Recensie: Gerrit Valk – Vechten voor vijand en vaderland

Recensie: Gerrit Valk – Vechten voor vijand en vaderland

Recensie: Gerrit Valk – Vechten voor vijand en vaderland

Reacties uitgeschakeld voor Recensie: Gerrit Valk – Vechten voor vijand en vaderland

Gerrit Valk, Vechten voor vijand en vaderland. SS’ers in Nederlands-Indië en Korea
Boom Uitgevers, Amsterdam, 2017

ISBN: 9789089535719
€20,00 

 

 

 

Wierf de Nederlandse overheid, direct na de Tweede Wereldoorlog, actief onder Nederlanders die in Duitse krijgsdienst gezeten hadden, om hen voor de Nederlandse krijgsmacht uit te zenden naar het toenmalige Nederlands-Indië en naar Korea? Deze delicate vraag ligt ten grondslag aan het onlangs verschenen boek van Gerrit Valk Vechten voor vijand en vaderland. SS’ers in Nederlands-Indië en Korea.

Het boek past binnen de toegenomen aandacht voor het Nederlandse militaire optreden in het buitenland, met name in Nederlands-Indië (Remy Limpach De brandende kampongs van Generaal Spoor, Gert Oostindie Soldaat in Indonesië) en binnen het groeiende besef dat Nederland niet moreel superieur is aan andere landen. Ook Nederlandse soldaten begingen oorlogsmisdaden en ook in Nederland is er sprake van racisme (Gloria Wekker, Witte onschuld (zie ook de recensie van Larissa Schulte Nordholt). De auteur laat zien dat van verschillende landen bekend is dat zij na de Tweede Wereldoorlog gebruik maakten van de diensten van voormalige SS’ers. In het Franse Vreemdelingenlegioen vochten zij mee in Vietnam en Algerije en zelfs de Israëlische geheime dienst (Mossad) maakte gebruik van voormalige SS’ers. Waarom zou Nederland dat dan niet doen? ‘Zowel in Nederlands-Indië (1945-1950) als in de oorlog in Korea (1950-1953) was de behoefte aan oorlogservaren soldaten groot en liepen vraag en aanbod ver uiteen.’, aldus Valk.

Werd er actief geworven?

Valk toont in zijn boek aan dat er wel degelijk voorstellen gedaan werden om voormalige SS’ers in te zetten in Nederlands-Indië. Hij bespreekt in dit kader onder andere twee geheime memoranda van de Rooms Katholieke Kerk, daterend van juni en juli 1945. De opstellers wezen erop dat dienst nemen in het Nederlandse leger de voormalige SS’ers een goede kans gaf om zich te rehabiliteren, terwijl het leger gebaat was bij de krijgservaring van deze groep. Prins Bernhard deed in de Legerraad van 24 mei 1946 een vergelijkbaar voorstel. Ook het Directoraat-Generaal voor Bijzondere Rechtspleging wees in een voorlichtingsrapport voor de bijzondere gerechtshoven die politieke delinquenten moesten berechten op de mogelijkheid om voormalige SS’ers in Indië te laten dienen. Rehabilitatie en schuldvereffening waren belangrijke redenen om tot dit advies te komen. Minister van Oorlog J. Meynen veegde deze voorstellen echter van tafel. Hij achtte het schadelijk voor het moreel van de troepen in Indië die dan op één lijn  gesteld zouden worden met de SS-onderdelen. De regering sloot zich hierbij aan. Valk komt dan ook tot de conclusie dat er geen bewijs is dat de Nederlandse regering actief wierf onder de gedetineerden die in Duitse krijgsdienst waren geweest.

Wie gingen er?

