hoogstwaarschijnlijk vanaf de twaalfde eeuw al een schutterij aanwezig. In eerdere eeuwen werden de Hollandse steden groter en ingewikkelder van samenstelling en ontstond er behoefte aan een mogelijkheid om gewapend op te treden bij eventuele onrusten. De schutterij bood hiervoor uitkomst.
Zoals in andere steden bestond de Delftse schutterij uit gegoede burgerij: de officieren kwamen uit regentenfamilies, het voetvolk vooral uit de middenklasse. Een enkele keer kwam een rotgesel uit de lagere klasse. Een Delftse schutter moest financieel sterk in zijn schoenen staan, anders kon hij uit de schutterij worden gezet:
“’Ende uyt dezer Schutterije en zal niemant mogen komen, ten waer dat saeke, dat hij oflijvigh worde, of veroude, of verarme ontporteert worde, of hem soo onredelycken regeerde, dattet die goede luyden van den Gerechte, endie die Hooftmans metten Coninck met reden uytsetten mogen, ende eenen goeden bescheiden man daer weer insetten mogen”’.
Ook Van Bleyswijck vermeldde meerdere malen dat alle schutters uit de gegoede burgerij werden gekozen of benoemd. Binnen de schutterij zelf was er ook een zekere hiërarchie. De Ridderlijke Confrérie was als het ware de kern van de Delftse schutterij. Zij handhaafden ook oude schutterstradities zoals het papegaaischieten.
Qua organisatie en grootte was de Delftse schutterij flink gegroeid. Bestond de Delftse schutterij in 1397 nog uit honderd man, in 1580 groeide dit uit tot vier vendels. Ook werd het aantal schutters vergroot; van 120 schutters per vendel naar 192. De kapitein, de luitenants en de vaandeldragers werden hier niet bij gerekend. Deze organisatie en grootte bleven gehandhaafd tot 1655. Zodoende beschikte de stad Delft tijdens het oproer van 1616 dus over ongeveer 800 schutters.
In vergelijking met evenwaardige steden was de schutterij klein. Dirck van Bleyswijck zei hierover:
‘“[…] maerde wijse en voorsichtige Magistraet heeft tot noch toe niet geraedsaem gevonden anderen dan alleen uytgelesene Burgers van de fatsoenlyckste slach en die van vermogen zijn daer toe t’admiteren waer van daen oock een oudt spreeck-woordt sijn oorsprong heeft genomen, dat een schutter van Delft soo goet is als een Vroetschap van andere een weynig geringer steden”’.
Ondanks het feit dat de schutters vaak uit gegoede families kwamen en de officieren vaak (familie-)banden hadden met de magistraat, kregen zij maar weinig vrijheden. Zo mochten de kapitein en hoofdmannen geen enkele vergadering bijeenroepen zonder nadrukkelijke toestemming van de burgemeesters. Daarbij moest de magistraat op de hoogte worden gebracht ‘“van de saecke waer op zij de schutters zouden willen convoceren’”. De burgemeesters moesten dit verzoek “’in alle redelyckheyd’” toestaan. Hieruit bleek dat de burgemeesters de schutterij niet vertrouwden en duidelijk bevreesd waren voor onrust binnen de schutterij.
Het optreden van de schutterij

