Ralph van Hertum: Holocaustmonumenten in Middelburg en Zierikzee

Ralph van Hertum: Holocaustmonumenten in Middelburg en Zierikzee

Reacties uitgeschakeld voor Ralph van Hertum: Holocaustmonumenten in Middelburg en Zierikzee

Ralph van Hertum

Samenvatting

Geschiedenis zoals geschiedenis is bedoeld: gedegen bronnenonderzoek (in zowel krantenarchieven als notulen van gemeenteraadsvergaderingen), een heftig onderwerp (Holocaustmonumenten in Zeeland) en vanuit het nationale op het regionale inzoomen om vervolgens over beide iets steekhoudends en origineels te zeggen. Dit alles krijgt Van Hertum voor elkaar in zijn toegewijde Holocaustmonumenten in Middelburg en Zierikzee. Hij laat daarbij zien hoe de totstandkoming/oprichting van de monumenten aan de Walensingel in Middelburg en de Caustraat in Zierikzee, de opvatting ondermijnen dat historici wetmatigheden kunnen ontlenen aan de geschiedenis. Kortom, history at its finest!

Download de PDF

Ralph van Hertum (pdf)

Lees met ISSUU

Volledige Tekst

INLEIDING

Vijftien jaar wachten op een herdenkingsplaats

Op dinsdag 24 maart 1942 riep de Duitse bezetter alle Joodse inwoners van Zierikzee bijeen. Per boot en per trein werden ze vervolgens naar Amsterdam getransporteerd. Onder hen bevond zich Henoch Labzowski en zijn gezin, bestaande uit mevrouw Labzowski en twee dochters. Op 6 december 1945 keerde Henoch alleen terug naar Zierikzee. Hij had in de concentratiekampen zijn vrouw en dochters verloren. Als enige van de drie Joden uit Schouwen-Duiveland die de Holocaust overleefden, koos Henoch ervoor terug te keren naar zijn woonplaats Zierikzee. Op 24 december 1946 hertrouwde hij daar met Sara Drukker.
Het ‘nieuwe’ gezin Labzowski heeft jaren moeten wachten ¬– tot 1960 – voordat in de stad aan de Oosterschelde een Holocaustmonument werd onthuld voor de Joodse slachtoffers. Toen dit uiteindelijk gebeurde, was dit – zoals Sara Drukker het teleurgesteld verwoordde –, ‘te laat.’
Rob van Ginkel beweert in zijn Rondom de stilte (2011) dat de Nederlandse Holocaustherdenking pas werkelijk op gang kwam aan het begin van de jaren zeventig. Daarbij wijst Van Ginkel erop dat de autoriteiten de aanleg van monumenten tegenwerkten, dat de lokale betrokkenheid gering was en dat de monumenten voornamelijk waren opgericht ter herdenking van omgekomen soldaten en verzetshelden. Echter, al zes jaar voordat het Holocaustmonument in Zierikzee werd onthuld, had Middelburg als eerste Zeeuwse plaats een Joods herdenkingsmonument. In 1954 werd in Middelburg namelijk een herdenkingsteken geplaatst aan de Walensingel bij de Joodse begraafplaats.
Kortom, de twee belangrijkste Holocaustmonumenten in Zeeland stroken niet met Van Ginkels constateringen. Beide zijn immers opgericht (riant) voor de jaren zeventig en kampten bovendien niet met bovengenoemde tegenwerking van de autoriteiten, een gebrek aan lokale betrokkenheid of verdrukking door andersoortige monumenten. De vraag resteert: zijn Zierikzee en Middelburg de uitzonderingen die de regel bevestigen? Uit het archief van de gemeente Schouwen-Duiveland, waartoe Zierikzee tegenwoordig behoort, blijkt dat de Holocaustherdenking van Zierikzee een ander patroon kende dan Van Ginkel in zijn boek schetst. Het is deze tegenstrijdigheid die de aanleiding vormt van dit onderzoek naar de oprichting van de twee Joodse herdenkingsmonumenten in Zeeland.
De centrale vraag van dit onderzoek luidt: waarom werden in de Zeeuwse plaatsen Middelburg (1954) en Zierikzee (1960) Holocaustmonumenten opgericht? Deze onderzoeksvraag lijkt eenvoudig. Het voor de hand liggende antwoord is immers dat in Middelburg Joodse overlevenden het initiatief namen en dat in Zierikzee de burgemeester zich in zette voor het Holocaustmonument. Achter de oprichting gaan echter cruciale vragen schuil. Bijvoorbeeld: welke rol speelden de plaatselijke bevolking, de burgemeester en wethouders, en de landelijke overheid in het tot stand komen van de monumenten? En: waarom bleef de burgemeester van Zierikzee bij zijn voornemen een Joods herdenkingsmonument op te richten? Dit ging namelijk alles behalve zonder slag of stoot door het verzet van de enige Joodse overlevende in de stad, het gebrek aan steun van de overheid voor de oprichting, de afwezigheid van een algemeen verzetsmonument en het gemis van een watersnoodmonument.
Dit onderzoek draait hiernaast om de ontwikkeling van de collectieve herinnering van de Nederlandse burgers aan de Jodenvervolging. Historici en andere wetenschappers hebben geprobeerd om dit gemeenschappelijke geheugen aangaande de Jodenvervolging vast te leggen in fasen. In de eerste fase zouden de Nederlanders de Joden als onderdeel van alle slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog hebben gezien. Rond 1970 begon het tij te keren en in deze tweede fase kregen de Joden een centrale plaats toebedeeld in de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Tenminste, dit is de algemeen aanvaarde theorie. In dit onderzoek daarentegen wordt aan de hand van twee voorbeelden, te weten de monumenten in Middelburg en Zierikzee, betoogd dat die ontwikkeling moeilijk is te vangen in voornoemde twee fases. Dit komt doordat elke Nederlandse stad, gemeente en provincie op zijn eigen manier omging/omgaat met de herinnering aan de Holocaust.
De structuur van dit onderzoek is als volgt. In het eerste hoofdstuk wordt het onderzoeksonderwerp kort en bondig besproken. Van Ginkel, De Haan en Lagrou, die allen over de Nederlandse collectieve herinnering aan de Jodenvervolging hebben geschreven, worden hiervoor ingeschakeld. Aan de hand van hun werk is de omkadering van dit onderzoek weergegeven. In hoofdstuk twee komt de oprichting van het Holocaustmonument in Middelburg aan bod. Hierbij wordt onderzocht waarom het monument is gebouwd, wie het initiatief daartoe nam(en) en welke rol de gemeente hierin speelde. In hoofdstuk drie wordt nader ingaan op de situatie in ‘Monumentenstad’ Zierikzee. Het bijzondere initiatief van de burgemeester, de afwijzing van het monument door de laatste Zeeuwse overlevende van de Jodenvervolging, de plaats waar het monument mocht komen: dit alles passeert de revue. Het onderzoek naar het Holocaustmonument in Middelburg in het tweede hoofdstuk is van diepgang voorzien door bronnenonderzoek in het Zeeuws Archief – hier liggen de raadsvergaderingenverslagen van het gemeentebestuur van Middelburg.
Ook de betalingsafspraken omtrent het herdenkingsmonument en gegevens over wie het monument zou onderhouden, zijn terug te vinden in het archief in Middelburg. Verdere informatie over de initiatiefnemer van het monument, Mozes Polak, is geleverd door Aad Vos. Daarnaast waren edities van de Provinciale Zeeuwse Courant via de Krantenbank Zeeland oproepbaar. Met name de edities van 13 september en 20 september 1954 bevatten relevante informatie. Tevens is gesproken met leden van de Joodse gemeenschap in Middelburg.
Voor het onderzoek naar het Holocaustmonument in Zierikzee (derde hoofdstuk) is informatie gehaald uit het gemeentelijke archief van Schouwen-Duiveland. Aan de hand van de documentatie uit dat archief is een verhaal gecreëerd dat antwoord geeft op vragen die over de oprichting van het monument aan de Caustraat kunnen worden gesteld. Verder bevinden zich in de Zeeuwse bibliotheek artikelen over de Zierikzeese burgemeester Frans Theodoor Dijckmeester. Hij speelde een centrale rol in de totstandkoming van het monument (waarover later meer). In de lokale kranten is over het herdenkingsmonument in Zierikzee en de afvoering van de Joden meermaals geschreven. Zo herdacht de Zierikzeesche Nieuwsbode op 24 maart 1992 de deportatie van de Zierikzeese Joden. Al deze bronnen zijn gebruikt in de bestudering van het Holocaustmonument. Voordat hier het verhaal van de oprichting van de Holocaustmonumenten in Middelburg en Zierikzee wordt uiteengezet, beginnen we met de omkadering van het narratief van dit onderzoek. In andere woorden, wat schreven de drie onderzoekers Van Ginkel, De Haan en Lagrou over de collectieve herinnering aan de Jodenvervolging in Nederland?

