Reinier Meijering: Koning, stad en heiligdom

Reinier Meijering

Samenvatting

Bij onderzoek over de Hellenistische periode wordt veelal de nadruk gelegd op politieke ontwikkelingen. Auteurs vragen zich af hoe autonoom steden waren en hoe de verhoudingen tussen stad en vorst in zijn werk ging. Reinier Meijering richtte zijn onderzoek op de onderbelichte religieuze component aan de contacten tussen stad en vorst. Quid pro quo, maar was dat alles? Een verdiepend artikel voor de oudheidfanaat.

Download de PDF

Reinier Meijering (pdf)

Lees met ISSUU

Volledige Tekst

INLEIDING

In alle standaardwerken over de Hellenistische periode wordt de ontwikkeling van de poleis, of stadstaten, in de beginjaren van dit tijdvak en de rol die zij speelden in de totstandkoming van de Macedonische koninkrijken behandeld. Daarbij richten de auteurs zich met name op de politieke aspecten van deze ontwikkeling – hetzij neergang, hetzij continuïteit, hetzij opbloei van de Griekse stadstaat ten opzichte van de Klassieke periode. Met name vragen over hoe autonoom de steden in de monarchieën waren en hoe zij hun positie in onderhandelingen met de vorst afdwongen en vasthielden, staan centraal. Religie, en heiligdommen in het bijzonder, worden wel behandeld, maar lijken geen rol te spelen in (de totstandkoming van) de verhoudingen tussen Macedonische machthebbers en de steden. Dit onderzoek wil een nieuwe, religieuze dimensie toevoegen aan het lopende debat over de verhouding tussen stad en vorst en zal aantonen dat heiligdommen wel degelijk een belangrijke rol vervulden in de totstandkoming van de relatie tussen polis en machthebber in de periode 334-280. Het zal blijken dat, omdat een polis – dat is, de burgerbevolking (δεμοσ) – zeggenschap had over een heiligdom, vorsten in hun beleid ten opzichte van de steden heiligdommen steunden en begunstigden. Euergetisme, schenkingen en begunstiging aan een heiligdom, liep via de demos. Met andere woorden: steunde een vorst een heiligdom, dan steunde een vorst de polis ofwel de demos die zeggenschap over dat heiligdom had. Het feit dat euergetisme in de in dit onderzoek centraal staande periode een veelvoorkomend verschijnsel was, maakt dat het niet alleen de moeite waard, maar ook van essentieel belang is dat de rol die heiligdommen speelden in de totstandkoming van de Macedonische imperia ten tijde van Alexander en de Diadochen (Διαδοχοι – opvolgers) onderworpen worden aan een grondige studie. Een beroemd voorbeeld van een polis en haar heiligdom die in de periode vanaf Alexander tot aan de dood van de laatste diadochos Seleukos in 281 veel te maken kreeg met Macedonische machthebbers, is Miletos en haar Apolloheiligdom te Didyma in Ionië, op de westkust van Klein-Azië. Daarom zal in dit onderzoek de rol van deze polis en haar tempelcomplex in de totstandkoming van de Macedonsiche imperia alsmede hun verhouding met de Macedonische machthebbers Alexander de Grote, Antigonos Monophthalmos, Demetrios, Lysimachos en Seleukos centraal staan.
