Recensie: Remieg Aerts – Thorbecke wil het

Recensie: Remieg Aerts – Thorbecke wil het

Recensie: Remieg Aerts – Thorbecke wil het

Reacties uitgeschakeld voor Recensie: Remieg Aerts – Thorbecke wil het

Remieg Aerts, Thorbecke Wil Het. Biografie van een Staatsman.
Prometheus, Amsterdam, 2018
ISBN: 9789035144798
€49,99

 

 

De wetenschappelijk biografie kwam als genre de afgelopen jaren veelvuldig in het nieuws. De aanleiding daartoe was de biografie van schrijver en schilder Jan Wolkers, geschreven door journalist Onno Blom. Historici en andere biografen lijken onderverdeeld in twee kampen; moet de biografie de nadruk leggen op de historische context of juist het leven van de individu centraal stellen? Het dilemma van de biograaf.

Thorbeckiaanse starheid

Parlementair historicus Remieg Aerts heeft in zijn Thorbecke-biografie deze stammenstrijd tussen context en uniciteit achter zich kunnen laten. Dit komt deels omdat Johan Rudolf Thorbecke als staatsman en hervormer zo’n belangrijke rol heeft gespeeld in de Nederlandse geschiedenis dat elke aandacht voor zijn persoon bijna automatisch van belang is voor het grotere verhaal van de nationale geschiedenis. Een mooi voorbeeld is de manier waarop Thorbecke zich in 1850 als minister – de positie van premier bestond nog niet -het Torentje toe-eigende. Tijdens een rondleiding in het gebouwencomplex aan de Noordzijde van het Binnenhof had Thorbecke het middeleeuwse Torentje uitgekozen als commandopost met de woorden ‘Dit is mijne kamer’. De Secretaris-Generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken, aan wie het kantoor tot dan toe had toebehoord, diende te verhuizen. Dankzij de Thorbeckiaanse starheid zetelt de eerste minister van onze regering nog altijd in hetzelfde vertrek. Context en uniciteit versmelten in de Thorbecke-biografie van Aerts.

Wáárom Thorbecke zo belangrijk is geworden in onze nationale mythologie wordt vooral in de opening en sluiting van het boek expliciet gemaakt. Hoewel de gemiddelde Nederlander slechts een vaag en algemeen beeld van ‘de bronzen figuur op het Thorbeckeplein’ heeft, is in maar liefst drie steden een standbeeld aan hem gewijd en is Thorbecke  ‘bijna permanent’ onderdeel van het publieke debat. Dat heeft, zo schrijft Aerts, alles te maken met de grondwet die onherroepelijk met de man wordt geassocieerd. Maar die grondwet is minder exclusief met Thorbecke te associëren dan inmiddels gewoongoed is geworden, zo wordt tijdens het lezen duidelijk. Thorbecke was de drijvende kracht achter de grondwet, maar hij werd zeker niet alleen door hem vormgegeven. Ook benadrukt Aerts dat het liberalisme van Thorbecke afwijkend was voor het Nederland van toen en dus zeker niet één op één vergelijkbaar is met het liberale gedachtegoed van de VVD. Het liberalisme van Thorbecke was namelijk meer gestoeld op de Duitse romantiek dan op de Nederlandse burgerlijkheid. Ook baseerde Thorbecke zijn liberalisme niet op het universalisme van de Verlichting. Het ging hem om individualiteiten, waarmee hij vooral doelde op gemeenschappen en instituties en niet zo zeer, of niet alleen, op individuen.

Mythe van Thorbecke

In zijn zeer uitgebreide biografie nuanceert én contextualiseert Aerts de mythe rondom Thorbecke. Maar de vraag hoe zeer de verhevenheid van Thorbecke onderdeel is van onze, in de 19e eeuw ontwikkelde, voorkeur voor het persoonlijke, de zogenaamde ‘grote mannen geschiedenis’, en hoe zeer deze voortkomt uit het verhevene in Thorbecke zelf, wordt eigenlijk buiten beschouwing gelaten. Is onze collectieve interesse in de staatsman niet deels het resultaat van eeuwenlange heldenverering?

Thorbecke wil het is een mooie biografie en ook intellectueel gezien een prachtige prestatie. Aerts legt met grote helderheid uit hoe onze huidige staatsinrichting voortvloeide uit Thorbecke’s persoonlijke ervaringen met de Duitse vroeg negentiende -eeuwse academie en het bijbehorende historisme. Dit is, althans vanuit geschiedfilosofisch perspectief, wellicht de meest interessante analyse én rode draad die door het boek loopt. Aerts verliest de verwikkeling tussen Thorbecke’s geschiedfilosofie en zijn latere staatsinrichting geen moment uit het oog.

Thorbecke was als student in Duitsland namelijk al gefascineerd geraakt door de grote filosofische ontwikkelingen omtrent het absolute en het zijn, maar ook door de ontluikende historische wetenschap. Hij verwerkte dit later in zijn denken omtrent het staatsbestel. Thorbecke interpreteerde het historisch proces als een dynamische ontwikkeling waarbij de eigenheid – het organisch beginsel – van elk proces in constante dialoog staat met externe invloeden.

Thorbecke, de historicus

Tegelijkertijd was Thorbecke, als historicus, zich terdege bewust van de Franse Revolutie en de omwenteling van 1830 maakte hij zelf bewust mee. Volgens Thorbecke’s organische geschiedvisie moest het staatsbestel de onvermijdelijke historische ontwikkeling bijbenen. Hierbij was functionaliteit van belang. Thorbecke wilde met het wetgeven dus ontwikkelingen bijbenen voordat er in Nederland sprake zou zijn van ontsporing.

Deze ‘organieke’ maar dynamische geschiedfilosofie ging ook de bovenhand vormen in de wetten waar Thorbecke de grootste bijdrage aan heeft geleverd: de kieswet, de wet op het Nederlanderschap, de provinciewet en de gemeentewet. Wederom zijn context en uniciteit in deze nauwelijks van elkaar te onderscheiden.

Aerts heeft een zeer lijvig, maar ook zeer leesbaar, opus op papier gezet. Het boek is een uitstekende toevoeging op iedere Haagse – of Zwolse, voor wie zich in de geboortestad van ‘de Thor’ bevindt – goedgevulde boekenkast. Vervuld van het soort conventionele eruditie wat menigeen ver brengt aan universiteiten en andere paleizen van kennis, is Thorbecke wil het een goed geschreven, analytisch sterk, maar qua uitvoering enigszins ouderwets boek. Aerts heeft een klassiek politiek en biografisch geschiedwerk geproduceerd. Het mooie is dat het boek als zodanig uitstekend past bij de starre en soms intimiderende man die Thorbecke was.

Door Larissa Schulte Nordholt.

Larissa Schulte Nordholt is promovenda bij het Instituut voor Geschiedenis in Leiden. Haar onderzoek richt zich op de historiografie van UNESCO’s General History of Africa/l’Histoire Générale de l’Afrique. De vraag hoe historici die aan het project werkten zich mentale dekolonisatie voorstelden en hoe zij dat in praktijk brachten in een periode vlak na en tijdens politieke dekolonisatie, staat daarbij centraal.

About the author:

Back to Top