1
Van Ginkel, Lagrou en De Haan over collectieve herinnering

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de denkbeelden van Lagrou, Van Ginkel en De Haan over de collectieve herinnering in Nederland aan de Jodenvervolging. Alle drie de onderzoekers behandelen die collectieve herinnering uitvoerig in hun werk.

Van Ginkel

Allereerst is Van Ginkels visie aan de beurt. In zijn Rondom de stilte belichtte hij de plaatsing van monumenten in Nederland na de Tweede Wereldoorlog. De titel van het boek weerspiegelde de kerngedachte van het boek: de Nederlanders startten na de oorlog een herdenkingscultuur, maar daarin was de Holocaust niet opgenomen. Pas in de jaren zestig en vooral de jaren zeventig keerde het tij.
In het licht van dit onderzoek moeten we ons afvragen hoe de situatie voor 1961 was. (Immers, beide Zeeuwse monumenten die in dit onderzoek centraal staan, stammen uit 1954 en 1960.) Volgens Van Ginkel konden alleen gesneuvelde soldaten en gedode verzetsmensen in die jaren na de Tweede Wereldoorlog op een monument rekenen. Enkele teruggekeerde Joden namen het initiatief om een herdenkingsmonument op te richten bij de Joodse begraafplaatsen. Van Ginkel wijdde de Nederlandse desinteresse voor de Joodse slachtoffers aan schaamte, schuldgevoel en het (onder)bewuste verlangen om te ‘vergeten’ en te ‘verdringen’. Sommige Joodse nabestaanden richtten een comité op om een monument te krijgen, maar ondervonden tegenwerking van de autoriteiten. De ontstane Holocaustmonumenten kwamen bijna uitsluitend bij de synagogen en de Joodse begraafplaatsen te staan. Van Ginkel noemt Gorredijk (1956) en Zierikzee (1960) als uitzonderingen hierop.
Het gemiddelde Holocaustmonument omvatte verschillende thema’s. Denk hierbij aan terugkerende onderwerpen zoals vernietiging van leven, leegte, wanhoop en (be)dreiging. Op het gebied van weergave komen de Davidster, de menora/zevenarmige kandelaar, de Hebreeuwse tekst, de eeuwig brandende lamp en/of de Thorarollen terug. Wat geschreven tekst op het monument betreft waren de meningen verdeeld. Sommigen vonden dat woorden tekortschoten en anderen bleven het belang ‘van benoemen wat is gebeurd’, benadrukken. Voor weer anderen deden de monumenten dienst als een waarschuwing uit het verleden.
Het Middelburgse monument is volgens Van Ginkel een voorbeeld van het soort monument waar Joden het initiatief namen om bij de Joodse begraafplaats een monument op te richten. De autoriteiten waren in zulk een geval, claimt Van Ginkel, weinig behulpzaam geweest. (In hoofdstuk twee wordt die stellingname getest.) Het herdenkingsmonument in Zierikzee is volgens Van Ginkel een uitzondering op de ‘algemene regel van verdringen’. Hij zegt hierover: ‘Het monument was ontstaan door een initiatief van de plaatselijke commissie Oprichting Joods Monument en tevens het eerste in het Zeeuwse stadje: herdacht had men voordien steeds met een stille tocht naar de algemene en de katholieke begraafplaats en een dienst in de Grote Kerk.’ Van Ginkel vervolgt over de herdenkingstekens in het algemeen: ‘Rond 1960 vormde slechts een handjevol gedenktekens in de periferie de eerste tastbare tekenen van compassie van niet-Joodse Nederlanders met de verweesde Joodse gemeenschap.’ Het gaat echter te ver om Zeeland als periferiegebied te zien, en daarbij volstaat het niet om in het geval van uitzonderingen, deze buiten te sluiten of te noemen als bevestiging van de regel. Van Ginkel probeerde Zierikzee in het licht van de algemene Nederlandse collectieve herinnering te plaatsen. Maar wat als per stad, afhankelijk van talloze factoren, de collectieve herinnering vorm krijgt? Waarom probeerde Van Ginkel de herdenkingscultuur in één allesomvattend verhaal te plaatsen? Het is nauwkeuriger om per monument te onderzoeken welke omstandigheden het monument tot stand lieten komen, in plaats van algemene wetmatigheden te zien in een divers landschap. Oftewel, Zeeland afdoen als periferie om het algemene beeld van het stilzwijgen van de (niet-Joodse) Nederlanders te bevestigen, is niet houdbaar.

