Recensie: Maarten Hell – De Amsterdamse herberg 1450-1800

Recensie: Maarten Hell – De Amsterdamse herberg 1450-1800

Recensie: Maarten Hell – De Amsterdamse herberg 1450-1800

Reacties uitgeschakeld voor Recensie: Maarten Hell – De Amsterdamse herberg 1450-1800

https://maartenhell.files.wordpress.com/2017/10/omslag2-e1511174352450.jpg?w=362

Maarten Hell
De Amsterdamse herberg 1450-1800. Geestrijk centrum van het openbare leven
Uitgeverij Vantilt, Nijmegen, 2017
ISBN: 9789460043437
€ 29,95

 

 

 

Het vuistdikke boek De Amsterdamse herberg zit vol met gekke, treurige en bijzondere verhalen. Het is een imposant product van jarenlang archiefonderzoek. De auteur, historicus Maarten Hell, toont niet alleen aan hoe belangrijk de herberg was in de individuele levens van de poorters, ingezetenen en vreemdelingen, maar ook voor het gehele functioneren van de havenstad. Waarin schuilt het belang van de herberg?

De herberg in de vroegmoderne stad

Het onderscheid tussen café, restaurant en hotel werd pas geïntroduceerd in de negentiende eeuw. Daarvoor waren er herbergen: plekken waar werd gegeten, geslapen, vergaderd, gehandeld, gegokt en gemusiceerd. De gemene deler van alle herbergen was de verkoop van drank. Daarnaast noemt Hell nog één eigenschap die de herberg een herberg maakte: openbare toegankelijkheid. De herberg was een (semi)publieke plek waar iedereen aan de stamtafel plaats kon nemen voor een kan bier of een roemer wijn.

Hell betoogt dat de herberg cruciaal was in de levens van de inwoners en vreemdelingen van het vroegmoderne Amsterdam. Sterker nog, de weelde van de Gouden Eeuw werd niet gecreëerd in de Beurs, maar kwam tot stand in de vele kroegen waar de echte handel werd bedreven. Volgens Hell hadden de stedelijke herbergen vier functies: laven en logeren van gasten en het functioneren als centra van sociale, economische en politieke activiteit. Hell destilleert de verschillende functies uit een breed scala aan bronnen: stedelijke keuren, krantenadvertenties, boedelinventarissen, notariële akten, reisgidsen, romans, rechtbankverslagen, en ga zo maar door. De hoeveelheid geraadpleegde archiefstukken, het niveau van detail en het bijbehorende notenapparaat dwingen respect af. Hell schetst een kleurrijk beeld van het leven in vroegmodern Amsterdam. Een leven dat, zo laat hij zien, voor een groot deel plaatsvond in gelagkamers.

Publiek en privaat

Hells conclusie roept echter een vervolgvraag op: wat maakte die herberg nou de plek om al haar functies te vervullen? De sleutel lijkt te liggen in een kwestie die Hell in zijn inleiding kort aanstipt: de spanning tussen de private en publieke sfeer in de herberg. In de twintig hoofdstukken die volgen wordt hier en daar weer naar die spanning gehint – zo noemt hij de herberg regelmatig een ‘(semi)publieke ruimte’ – maar een diepere analyse blijft uit. Dit is jammer. Het lijkt erop dat de spanning tussen publiek en privaat in de ruimtes juist de kern is van alle functies en conflicten die worden beschreven.

Hell benadrukt vooral het publieke karakter van de herberg. Niet voor niets noemt hij de herberg in de ondertitel van zijn boek het ‘centrum van het openbare leven’. Er zijn echter veel verhalen in het boek te vinden waaruit een meer besloten, privaat leven in de herbergen naar voren komt. Juist omdat de ruimte met muren, ramen en een deur was afgesloten van de totale openbaarheid van de straat was er meer mogelijk. Door de relatieve beslotenheid kon er worden geroddeld, gehandeld, gegokt, geheeld en getippeld, maar werden er ook (illegale) kunstveilingen en radicale politieke bijeenkomsten georganiseerd. Verder laat Hell zien dat veel herbergen meerdere ruimtes hadden of dat er met geïmproviseerde afscheidingen meerdere ruimtes gecreëerd konden worden. In plaats van de open gelagkamer verkozen vrijmetselaarsloges de bovenzaaltjes voor hun geheime rituelen. De homoseksuele gasten van de ‘lolhuizen’ vertrokken samen naar besloten slaapkamers waar alleen de waard hen mocht bedienen. Was het leven in de herberg echt altijd zo openbaar?

Microkosmos

De Amsterdamse herberg had naast alle waardevolle details en leeswaardige anekdotes ook een groter, theoretisch(er) betoog kunnen bieden over de herberg als betwiste ruimte in het stedelijk landschap. Door de anekdotes te analyseren in de context van de spanning tussen publiek en privaat had het boek zich in een groter historiografisch debat kunnen mengen over toegankelijkheid, privacy en machtsverhoudingen in de ruimtes van de vroegmoderne stad. Deze discussie wordt ook gevoerd in andere studies naar vroegmoderne drinklokalen, zoals die van Beat Kümin en Brecht Deseure.

In zijn boek Drinking Matters: Public Houses and Social Exchange in Early Modern Central Europe (2007) noemt Kümin de kroeg een microkosmos van de vroegmoderne samenleving. Het was, zo betoogt hij, de fysieke ruimte waar menselijke interactie zich concentreerde en de herberg weerspiegelde daarom de gehele samenleving. Maarten Hell laat hetzelfde zien voor vroegmodern Amsterdam: de herberg stond centraal in het functioneren van de stad als gemeenschap. Juist daarom geeft Hell ons in zijn boek zeldzame en intieme inkijkjes in de levens van al die inwoners en bezoekers van de vroegmoderne metropool. Hoewel een meer theoretische analyse van toegevoegde waarde had kunnen zijn, is het boek door de vele verhalen zeker het lezen waard.

 

Adriaan Duiveman is promovendus aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij doet onderzoek naar de rol van rampen in de vorming van lokale en nationale identiteiten in de achttiende eeuw. Eerder bestudeerde hij de drinkcultuur in de Nederlandse Republiek aan de hand van vroegmoderne drinkliederen en drankspelletjes.

 

About the author:

Nieuwsbrief

Back to Top