Bij het oproer van 1616 komt de Delftse schutterij pas rijkelijk laat in beeld. Op 1 augustus werd zij niet opgeroepen en ook ontving zij geen nieuwe orders voor een mogelijke ontplooiing voor de volgende dag. Ook toen het accijnshuisje en het stadhuis zwaar beschadigd raakten, werd zij nog niet in de wapenen geroepen. De directe aanleiding voor het oproepen van de schutterij ontstond na een afkondiging van de magistraat op 2 augustus. Deze afkondiging volgde, nadat de schout door stenen was bekogeld. Daarna kondigde de magistraat het volgende af: “'[de burgemeesters] soude de vergaderingen doen legge en haar [het grauw] te vrede te stellen’”. Zoals eerder vermeld werd het rumoer na de afkondiging enkel groter. Het grauw riep nu om het (Holofernus-)hoofd van burgemeester van der Eyk, “’want op hem waren zij gebeten, dewijle hij haar [het grauw] hadde bejegent met harde woorden’”. Overigens durfden de schepen, de schout en burgemeester van der Eyk niet naar buiten te komen bij deze afkondiging en bleven dus in het stadhuis. Dit vanwege het feit dat het grauw ‘“seer hart op haar waren gebeten’”. De vijandige reactie van het grauw op de afkondiging was de laatste spreekwoordelijke druppel. De burgemeesters ontboden nu heimelijk de schutterij.
Opvallend is echter dat deze oproep ‘“slaplijk [werde] aangenomen”’. Klaarblijkelijk voelden de schutters er weinig voor om de menigte ‘beroermakers’ aan te pakken. Was dit omdat de burgemeesters hadden nagelaten hen op tijd op te roepen? Al met al werden zij pas opgeroepen toen de onrust al vreselijk uit de hand was gelopen. Omdat te veel schutters niet kwamen opdagen werden de burgemeesters zeer angstig. De burgemeesters ‘“die van binnen ’t Stadhuis vol vrese sijnde klopten de klok Allarm.’” Hierdoor moesten de schutters wel in de wapenen komen. Toch wisten zij het stadhuis niet te ontzetten, waarom niet?
De schutters formeerden zich bij de verzamelplekken, gelegen op hun normale wachtronde. ‘“[D]it de Beroermakers siende, liepen de heele stad door, met steenen werpende waar dat haar gemoetende Eenige gewapende schutters […]’”. De oproerkraaiers zagen dus de kleine groepjes schutters verzamelen en bekogelden hen met stenen. Het grauw wist de musketten en halve pieken van de schutters te ontnemen, waarna zij de schutters de huizen indreven. Zo ook in het huis van ene kapitein Boudewijn. Het grauw gooide met stenen de ruiten in, net zoals bij het huis van burgemeester Graef en de huizen van vele andere burgers. De schutters schoten overigens niet, want ‘“veele Schutters hebbende kruid nog loot’”. Een kleine groep schutters probeerde via de Koornmarkt (linksonder op de illustratie, nabij het stadhuis) de burgemeesters te ontzetten. Zij slaagden hier echter niet in, omdat alle toegangswegen naar de markt waren ‘gebarricadeerd’ met wagens en suikerkisten. Maar hoe kon het zo makkelijk zijn voor het grauw om de markt te bezetten? De reden was de ligging van de markt. Slechts negen bruggen boden toegang tot de markt en daarmee het stadhuis (het onderste grote gebouw op de illustratie). De stad Delft is gebouwd op ‘eilandjes’; kleiplaten omringd door het water van de beroemde grachten. Deze grachten zorgden ervoor dat de huizen niet onderwater liepen. De markt was ééeen van deze ‘eilandjes’. De bruggen maakten het tot een goed afsluitbaar plein. Van deze ligging maakte het grauw handig gebruik.