Lagrou

Lagrou onderzocht de herdenking van de Holocaust in Nederland in de periode 1945-1965 en schetst het volgende beeld:

At no point in the discussions on the law for victims of the resistance was the fate of the victims of genocide even mentioned. They faced long procedural battles facing hostile administrations to recover their stolen property. The fact that only communist organizations took their defence, both on the material and the symbolical level, only increased their isolation. Commemorations by the Auschwitz Committee were boycotted by the cabinet, and during the 1960s the Dutch government was the only European government, except that of Greece, to refuse any financial contribution to the Auschwitz monument.

Pas vanaf de jaren zeventig zouden de Nederlanders, volgens Lagrou, de slachtoffers van de Jodenvervolging ten tijde van de Tweede Wereldoorlog herdenken.
Lagrou probeert, evenals Van Ginkel, de herinnering aan de Holocaust te faseren. Eerst werd het Joodse lijden stilgezwegen, pas later volgde de nationale betrokkenheid. De oprichting van het monument in Zierikzee laat echter een ander beeld zien. Hier was namelijk geen sprake van tegenwerking door de overheid. Ook de oprichting van het herdenkingsmonument in Middelburg ging niet gepaard met verzet hiertegen vanuit de overheid.

De Haan

De Haan maakte in 1997 het volgende duidelijk in de inleiding van zijn studie over de herinnering aan de Jodenvervolgingen in Nederland:

Als men, zoals ik, betwijfelt of er wel sprake is van een psychologische wetmatigheid in de omgang met de Jodenvervolging, dan is het ten slotte moeilijk te veronderstellen dat de herinnering daaraan in uiteenlopende maatschappelijke contexten toch grotendeels dezelfde ontwikkeling doormaakt. Niet alleen hadden verschillende groepen uiteenlopende herinneringen aan de oorlogsperiode. Het uiteenlopende gewicht dat aan deze verschillende herinneringen is gehecht werd mede bepaald door de machtsverhoudingen tussen die groepen, door maatschappelijke strijd en tegengestelde belangen. Op basis van die veronderstelling ligt het voor de hand om uit te gaan van nationale verschillen in de ontwikkeling van publieke herinneringen (…) Er was daarom geen sprake van één conjunctuur van de herinnering.

De Haans opvatting dat de herinnering aan de Jodenvervolging niet in één sluitende theorie kan worden ondergebracht, vormt het uitgangspunt van dit onderzoek. Daarom wordt in de volgende hoofdstukken uitgebreid aandacht besteed aan zijn denkbeelden over de herinnering aan de Holocaustherdenking in Nederland.

2
Monument aan Walensingel

Op zondag 19 september 1954 werd het Holocaustmonument op de Joodse begraafplaats van Middelburg onthuld. Veel belangstellenden aanschouwden voor het eerst het monument dat bestond uit een grote betonnen zuil, met aan weerskanten plaquettes. Op de plaquettes waren de namen van de tweeënzeventig omgekomen Joden uit Zeeland te lezen. Boven op de zuil zagen de toeschouwers de Davidster staan. In dit hoofdstuk wordt de totstandkoming van dit monument onder de loep genomen. Hierbij worden vragen gesteld als: waarom nam Mozes Polak het initiatief om deze herdenkingsplaats op te richten en waarom juist aan de Walensingel? En: hoe reageerden de autoriteiten op het monument?

Polak en gemeente Middelburg

Middelburg kende een lange Joodse traditie. Voor de oorlog kwamen de Joden regelmatig bijeen in de synagoge van Middelburg, maar na de oorlog had de Joodse gemeenschap moeite om zichzelf in stand te houden. Dit was enerzijds te wijten aan het feit dat vele Joodse Zeeuwen de concentratiekampen niet hadden overleefd. Anderzijds besloten sommige overlevenden te verhuizen naar plaatsen buiten Zeeland. Zoals al is besproken, zette de Duitse bezetter op 24 maart 1942 de Zeeuwse Joden op de trein naar Amsterdam; tweeënzeventig van die Joodse burgers uit onder andere Middelburg, Goes, Vlissingen en Terneuzen zouden de concentratiekampen niet overleven. In 1954 besloten de teruggekeerde Middelburgse Joden een herdenkings-monument op te richten voor hun omgebrachte lotgenoten. Mozes Polak speelde hierbij een voorname rol. Niet in de laatste plaats omdat ook hij in de oorlog familieleden had verloren. Polak schreef, als initiatiefnemer en geldschieter, naar de gemeente Middelburg om toestemming te vragen om een monument aan de Walensingel neer te zetten. Polak, hoofd van de synagoge in Middelburg, verwoordde dit verzoek in zijn brief van 23 juli 1954 aan de burgemeester van de Zeeuwse hoofdstad als volgt:

Indien dit vereist is, verzoeken wij u uw toestemming te willen verlenen voor het oprichten van een monument op onze begraafplaats ter nagedachtenis van de gedurende de bezetting omgekomen leden van onze gemeente, van welk monument wij u ingesloten een tekening zenden. De kolom wordt ca. 3.50 meter hoog en de totale breedte van het monument bedraagt ca. 4.30 meter.

Volgens Van Ginkel en Lagrou zouden de Nederlandse autoriteiten verzet hebben geboden tegen initiatieven vanuit de gemeenschap om monumenten op te richten. Uit de gemeentearchieven van Middelburg blijkt het tegenovergestelde. De burgemeester en wethouders bespraken op 30 juli de brief, een week nadat Polak die op de post had gedaan. En op 6 augustus zonden ze Polak het volgende antwoord: ‘De gemeente Middelburg heeft geen bezwaar. Wel is het nodig om toestemming te vragen aan de minister van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen.’ Kortom, vanuit het gemeentebestuur bestond geen enkel bezwaar tegen Polaks plannen. Zou de minister zich dan verzetten tegen het initiatief? Nee. In september 1954 stonden namelijk alle lichten op groen: het monument kon op 19 september worden onthuld.
Polak wilde het monument op de Joodse begraafplaats bouwen, omdat daar het herdenken van de niet-teruggekeerde Zeeuwse Joden het best tot zijn recht zou komen. De Joodse beeldhouwer A.M. Koster werd benaderd om het ontwerp/de plannen voor het monument te realiseren. Tweeënzeventig namen zouden over de plaquettes van het herdenkingsmonument worden verdeeld.
Polak is weliswaar gestorven, maar nog levende leden van de Joodse gemeenschap weten zich details te herinneren over de oprichting van het herdenkingsmonument. Zo wijst Aad Vos, prominent lid van de Joodse gemeenschap in Middelburg, op vier belangrijke punten. Als eerste stelt hij dat Polak het monument vrijwel uitsluitend uit ‘zijn eigen zak’ betaalde. Ten tweede verlangde Polak naar een monument omdat hij behoefte zou hebben aan een tastbare herinnering aan de omgekomen Joodse slachtoffers in Zeeland. Vos voegt hieraan toe dat de tweeënzeventig namen op het monument niet volledig zijn, aangezien meer dan tweeënzeventig Zeeuwse Joden omkwamen. Het zijn de namen van de Joden uit Zierikzee die ontbreken. Daarnaast ontbrak in 1954 een volledig overzicht van wie de concentratiekampen niet had overleefd.

