Recensie: Eelco Runia – Genadezesjes

Recensie: Eelco Runia – Genadezesjes

Recensie: Eelco Runia – Genadezesjes

Reacties uitgeschakeld voor Recensie: Eelco Runia – Genadezesjes

Eelco Runia, Genadezesjes. Over de moderne universiteit.
Uitgeverij Athenaeum, Amsterdam 2019.
ISBN: 9789025310219
€17,50.

 

 

 

Eind 2017 windt Geert Mak zich in gesprek met NRC Handelsblad op over de hedendaagse manager. Dit beroep is volgens hem ‘volledig gekoloniseerd door beunhazen. Dat emotioneert me enorm, hè, die laag regenten die zich de afgelopen kwart eeuw tussen het politieke bestuur en het gewone leven gewurmd heeft.’ Eelco Runia zal die woorden instemmend gelezen hebben, want amper een maand later geeft Runia in dezelfde krant te kennen dat hij ontslag neemt bij zijn universiteit, de Rijksuniversiteit Groningen, vanwege de situatie die met de intrede van de managers is ontstaan. Hij gunt zichzelf nog een aantal productieve en plezierige werkzame jaren buiten de universiteit.

Nu, ruim een jaar na zijn ontslag, doet hij een boekje open. Genadezesjes bestaat uit acht brieven aan betrokkenen die in meer of mindere mate te maken hebben met de universiteit: buitenstaanders, Kamerleden, bestuurders, collega’s, de bedrijfsarts, studenten, promovendi en de belastingbetaler. Uit deze brieven komt een beeld naar voren van een doodzieke universiteit.

Wantrouwen regeert

Runia wijst op een aantal fundamentele problemen. Zo is de verhouding tussen het wetenschappelijk personeel en het Ondersteunend en Beheerspersoneel (OBP) totaal uit het lood geslagen. Dit OBP omvat alle medewerkers die niet als wetenschapper werkzaam zijn, van de portier tot aan de voorzitter van het College van Bestuur. In 2016 behoorde niet minder dan 41,7% van het totaalaantal medewerkers op Nederlandse universiteiten tot die groep. Ondanks dit leger aan ondersteuners moeten docenten zelf allerhande praktische taken uitvoeren, zoals het administreren van tentamens of het surveilleren bij tentamens. Runia vraagt zich af hoe ‘zo’n geweldige hoeveelheid Ondersteunend en Beheerspersoneel zo weinig ondersteuning levert.’

Wat doen die ‘ondersteuners’ dan wél? Ze hengelen naar verantwoording van de docenten over het onderwijs dat ze geven. Elke handeling die een student moet verrichten om de studiepunten te halen, moet zichtbaar zijn. Het doel hiervan is dat de student zo efficiënt mogelijk door de opleiding kan rollen. Maar doordat docenten zo druk zijn met de verantwoording van de inhoud, komen ze minder aan die inhoud zelf, het onderwijs en onderzoek, toe. Bovendien leiden de vele afvinklijstjes, die bestaan uit te maken essays, tentamens en papers, tot prestatiedruk en stress bij studenten. Die regeldwang gaat ten koste van de academische aard van het onderwijs, dat meer zou moeten zijn dan de som der delen. Maar: ‘De mate waarin “de gemiddelde student” “geen obstakels tegenkomt” is het belangrijkste criterium geworden voor “goed” onderwijs.’

Docenten moeten de vakken die ze geven zoveel mogelijk opknippen in kerncompetenties, te vertalen in ronkend taalgebruik in de cursushandleidingen. Het idee hierachter is dat docenten inwisselbaar worden. Mocht een docent uitvallen, dan kan een ander – aan de hand van die kerncompetenties – de cursus overnemen. Maar dit doet geen recht aan een van de belangrijkste kenmerken van een professional: die heeft specialistische kennis in huis die per definitie niet vertaalbaar is naar kerncompetenties. Een professional gedijt bij vertrouwen, maar de motor van de verantwoordingsmachine draait op het omgekeerde: wantrouwen.

Meedraaien tot je doordraait

Hoe is het mogelijk dat wetenschappers zich inzetten om dit systeem in stand te houden, zo vraagt Runia zich af. In zijn analyse spaart hij zijn voormalige collega’s niet: ‘Niet alleen kunnen ze het niet laten taken aan te nemen die hen afhouden van de wetenschappelijke carrière waar het hun ooit om begonnen was, ze zijn ook nog eens verrassend slecht in staat zich met een minimum aan inspanning van die taken te kwijten.’ Velen voeren hun taken uit in de hoop ooit een grote onderzoeksubsidie binnen te halen die lucht verschaft om onderzoek te doen. Voor de verdeling van deze subsidies is een geldverslindend circus opgetuigd. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) moet bepalen welk voorstel subsidie verdient, maar door de intense aard van de wapenwedloop onder onderzoekers is het merendeel van de voorstellen kwalitatief sterk.

Die subsidieverstrekking is dus geen ‘meritocratisch behendigheidsspel’ zoals de betrokkenen beweren, maar een geldverslindende loterij. Runia oordeelt: ‘het is te duur, het is oneerlijk en het stimuleert risicoloze wetenschapsbeoefening.’ Met een verstikkend conformistische wetenschapsbeoefening tot gevolg: onderzoekers die keurig binnen de lijntjes kleuren in de ijdele hoop dat ze geld binnenhalen.

Tot slot

Eelco Runia heeft de universiteit verlaten en werkt verder als zelfstandig ondernemer. Het is natuurlijk verleidelijk om hiervan te zeggen: hij heeft gemakkelijk praten. Runia is immers een succesvolle en relatief bekende wetenschapper die het overgrote deel van zijn carrière achter de rug heeft. Hij kan zich zijn stap, anders dan vele anderen, permitteren. Ook zou je zijn vlammende aanklacht tegen de hedendaagse universiteit af kunnen doen als een dagboek van één gefrustreerde wetenschapper. Hier is hij overigens eerlijk over: het is zijn perspectief op de zaak. Maar het is wel een doorwrochte visie: hij haalt recent onderzoek aan, biedt cijfermateriaal en heeft de nota’s van de bestuurders doorgeworsteld op zoek naar hun visie.

Tot slot biedt Runia een tiental aanknopingspunten die kunnen leiden tot verandering, waaronder ‘reductie van de bestuurslaag en het ambtelijke apparaat met 50%’ en ‘bestuur door de professionals zelf en niet door beroepsmanagers’. Runia is de naïefste niet; hij zal niet verwachten dat hij mee mag denken over een radicale verandering van de inrichting van universiteiten. Maar het is te hopen dat zijn messcherpe analyse bijdraagt aan een bezinning op de situatie aan Nederlandse universiteiten.

Door Christoph van den Belt.

Christoph van den Belt (1991) studeerde Geschiedenis aan de Radboud Universiteit. Tijdens zijn studie hield hij zich voornamelijk bezig met persgeschiedenis, wetenschapsgeschiedenis en religiegeschiedenis in de 19e en 20e eeuw. Sinds november 2016 is hij verbonden aan de Vrije Universiteit en de Christelijke Hogeschool Ede, waar hij werkt aan een proefschrift over de geschiedenis van het Nederlands Dagblad en het Reformatorisch Dagblad in de periode 1960-heden.

 

About the author:

Back to Top