Recensie: Toon Horsten – De pater en de filosoof

Recensie: Toon Horsten – De pater en de filosoof

Recensie: Toon Horsten – De pater en de filosoof

Reacties uitgeschakeld voor Recensie: Toon Horsten – De pater en de filosoof

Toon Horsten, De pater en de filosoof. De redding van Husserl-archief.
Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2018.
ISBN: 9789460016516
€22,50

 

 

Tijdens het bladeren in een fotoalbum stuitte journalist en schrijver Toon Horsten op een foto van zijn oma, samen met een priester. Hij vroeg zich af wie deze man was. Het mooie De pater en de filosoof is het resultaat van vijf jaar onderzoek naar het antwoord op deze vraag.

De pater was de Vlaamse franciscaan Herman Leo Van Breda, de lievelingsneef van Horstens oma. In 1938 studeerde Van Breda filosofie aan de Universiteit van Leuven, waar hij in aanraking kwam met het werk van Edmund Husserl. Deze Duitse filosoof stond aan de wieg van de fenomenologie, een methode waarbij zaken beschreven worden zoals ze zich aan ons voordoen. Het draait er hierbij niet om hoe de dingen zijn, maar hoe ze ervaren worden. Deze stroom van denken was van grote invloed op onder meer Franse existentialisten als Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir en Maurice Merleau-Ponty.

De nalatenschap van Husserl

Husserl is in 1938 al een oude man en woont met zijn vrouw Malvine in Freiburg. Vanwege zijn Joodse achtergrond wordt hij steeds verder gemarginaliseerd en hij maakt zich zorgen om zijn nalatenschap. De filosoof heeft een enorme bibliotheek met boeken vol aantekeningen, veertigduizend pagina’s aan handschriften en nog eens tienduizend bladzijden aan uitgewerkte transcripties. In zijn gepubliceerde werk heeft hij vooral zijn methode uit de doeken gedaan. De manuscripten zijn daarentegen een concrete toepassing van zijn fenomenologische methode en daarmee van grote waarde voor de bestudering van zijn werk.

Pater van Breda weet van het bestaan van deze aantekeningen, want de filosoof verwijst er vaak naar in zijn gepubliceerde werk. Omdat hij wil promoveren op het latere werk van Husserl, besluit hij af te reizen naar Freiburg om de mogelijkheid te onderzoeken deze te raadplegen en misschien zelfs uit te geven. Maar als Van Breda eind augustus 1938 eindelijk in Freiburg is, is Husserl al enkele maanden overleden. Niettemin komt het bezoek van de 27-jarige Pater voor de weduwe van Husserl als een geschenk uit de hemel. Van Breda stelt namelijk voor in Leuven een Husserl-archief op te richten. Hiermee zou de nalatenschap van de filosoof gered worden van de vernietigingsdrang van de nazi’s.

Gecodeerde berichten

Wat volgt is een relaas dat in de gemiddelde historische thriller niet zou misstaan. Van Breda ontpopt zich tot een vindingrijk man, die talloze onverwachte wendingen het hoofd moet zien te bieden. De koffers met manuscripten op een normale manier het land uitbrengen is te gevaarlijk vanwege de oorlogsdreiging. De volgekrabbelde vellen van de filosoof zouden zomaar voor gecodeerde berichten aangezien kunnen worden – met alle gevolgen van dien. Dankzij Van Breda’s lobbywerk bij de Belgische diplomatieke instanties lukt het hem uiteindelijk de aantekeningen uit Duitsland te smokkelen.

Met de papieren in België zit zijn werk er nog niet op. Om de aantekeningen toegankelijk te maken voor onderzoekers moeten ze getranscribeerd worden. Hier is geld voor nodig. Veel geld, dat Van Breda overal en nergens probeert los te peuteren. Een tweede complicatie is dat Husserl in Gabelsberger steno schreef, een kortschrift dat in de negentiende eeuw vrij gangbaar was, maar inmiddels slechts nog door een enkeling ontcijferd kon worden.

