Recensie: Daniëlle Teeuwen – Financing Poor Relief through Charitable Collections in Dutch Towns, c. 1600-1800

Recensie: Daniëlle Teeuwen – Financing Poor Relief through Charitable Collections in Dutch Towns, c. 1600-1800

Recensie: Daniëlle Teeuwen – Financing Poor Relief through Charitable Collections in Dutch Towns, c. 1600-1800

Reacties uitgeschakeld voor Recensie: Daniëlle Teeuwen – Financing Poor Relief through Charitable Collections in Dutch Towns, c. 1600-1800

Hoewel Nederlanders in het buitenland bekend staan als nogal gierige mensen, zien wij onszelf juist graag als heel vrijgevig. Als er ergens in de wereld een humanitaire ramp voltrekt – denk bijvoorbeeld aan de tsunami in de Indische Oceaan in 2004 – worden er in allerijl acties georganiseerd en slaan de publieke omroep en de commerciële zenders de handen ineen om op televisie een massale inzamelingsactie te beginnen. Mies Bouwman deed dat een halve eeuw geleden al en dat heeft tot op de dag van vandaag navolging gekregen. In de laatste World Giving Index stond ons landje op een respectabele zevende plaats.

‘It is a rare thing to meet with a beggar here’
In de vroegmoderne Republiek der Verenigde Nederlanden wisten ze nog niet wat een televisie was, maar waren ze desalniettemin prima in staat om collectes te organiseren, met als resultaat een goed functionerende armenzorg. Hoewel in de Angelsaksische historiografie is gewezen op de superioriteit van de Engelse armenzorg in deze periode,  waarin sommigen zelfs zover gingen door te stellen dat het op het Europese vasteland amper tot ontwikkeling was gekomen, gaat dit voor de Republiek niet op. In de Republiek was er wellicht geen verplichte ‘poor tax’, maar toch was er een goed functionerende armenzorg. Het proefschrift van Daniëlle Teeuwen laat zien hoe de armenzorg werd georganiseerd en gefinancierd en hoe effectief dit was. Dit doet zij voor vier steden: Delft, Utrecht, Zwolle en ‘s-Hertogenbosch. Dat de keuze op deze steden is gevallen is met name door de aanwezigheid van voldoende bronnenmateriaal en de geografische spreiding. In de decentrale politieke lappendeken van de Republiek waren deze steden op politiek, economisch, sociaal en cultureel gebied dusdanig verschillend dat een vergelijking tussen de steden interessante inzichten kan bieden. Tot dusver is in de Nederlandse historiografie weliswaar aandacht besteed aan armenzorg in de vroegmoderne tijd, maar dit betroffen detailstudies die zich beperkten tot één stad en/of een hele korte periode. In die zin is het proefschrift van Teeuwen een mooie aanvulling.

Financing poor relief
De focus van deze dissertatie ligt op het financiële gedeelte. Wederom Angelsaksische historici hebben betoogd dat de organisatie van armenzorg onmogelijk goed kon worden geregeld zonder een verplichte belastingheffing voor de armenzorg, omdat financiering door collectes niet kon zorgen voor een stabiele en continue geldstroom. Als men moest vertrouwen op de grillen van individuele donateurs kon er nooit stabiele zorg worden georganiseerd, zo dachten zij. Uit het onderzoek van Teeuwen blijkt echter dat de inkomsten uit collectes in de onderzochte periode zeer stabiel waren. Dit was ook wel noodzakelijk, aangezien de afhankelijkheid van donaties groot was, met name in Zwolle. Ongeveer 70% van de inkomsten kwam daar namelijk uit donaties en collectegelden. Er waren echter wel uitzonderingen, zoals in het Rampjaar 1672 en de Bataafs-Franse periode, periodes waarin de Republiek op eigen grond oorlog voer.

Teeuwen concludeert dat in de onderzochte steden de armenzorg in veel aspecten overeenkomsten hadden. Allereerst de hierboven genoemde de grote afhankelijkheid van de collectes, hoewel ’s-Hertogenbosch er veel minder van afhankelijk was dan de overige steden. Ook toont ze bijvoorbeeld aan dat deur-tot-deur collectes de hoofdmoot vormden en met vaste regelmaat werden georganiseerd. Waar Teeuwen ook mooi aandacht aan besteedt is de wijze waarop verschillende instellingen de vrijgevigheid van mensen probeerden te beïnvloeden. Ook laat zij mooi zien hoe gevarieerd de collectes waren. Het waren niet alleen de standaard collectes in de kerk, maar er werden ook zeer regelmatig speciale collectes gehouden voor slachtoffers van oorlogsgeweld of een natuurramp. In die zin is er in de afgelopen niet bijzonder veel veranderd.

Noord, oost, zuid en west
Hoewel dit geen hele lijvige studie betreft – het geheel is zo’n 230 pagina’s, inclusief notenapparaat, bijlagen en bibliografie – heeft Teeuwen veel werk verzet, gezien de grote hoeveelheid aan verwerkt cijfer- en archiefmateriaal. Dit uit zich bijvoorbeeld ook in het aantal grafieken achterin de bijlagen van het boek wat een goed overzicht biedt van de inkomsten van de verschillende lokale instellingen. Hiervoor verdient zij zeker een compliment. Het is jammer dat er niet meer ruimte was voor nog een stad, want hoewel de keuze voor de vier onderzochte steden goed valt te verdedigen en de comparatieve analyse zeker zijn vruchten afwerpt, is het toch jammer dat de noordelijke gewesten Friesland, Groningen en Drenthe volledig ontbreken. Hiermee had Teeuwen steden onderzocht uit het westen, zuiden, oosten en noorden. Nu blijft er nog veel ruimte voor onderzoek over. In de noordelijke gewesten werden de steden en dorpen weer anders bestuurd en had het dus heel interessant kunnen zijn om te zien welke verschillen en overeenkomsten deze gewesten hadden met de rest van de Republiek. Dat doet echter niets af aan het feit dat de studie al meerdere interessante overeenkomsten en verschillen tussen de steden laat zien. Het grootste pluspunt van haar onderzoek is dan ook de geografische reikwijdte. Door de verschillende steden op lokaal niveau te onderzoeken en te vergelijken is een mooi, redelijk compleet beeld ontstaan van de organisatie, effectiviteit en financiering van de vroegmoderne armenzorg in de Republiek. Na de studies van Coen Wilders en Femke Deen is dit wederom een prima studie uit de Amsterdam Studies in the Dutch Golden Age.

Daniëlle Teeuwen, Financing Poor Relief through Charitable Collections in Dutch Towns, c. 1600-1800 (Amsterdam: Amsterdam University Press, 2016), ISBN 978 90 8964 793 1, € 89,-

Door Ferry Gouwens

Ferry GouwensFerry Gouwens (1990) rondde in augustus 2013 de research master Medieval and Early Modern European History af aan de Universiteit Leiden door een politieke biografie te schrijven van de Utrechtse edelman Johan van Reede, heer van Renswoude (1593-1682). Over dezelfde Van Renswoude verscheen in mei 2015 van zijn hand een artikel in Virtus. Journal for Nobility Studies. Tijdens zijn studie was hij redactielid bij Leidschrift, onder meer als eindredacteur. Momenteel is hij assistent-uitgever bij Uitgeverij Verloren in Hilversum.

About the author:

Back to Top