Onthulling monument op 19 september 1954

Op zondag 19 september 1954 verzamelden de notabelen van de Joodse gemeenschap, de gemeente Middelburg en de provincie Zeeland zich bij de Joodse begraafplaats aan de Walensingel in Middelburg. In het verleden was nog geklaagd over een schaap dat over het terrein van de begraafplaats rondzwierf en over de onverzorgde Joodse grafstenen, maar nu had de gemeente Middelburg voor deze speciale gelegenheid de boel op orde gebracht.
De PZC kopte in hun verslag van de onthulling van het herdenkingsteken op pagina twee: ‘Monument op begraafplaats in Middelburg onthuld. Voor uit Zeeland omgekomen Joden.’ Dit artikel ging verder met:

Met een in haar eenvoud indrukwekkende plechtigheid is zondagmiddag op de Joodse begraafplaats aan het Seisplein te Middelburg een monument onthuld ter nagedachtenis van de in de oorlogsjaren 1940-1945 uit Zeeland omgekomen Joden. In sobere, maar treffende bewoordingen gewaagden enige sprekers van de grote beproevingen, welke de Joden in de laatste wereldoorlog hebben getroffen en er werd op gewezen, dat dit monument tevens een waarschuwing wil zijn om waakzaam te blijven, opdat hetgeen geschiedde niet herhaald zal worden.

Initiatiefnemer Polak verwelkomde de aanwezigen. Onder hen bevonden zich de burgemeesters van Middelburg en Vlissingen, een lid van de Provinciale Staten van Zeeland, opperrabbijn Schuster en rabbijn L.S. Israëls. Zowel de provincie Zeeland, als de gemeentes Middelburg en Vlissingen, als de Joodse gemeenschap lieten door hun afvaardiging zien dat zij belang hechtten aan de onthulling. Hieruit blijkt dat enige vorm van verzet of tegenwerking door de autoriteiten ontbrak.
De PZC vervolgde: ‘De heer Polak wees er op, dat de gemeente Middelburg een droeve, maar ook dankbare taak had te vervullen met de onthulling van dit monument. Droevig in verband met de herinnering aan zoveel leed, dankbaar omdat de nagedachtenis van de gevallenen geëerd werd.’ Opperrabbijn Schuster werd vervolgens aangehaald. De PZC citeerde hem: ‘Nooit hadden wij kunnen bevroeden, dat Jeremia’s Klaaglied vrijwel woord voor woord op ons allen van toepassing zou worden (…) De strijd is weer geëindigd met een nederlaag van de onmens, maar wel ten koste van zes miljoen slachtoffers.’ Vervolgens omschreef PZC hoe de gemeentes en de provincie hun oprechte medeleven betuigden aan de Joodse gemeenschap in Zeeland.
De aanwezigen lazen op het monument de namen van de tweeënzeventig omgekomen Zeeuwse Joden, die voor 1942 verspreid over de provincie woonden en na hun wegvoering nooit meer hun thuishaven zouden zien. Op de linkerplaquette was het opschrift in het Nederlands gedrukt. Op de rechterplaquette stonden de gekozen woorden in het Hebreeuws. De tekst op het monument luidt: ‘Ter nagedachtenis aan hen, wier namen hier zijn vermeld, de Joden van Zeeland, kinderen van ons volk, die in de jaren 1940-1945 door de vijand meedogenloos weggerukt en omgebracht werden, omdat zij waren van Joodse stam. Mogen hun zielen rusten in des Almachtige Schaduw.’ Tussen de twee plaquettes staat de betonnen zuil met daarop de Davidster. Waarom gekozen is voor deze tekst is niet vermeld in de PZC of in andere bronnen.

Verzorging van Holocaustmonument

Polak droeg zijn gehele leven zorg voor het Holocaustmonument en daarbij zorgde hij ervoor dat de verzorging van het monument na zijn overlijden werd voortgezet. Hij deed in 1970 namelijk een oproep aan de gemeente Middelburg om de zorg van het monument op zich te nemen indien hij kwam te overlijden. Polak bood de gemeente aan alle onkosten te vergoeden, mits de gemeente elk jaar de Joodse begraafplaats en het monument zou verzorgen. De gemeente van Middelburg accepteerde Polaks aanbod om de zorg voor het beeld aan de Walensingel op zich te nemen. Polak bood vijfduizend gulden voor het onderhoud, die op een bankrekening konden worden gezet, waardoor de gemeente de kosten kon betalen van de rente over dat bedrag. De welwillende burgemeester en wethouders wezen de som van vijfduizend gulden echter van de hand: zij vonden vijftienhonderd gulden ruim volstaan.
In 1979 stuurde O.H.E. Kloevekorn een brief naar de gemeente Middelburg over het onderhoud van de begraafplaats. Hij klaagde over de vervallen staat en hij verwachtte betere zorg. De gemeente startte een onderzoek en concludeerde dat het onderhoud moest worden verbeterd. Daarnaast besloot de Zeeuwse gemeente in hetzelfde jaar om de bereikbaarheid van de begraafplaats te vergroten door aan de westelijke zijde van de Walensingel een stoep aan te leggen. Die stoep maakte dat voetgangers gemakkelijker bij het monument en de begraafplaats konden komen dan voorheen.