Toch dienden er wel voormalige SS’ers in Nederlands-Indië. Een enkeling als oorlogsvrijwilliger, een groter aantal werd gedurende de oorlog opgeroepen als dienstplichtige. In zijn hoofdstuk ‘aantallen’ maakt Valk korte metten met het exorbitant hoge aantal van 15.000 à 30.000 dat Geert Mak in de eerste versies van De eeuw van mijn vader noemde, maar ook met de bewering dat dit slecht incidenteel voorkwam, zoals in latere versies van het boek te lezen is. Ook de ‘enkele honderden’ waar Peter Schumacher in de jaren ’90 op uitkwam zijn volgens hem te laag. Op basis van de aantallen die Pieter Brijnen van Houten in de kaartenbakken van het ministerie van Binnenlandse Zaken vond, komt Valk tot een schatting van zeshonderd tot duizend voormalige SS’ers, minder dan één procent van het totaal aantal ingezette militairen, die in Nederlands-Indië dienden. Voor de inzet in Korea komt Valk op basis van eigen tellingen tot een schatting van veertig of enkele tientallen meer, wat tot een hoger percentage leidt dan in Indië. Naar aanleiding van gesprekken met oud-SS’ers en de literatuur concludeert Valk dat er geen sprake was van pressie door de overheid op deze groep om in dienst te treden.

Een smet op het Nederlandse leger?

Buiten de vraag of de overheid actief onder oud-SS’ers wierf en de discussie onder historici naar de aantallen SS’ers die in de Nederlandse krijgsmacht dienden, schetst Valk ook een portret van de mannen die zich voor de Duitse krijgsdienst aanmelden. Op basis van de bestaande literatuur over SS’ers, archiefmateriaal en interviews laat hij zien wie deze mannen waren, en waarom ze zowel in de Duitse als de Nederlandse krijgsmacht dienden. Deze persoonlijke verhalen maken het boek prettig leesbaar. Daarnaast besteedt Valk veel aandacht aan sociale kwesties: werden de mannen geaccepteerd in het leger en in de samenleving? Hij komt tot de conclusie dat veel voormalige SS’ers in Nederlands-Indië hun best deden om hun verleden geheim te houden, maar dat het vroeg of laat toch bekend werd. Hun geoefendheid als soldaat leidde tot waardering bij hun maten. In Korea was van begin af aan meer openheid onder de oud-SS’ers over hun verleden en was er zelfs sprake van ‘trots’. De Tweede Wereldoorlog lag verder achter hen en inmiddels was er een nieuwe vijand in het communisme, die zij al eerder hadden bestreden. Ook in de maatschappij leidden berichten dat voormalige SS’ers in Indië en Korea dienden niet tot heftige debatten. Dit in tegenstelling tot berichten over oorlogsmisdaden in Indië die steeds opnieuw voor ophef zorgden (Stef Scagliola, Last van de oorlog). Het ‘Memento mortuis’ waarmee Valk zijn boek afsluit doet in dit opzicht dan ook wat vreemd aan. Valk lijkt daarin te suggereren dat het herdenken op 4 mei van voormalige SS’ers die in Nederlands-Indië of Korea sneuvelden, maatschappelijk gevoelig ligt. Dit is echter in tegenspraak met zijn bewering dat de inzet van deze groep niet tot maatschappelijke discussies leidde. Tot slot sluit Valk aan bij het recente onderzoek naar Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië, door de vraag te stellen of Duitse wapendragers hier een belangrijk aandeel in leverden. Deze vraag kan op basis van de literatuur en het archiefmateriaal echter niet beantwoordt worden volgens hem. In Vechten voor vijand en vaderland is Valk erin geslaagd om verschillende onbekende thema’s uit de recente geschiedenis bijeen te brengen en te verbinden met de actualiteit in een vlot lezend boek.

Door Marleen van den Berg

 

Marleen van den Berg rondde recent  de research master Colonial and Global History aan de Universiteit Leiden af. Tijdens haar studie specialiseerde zij zich in de contemporaine geschiedenis van Nederlands-Indië, militaire geschiedenis en zendingsgeschiedenis. Haar scriptie richtte zich op de houding van de Nederlandse zendeling H.A.C. Hildering gedurende de Indonesische dekolonisatieoorlog.

 

 

 

About the author:

Back to Top