Recensie: Diederik van Vleuten – ‘Daar werd wat groots verricht’

Recensie: Diederik van Vleuten – ‘Daar werd wat groots verricht’

Recensie: Diederik van Vleuten – ‘Daar werd wat groots verricht’

Reacties uitgeschakeld voor Recensie: Diederik van Vleuten – ‘Daar werd wat groots verricht’

Diederik van Vleuten, ‘Daar werd wat groots verricht’
Hoogland & Van Klaveren, Hoorn, 2018

ISBN: 9789089672582
€34,90

 

 

 

Een uitgebreid familiearchief, inclusief brieven, foto’s en memoires in handen gedrukt krijgen: het is de droom van iedere geschiedenisliefhebber en historicus. Als het dan ook nog het familiearchief van je éigen, Indische familie is – dan moet je er wel iets mee.

Het overkwam cabaretier, muzikant en theatermaker Diederik van Vleuten. Zijn drang om het verhaal van zijn familie, en vooral zijn oudoom Jan, verder te vertellen resulteerde eerder al in een theatervoorstelling en dvd, maar nu is er ook het boek Daar werd wat groots verricht. In het boek vertelt Van Vleuten aan de hand van foto’s, brieven en teksten van Jan zelf, het levensverhaal van Jan van Vleuten, beginnend in Nederlands-Indië en via Den Haag, Leiden, Zuid-Afrika weer naar Indië.

Indische identiteit

Het enthousiasme over de familieleden, als ‘vat waar de geschiedenis door heen stroomt,’ spat van de bladzijden. Door het vergrootglas op de familie krijgen we een mooie indruk van het persoonlijk en dagelijks leven van een Indische familie in de twintigste eeuw. Het wordt in de beschrijving van het alledaags leven van de familie duidelijk hoe aanwezig het ‘Indische’ was in de (hogere klassen van) de Nederlandse samenleving. Overal waar de familie in Nederland ging, bestond er nog wel een connectie met Indië, door eveneens Indische klasgenoten bijvoorbeeld, of door Indische gebruiken waar zelfs in Nederland aan werd volgehouden. Tegenwoordig lijkt het vaak of er weinig interactie tussen beide landen bestond, los van Nederlanders die naar Indië reisden, maar Van Vleutens familie laat zien dat er geen strikte scheiding was tussen Indisch Nederland en het moederland. De familieleden reisden geregeld heen en weer, logeerden dan bij verschillende kennissen en familie door heel Nederland, en schreven regelmatig brieven aan hen. De koloniale ervaring bleef daarmee dus niet beperkt tot de mensen die daadwerkelijk zelf naar Indië reisden. De jongens, oudoom Jan en zijn broertje Sam, verhielden zich in hun jonge jaren ook voortdurend tot die Indische identiteit, bijvoorbeeld als ze op blote voeten in Brabant rondrenden, en zich weer even ‘Indische jongens’ voelden. De Indische gemeenschap was hun thuis, Nederland was dat lange tijd niet. Wat het boek echter mist is reflectie op dit grotere perspectief en de rol van deze gemeenschap.

Te Indisch

Familiekronieken zijn als op zichzelf staand verhaal vaak al interessant, maar kunnen een bredere meerwaarde hebben door het verhaal van de familie als microgeschiedenis te koppelen aan grotere lijnen in de geschiedenis, zoals bijvoorbeeld gebeurt in het boek De stamhouder van Alexander Münninghof. Het verhaal van Jan van Vleuten is daar ook uitermate geschikt voor: zo komt hij bijvoorbeeld oud-gouverneur-generaal Van Heutsz tegen, werkt hij in het Zuid-Afrika van Boeren, Britten en beginnende Apartheid, en voelt hij zich als kind sterk betrokken bij het verloop van de Eerste Wereldoorlog. Los van wat korte opmerkingen gaat Van Vleuten daar weinig op in. Vleuten volgt eigenlijk de lijn van zijn ooms beschrijving, die bijvoorbeeld wel commentaar heeft op de rassenscheiding in Zuid-Afrika, maar niet ingaat op de verhoudingen tussen Europees en Aziatisch in Nederlands-Indië zelf. Het lijkt Van Vleutens overtuiging de geschiedenis ‘neutraal’ te willen beschrijven, of zoals hij zijn oom citeert: ‘zo was het toen.’