Conclusie Joods monument in Middelburg

Van Ginkel en Lagrou beweerden – zoals hiervoor aangekaart – dat de autoriteiten doorgaans afwijzend stonden tegenover verzoeken vanuit de gemeenschap om herdenkingstekens, maar in Middelburg was dit niet het geval. De gemeente Middelburg antwoordde binnen korte tijd instemmend op het verzoek van Polak. Daarnaast was de Middelburgse burgemeester als teken van eensgezindheid en steun aanwezig toen het Joodse monument werd onthuld. Bovendien besloot de gemeente tegen een eenmalige vergoeding de verzorging van het Joodse herdenkingsteken op zich te nemen. Uit de woorden van de sprekers bij de onthulling bleek tevens de verbinding tussen de Joodse gemeenschap en de inwoners van Middelburg.
Al in 1954 konden de Zeeuwse Joden rekenen op een eigen monument dat alleen de Joodse slachtoffers van nazi-Duitsland herdacht. Dit rijmt niet met Van Ginkels opvatting dat dit onderscheid pas in de jaren zestig/zeventig werd gemaakt. Tevens toonden de PZC en de gemeentearchieven een oprechte betrokkenheid van de Middelburgse bevolking bij het monument. De Holocaust, in 1954 nog niet zo genoemd, werd erkend en betreurd in het centrum van Walcheren. Dit hebben Van Ginkel en Lagrou gemist of zij doen het af met ‘herdenkingstekens in de periferie’. En dat is te eenvoudig, want per plaats en streek had men andere collectieve herinneringen. In andere woorden, één wetmatigheid wat de herdenking van de Holocaust voor een volledig land betreft bestaat niet.
De oprichting van het monument in Middelburg voldoet niet aan het beeld dat Van Ginkel schetst. Zou voor de oprichting van het monument in Zierikzee hetzelfde gelden?

3
Monument aan de Caustraat

Het monument ter herinnering aan de Joodse gevallenen in de Tweede Wereldoorlog in de Zeeuwse plaats Zierikzee is op 4 mei 1960 onthuld. Het bestaat uit een driehoekige zuil met daarop de namen van de tweeëntwintig slachtoffers, een tekst en abstracte tekens. In dit hoofdstuk staat de volgende vraag centraal: hoe is het Holocaustmonument in Zierikzee tot stand gekomen?

Initiatief voor herdenkingsmonument

Op 24 maart 1942 werden de vijfentwintig Joodse inwoners van het Zeeuwse eiland Schouwen-Duiveland door de Duitsers getransporteerd naar Amsterdam. Drie van hen overleefden de concentratiekampen. Een van hen keerde terug naar Zierikzee.
Op 9 april 1959 stapte de heer Wilbrink, voorzitter van de Stichting 40-45, het kantoor van burgemeester Dijckmeester binnen. Hij vertelde de burgemeester over het gebrek aan beleving in Zierikzee wat de aanstaande dodenherdenking betrof. Zierikzee had namelijk alleen een herdenkingssteen in de muur van het stadhuis. (Menke Koos van der Beek en andere verzetslieden werden daar herdacht.) Wilbrink vroeg de burgemeester een nieuw element toe te voegen aan de herdenking. Vervolgens stelde Dijckmeester voor een monument op te richten ter herinnering aan de Joodse slachtoffers uit Zierikzee. Op 15 april 1959 vergaderden de burgemeester en de wethouders over het Holocaustmonument. Dijckmeester bracht te berde een klein comité op te willen richten. Degenen die sowieso in het comité plaats moesten nemen waren Wilbrink, Labzowski – de enige Joodse overlevende – en de burgemeester. Wethouder Broekema droeg de locatie voor het monument aan: de hoek van de Grachtweg en de Caustraat. Die locatie zou geen weerstand oproepen. Daarnaast maakte die plek het monument goed bereikbaar en daarbij was hier plaatsingsruimte beschikbaar. Dijckmeester zou een bezoek brengen aan Labzowski om met hem de plannen te overleggen. Wethouder Koevoets kreeg opdracht de plaatselijke steenhouwers – Lakké & Timmerman – te contacteren. In eerste instantie zou het monument klaar kunnen zijn voor de dodenherdenking van 1959, maar enkele factoren noopten het comité om de plannen voor een herinneringsteken uit te stellen tot 1960…
Op 23 april 1959 om 12.30 uur klopt burgemeester Dijckmeester aan bij de woning van Labzowski. Nadat de burgemeester is binnengelaten, hoort hij geschreeuw uit de slaapkamer. Het is mevrouw Labzowski-Drukker die ziek op bed ligt en wenst te horen wat de burgemeester te zeggen heeft. De bestuurder beweegt zich binnen haar gehoorafstand en vertelt aan de aanwezigen over zijn plannen om een Holocaustmonument op te richten. Mevrouw Labzowski-Drukker reageert furieus: ‘De gemeente heeft de kans gehad om waardering en respect te tonen naar aanleiding van het lijden van het Joodse volksdeel en [die kans] niet benut. Nu is het te laat.’ De woedende vrouw voegt hieraan toe: ‘Mijn man komt niet in die commissie. Het zou daarnaast een belediging zijn als het monument bij de Joodse begraafplaats wordt geplaatst.’ De burgemeester houdt zijn poot stijf: hij wil ondanks deze receptie het Joodse monument oprichten aan de Caustraat. Hierom vraagt hij of een bescheiden monument, bestaande uit een tekst, de tweeëntwintig namen van de slachtoffers en symbolen, wel op goedkeuring zou kunnen rekenen. Labzowski-Drukker aarzelt, maar zegt toe te overleggen met haar stiefdochter, Carla Labzowski. Die laatstgenoemde persoon heeft – evenals haar vader – de concentratiekampen overleefd en zich gevestigd in Amsterdam.
Na een paar uur krijgt de burgemeester het verlossende goede nieuws: de familie Labzowski verleent hun goedkeuring aan het monument. Tevens wordt hier cynisch aan toegevoegd dat het gezin al bezig is met verhuisplannen. De familie Labzowski wil namelijk zo snel mogelijk weg uit de stad die vijftien jaar later pas met een monument komt aanzetten.