Toch lijkt het onwaarschijnlijk dat een meute ‘wijven’ en jongens een getrainde en gemotiveerde schutterij van 800achthonderd man kon tegenhouden. Er moet nog iets anders aan de hand zijn geweest. Want 800achthonderd man, bewapend met musketten en pieken (eventueel met geïmproviseerde wapens) moeten toch in staat zijn geweest een bonte verzameling grauw uiteen te jagen? Zoals gezegd probeerde een groepje schutters de ‘barricade’ op de Koornmarkt te doorbreken, maar faalde. Maar waar waren alle andere schutters? Waarschijnlijk ontbrak de motivatie bij de schutters. Bij de eerste oproep van de burgemeesters om in de wapenen te komen, verschenen de meeste gewoonweg niet. Pas toen de alarmklok luidde verzamelden zij zich mondjesmaat. Daarbij werden zij door het grauw verjaagd en de wapens afhandig gemaakt. Francois Criep schreef over het optreden van de schutters: “’Eenige Schutters weigerden verscheiden maal haar musketen; andere schoten te hoge; zulks dat niemand werde geraakt of gequetst van het graau.’” Klaarblijkelijk wilden vele schutters niet bij dit oproer betrokken raken. Zij die wel verschenen, mikten opzettelijk te hoog of schoten überhaupt niet. Niet bepaald een inzet van een schutterij, die goed gemotiveerd een oproer probeerde te beteugelen. Steunde de schutterij in hun hart soms het grauw, dat zwaar te lijden had onder de nieuwe pacht? Of was het een wraakactie voor het gebrek aan vertrouwen van de burgemeesters? Wellicht een combinatie van deze redenen, want uit het ooggetuigenverslag werd het niet duidelijk. In ieder geval bleken de meeste schutters slecht gemotiveerd om de onrust aan te pakken en gingen zij het grauw niet met volle inzet te lijf.
Conclusie

De Delftse magistraat vertrouwde de schutterij niet. Waarschijnlijk was dit ééeen van de redenen dat de schutterij pas zo laat in de wapenen werd geroepen. Pas nadat de situatie al behoorlijk uit de hand was gelopen werd hulp van de schutterij opgeroepen: eerst met stille trom en daarna met de alarmklok.
In eerste instantie reageerde de schutterij helemaal niet, bij de tweede oproep reageerden slechts enkele schutters. Hieruit blijkt dat de meeste schutters slecht gemotiveerd waren om het oproer neer te slaan. Ongetwijfeld had de 800achthonderd man sterke schutterij genoeg mankracht om het grauw aan te pakken, maar toch hielden zij zich liever op de vlakte. Wellicht steunden zij het grauw, omdat zij het zelf ook niet eens waren met de nieuwe pachtmaatregel. De uiteindelijke inzet werd door verschillende factoren ineffectief gemaakt. De verzamelplaatsen waren onhandig gekozen, waardoor het grauw de kleine groepjes schutters kon verjagen. Daarnaast hadden de schutters geen kruit of kogels waardoor ze, al hadden ze gewild, het grauw niet konden bestrijden. Verder wist het grauw te voorkomen dat de schutters zich formeerden tot een effectieve eenheid. De weinige schutters die uiteindelijk wel probeerden om de burgemeesters in het stadhuis te ontzetten, liepen al gauw vast op de barricades. Geïmproviseerde barricades van suikerkisten en wagens maakten de markt tot een moeilijk inneembare vesting. De buitengewone situatie van de markt, enkel toegankelijk via de grachtenbruggen, maakte het bijzonder makkelijk voor het grauw de markt af te sluiten.
Uiteindelijk bevrijdde de schutterij de burgemeesters niet uit hun benarde situatie. Het stadsbestuur zag geen andere keus en gaf toe aan de eisen van het grauw.

