Recensie: Brittney Cooper – Beyond Respectability

Recensie: Brittney Cooper – Beyond Respectability

Recensie: Brittney Cooper – Beyond Respectability

Reacties uitgeschakeld voor Recensie: Brittney Cooper – Beyond Respectability

Brittney C. Cooper, Beyond Respectability. The intellectual thought of race women
University of Illinois Press, Champaign, 2017
ISBN: 9780252082481
€15,20 / $19,90

 

 

 

De geschiedenis van Afro-Amerikaanse intellectuelen en hun strijd voor gelijke rechten, associëren wij in Nederland vooral met bekende figuren als Frederick Douglass en Martin Luther King. In de Verenigde Staten is dit, volgens genderhistorica Brittney Cooper, niet anders. Met haar recentelijk verschenen boek Beyond Respectability wil ze dit narratief van grootse Afro-Amerikaanse mannen als ideologen van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging doorbreken. Cooper streeft er juist naar de ideeën, theorieën en gedachten van zwarte Amerikaanse vrouwen op de voorgrond plaatsen.  Zo hebben we het eens niet over Martin Luther King, maar over bijvoorbeeld Pauli Murray.

‘Listing’

Afro-Amerikaanse vrouwen, zo stelt Cooper, worden vooral gezien als organisatoren en activisten, maar niet als denkers. Dat is onterecht: eind negentiende eeuw dacht een groep zwarte vrouwen uit de gegoede middenklasse al na over rassenproblemen in de Amerikaanse samenleving. Deze vrouwen bekritiseerden bovendien het seksisme van hun mannelijke tegenhangers. Deze groep vrouwen behandelt Cooper in deze intellectuele geschiedenis. Hiermee draagt Cooper haar steentje bij aan wat zij identificeert als de praktijk van ‘listing’, het opstellen van lijstjes en het bewust opsommen van de namen van de vrouwen. Zo hoopt Cooper te voorkomen dat hun werk door een combinatie van racisme en seksisme wordt uitgewist.

‘Beyond Respectability’

Cooper analyseert achtereenvolgens de levens van Fannie Barrier Williams (1855-1944), Mary Church Terrel (1863-1954) en Pauli Murray (1910-1985). Telkens laat de historica zien hoe deze vrouwen zich genoodzaakt voelden om niet alleen racisme, maar ook seksisme aan de kaak te stellen. De lezer wordt daarbij net zo zeer meegenomen in de denkwereld van Cooper zelf als in die van de vrouwen die ze beschrijft. Cooper verweeft namelijk 21eeuwse zwarte feministische termen, zoals intersectionaliteit, met soortgelijk taalgebruik van Williams, Terrel en Murray. Ze laat zien dat, lang voordat de term intersectionaliteit in gebruik raakte, zowel Terrel als Murray soortgelijke ervaringen beschreven.

De vrouwen maakten bij het beschrijven van hun ervaringen gebruik van wat Cooper Embodied Discourse noemt: het inzetten van het zichtbare lichaam als onderdeel van debat, omdat zwarte vrouwen normaliter werden (en soms nog altijd worden) uitgesloten van deelname aan het debat omwille van de combinatie van het vrouw en zwart zijn. Zoals zwarte mannen destijds stelden dat zij werden uitgesloten omwille van hun kleur, betoogden deze vrouwen dat ze werden uitgesloten vanwege hun kleur én sekse en dat juist die positionering hun denken informeerde. Deze nadruk op het lichaam is ook van toepassing op de titel, waarmee Cooper het idee dat zwarte vrouwen alleen mochten spreken als zij keurig aan voorgeschreven genderrollen voldeden bevraagt.

Pauli Murray, die zich geen vrouw voelde,  is daarvoor illustratief. Terwijl Murray aan de zwarte Howard universiteit studeerde, werd zij, op basis van haar geslacht, niet betrokken bij al dan niet wetenschappelijke gesprekken. Dat ervoer ze als extra pijnlijk, omdat Murray zelf ook geen vrouw wilde zijn. De ongeschreven regels die voor de uitsluiting van vrouwen zorgden, noemde Murray ‘Jane Crow’, een woordspeling op de term ‘Jim Crow’, wat verwees naar het geheel van wetten die rassenscheiding legaliseerden in het Zuiden van de VS. Haar uitspraak was een duidelijke reactie op het seksisme van zwarte mannen en ging letterlijk Beyond Respectability, omdat Murray zich weigerde te schikken in de rol die voor haar gender was weggelegd.

Helaas blijft het in de rest van het boek soms onduidelijk waarom Beyond Respectability nu juist dé cruciale term is om het leven van al deze Afro-Amerikaanse vrouwen te beschrijven, aangezien veel van hen zich juist wel min of meer binnen aangegeven genderrollen schikten om hun stem toch te kunnen laten horen. Deze onduidelijkheid komt onder andere doordat het boek een sterk academische toon aanslaat. Maar dit is door de auteur opzettelijk gedaan: ze wil namelijk dat haar denkers serieus worden genomen. Om diezelfde reden benadrukt ze in de epiloog nog maar eens dat specifiek zwart seksisme, misogynoir, in de 21e eeuw nog steeds bestaat. Het boek heeft dan ook een duidelijk politiek doel: zwarte Amerikaanse vrouwen, van de laat 19eeeuwse Fannie Barrier Williams tot Patrisse Khan-Cullors en Alicia Garza, de vrouwen die in 2013 het initiatief voor Black Lives Matter namen, moeten óók als intellectuelen serieus genomen worden. Volgens Cooper is dit van cruciaal belang, omdat het gebrek aan aandacht voor het werk van Afro-Amerikaanse vrouwen de antiracisme beweging als geheel benadeelt.

Canon

Cooper sluit af met het ritueel, waarmee ze haar boek ook begon. Ze stelt een lijst op van namen van intellectuelen die in haar boek niet behandeld worden, maar die het eveneens verdienen om serieus genomen te worden. Daarmee wil Cooper geen nieuwe canon van grote denkers opstellen, want dat is juist hetgeen waartegen zij in eerste instantie in opstand kwam.  Met de lijst geeft Cooper aan dat deze vrouwen, en hun ideeën, het bestuderen waard zijn.

Omdat Cooper telkens terugkeert bij dezelfde belangrijke denkers, lijkt het echter alsof ze wel degelijk een persoonlijk feministische canon opstelt.  Dit is jammer, want ondanks het taalgebruik hoeft de lezer niet veel voorkennis te hebben van de geschiedenis van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging om te begrijpen waar Cooper het over heeft. Ze plaatst zichzelf en haar denkers immers expliciet buiten de traditionele historiografie – en daarmee voegt ze tevens daadwerkelijk iets toe aan de historiografie.

Door Larissa Schulte Nordholt.

Larissa Schulte Nordholt is promovenda bij het Instituut voor Geschiedenis in Leiden. Haar onderzoek richt zich op de historiografie van UNESCO’s General History of Africa/l’Histoire Générale de l’Afrique. De vraag hoe historici die aan het project werkten zich mentale dekolonisatie voorstelden en hoe zij dat in praktijk brachten in een periode vlak na en tijdens politieke dekolonisatie, staat daarbij centraal.

About the author:

Back to Top