De verstandhouding tussen machthebber en stad in imperia in de oudheid was voor beide partijen zeer essentieel. Het bestaansrecht van respectievelijk heerser met machtspretenties en stadstaat hing er van af. Beide partijen hadden een groot belang bij de steun van de ander. De vorst had slechts macht in en over een gebied wanneer de steden zijn macht als dusdanig erkenden, terwijl de steden bescherming nodig hadden om zich te verdedigen tegen rivalen en om hun zelfstandigheid te waarborgen. Voor beide aspecten was een polis afhankelijk van een vorst. Door middel van onderhandelingen tussen de stad en de potentaat werden de onderlinge verhoudingen bepaald. Maar, wat was een stadstaat en wat een ‘heerser met machtspretenties’ in westelijk Klein-Azië tussen de komst van Alexander de Grote in 334 en de dood van de laatste van zijn opvolgers (Lysimachos en Seleukos) in 281? Stadstaten waren kleine zelfstandige statelijke eenheden, die gevormd werden door een gemeenschap van burgers en niet-burgers. Een polis werd geleid door een groep vrije, volwassen mannen, die gedeelde religieuze, burgerlijke, juridische en administratieve gewoonten hadden. Een polis bestond uit het bewoonde gebied rondom een citadel, de akropolis, en een strook landbouwgrond daaromheen. De grenzen van een polis bevonden zich tot waar haar invloed – vaak religieus afgebakend door heiligdommen voor de goden die in de betreffende polis vereerd werden – reikte. Alle inwoners die zich binnen dit religieuze culustnetwerk bevonden, vormden de polis. Zij droegen gezamenlijk zorg voor de politieke zaken aangaande de polis (politeia -τα πολιτεια) alsmede voor de religieuze verplichtingen aan de goden van de stad. Echter, binnen het corpus van inwoners bestonden er verschillen: in afkomst, vermogen, beroep, etniciteit, maar ook in politieke voorkeur. Deze verschillen vertaalden zich in het politieke bestel, waarvan er drie vormen te onderscheiden zijn, te weten een aristocratische, oligarchische en democratische. Afhankelijk van de definitie van wie tot de aristocratie, wie tot de oligarchie en wie tot de demos behoorde, kende elke polis een eigen karakter. Onder de Perzen kenden de Ionische steden een oligarchisch bestuur, terwijl Alexander en na hem Antigonos en Seleukos veelal democratieën instelden dan wel in stand hielden. Deze personen waren heersers met machtspretenties, personificaties van de hoogste macht in een imperium. In de Hellenistische periode, maar ook in de Perzische periode daarvoor, konden dit koningen zijn, maar ook satrapen, legeraanvoerders (of strategoi), of gouverneurs. Om hun machtspretenties te legitimeren, diende elke schakel in de hiërarchische piramide van machthebbers zijn ondergeschikten te laten accepteren dat hij daadwerkelijk de meerdere was. De vorst was zo’n schakel, net als de steden. Ongeacht het politieke bestel, elke polis wilde zo zelfstandig mogelijk handelen ten opzichte van de hogere macht. Stedelijke autonomie werd als een groot voorrecht beschouwd, wat betekende dat de steden zoveel mogelijk hun eigen wetten en besluiten aangaande hun interne zaken wensten te hanteren, vrijheid genieten. Machthebbers als Alexander en zijn opvolgers boden de steden deze autonomie aan, en niet zonder bedoeling. Hun machtsgebied was namelijk niet één universeel rijk, maar bestond uit verschillende kleinere machtseenheden – de satrapieën, vazalkoninkrijken en de steden. Wilden Alexander cum suis hun machtsclaim legitimeren en uitbreiden, kortom hun imperium gestalte geven, dan hadden zij de erkenning, steun maar ook het kapitaal van die kleinere machtseenheden nodig. Dat gold dus ook voor de Griekse steden in Ionië.