Conclusie

In deze scriptieit artikel is het oproer van 1616 onderzocht. De onrust vond plaats in een economisch mindere periode waarin de bevolking onder zware belastingdruk stond. Om de lokale economie te stimuleren liet het Delftse stadsbestuur een nieuwe haven aanleggen: de zuidelijke kolk. De enorme aanlegkosten moesten worden terugverdiend. Daarom besloot de magistraat tot een verhoging van de graanaccijns. De pachter, verantwoordelijk voor de inning van de accijns, pakte de situatie zeer onhandig aan en de vlam sloeg in de pan.
Het onzorgvuldig handelen van de pachter op 1 augustus was de aanleiding waardoor het oproer plaatsvond. Het was echter onbekend waar dit zich precies afspeelde, nu blijkt dat dit hoogstwaarschijnlijk in de watermolen het Duyvelsgat op de Geerweg was. In eerste instantie kwam deze molen niet in aanmerking, omdat op verschillende kaarten (onder. a.ndere Figuratief van Delft) deze molen als kale romp werd weergegeven. Ook betreft het hier een watermolen, en niet een korenmolen zoals werd beschreven. Molen het Duyvelsgat bouwde men om het grachtenwater te verversen, niet als zijnde een korenmolen, al was dit wel de secundaire functie. Toch werd op eerdere kaarten wel een werkende molen afgebeeld. Waarschijnlijk is de molen beschadigd geraakt bij de kruithuisramp van 1654, of al eerder buiten werking gesteld: mogelijk in 1633. Dat is de reden dat de molen zonder wieken is afgebeeld. Omdat het verder de enige molen op de Geerweg was, lijkt het zeer waarschijnlijk dat dit de startplek van het oproer was.
Voorafgaand en na het oproer werd het Delftse regentenpatriciaat beïnvloed door de religieuze twisten. Voor de onrust wisten de katholieken godsdienstvrijheid af te kopen door recognitiegeld te betalen bij de schout. Ook bepleitten kerkleiders met succes hun wensen bij de regenten. Daarbij maakten zowel de katholieken als de protestanten gebruik van informeel persoonlijk contact en de familiebanden met de magistraat, om ervoor te zorgen dat het stadsbestuur beslissingen nam in het voordeel van hun eigen kerk. De hechte familiebanden tussen het stadsbestuur en de kerkregeerders vergemakkelijkten deze gang van zaken. Na het oproer besloot het stadsbestuur de katholieken strenger te gaan vervolgen, op aangeven van de protestantse kerk. Jezuïet Makeblijde zei dat de magistraat vooral de katholieken de schuld gaf. Het lijkt onwaarschijnlijk dat de katholieken achter het oproer zaten, want het oproer had een duidelijk sociaaleconomisch karakter. Daarbij sprak Francois Criep met geen woord over religieuze spanningen tijdens het oproer. Het lijkt voor de hand liggend dat de magistraat een zondebok zocht en vond, en liet zich in dit geval maar wat graag beïnvloeden.
Tijdens het oproer wendde de magistraat alle repressiemogelijkheden die zij voor handen had. Toch voorkwam deze de verdere escalatie niet. De repressiemogelijkheden bleken dus ontoereikend. Tussen 1 en 2 augustus trachtten de burgemeesters tweemaal het grauw huiswaarts te bewegen door het afkondigen van publicaties. Het vergrootte echter enkel de onrusten. Ook de persoonlijke inmenging van de schout faalde jammerlijk. Onder een barrage van stenen keerde hij snel weer terug naar het stadhuis. Tot dusverre verergerde het stadsbestuur dus de onrusten door haar optreden. In de nasleep wist het stadsbestuur echter de onrust te gebruiken om weer in het reine te komen met de Delftenaren. Het stadsbestuur nam het ongewone besluit om de verdachten door het Hof van Holland te laten berechten. Dit maakte het mogelijk om te pleiten voor een pardon voor de veroordeelden. Het stadsbestuur had alle reden om verbitterd te zijn, vanwege de zware schade aan het stadhuis en beledigingen aan hun adres. Ongetwijfeld was deze ‘zachte’ opstelling een reden tot vreugde bij de verdachten en inwoners van Delft. De rust keerde terug en de regenten behielden hun functie: de wankele machtspositie van het stadsbestuur bleef voorlopig gehandhaafd.
Een ander voorbeeld van de precaire machtspositie is de inzet van de schutterij. Tot op het allerlaatste moment wachtte de magistraat totmet het in de wapenen roepen van de schutterij. Uit ordonnanties blijkt dat de burgemeesters de schutterij niet vertrouwde. Wellicht terecht, want zij reageerde nauwelijks ondanks het feit dat zij maar liefst twee keer werd opgeroepen. De schutterij was uiteindelijk niet effectief in het bestrijden van het oproer door verschillende redenen. Ze werden pas zeer laat opgeroepen, de verzamelplekken waren onhandig gekozen en ze hadden geen kruit of lood om eventueel terug te vuren. Verder ontnam het grauw hen de wapens en wierpen zij effectieve barricades op. Door de ligging van het Delftse marktplein wisten zij dit ‘eiland’ met stadhuis goed af te sluiten van de rest van de stad. Natuurlijk speelde ook de motivatie een rol. Een inzet van 800achthonderd goed gemotiveerde schutters had ongetwijfeld het grauw uiteen kunnen jagen. Opvallend is dat slechts kleine groepjes schutters probeerden het stadhuis te ontzetten: blijkbaar schortte het aan de motivatie om de onrusten te beëindigen. Misschien steunden de schutters de eisen van de burgers wel, zoals wel vaker gebeurde bij belastingoproeren. Het was uiteindelijk niet een burgemeester of de schutterij die het oproer beëindigde, maar een burger. De accijnsverhoging was van de baan, alsook de accijns op het opperst kleed en de doodskisten. Hieruit valt te concluderen dat de burgemeesters door de tijdelijke chaos en hun onmacht repressief op te treden, geen andere keus zagen dan concessies te doen aan het grauw.
In de weken na het oproer trof het stadsbestuur maatregelen om een dergelijk oproer te voorkomen. Er werd een voorbeeld gesteld: alleen de ergste daders kregen zware straffen. Verder werden de katholieken tot zondebok gemaakt en werd hun vervolging aangescherpt. De schout zou hen in 1617 niet met rust laten. De schutterij werd ook onder de loep genomen.
De Staten van Holland drong al aan: ‘“[…] dat men de Schutterije deser Stadt mit de beste en gevouchlicxste middelen sall redigeren in een betere en bequamer ordre […]’”. Op de kwaliteit van de schutters zou beter worden toegezien en de stad werd verdeeld in vier kwartieren. Hierin kregen de vier vendels betere verzamelplekken.
Uiteindelijk was de ‘overwinning’ van het grauw van korte duur. De volgende dag, nadat andere vendels uit verschillende steden arriveerden, draaiden de burgemeesters de concessie snel weer terug.
“'[…] en aengaen de publicatie op gisteren gedaan nopen het afschaffen van Impositie opt gemael, beste Cleet en Dootkisten Es goet gevonden ‘selve te houden […]’”.