Steun van autoriteiten en bevolking

Op het eerste gezicht lijkt het monument in Zierikzee klaar voor de dodenherdenking van 1959, maar het comité stelt de plannen voor een herinneringsteken uit tot 1960. De eerste reden hiervoor was de weinig bemoedigende reactie van de Labzowski’s. Ten tweede had wethouder Koevoets een factuur voor het monument van 569 of 800 gulden ontvangen van de firma Lakké & Timmerman. (Het bedrag was afhankelijk van de keuze voor het te maken monument.) De burgemeester besloot financiële hulp te vragen, waardoor de gemeente het besluit nam om de deadline van 4 mei 1959 een jaar op te schuiven. Dijckmeester kreeg op 15 juni een antwoord op zijn verzoek aan de Oorlogsgravenstichting voor financiële bijstand. De landelijke organisatie gaf aan het initiatief van de CU-burgemeester met belangstelling te volgen, maar mocht van het Rijk geen financiële ondersteuning aanbieden.
Op 27 augustus 1959 kwamen de leden van het aangevulde comité voor de oprichting van het Holocaustmonument bijeen. Het gezelschap bestond uit de burgemeester, wethouders en plaatselijke notabelen. Aanwezig waren A.P. Geluk, I. Broekema, L. van Sluis, J.W. Renshof, M.J. Bij de Vaate, C.C. Timmerman, M.C. van der Schelde en burgemeester Dijckmeester. De opbrengst van de inzamelingsactie bedroeg 746,10 gulden. De plaatselijke bedrijven hadden weinig tot niet meegeholpen aan het initiatief. De lokale bevolking doneerde wat zij kon missen. Dit is van belang voor dit onderzoek, omdat de burgers specifiek voor een Joods herdenkingsmonument doneerden, terwijl slechts één Joodse overlevende in de stad woonde. De stad aan de Oosterschelde wist uiteindelijk voldoende geld op te brengen voor een waardig monument, zo gaf steenhouwer Timmermans in de vergadering te kennen. In de bijeenkomst sprak het comité ook over andere punten. Zo werd de locatie aan de Caustraat nogmaals bevestigd. Daarnaast werd kunstenaar Braat aangedragen om het monument te ontwerpen. Vervolgens werd kort beraadslaagd of dit monument de lacune van een monument voor álle gesneuvelden in de Tweede Wereldoorlog moest vullen. Het antwoord van onder andere de burgemeester luidde resoluut nee. Hij benadrukte dat het geld van de burgers bedoeld was voor de oprichting van een Joods herdenkingsmonument; en precies zulk een herdenkingsteken zou worden gemaakt.
Ontwerper Braat maakte in de herfst van 1959 het ontwerp van het Holocaustmonument, dat op 21 december werd aanvaard door de commissie. Twee weken later liet steenhouwer Timmermans weten het ontwerp te kunnen maken. Dijckmeester werd verzekerd dat het monument voor 4 mei zou zijn voltooid. De kosten zouden 644,65 of 584,65 gulden bedragen, afhankelijk van of de letters wel of niet in het monument werden gehakt. Het ontwerp van Braat bestond uit een driezijdige zuil waarop de namen van de slachtoffers, een tekst en een aantal Hebreeuwse symbolen konden worden geplaatst. Nu de onthullingsdatum, het ontwerp, de maker, de locatie en de financiering waren geregeld, had de commissie nog twee zaken af te handelen. Als eerste moest het comité de herdenkingsdienst op 4 mei verzorgen. Dit hield in dat zij contact moesten zoeken met een afvaardiging van de Joodse gemeenschap en daarnaast dat zij de nabestaanden van de Joodse slachtoffers moesten inlichten. Tevens moest een tekst worden gekozen voor op de zuil.

Tekst op het monument en 4 meiherdenking

Voor de tekst op de Joodse herdenkingszuil waren twee zijdes beschikbaar. De Hebreeuwse tekst op de eerste zijde werd aangedragen door Bij de Vaate, die de Joodse opperrabbijn Schuster zou schrijven voor een suggestie. Namens Schuster antwoordde opperrabbijn E. Berlinger. Hij stelde voor een tekst uit Spreuken te hanteren: ‘De herinnering aan de rechtschapene zij tot zegen.’ In een vergadering in maart 1960 werd bovenstaande Hebreeuwse tekst goedgekeurd. Vervolgens besliste het comité over het opschrift van de tweede zijde – de Nederlandse tekst. De eerste optie werd door Bij de Vaate aangedragen: ‘Ter nagedachtenis aan de 22 Joodse stadsgenoten, die in 1942 door de bezetter werden weggevoerd en in eenzaamheid stierven.’ Burgemeester Dijckmeester opperde een tweede tekst: ‘Ter nagedachtenis aan onze Joodse stadsgenoten die werden weggevoerd en nimmer terugkeerden.’ Na overleg koos de commissie voor optie twee, omdat de leden vonden dat de tweede tekst de emoties van de Zierikzeese bevolking het best weergaf.
Op 29 maart verzocht Dijckmeester opperrabbijn Berlinger de onthulling van het monument op 4 mei te verrichten. Binnen drie dagen ontving hij een bevestiging van Berlinger. Die wilde een toespraak houden, de onthulling verrichten en daarna de nacht doorbrengen in een hotel in Zierikzee, omdat de tocht naar huis na de herdenkingsdienst problemen zou opleveren. De commissie verzond voorts de uitnodigingen naar de nabestaanden van de weggevoerde Joden. De meeste van de nabestaanden zegden toe aanwezig te zullen zijn. Het echtpaar Labzowski wees de uitnodiging af en verhuisde korte tijd daarna naar Zeist.
Op 4 mei 1960 om 19.55 uur verzamelden de inwoners van Zierikzee zich bij het afgedekte monument aan de Caustraat. Opperrabbijn Berlinger was met de boot naar de stad gekomen om de onthulling te verrichten. De Zierikzeesche Nieuwsbode kopte over de onthulling: ‘Een indrukwekkende manifestatie. Opperrabbijn E. Berlinger onthulde Joods monument aan Grachtweg te Zierikzee. Ontroerende plechtigheid in kader van Stille Omgang.’ De krant deelde verder mee dat:

Het grote gevaar in dagen die wij thans beleven is, dat woorden aan devaluatie onderhevig zijn, betrekking als ze hebben op dingen die zo hoog en onaantastbaar zijn, dat men er eigenlijk bij huivert. Toch wagen wij het er op de dodenherdenking te Zierikzee en de onthulling van het monument ter nagedachtenis aan de omgekomen Joodse stadgenoten – zoals deze woensdagavond plaats vonden – indrukwekkende manifestaties te noemen. Een stille stad, de vlaggen halfstok aan de gevels der huizen, een lange stoet die zwijgend door de straten trekt, het toeven aan de graven van hen die vielen en dan het geladen moment der onthulling van een monument, dat Zierikzee al te lang heeft moeten ontberen, maar dat nu is opgericht en in zijn verheven eenvoud spreekt van menselijk leed, dat wij thans nauwelijks nog vermogen te begrijpen.

Verder beschreef de krant hoe Berlinger met een polsbeweging de doek – die het monument vooralsnog aan het oog van de toeschouwers onttrok – verwijderde en daarmee het beeld voor het eerste toonde aan het publiek.
De krant vervolgde haar verhaal:

Slechts in de eerste jaren na de bevrijding zagen wij een stoet van vergelijkbare lengte. Vooraan liepen de nagelaten betrekkingen der omgekomenen, het dagelijks bestuur der gemeente, de opperrabbijn Berlinger en het comité, dat zich – in samenwerking met het gemeentebestuur – met de oprichting van het Joods monument belast heeft. Daarachter de honderden van allerlei leeftijd, godsdienst en politieke overtuiging, als een zichtbaar symbool van de eenheid des volks in de verdeeldheid. Het was vooral ook de jeugd (…) die in een stille devotie zich voegde in de stoet en zich schaarde rond het monument, bloemen leggend bij de sokkel en bij de graven der gevallenen. Tevoren legde burgemeester mr. Dijckmeester een krans van de gemeente bij het monument. Zijn voorbeeld werd nadien door velen gevolgd.