De verhouding tussen machthebber en steden in de periode van de eerste generatie Macedoniërs op de westkust van Klein-Azië is zeer complex. Dit komt allereerst omdat er in deze vijftig jaar een voortdurend proces van wisselende machtsverhoudingen aan de gang was. De omverwerping van het Perzische imperium door Alexander de Grote creëerde een tijdelijk machtsvacuüm, dat door hemzelf werd opgevuld. Dat hield ondermeer in dat de verhoudingen met de Klein-Aziatische steden opnieuw moesten worden bepaald en daarom verschilden van hoe de Perzen zich hadden opgesteld. Deze steden hadden zich in de periferie van het Perzische Rijk bevonden, terwijl zij vanaf Alexanders komst juist een van de kerngebieden van zijn rijk en de imperia van zijn opvolgers zouden worden. Alexanders dood in 323 leidde tot een turbulente periode van veertig jaar, waarin zijn voornaamste opvolgers Antigonos Monophthalmos en zijn zoon Demetrios Poliorketes, Kassander, Ptolemaios, Seleukos en Lysimachos elkaar bestreden. Ieder van hen probeerde invloed uit te oefenen op de Klein-Aziatische westkust, omdat dit gebied zich in het centrum van de Hellenistische wereld bevond. De machtsstrijd, de voortdurende oorlogen en de regelmatig wisselende coalities onder de eerste generatie van Alexanders opvolgers zorgden voor een voortdurende verschuiving van invloedssferen. Echter, waar zich de grenzen daarvan bevonden, hadden de Diadochen met dezelfde omstandigheden te maken. Een voorbeeld van zo’n brandpunt, waar bovendien enkele belangrijke, strategisch gelegen steden lagen, was de Ionische kust. Oude Griekse stadstaten, zoals Ephesos en Miletos, die de voorgaande eeuwen vanuit het Griekse schiereiland gesticht, bestuurd en beïnvloed waren, vormden de sleutel tot zeggenschap over de Klein-Aziatische westkust. Hun strategische positie, dichtbij het Griekse vasteland, Macedonië, de Egeïsche zee en de eilanden, alsmede hun goede zeehavens – van groot belang in een periode waarin grote vloten doorslaggevend waren in de strijd om de macht – maakte van hen gewilde partners in de strijd om de hegemonie in het oostelijke Middellandse Zeegebied. Wat Miletos een nog meer vooraanstaande positie schonk, was dat zij de leider van de Ionische stedenbond was en zeggenschap had over het belangrijkste heiligdom van Ionië, het Apolloheiligdom en –orakel van Didyma.
De verhouding tussen stad en vorst kwam hetzij door geweld, hetzij door onderhandeling tot stand. De vorsten prefereerden het laatste: belegeringen waren tijd- en dus geldrovend. Omdat Ionië zich in het brandpunt van de Diadochenoorlogen bevond, hadden de steden aldaar een sterke onderhandelingspositie. Door hun ligging hadden zowel Antigonos, Lysimachos, Ptolemaios en Seleukos belang bij de steun van de Ionische stadstaten. Dat bracht de steden in een enerzijds luxe positie: er kon worden ingegaan op de heerser die de stad het meeste te bieden had. Maar aan de andere kant bracht deze positie de nodige risico’s met zich mee: kon de machthebber zijn aanbod – autonomie en bescherming – wel waarmaken? De ligging van Miletos, haar zeggenschap over het vooraanstaande heiligdom van Didyma en de weldaden die beiden ontvingen van Alexander en de Diadochen, maken