Bezigheidstherapie

Als Duitsland in mei 1940 België binnenvalt zijn niet alleen de papieren opnieuw in gevaar. Ook Malvine, Husserls weduwe, die naar België gevlucht is, bevindt zich in een levensbedreigende situatie. Maar ook nu weer weet Van Breda de juiste mensen voor zich in te nemen, waaronder een Duitse bevelhebber in Leuven. Malvine blijft zo het lot dat vele Joden trof bespaard. Ook helpt hij de familie Strasser onderduiken, waarbij het een misschien wel iets te mooie bijkomstigheid voor Van Breda is dat één van de gezinsleden in staat is het Gabelsberger steno te lezen. Het transcriptiewerk is een welkome afleiding gedurende de 25 maanden dat de Strassers ondergedoken zitten.

Na de oorlog blijft Van Breda zich hartstochtelijk inzetten voor het Husserl-archief. Er is een chronisch gebrek aan geld en rechtenkwesties dienen zich aan. Maar op 10 maart 1950 is het eindelijk zover. Het eerste deel van de Husserliana wordt gepubliceerd bij de Haagse Uitgeverij van Martinus Nijhoff. Vele delen volgen en Van Breda wordt internationaal gevierd, hoewel het privé steeds minder goed met hem gaat door een verslechterende gezondheid. Als Van Breda in 1974 sterft, zijn onder meer Emmanuel Levinas en Paul Ricoeur onder de aanwezigen op zijn begrafenis.

Adolf Hitlerstraat

De pater en de filosoof wordt gepresenteerd als het verhaal van een spannende onderneming, maar is misschien nog wel meer een gloedvol portret van Van Breda. Toon Horsten dwingt bewondering af door zonder literaire kunstgrepen de vaart in het verhaal te houden. Ook houdt hij – een zeldzaamheid in dit genre – zijn eigen persoon op de achtergrond. Het verhaal krijgt bovendien extra glans doordat hij naast een scala aan geschreven bronnen meerdere Zeitzeugen raadpleegde. Horsten heeft daarnaast een fijn oog voor sprekende details. Zo merkt hij fijntjes op dat het klooster waar Van Breda in Freiburg logeert, na de machtsovername van de nazi’s aan de Adolf-Hitler-Straße ligt.

Hoewel het naoorlogse gedeelte iets minder spectaculair is dan de fysieke redding van het archief, is Van Breda tegen die tijd zo gaan leven dat je als lezer zijn wel en wee wilt blijven volgen. Horsten omzeilt daarbij handig de valkuil van de hagiografie. Van Breda is bij hem geen onfeilbare held, maar een man die ook zijn onaangenaamheden kende. Zo wordt de kritiek op Van Breda’s handelen tijdens de bezettingstijd uitgebreid aangestipt en ook botsingen met de andere werknemers van het archief komen aan bod.

Voor wie een overzicht van twintigste-eeuwse continentale filosofie hoopt te vinden is een waarschuwing op zijn plaats. De kopstukken komen weliswaar allemaal voorbij, maar hun ideeën worden slechts mondjesmaat behandeld. Dit komt mede doordat Van Breda geen groot filosofisch denker was en zodoende vooral zijn handelen centraal staat. Toon Horsten laat zien dat Herman Leo Van Breda desondanks een plaats in hun midden verdient vanwege zijn uitzonderlijke inspanningen voor het archief van Edmund Husserl.

Door Koen Smilde.
Koen Smilde (1985) studeerde geschiedenis in Rotterdam, Wenen en Amsterdam. Momenteel legt hij de laatste hand aan zijn researchmasterscriptie. Zijn interesse gaat onder meer uit naar de twee totalitaire ideologieën van de twintigste eeuw en de omgang met hun erfenis.

 

About the author:

Back to Top