Recensie: Petra van den Boomgaard – Voor de nazi’s geen Jood

Recensie: Petra van den Boomgaard – Voor de nazi’s geen Jood

Recensie: Petra van den Boomgaard – Voor de nazi’s geen Jood

Geen reacties op Recensie: Petra van den Boomgaard – Voor de nazi’s geen Jood

Petra van den Boomgaard, Voor de nazi’s geen Jood. Hoe ruim 2500 Joden door ontduiking van rassenvoorschriften aan de deportaties zijn ontkomen.
Uitgeverij Verbum, Hilversum, 2019.
ISBN: 9789493028043
€29,50

 

 

Senator Beukering (FvD) veroorzaakte onlangs veel ophef door zijn uitspraak dat de Joden zich “als makke lammetjes door de gaskamers” hadden laten jagen. Het beeld van de Joden als willoze slachtoffers is een van de stereotyperingen die historica en juriste Petra van den Boomgaard in haar proefschrift weerlegt. Men deed wel degelijk pogingen om aan de deportaties te ontkomen, door vlucht, onderduik of door zich te laten ‘ariseren’. Voor al deze vormen van verzet tegen de deporaties waren echter moed, geld en contacten nodig. Ontsnappen aan de nazi’s was dus niet voor iedereen binnen bereik.

VO6/1941

De laatste vorm van verzet, het ontduiken van de rassenvoorschriften, is het onderwerp van Van den Boomgaards dissertatie. Ze deed hiervoor uitgebreid onderzoek in de zogenaamde ‘Collectie Calmeyer’, ondergebracht bij het Centrum voor familiegeschiedenis Centraal Bureau voor de Genealogie (CBG). In januari 1941 vaardigden de nazi’s een verordening uit, waarin stond dat iedere persoon die geheel of gedeeltelijk van ‘joodse bloede’ was, zich moest laten registreren (VO 6/1941).

Volgens de rassenwetten waren er verschillende gradaties in het joods-zijn. Voljood (J) was eenieder die drie joodse grootouders had, of die twee joodse grootouders had en zelf lid was van een Israëlitische Gemeente. Halfjoods (GII) waren mensen met twee joodse grootouders, kwartjoods (GI) mensen met een joodse grootouder. Daarnaast waren er de zogenaamde gemengd gehuwden, voor joden die met een niet-joodse partner getrouwd waren. Hierbij werd onderscheid gemaakt tussen huwelijken met en zonder kinderen. In VO6/1941 was tevens de mogelijkheid opgenomen om de afstamming te laten onderzoeken als er twijfel was over de Joodse afkomst. Hiervoor werd de Entscheidungsstelle für die Meldepflicht aus VO6/41 opgericht, dat in maart 1941 onder leiding van de jurist Hans Georg Calmeyer kwam te staan.

Calmeyer en de Entscheidungsstelle

De persoon van Calmeyer is niet onomstreden gebleven. Zowel Joden als historici zijn verdeeld over de vraag waar zijn loyaliteit lag. Kan hij beschouwd worden als ‘rechtvaardige onder de volken’ of was hij een wispelturige nazi door wiens toedoen vele joden gedeporteerd zijn? Van den Boomgaard gaat deze discussie in haar dissertatie niet uit de weg. Ze weerlegt het idee dat Calmeyer wispelturig was en zijn adviezen liet bepalen door zijn humeur.

Ook spreekt zij de stelling tegen dat hij duizenden naar de gaskamers heeft gejaagd. Haar onderzoek toont aan dat Calmeyer en zijn medewerkers de Joodse verzoeken volgens een vast raamwerk beoordeelden en dat de verzoeken die aan dit raamwerk voldeden steeds goedgekeurd werden. Dit terwijl Calmeyer wist dat de verzoeken zonder uitzondering gestoeld waren op bedrog. Pas na 1943 veranderde de houding van Calmeyer en werd hij wispelturiger. Van den Boomgaard wijdt dit aan de toenemende druk en controle op de Entscheidungsstelle van buitenaf, onder andere door de SIPO und SD.

In tegenstelling tot veel andere onderzoeken naar het werk van de Entscheidungsstelle richt Van den Boomgaard zich in haar onderzoek niet alleen op de figuur van Calmeyer. Calmeyer was slechts een van de betrokkenen binnen het hele systeem voor de Jodenadministratie. Andere belangrijke spelers waren de ambtenaren van de bevolkingsadministratie, waaronder Jacob Lentz, de ontwerper van de persoonsbewijzen.

Daarnaast gaat Van den Booms aandacht uit naar de Joden die geprobeerd hebben om door middel van een herzieningsverzoek hun joodse status te wijzigen. Zij onderzocht onder andere de manieren waarop de Joden dit probeerden en de hulp van niet-joden die zij hierbij kregen. Door middel van gedegen onderzoek in de archieven van Calmeyer is Van den Boomgaard erin geslaagd om aan te tonen dat er veel meer helpers bij de herzieningsverzoeken betrokken waren dan tot nu toe aangenomen werd. Naast de bekende advocaten Kotting, van Proosdij en Nijgh waren er vele anderen, advocaten, notarissen, antropologen, (Israëlitische) kerkgenootschappen en particulieren, die de Joden met succes geholpen hebben om hun status te wijzigen. Dit gebeurde zelfs tot in Westerbork.

Vernieuwend

Van den Boomgaard heeft voor haar proefschrift gedegen onderzoek verricht, zowel kwalitatief als kwantitatief. Verschillende malen geeft ze aan dat haar corpus niet compleet was, door schade aan het archief. Het onderzoek heeft geresulteerd in een vuistdikke dissertatie. Door middel van niet minder dan 54 tabellen maakt zij haar resultaten inzichtelijk. Waar de tabellen in een oogopslag een goed beeld van de bevindingen geven laat dit in de tekst soms wat te wensen over. De tekst doet op sommige plaatsen meer aan als een beschrijving van de tabellen dan als een verklaring van de tabellen.

Dit resulteert in lange stukken tekst waarin heel veel verschillende cijfers en percentages achter elkaar gegeven worden, wat afbreuk doet aan de leesbaarheid en begrijpelijkheid ervan. Daarnaast lijkt de redactie niet overal even zorgvuldig gedaan te zijn, wat resulteert in kromme en soms onbegrijpelijke zinnen. Dit neemt echter niet weg dat het een interessant boek is dat een vernieuwend licht werpt op zowel het werk van de Entscheidungsstelle en de rol van Calmeyer daarin, als op de positie en rol van de Joodse verzoeker. Ondanks de vervolging en de barrières die voor hen opgeworpen werden, het geld dat ermee was gemoeid en de contacten die nodig waren, wisten meer dan 2500 Joden te ontsnappen aan de gaskamers door een herzieningsverzoek in te dienen.

Door Marleen van den Berg.

Marleen van den Berg rondde recent  de research master Colonial and Global History aan de Universiteit Leiden af. Tijdens haar studie specialiseerde zij zich in de contemporaine geschiedenis van Nederland en Nederlands-Indië. Sinds april 2018 is zij als promovendus verbonden aan het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en de Universiteit van Amsterdam. Haar onderzoek richt zich op de Jodenvervolging in Rotterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog en het rechtsherstel na de oorlog.

 

About the author:

Back to Top