een onderzoek naar deze polis en haar heiligdom als casus voor een onderzoek naar de verhouding tussen steden en de eerste generatie Macedoniërs zeer de moeite waard. Het uiteindelijke doel van deze studie is om in de vorm van Didyma een religieuze component toe te voegen aan de studie naar de houding van de Macedonische vorsten ten opzichte van de steden op de westkust van Klein-Azië. Om terug te keren naar de hoofdvraag, welke rol de steden speelden in de creatie van de Macedonische imperia en welke plaats heiligdommen daarin innamen, zullen de polis Miletos en het heiligdom van Didyma in de politieke context van de periode van de opkomst van de Macedonische koninkrijken tussen 334 en 281 worden geplaatst. Allereerst wordt er een inleidende geschiedenis geschetst van Miletos en haar heiligdom in periode tot 334. Wat voor positie had deze Ionische stad in de Archaïsche periode gehad? Welke cultus herbergde Didyma en wat maakte deze uiteindelijk zo belangrijk? Vervolgens komt de rol van Miletos en haar heiligdom ten tijde van de komst van Alexander de Grote centraal te staan. Onderzocht wordt wat het belang van deze Ionische polis en Didyma voor, tijdens en na Alexanders komst in Klein-Azië was. Dat houdt in dat er vanuit een comparatief perspectief wordt gekeken naar de situatie onder Alexanders voorgangers, de Perzische satrapen, ten tijde van zijn inname van Miletos in 334 en de periode daarna. Het derde hoofdstuk omvat de houding van Alexanders opvolger in Klein-Azië, Antigonos Monophthalmos ten opzichte van Miletos. In het vierde hoofdstuk zullen de andere Diadochen, met name Antigonos’ zoon Demetrios Poliorketes en Lysimachos, ter sprake komen. Hoofdstuk vijf is een studie naar de eerste leden van de Seleucidendynastie die door hun euergetisme aan Miletos van Didyma een panhelleens heiligdom in de Hellenistische periode hebben gemaakt: Seleukos, Antiochos en Apama. Juist de houding van de eerste Seleuciden ten opzichte van Miletos en Didyma is een exceptioneel voorbeeld van wat de rol van een heiligdom bij de totstandkoming van de verhoudingen tussen vorst en autonome stad was – en dus bij de creatie van een imperium. Daarom zal het zwaartepunt van deze studie op het vijfde hoofdstuk liggen. Het zal blijken dat de Seleuciden Didyma in financieel en materieel opzicht slechts (en juist) via het volk van Miletos konden steunen, omdat zij op dat moment – in 300/299 en 287 – geen zeggenschap hadden op de Ionische kust. Echter, door hun euergetisme aan Didyma werd hun macht zichtbaar in Miletos, was het door Didyma dat de Seleuciden voet aan de Ionische grond kregen en vormde Didyma een belangrijke schakel in de creatie van het Seleucidische imperium. Zodoende ontstaat er hopelijk een helder beeld over de plaats en de rol van Miletos en Didyma in de turbulente periode tussen 334 en 281, waarbij het karakter van het Macedonische koningschap, het belang van de steden en de rol van heiligdommen in de totstandkoming van de Macedonische imperia worden behandeld. De studie naar de rol van Didyma ten tijde van Alexanders komst en de Diadochenoorlogen biedt hopelijk een vernieuwend en verhelderend perspectief op de verhoudingen tussen stad en vorst en op de creatie van de Macedonische imperia aan het begin van de Hellenistische periode.