Vervolgens zette de stoet koers richting de Grote Kerk, waar dominee J.B. Assendorp terugkeek op de afgelopen jaren. De Zierikzeesche Nieuwsbode deed verslag van Assendorps verhaal: ‘Hij wees ook op ons schuldig zwijgen en niet als één volk protesteren tegen het onrecht, met name het Joodse volksdeel aangedaan. Daaruit blijkt dat ook duistere machten niet alleen om, maar ook in ons hebben geleefd.’ Na de dominee beklom Berlinger de preekstoel. Hij benadrukte de dankbaarheid van de Joodse gemeenschap aan de inwoners van Zierikzee. De opperrabbijn verklaarde ‘zeer geroerd’ te zijn door de kinderen, die bloemen legden bij het monument. ‘Nooit meer’ zou dit onrecht mogen voorkomen. De Zierikzeesche Nieuwsbode sloot haar artikel als volgt af: ‘Op werkelijk onvergetelijke wijze heeft Zierikzee op deze avond stil gestaan bij hen die het hoogste offer gaven voor de vrijheid des lands.’
Uit deze beschrijving blijkt betrokkenheid van de gehele bevolking bij het lot van de tweeëntwintig omgekomen Joodse burgers uit Zierikzee. Dit beeld staat daarmee haaks op dat van Van Ginkel en Lagrou. Immers, die stellen dat in de eerste jaren na de oorlog het lijden van de Joden is stilgezwegen, terwijl juist in deze stad aan de Oosterschelde dit niet het geval bleek. Sterker nog, de lokale autoriteiten waren de drijfveer achter de oprichting van een monument. Daarbij werd het monument ingepast in de stille tocht door de stad die jaarlijks op 4 mei werd afgelegd.
Burgemeester Dijckmeester

Zoals uit voorgaande blijkt, is de rol die burgemeester Dijckmeester in de totstandkoming van het Holocaustmonument in Zierikzee heeft gespeeld niet te verwaarlozen. Waarom greep de burgemeester de kans om een monument op te richten met beide handen aan? Vanwaar die onvermoeibare inzet en sterke motivatie? Dijckmeesters begeestering blijkt al tijdens de Tweede Wereldoorlog van een hoog niveau: hij vertrekt in de oorlog naar Engeland om te worden opgeleid tot spion voor de Engelse koningin. Hij werd na de voltooiing van zijn opleiding met een vliegtuig naar Nederland teruggevlogen, alwaar hij in het holst van de nacht met een parachute uit het vliegtuig sprong. De taak die Dijckmeester van de Engelsen meekreeg, was om contact te leggen tussen Engeland en Nederland, zodat de Engelse invasie kon worden gepland. Na de oorlog werd de verzetsheld actief lid van de CHU. In 1956 werd hij tot burgemeester van Zierikzee benoemd. Dit verklaart echter slechts deels de bevlogenheid van Dijkmeester wat monumenten oprichten betreft. Een concretere verklaring hiervoor is te vinden in het personenregister van de Zeeuwse bibliotheek. Hierin wordt vermeld dat hij zich als burgemeester inzette voor drie belangrijke zaken. Allereerst dienden de financiën van de gemeente op orde te zijn. Ten tweede moest de werkgelegenheid groot zijn, zodat alle inwoners van de gemeente geld konden verdienen. En als laatste stonden monumenten hoog in het vaandel bij Dijckmeester.
Zo vertelde hij over de monumenten in Zierikzee: ‘Monumenten zorgen voor rijkdom in de stad. Die rijkdom heeft ongehoord veel geld gekost en zal dat in de toekomst nog kosten. Maar het is geen weggegooid geld, want het gaat om de ziel van Zierikzee.’
Dijckmeester werd in 1965 bij zijn vertrek als burgemeester van Zierikzee tot ereburger van de stad benoemd. Later zou hij aan de slag gaan als burgemeester in de Haarlemmermeer (1965-1972) en Apeldoorn (1972-1981). Dijckmeester overleed op 18 februari 2003 in Amersfoort.

Holocaustmonument na onthulling

Op 12 mei 1960 kreeg burgemeester Dijckmeester een brief van opperrabbijn Berlinger. De Joodse synagogenleider wilde de gemeente Zierikzee bedanken voor het eerbetoon aan de Joodse gemeente. Het monument voldeed aan alle eisen die een kritische overlevende kon stellen. De opperrabbijn wenste de burgemeester toe: ‘Moge Gods zegen op u en uw werk rusten en de gemeente Zierikzee zich altijd in vrede en voorspoed mogen ontwikkelen.’
Naast deze positieve geluiden, werd in 1965 een kritische brief bezorgd op het stadhuis van de grootste plaats op Schouwen-Duiveland. Mevrouw Labzowski-Drukker klaagde over een fout op het herdenkingsmonument. Ze vroeg de gemeente om de naam van de eerste vrouw van haar man, Laura Heuman, volledig weer te geven als Laura Heuman-Labzowski. Ze was bereid om de onkosten hiervan te vergoeden. De gemeente antwoordde gehoor te willen geven aan de oproep, maar gaf aan dat de zuil te klein was voor de toevoeging van de tweede achternaam. Hierdoor zou naar schatting achthonderd gulden moeten worden betaald om de (kleine) voorgestelde correctie door te voeren. Labzowski-Drukker liet de zaak vervolgens rusten.
‘Opdat we niet zullen vergeten,’ kopte de Zierikzeesche Nieuwsbode op 23 maart 1992, vijftig jaar na de wegvoering van de Zeeuwse Joden. De krant vertelde dat in Zierikzee elk jaar opnieuw kransen werden gelegd bij het monument aan de Caustraat. De Johan Louis de Jongeschool had het monument zelfs geadopteerd, zodat de kinderen van die school zich elk jaar weer bewust werden van het lijden dat de Joodse gemeenschap had moeten verduren.

Er is een punt ter overdenking wat het Holocaustmonument in Zierikzee betreft. Een andere dramatische gebeurtenis voor de inwoners van Zierikzee was namelijk de Watersnoodramp van 1953. Inwoners van Zierikzee raakten hun huizen, bezittingen en familieleden kwijt en velen verloren hun levens. Dit was een ingrijpende gebeurtenis voor de bevolking, maar niet zo ingrijpend dat meteen een monument werd opgericht. Zeventien jaar ¬– twee jaar langer dan het Holocaustmonument – duurde het voordat de gemeente Zierikzee voor de Zuidhavenpoort een herdenkingsteken liet plaatsen. Kortom, de hamvraag luidt: leefde de wegvoering van de Joden meer dan de Watersnoodramp of is het slechts toeval dat het Watersnoodmonument zeventien jaar na de gebeurtenis werd opgericht en het Joodse herdenkingsmonument vijftien jaar?

