Recensie: Sarah Perry – Het monster van Essex

Recensie: Sarah Perry – Het monster van Essex

Recensie: Sarah Perry – Het monster van Essex

Reacties uitgeschakeld voor Recensie: Sarah Perry – Het monster van Essex

Als hoofdredacteur van deze website neem ik me gemiddeld drie keer per maand voor om een goede, inhoudelijke recensie te schrijven over een goed, inhoudelijk boek. Het onlangs verschenen Passendale bijvoorbeeld, of het nieuwste boek van Martin Bossenbroek. Maar een toch wel noodzakelijke voorwaarde voor het schrijven van een recensie is, zo leert de ervaring, tijd vrijmaken om een boek ter hand te nemen. Omdat het hoogzomer was en omdat het zonnetje scheen en omdat de Tour de France was afgelopen en…. Fuck it, puur en alleen omdat ik vermaakt wilde worden, belandde ik op de bank met Sarah Perry’s Het monster van Essex. En met deze onmogelijke romance op het Engelse platteland aan het einde van de negentiende eeuw meets een drakenjacht in vier actes werd ik op mijn wenken bediend.

Wolf Hall, dat veelbekroonde werk uit 2009 van Hilary Mantel over, kort gezegd, Hendrik VIII en Thomas Cromwell, heeft de lat voor de Engelse historische roman enorm hoog gelegd. De lovende kritieken van zowel Engelse als Nederlandse media over Het monster van Essex, de tweede roman van Perry (1979), doen vermoeden dat het boek de vergelijking wel kan doorstaan. ‘Een van de meest memorabele historische romans van de afgelopen tien jaar’, zegt The Sunday Times immers op de omslag van het boek. Helaas lijkt het mythologische titelmonster van Perry meer vleugels en klauwen te hebben dan Cromwell, en dat is niet positief. De overdadige stapels rottend hout, mistwolken, en met modder bedekte aardwallen waar de hoofdpersonages zich door- en overheen worstelen, zijn metaforisch voor Perry’s gekunstelde stijl. Om de vergelijking dus toch maar aan te gaan: Perry profileert zich vooral als een wandelend woordenboek en kan niet tippen aan de uitgeklede sublimiteit van Mantel.

Charlotte Brontë.

Dat maakt het boek, eerlijk is eerlijk, niet tot een slechte historische roman. De Victoriaanse heldin maakt een ware rentree (en is zelfs nog wat stoerder) in de gedaante van Cora Seaborne, die bij aanvang van het verhaal net weduwe is geworden. Ze verhuist naar Essex, waar ze een oude hobby opnieuw oppakt: de paleontologie. In haar kielzog volgt een stoet aan kleurrijke personages. Zo is er een zoon die ernstige gedragsstoornissen vertoont, een kordate en zeer geëmancipeerde gezelschapsdame – niet zo’n contradictie als het lijkt – en een chirurg die niet alleen erg innovatief is, maar ook aartslelijk, iets wat Perry om ondoorgrondelijke redenen om de paar bladzijden benadrukt. Net als Jane Eyre en Catherine Earnshaw is Seaborne niet bang voor monsters of mannen, of ze nu lelijk of knap zijn. Een eigenschap die haar maar wat goed van pas komt.

De wat boerse bevolking van Aldwinter, een dorpje in Essex, is namelijk in de greep van een gerucht over een monster. Niemand heeft deze ‘zeedraak’ van dichtbij gezien, maar zijn aanwezigheid wordt door iedereen gevoeld als een toorn Gods, en bovendien is er meer dan genoeg ‘bewijs’ verzameld. Zo verdwijnen er hier en ginder schapen, wordt de dorpsgek dood aangetroffen op het strand en begint een voltallige meisjesklas op een middag te lachen alsof ze door een boze kracht bezeten zijn. Seaborne is niet vatbaar voor het rumoer over een monster, maar weet zeker dat de onrust in het dorp wordt veroorzaakt door een ichthyosaurus, een levend fossiel. Ze is dan ook vastbesloten om het te vangen om op die manier ‘een eigen vitrine te krijgen’ in het Natuurhistorisch Museum in Londen. Tijdens haar speurtocht, want de mysterieuze verschijningen blijven haar en de dorpsgenoten voor raadsels plaatsen, maakt ze kennis met dominee William Ransome. Hij gelooft stellig niet in monster of fossiel (‘goddeloos bijgeloof’), is een absolute tegenpool van Seaborne en, je raadt het al, valt als een blok voor haar, daarin slechts enigszins belemmerd door de aanwezigheid van een echtgenote. Die op haar beurt weer bloedmooi is, iets wat Perry om iets meer doorgrondelijke redenen om de paar bladzijden benadrukt.

Mary Shelley.

De schrijfster weet elementen van een negentiende-eeuwse romantische tragedie te combineren met elementen uit een gothic novel, Brontë en Shelley samen in één kaft, en dat pakt voor de spanningsboog van het boek wonderbaarlijk goed uit. Bovendien zijn de personages dermate goed uitgewerkt en zijn hun opvattingen door hun persoonlijke ontwikkeling die ze in de loop van het boek doormaken zo genuanceerd dat de onderlinge relaties op realistische wijze tot leven komen. Zo komen de dogmatische dominee en de fervente aanhangster van het darwinisme nader tot elkaar, leert de chagrijnige (en vermeldenswaardig lelijke) chirurg zijn geduldige en aimabele vriend waarderen, en raken twee jonge meisjes van elkaar vervreemd wanneer de één snel volwassen moet worden. Gezamenlijk dragen deze verhoudingen het boek.

Het is daarom jammer dat deze aspecten worden overschaduwd door de onhebbelijke neiging van de schrijfster om ieder hoofdstuk te beginnen met iets dat zich nog het beste laat omschrijven als een literaire status quo. Korte, met bijvoeglijke naamwoorden en gekunsteldheden doordrenkte overzichten moeten inzicht geven in de locaties en emoties van álle belangrijke personages, wat leidt tot tenenkrommende zinsneden als ‘En dan is er Stella nog…’. Het zijn overbodige introducties op al eerder gesitueerde personages, die tevens onnodig zijn omdat er geen harde actie volgt op het gros van deze positiebepalingen.

In een roman die het toch vooral moet hebben van het, niet erg Victoriaanse, principe dat wetenschap, geloof en menselijke relaties niet zwart-wit zijn en vooral ook van de mystiek en spanning, had de schrijfster meer moeten rekenen op de kracht van de verbeelding. Een zwijgende en zich in de schaduwen ophoudende Cromwell uit Wolf Hall is nog altijd angstaanjagender dan ‘iets met een bochel, iets wat grimmig omhuld is met ruwe, klatsende [sic.] schubben’.

Door Simone Vermeeren

Simone Vermeeren (1991) is secretaris van het bestuur van Jonge Historici. Ze studeerde geschiedenis in Nijmegen en Amsterdam, en vervolgde haar studie met een tweede master Europese studies in Leuven, België. Momenteel werkt zij bij het cultuurfilosofische Nexus Instituut, als redacteur van het tijdschrift Nexus. Nadat ze in 2013 de schrijfwedstrijd van Jonge Historici won, was ze voor de stichting achtereenvolgens actief als schrijver, eindredacteur en hoofdredacteur website.

About the author:

Nieuwsbrief

Back to Top