1: Didyma, haar cultus en Miletos in de pre-Macedonische periode

The men of the town decided to consult the oracle at Branchidae as to whether they should obey. Branchidae is in Milesian territory close to the harbour of Panormus, and the oracle there, frequently consulted by the Ionians and Aetolians, is a very ancient one.
Herodotos 1.157.
1.1 De oorsprong van Didyma

Het is moeilijk vast te stellen sinds wanneer Didyma bewoond werd. Op basis van archeologisch materiaal is het wel mogelijk om nauwkeurig te bepalen in welke periode de eerste cultische activiteiten plaatsvonden en er een heiligdom verrees. Water speelde een belangrijke rol in religieuze activiteiten in Archaïsch Griekenland en de aanwezigheid van een waterbron is een heldere verklaring waarom Didyma een religieus centrum werd. De locatie kenmerkte zich niet door schoonheid, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Delphi, Olympia of Samos, waardoor de waterbron wel en de natuurlijke schoonheid niet de reden is dat er te Didyma een heiligdom en een orakel verrezen. Volgens de Griekse reiziger en verslagschrijver Pausanias – een philhelleen die in de tweede helft van de tweede eeuw na Christus een rondreis door Griekenland maakte en daar schriftelijk verslag van heeft gedaan dat is overgeleverd – was Didyma ouder dan Miletos. Hoe oud is onmogelijk om vast te stellen. De archeologische en literaire bronnen die zijn overgeleverd maken duidelijk dat de Perzische verwoesting van het Milesische schiereiland na de Ionische opstand in 494 een belangrijk keerpunt vormde in de geschiedenis van zowel Miletos als Didyma. Veel gebouwen op het schiereiland, waaronder de tempels, werden volledig verwoest. Sporen uit de Archaïsche periode zijn daarmee verloren gegaan, waardoor een reconstructie van de geschiedenis van het Milesische schiereiland van voor de Perzische verwoesting op basis van archeologische vondsten en opgravingen ernstig wordt bemoeilijkt. Het oudste archeologische materiaal dat bij Didyma is aangetroffen stamt uit de periode vlak na de Ionische migratie rond 900 en is Karisch. Deze archeologische vondsten wijzen erop dat Didyma in de Donkere Eeuwen (1100-800) beïnvloed werd door de Kariërs, die de zuidwesthoek van Klein-Azië bevolkten. In de Archaïsche periode bevonden zich op het Milesische schiereiland een heiligdom van Artemis en twee van Apollo – één in Miletos zelf, de ander in Didyma. Beide kinderen van Leto werden in Miletos vereerd. Zouden de culten van deze tweeling (διδυμοσ – didymos) het product zijn van Karische invloeden uit de periode dat de Kariërs en hun culten de Ionische kust bevolkten? Een belangrijke cultus van de Kariërs was namelijk die voor Leto, volgens de Griekse mythologie de moeder van de tweelinggoden Artemis en Apollo. Hoewel Leto een niet-Griekse herkomst heeft, komt zij wel voor in de Griekse mythologie. Er is uit de Archäische periode niet bekend dat Leto door de Milesiërs werd vereerd. Echter, de culten voor Apollo en Artemis zouden wel een erfenis kunnen zijn uit de periode voor de Ionische migratie, toen hun mythologische moeder wel degelijk door de Kariërs werd vereerd. Een andere aanwijzing uit een latere periode dat Leto wel in Ionië aanwezig is geweest, is dat zij ook in de Hellenistische tijd een rol bleef spelen in Ionië. Halverwege de derde eeuw duikt het verhaal van Leto, Zeus en de tweelinggoden namelijk weer op. In die periode maakten de Seleuciden de dienst uit in het zuidwesten van Klein-Azië. Wellicht is het een invented tradition van een Hellenistisch vorstenhuis om een van hun belangrijkste heiligdommen meer status te geven, maar feit is dat rond 250 het verhaal de ronde deed dat, hoewel Artemis en Apollo op Delos – door de Apollotempel aldaar de grote rivaal en tegenhanger van Didyma – geboren zijn, zij in Didyma door Leto en Zeus werden verwekt. De plaats waar Zeus Leto zwanger maakte van de tweeling Artemis en Apollo, zou de oorsprong van de naam Didyma (tweeling) kunnen betekenen. Het feit dat er halverwege de derde eeuw op Kos in steen is vastgelegd dat de liefdesdaad daar plaatsvond, is de terminus post quem dat het voor 250 reeds een bekende legende moet zijn geweest in de Hellenistische wereld. Er is een gedicht van de derde eeuwse Alexandrijnse dichter Kallimachos overgeleverd, waarin een andere mogelijke herkomst van de naam ‘Didyma’ naar voren komt. In Branchus schrijft hij:
“[..] in het woud waar jij, Apollo, voor het eerst gezien werd, vlakbij de dubbele (διδυμοισ) bron, waar jij een boog van een beukenstam in de grond had geformeerd.”
Kallimachos interpreteerde Didyma als ‘tweeling’ door over de dubbele waterbron te spreken. Dit is echter het enige fragment waar over een dubbele bron gesproken wordt. Dat de naam ‘Didyma’ afkomstig is uit de Karische cultus voor Leto en uit de dubbele verering van de tweelinggoden op het Milesische schiereiland lijkt dan ook het meest waarschijnlijk. Desalniettemin is het gedicht wederom een bewijs dat de aanwezigheid van een waterbron in Didyma ter zake deed.
1.2 De Archaïsche periode