Bronnen en Literatuur

Afkortingen:

ACD: Acta Classis Delft en Delfland
AKD: Acta Kerkenraad Delft
AJN: Archief van de Nederlandse Provincie der Jezuïeten te Nijmegen
ARA: Algemeen Rijksarchief
RVD: Resoluties Veertigraad Delft

Archieven

Gemeentelijk Archief Delft

‘Acte van non Prejudicie van ’t Hof van Holland … di proceduren gematte jegens 5 ontdadigen in de beroerte van 2 augusti 1616’, 19 september 1616, no. 591.
Criep, F., Tumulten binnen de Stad Delft in Augustus 1616, 19 september 1616, no. 591.
Ordonnantie op de Schutterijen (Kopie), 1397, no. 1254.
Ordonnantie op de Schutterijen, 1567, no. 1257.
Ordonnantie op de Schutterijen, 12 mei 1580, no. 1259.
RVD, Extract uit het 3e Resolutieboek van Veertigen, 3 augustus 1616, Bijlage I.

Algemeen Rijksarchief
ARA, HvH, het betreft hier getuigenverslagen en andere documenten, 5222-5.
ARA, HvH, ‘Tweede Brief van Pardon’, Criminele papieren 1617, 5222-5.

Overige Archieven
AKD, 23-11-1573.
AKD, 29-8-1616.
ACD, 7-2-1613.
AJN, ‘Acta Missionis Hollandicae II’, fol. 181.

Uitgegeven bronnen

Boitet, R., Beschrijving der Stad Delft (Delft 1729).
Stoutendam, J., Mededeelingen uit het archief der Stad Delft, (Delft 1862).
van Bleyswijck,D., Beschrijvinge Der Stadt Delft (Delft 1667).