Een kwestie van perspectief

Maar kan dat eigenlijk wel? Zonder het over schuld te hoeven hebben, is het onmogelijk de familie Van Vleuten los te zien van het Nederlands koloniaal systeem. De geschiedenis stroomt niet zomaar door hen heen als door een vat; zij leefden en werkten in een koloniale werkelijkheid. Het was juist interessant geweest die verhalen te analyseren en te duiden aan de hand van bredere historische bewegingen en gebeurtenissen, en andersom. Van Vleuten becommentarieert wel terloops het uitblijven van straf voor een adellijke jongen op school als een  ‘sterk staaltje klassenjustitie’, maar hij laat dit soort commentaar achterwege wanneer hij vertelt dat de kinderen Van Vleuten niet te ‘Indisch’ mochten worden op hun gemengde Indische school, of als het vanzelfsprekend is dat de Indonesische baboe, een kinderjuffrouw en soms ook huisbediende, meereisde op verlof naar Nederland. Hij gaat eerder mee in de retoriek van de vroege twintigste eeuw, bijvoorbeeld over goed onderwijs: ‘ondanks de eeuwenlange Nederlandse aanwezigheid in Indië en de grote koloniale roeping die op de schouders van het vaderland rustte, moest men voor die zaken nog altijd in dat vaderland zelf zijn.’ Het beeld van de Nederlandse natie die de white man’s burden op zich neemt, komt hier ineens sterk naar voren. De titel, naar het beroemde citaat van Jan Pieterszoon Coen, lijkt dat nog eens te onderstrepen.  Neutraal blijven, wat Van Vleuten beoogt, is dus eigenlijk niet mogelijk in de geschiedenis. Je kiest altijd een perspectief, ook als het perspectief dat van de Indische familie in de tijd zelf is.

Het Indisch verleden kent veel meer nuances dan hoe het zolang is omschreven. Waarom zou Nederland een koloniale roeping hebben? Waarom is het logisch dat Jan naar Zuid-Afrika reist om planter in Indië te kunnen worden? Van Vleutens omschrijving van de maîtresse van oom Jan, die overigens alleen bij de naam wordt genoemd die de oom haar geeft, lijkt een poging tot deze nuance. Zij was niet alleen minnares, schrijft hij, maar ook cultureel tussenpersoon en bestuurder van het huishouden. Vaker blijft deze nuance thuis en vervalt Van Vleuten in de vaste patronen waarin het Indisch verleden wordt omschreven, waarin Jans rondreizen door de koloniale wereld vanzelfsprekend is. Door de stijl en sfeer past het boek in de traditie van de Indische literatuur, maar soms lijkt het boek haast melancholisch, een verlangen naar de tempo doeloe, de goede oude, Indische, tijd.

Nieuwe generatie

Dit boek is een sprekend verslag van de ontwikkelingen in een Indische, koloniale familie. Van Vleuten is geen historicus en het hoeft dan ook niet zijn doel te zijn het verleden te analyseren. Toch is het een gemiste kans dat hij vaste patronen en symbolen als de baboe niet op een nieuwe manier uitlegt aan een generatie lezers voor wie ze toch al niet bekend of vanzelfsprekend zijn. Los daarvan weet Van Vleuten zijn bevlogenheid over zijn familiegeschiedenis goed over te brengen in woord en beeld, en is het verhaal van oom Jan één dat beklijft.

Door Bente de Leede.

Bente de Leede werkt als promovenda aan de Universiteit Leiden. Zij is gespecialiseerd in koloniale geschiedenis en doet onderzoek naar bekering van de lokale bevolking tot de Nederlandse Protestantse Kerk in de VOC-periode op Sri Lanka. Tijdens haar studie in Leiden deed Bente onderzoek naar Nederlandse koloniale mentaliteit en ideologie onder invloed van verlichting en vooruitgangsidealen in de vroege negentiende eeuw en liep zij stage bij het KITLV-onderzoek naar de dekolonisatie van Indonesië. Naast schrijven over geschiedenis maakt Bente graag muziek. Je kunt Bente volgen op twitter via @visitbente.

About the author:

Nieuwsbrief

Back to Top