Het oudste gebouw dat op de locatie van het latere Hellenistische tempelcomplex van Didyma is blootgelegd, is een sekos, een omheining (σεκοσ) die in de late achtste tot vroege zevende eeuw gedateerd wordt. De bases van drie muren van het Archaïsche heiligdom zijn opgegraven en bakenden destijds de bron, de beukenbomen (vandaar de ‘boog van beukenstam’ in Kallimachos’ gedicht) en de altaren af. De tempel en het belangrijkste altaar lagen, zoals bij de meeste Griekse tempels, op het oosten, zodat ’s ochtends de zon op zowel het altaar als het cultusbeeld scheen. Een poortgebouw uit de late zevende eeuw diende als onderkomen voor de toenemende stroom bezoekers en als opslagplaats van de talloze wijgeschenken. In de vroege zesde eeuw verrees er een marmeren tempel (naiskos) binnen de bestaande muren, in navolging van de bouw van de Artemistempel in Ephesos en het Heraheiligdom op Samos. Epigrafische en literaire bronnen maken duidelijk dat Didyma vanaf die tijd een orakel van Apollo herbergde, dat ondermeer geraadpleegd werd om advies te vragen waar Milesische kolonies moesten worden gesticht. Naukratis, de in de zesde eeuw door Milesische handelaren gestichte Griekse handelskolonie in de Nijldelta, kan het resultaat zijn geweest van een dergelijke orakelspreuk van Didyma. Elke Griekse stad die een handelspost betrok in Naukratis, richtte bij wijze van vestiging in Naukratis een heiligdom voor de god van de moederstad op. De Milesiërs stichtten er zelf een tempel. Het is niet verwonderlijk als dit een Apolloheiligdom is geweest. Naast Miletos raadpleegden ook andere steden uit Ionië en andere delen van Klein-Azië om dezelfde koloniale redenen het orakel van Didyma. Het orakel had daardoor tot aan haar verwoesting in 494 al een interregionale functie. De geschiedschrijver Herodotos laat in zijn werk de Historiën fragmentarisch zijn licht schijnen op Didyma in de periode tot en met de Perzische Oorlogen. Hij maakt ondermeer melding van een wijgeschenk van de Egyptische vorst Necho, die na een gewonnen veldslag zijn wapentuniek aan de Apollo van Didyma wijdde. Het raadplegen van het orakel was de voornaamste cultische activiteit die in Didyma plaatsvond. Er vonden ook cultische optochten van Miletos naar Didyma plaats. Tussen beide plaatsen liep de Heilige Weg, waarover processies van dienstdoende religieuze ambtenaren (Molpoi) voortgingen. Langs deze weg bevonden zich schrijnen en (goden)beelden, waar de priesters stopten en religieuze handelingen verrichtten. Alle religieuze activiteiten in Didyma werden gecontroleerd door een priesterfamilie, de Branchidai. Zij zagen toe op de rituelen en het was deze familie die in de zesde eeuw opdracht gaf tot het gieten van het bronzen cultusbeeld van Apollo.
1.3 Branchidai

