Recensie: Mariëlle Hageman – Amsterdam in de wereld

Recensie: Mariëlle Hageman – Amsterdam in de wereld

Recensie: Mariëlle Hageman – Amsterdam in de wereld

Reacties uitgeschakeld voor Recensie: Mariëlle Hageman – Amsterdam in de wereld

‘Amsterdam is van de wereld en de wereld is van Amsterdam.’ Zo kun je het nieuwe boek Amsterdam in de wereld door (kunst)historica Mariëlle Hageman misschien het beste samenvatten. In deze leesbare uitgave, deels gebaseerd op een Parool-rubriek en een boekenreeks voor de gemeente Amsterdam, laat Hageman zien hoe Amsterdammers de wijde wereld veranderden én hoe die wijde wereld hun stad heeft gevormd.

Het tweede aspect is misschien interessanter dan het eerste. Amsterdams handelsverleden tijdens vooral de zeventiende ‘Gouden’ eeuw is natuurlijk een beetje een uitgekauwd thema, en inderdaad duiken de min of meer usual suspects op als handelspost Deshima in Japan, kaartenmaker Willem Blaeu (1571-1638), en natuurlijk de VOC. Toch levert Hagemans nadruk op personen en historische objecten originele invalshoeken op en blijken er nog genoeg onbekende verhalen te vertellen. Zoals dat van Sigbrit Willemsdochter, een Amsterdamse zakenvrouw die de schoonmoeder werd van de Deense koning Christiaan II. ‘Mor Sigbrit’, moeder Sigbrit, verwierf op den duur zoveel invloed dat de hoge Deense adel haar zag als een soort vrouwelijke Raspoetin, die met buitenlandse hekserij het land overnam. Spoiler alert: met moeder Sigbrit liep het niet goed af.

De terugkeer te Amsterdam van de Tweede Schipvaart naar Oost-Indië, waarmee ‘den handel daer geplant’ werd, door Hendrik Cornelisz. Vroom (1599). Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam.

Hoe het handelsverleden op zijn beurt Amsterdam heeft gevormd, is een vraag die minder vaak gesteld is.[1] In feite begeeft Hageman, wier nadruk op het koloniale verleden ligt, zich ermee op het terrein van wat in de Britse context de ‘New Imperial History’ heet: historici die zich onder invloed van de postkoloniale kritiek bezig gingen houden met de culturele kant van het Britse rijk. Kolonialisme en later imperialisme bestonden in deze lezing niet uit eenrichtingsverkeer van moederland naar verre kolonie, maar uit een wisselwerking gekenmerkt door ambigue scheidslijnen en wijdvertakte netwerken. Die trok zich van de nationale grenzen natuurlijk vrij weinig aan, en zodoende is Nederland niet te begrijpen zonder het koloniale verleden te beschouwen als integraal onderdeel van onze geschiedenis – een verleden dat zich, zo leren we in het boek, uitstrekte tot in New York, Ceylon, Suriname, Indië, Zuid-Afrika, Brazilië, de Caraïben, of Australië.

Vooral het achtste hoofdstuk, ‘Koloniale hoofdstad’,  is hier een goed voorbeeld van. Amsterdammers hadden in de negentiende eeuw het gevoel in een tweede Gouden Eeuw te leven dankzij de groei van de stad en de dynamische veranderingen van maatschappij en stadsbeeld. De Wereldtentoonstelling van 1883 en de Gouden Koets brachten de producten, voorstellingen en zelfs mensen uit de kolonie naar het hart van Amsterdam. Begin twintigste eeuw verrezen de Indische Buurt en Transvaal, net als het hoofdkantoor van de Nederlandsche Handelsmaatschappij en het Koloniaal Instituut: beide nog steeds imposante bouwwerken gedecoreerd met koloniale voorstellingen. De vergelijking dringt zich op met bijvoorbeeld studies naar de rol van Londen als de onnavolgbare hoofdstad van het Britse rijk gevuld met koloniale verwijzingen, activiteiten en vieringen.[2] Behandelt Anne Petterson in haar recent besproken boek populair nationalisme, dan zou je kunnen zeggen dat Hageman in dit hoofdstuk schrijft over populair imperialisme: het verbreiden van koloniale ‘vertoningen en verhandelingen’ onder grote lagen van de bevolking.[3]

Reliëf dat de rijstteelt in Nederlands-Indië verbeeldt op het voormalig Koloniaal Instituut in Amsterdam Oost, nu Koninklijk Instituut voor de Tropen en Tropenmuseum (1915-1926). Foto: Miel Groten.

De grote kanttekening is wel dat zulke reflectie niet in het boek zelf aanwezig is. Het is geen wetenschappelijke studie maar bovenal een publieksboek, gebaseerd op bestaande literatuur en hier en daar een geraadpleegd bedrijfsarchief. Een betere inbedding had geen kwaad gekund, ook omdat daarmee de samenhang en diepgang van wat uiteindelijk losse verhalen en anekdotes zijn, duidelijker was geworden. Bovendien had het boek zo op toegankelijke wijze wetenschappelijke debatten en maatschappelijke discussies – over de Gouden Koets, of ‘koloniale’ straatnamen – met elkaar kunnen verbinden.

Desondanks is het goed geschreven boek een leuke aanvulling op de geschiedschrijving van het Amsterdamse (en eigenlijk ook gewoon het Nederlandse) handels- en koloniale verleden en snijdt het daarbinnen thema’s aan die meer bestudeerd zouden mogen worden. Bovendien moet gezegd dat het fijn is vormgegeven en zeer royaal voorzien van grote illustraties die de verhalen echt duidelijker maken. Zou de toerisme-boom van Amsterdam – de meest recente incarnatie van de stelling van het boek – een Engelse vertaling niet tot een goed idee maken?

 

Mariëlle Hageman, Amsterdam in de wereld. Sporen van Nederlands gedeelde verleden (Ambo|Anthos, 2016) ISBN 9789026335198, €29,99 (paperback).


Miel Groten (1992) is historicus en architectuurhistoricus. Hij promoveert aan de Vrije Universiteit Amsterdam en onderzoekt in zijn project plaatsen van imperialisme, gebouwen met koloniale connecties die bijdroegen aan het ontstaan van een imperiale cultuur in Europa. Hij werkt bij Jonge Historici als hoofdredacteur van de Uitgeverij.

 

 

 

 

[1] Een vroeg voorbeeld, geënt op Edward Said die dit onderzoeksveld in beweging heeft gezet, is Ewald Vanvugt, De maagd en de soldaat. Koloniale monumenten in Amsterdam en elders (Amsterdam 1998).

[2] Zie bijvoorbeeld: Jonathan Schneer, London 1900. The imperial metropolis (1999), of de bundel Imperial Cities. Landscape, display and identity (1999, Felix Driver en David Gilbert).

[3] Een verwijzing naar John MacKenzie, Imperialism and popular culture (Manchester 1986).

About the author:

Back to Top