Joods monument in Zierikzee

Hoe het Holocaustmonument in Zierikzee is ontstaan, wijkt af van de wetmatigheden van Lagrou en Van Ginkel. Immers, zij laten de Nederlandse bevolking stilzwijgen tot eind jaren zestig, begin jarig zeventig, terwijl de massale herdenking van de Joodse slachtoffers in Zierikzee hiermee in scherp contrast staat. Daarbij wordt het beeld van de tegenwerkende autoriteiten niet bevestigd. Het initiatief voor het monument komt daarnaast niet van de uiteengeslagen Joodse gemeenschap. Bovendien zet burgemeester Dijckmeester zich prominent in voor de herdenking van de Joodse slachtoffers uit Zierikzee. De term ‘Nooit meer’ wordt eveneens al ruim voor 1970 geopperd aan de oever van de Oosterschelde. Het is tevens van belang dat de burgers van Zierikzee geld ophalen om een monument op te richten voor de Joodse gevallenen, terwijl de niet-Joodse, Nederlandse oorlogsslachtoffers geen monument verwerven.
Conclusie
Plaatselijke verschillen verdringen wetmatigheden

In dit onderzoek is gekeken naar het idee achter de oprichting van de Holocaustmonumenten in Middelburg (1954) en Zierikzee (1960). In hoofdstuk twee en drie is beschreven wie de initiatiefnemers waren, waarom zij een monument wilden en hoe de oprichting van deze monumenten in zijn werk ging. De totstandkoming van beide monumenten blijkt te botsten met het beeld dat Van Ginkel en Lagrou in hoofdstuk één schetsen. Deze onderzoekers van het collectieve Nederlandse geheugen aangaande de Jodenvervolging stelden dat na de oorlog een periode van stilzwijgen aanbrak, waarin lokale autoriteiten de weinige initiatieven voor een Joods monument tegenwerkten. Daarnaast zouden de Joden op één hoop worden gegooid met de andere slachtoffers van nazi-Duitsland. Dit onderzoek heeft aangetoond dat de voorgestelde wetmatigheden niet voor heel Nederland golden. Al met al kan hier de conclusie aan worden verbonden dat er per stad of gemeente onderzoek moet worden gedaan naar het collectieve geheugen over de Jodenvervolging in Nederland om een genuanceerd beeld hierover te verkrijgen.
In dit onderzoek stond de vraag naar het waarom achter de Holocaustmonumenten in Middelburg en Zierikzee centraal. Wat Middelburg betreft moet het antwoord hierop worden gezocht in het persoonlijke initiatief van Polak, die, gesteund door de overgebleven Zeeuwse Joden, een monument liet neerzetten aan de Walensingel. Belangrijk is dat hij hierin geen tegenwerking van de gemeente Middelburg ondervond. Het antwoord voor Zierikzee ligt besloten in het initiatief van burgemeester Dijckmeester, die een comité om zich heen verzamelde. De burgers van Zierikzee doneerden vervolgens geld, waarna de grootse onthulling op 4 mei 1960 kon plaatsvinden. (Dat ‘grootse’ is niet overdreven, immers, de Zierikzeesche Nieuwsbode beschreef het gebeuren als ‘Een indrukwekkende manifestatie.’)
In hoofdstuk één werd ook De Haan aangehaald. In zijn inleiding van Na de ondergang wees hij erop dat opvattingen lokaal verschillen als het aankomt op monumenten oprichten voor omgekomen Joden. Dit onderzoek heeft in aansluiting op De Haans stelling getracht aan te tonen dat de oprichtingen van de Holocaustmonumenten inderdaad afhankelijk waren van lokale omstandigheden. Oftewel, proberen tijdsgrenzen en patronen te zien in de collectieve herinnering van de Nederlandse bevolking aan de Jodenvervolging, is niet steekhoudend, zelfs onjuist. Het bewijs hiervoor is geleverd door de gang van zaken in Middelburg en Zierikzee, die als afzonderlijke lokale gevallen zijn bekeken.

Tot slot. Het was, is en zal altijd moeilijk blijven om de collectieve herinnering van de Nederlander of de Zeeuw of de Middelburger in kaart te brengen. In de geesten van individuen bestaan nu eenmaal overlappende herinneringen, maar geen enkele geest kent een identieke evenknie. Zo wordt de Jodenvervolging in Nederland over het algemeen als afschuwelijk, tragisch en een gruweldaad gezien. Maar als je verder inzoomt op dit unanieme negatieve oordeel, blijkt dat alle mensen een andere invulling geven aan de Jodenvervolging. De ene persoon legt de nadruk op de symbolische figuur van Anne Frank, terwijl de andere persoon juist aan Westerbork en de concentratiekampen denkt. Het volgende individu richt misschien zijn blik wel vooral op de Jodenster en de racistische en discriminerende beperkingen die de bezetters de Joden hebben opgelegd voordat zij op de trein werden gezet naar de vernietigingskampen. Al met al moet worden gesteld dat die hierboven genoemde diverse gedachtes en herinneringen worden beïnvloed en gevormd door verschillen in woonplaats, opvoeding, onderwijs, ervaring, leeftijd en andere factoren. Het is dan ook om die reden dat de oprichtingen van de Holocaustmonumenten in Middelburg en Zierikzee niet passen in een uniforme Nederlandse wetmatigheid.
Bibliografie

Bronnen (archieven)

Zeeuws Archief: Middelburg: Documentnummer 42189 (B-25394) 1.776.112. Israëlische begraafplaats Walensingel. O.a. informatie over oprichten oorlogsmonument+onderhoud 1945-1988.

Gemeentearchief Zierikzee/Schouwen-Duiveland: Mapnummer 4214. Oprichting Holocaust-monument in Zierikzee.

Personenarchief Zeeuwse bibliotheek Middelburger: Frans Theodoor Dijckmeester.

PZC, 13-09-1954, 2; 20-09-1954, 2.

Literatuur

Zierikzeesche Nieuwsbode, 06-05-1960, 2; 24-03-1992, 3.

Ginkel, Rob van, Rondom de stilte. Herdenkingscultuur in Nederland (Amsterdam 2011).

Haan, Ido de Na de ondergang. De herinnering aan de Jodenvervolging in Nederland 1945-1995 (Den Haag 1997).

Hayes, Peter en Jeffry M. Diefendorf, Lessons and Legacies. VI. New currents in Holocaust Research (Evanston 2004) 475-486.

About the author:

Back to Top