Waar Ionië tot halverwege de zesde eeuw deel uitmaakte van het rijk der Lydiërs, na de onderwerping van de Lydische vorst Kroisos, die overigens ook door Herodotos van Hallikarnassos als een van de raadplegers van het orakel van Didyma genoemd wordt, behoorde het na de onderwerping van Cyrus vanaf 542 tot het Perzische rijk. In enkele interessante passages schrijft de grondlegger van de geschiedschrijving in het eerste boek van de Historiën over Miletos als hij de opkomst van het Perzische rijk onder Cyrus behandelt. De historicus uit Hallikarnassos vermeldt hoe Miletos als enige van de Ionische steden een verbond met Cyrus aanging, om zo een belegering af te wenden. In dezelfde passage schrijft Herodotos over Branchidai, dat vlakbij de haven van Panormus lag en een oud orakel herbergde. Dit gedeelte is het eerste uit de literaire bronnen waarin het orakel van Apollo – het latere Didyma-orakel – op het Milesische schiereiland in wordt genoemd. Herodotos stelt Branchidae als een aparte plaats voor, wat op een onafhankelijke positie ten opzichte van Miletos duidt. In de Archaïsche periode behoorde Didyma nog niet tot de polis Miletos, iets wat ook duidelijk zal worden uit de diensthebbende priesterfamilie. Dat Herodotos hier spreekt over Branchidai en niet over Didyma, kan er op wijzen dat de laatste benaming pas in de klassieke of Hellenistische periode gebruikt ging worden. De naam ‘Branchidai’ komt tot de Hellenistische periode voor als naam van de priesterfamilie die tot de Ionische opstand en de daaropvolgende plundering van het heiligdom door de Perzen de leiding had over het tempelcomplex. Deze familie leverde de mannen die zowel in de Apollotempel als bij het orakel dienst deden als priester. Dat Herodotos over Branchidai spreekt als hij het over het orakel heeft, kan er op wijzen dat de oorsprong van het orakel teruggaat tot voor de Ionische migratie en dat de plaats een pre-Grieks cultuscentrum was. De familie der Branchidai zou een oude locale clan kunnen zijn geweest, die vanaf de vroeg-Archaïsche periode een locale cultus onderhield. Hoewel er door de verwoesting van 494 weinig bekend is over het functioneren van de tempel en het orakel van voor de Ionische opstand, lijkt het op basis van de ligging ervan – 16 kilometer ten zuiden van Miletos – dat het orakel en de priesterfamilie een redelijk autonome positie innamen op het schiereiland. Na het neerslaan van de Ionische opstand werd de Apollotempel door de Perzen verwoest. De leden van de priesterfamilie werden samen met het bronzen cultusbeeld van Apollo door Dareios naar Perzië gevoerd, een imperiale daad die veelvoorkomend was in de imperia van het Oude Nabije Oosten om de totale onderwerping van een gebied uit te drukken: niet alleen de bewoners werden gedeporteerd, ook de locale goden en hun verzorgers werden gevangen genomen en afgevoerd. Het cultusbeeld van het kourostype kreeg een plaats in Ekbatana, waar het aan het einde van de vierde eeuw door Seleukos werd aangetroffen, die het op zijn beurt schonk aan de verzorgers van Didyma van dat moment, de Milesiërs. De priesterfamilie vestigde zich in Baktrië, een van de oostelijke provincies van het Perzische rijk. Hun nakomelingen werden in 328 door Alexander aangetroffen en afgeslacht. Over zijn motieven voor deze daad wordt in het tweede hoofdstuk, dat aan Alexander gewijd is, op ingegaan.
1.4 De politiek-religieuze verhouding tussen polis en heiligdom