Literatuur

Abels, P.H.A.M., A. Ph. F. Wouters, Nieuw en ongezien. Kerk en samenleving in de classis Delft en Delfland 1572-1621, Boek 1 (Delft 1994).
Abels, P.H.A.M., A. Ph. F. Wouters, Nieuw en ongezien. Kerk en samenleving in de classis Delft en Delfland 1572-1621, Boek 2 (Delft 1994).
Dekker, R., Holland in Beroering oproeren in de 17de en 18de eeuw (Baarn 1982).
Dijksterhuis, E., Simon Stevin (’s-Gravenhage 1943).
Fruin R., Uittreksel van Francisci Dusseldorpii Annales 1566-1616 (’s-Gravenhage 1893).
Mensink, B. A., Jan Baptist Stalpart van der Wiele. Advocaat, priester en zielzorger 1579-1630 (Bussum, 1958).
Sickesz, C. J., Schutterijen in Nederland (Utrecht 1864).
Van der Hoeven, A., Delft Stad met een vergeten bierhistorie (Delft 2007).

Artikelen

Boekwijt, H. en E. van Olst, Delftse Windmolens 1572-1667, in: I. V. T. Spaander, R. A. Leeuw, De Stad Delft, cultuur en maatschappij van 1572 tot 1667 (Stedelijk Museum het Prinsenhof 1981).
Boogman, J.C., De overgang van Gouda, Dordrecht, Leiden en Delft in de zomer van het jaar 1572, in TvG 57, 1942.
Knuif, W.L.S., J. de Jong, Philippus Rovenius en zijn bestuur der Hollandsche Zending, in: AAU 50, 1925, 1-401.
Posthumus N. W., Kinderarbeid in de zeventiende eeuw in Delft, in: Economisch Historisch Jaarboek 22, 1943.
Spaander I. V. T., R. A. Leeuw, De Stad Delft, cultuur en maatschappij van 1572 tot 1667 (Stedelijk Museum het Prinsenhof 1981).

Timmer, E.M.A, Grepen uit de geschiedenis der Delftsche brouwnering, in: De Economist 1920.
Verburgt, P.J.G. Jr., Belastingoproer op de Markt, 9 mei 1952.

Internetbronnen

Digitale Stamboom Delft, online beschikbaar: http://www.delft.digitalestamboom.nl/ Geraadpleegd op: 20 mei 2010.

Bijlage: Lijst veroordeelden
Veroordeeld, maar gepardonneerd:
Abraham Maertensz (saaiwever)
Andries Klaesz (Mosselman)
Dirck de Kladder (Stoelverver)
Gillis Dircksz (Geelgieter)
Gijsbrecht Cornelisz (Timmerman)
Govert Jansz
Hendrickje Lambrechts (Appelverkoopster)
Jacob Dircksz (Kuiper)
Jan Willemsz (Leidekker, Metselaar)
Joost of Joris Claesz (Koolkruier)
Catelijn, Ael Smitsdr
Kommer Jacobsz (Deuviksnijder)
Cornelis Adriaensz (Timmerman)
Maerten Jacobsz alias Cleijn Maerten (Marktschuitvoerder)
Maerten Pietersz Roelandt alias Coekack (Smid)
Michiel Lenertsz Mol
Steven Hendricksz (Schoenlapper)
Willemtjen Dircksz
Willem Thijsz (Hoedenmaker)
Veroordeeld en verbannen (op straffe van de dood):
Reym Isacx (Dunbierverkoopster)
Dirckje de Borre
Jan Jansz Schapenwoelen
Pieter Jansz Schapenwoelen
Klaes met den Baert (Kleermaker)
Dirck Melsz (Schoenmaecker)
Arien Cornelisz (Lyndraeyer)
Jan Jansz Negenoogen (Smit)
Adriaen Bartelmeeusz
Leonara (Huisvrouw) van Longeville
Barent Klaesz (Leidekker)

About the author:

Back to Top