Volgens Herodotos plunderden de Perzen het orakel en het tempelcomplex, waarna beiden tot de grond toe werden afgebrand. Waarom het tempelcomplex en het orakel schuldig werden bevonden aan de opstand, ligt volgens Herodotos besloten in de inname van Sardis door de Ioniërs tijdens de opstand. Na de inname van de hoofdstad van de Perzische satrapie van Lydië brandde een tempel van Kybele af. Volgens de geschiedschrijver gebruikten de Perzen dit voorval als een voorwendsel om tijdens het neerslaan van de Ionische opstand Griekse tempels, waaronder die van Didyma, te verbranden. Een ander motief om de tempel te plunderen, is om het te ontdoen van haar waardevolle en talrijke schatten, die zich in de loop der eeuwen als wijgeschenken en offergiften in Didyma hadden opgestapeld. Dat zowel de Apollotempel als het orakel in vlammen opging, kan er bovendien op wijzen dat het terrein het slachtoffer werd van de Perzische furie die na de Ionische opstand op geheel Ionië – en Miletos als verzetsleidende polis in het bijzonder – neerdaalde. Het heiligdom viel ondanks haar zelfstandigheid wel degelijk binnen het Milesische territorium en dientengevolge werd ook Didyma gestraft voor de rebellie tegen de Perzen. Door een tempel te plunderen en het cultusbeeld gevangen te nemen en in een van hun eigen tempels te plaatsen, maakte men in het Oude Nabije Oosten duidelijk dat de overwinning totaal was. De plundering van Didyma en het roven van het bronzen Apollobeeld hadden dus ook imperiale motieven. De precieze rol van de Branchidai in de Ionische opstand is niet geheel duidelijk. Sommige bronnen melden dat de priesterfamilie de tempelschatten vrijwillig aan de Perzen uitleverde, om de Perzische vergeldingsactie die op de Ionische opstand volgde, aan hun voorbij te laten gaan. Door Didyma aan de Perzen te ‘verraden’, redden de Branchidai hun eigen huid. Nadat de Grieken de Perzen verslagen hadden en Miletos werd opgenomen in de Delisch-Attische Zeebond, besefte de priesterfamilie dat ze door hun verraad niet in Ionië konden blijven. Daarom zou ze eieren voor haar geld hebben gekozen, Didyma verlaten hebben en met het Perzische expeditieleger naar Perzië zijn gegaan. In de jaren 490 was het de Ionische opstand die beide plaatsen samenbond, daarvoor was het met name religie geweest – en de verering van Apollo in het bijzonder – dat een band schiep tussen de polis en het tempelcomplex. Naast het Apolloheiligdom van Didyma herbergde het Milesische schiereiland een tweede tempel voor de god met de boog. Deze bevond zich in het hart van de stad Miletos, de ‘koningin van Ionië’, zelf: bij de Leeuwhaven stond in de archaïsche periode een Apollo-heiligdom. Er bestond dus een religieuze lijn tussen Miletos en Didyma, aangezien op beide locaties Apollo werd vereerd. Bovendien zorgde de Heilige Wegvoor een fysieke verbindingslijn tussen beide locaties, waarover ten tijde van cultische festivals processies voortgingen.

2: Alexander in Klein-Azië en de hernieuwing van Didyma

Er is toch geen mens die niet weet dat onze stad de zorg draagt voor de tempel en voor het beeld dat uit de hemel gekomen is?
Handelingen der Apostelen, 19:35

2.1 Miletos en Didyma in de Klassieke Tijd (480-334)

In de honderdvijftig jaar tussen het einde van de Perzische oorlogen en de komst van Alexander naar Klein-Azië zag de westkust van het huidige Turkije vele machthebbers op haar grondgebied. Afwisselend hadden Athene, Sparta en de Perzen het voor het zeggen. In de eerste driekwart eeuw na de zeeslag bij Salamis in 480, waarin Athene de Perzische vloot versloeg en daarmee de basis legde voor de definitieve uitbanning van de Perzische dreiging op het Griekse vasteland, maakte Miletos meestentijds deel uit van de Delisch-Attische Zeebond. Deze confederatie van Griekse steden onder leiding van de polis Athene was in 477 in het leven geroepen als antwoord op de sluimerende dreiging van de Perzen. Toen in 449 deze dreiging formeel verdwenen was met de vrede van Kallias, was de bond inmiddels van een Helleens bondgenootschap in een Atheens imperium veranderd. De vroegere bondgenoten van een van de twee leidende stadstaten van het Griekse vasteland waren schatplichtig aan Athene. Indien zij zich hiertegen verzetten, werden zij als rebellerende onderdanen beschouwd en behandeld. Athene vestigde haar eigen democratische staatsbestel in de steden die zij tot haar onderdanen rekende. Miletos was een van de stadstaten die zich in de loop van de vijfde eeuw noodgedwongen van bondgenoot tot vazal van de militair superieure Atheners ontwikkelde. De stad rebelleerde tot tweemaal toe tegen de Atheense invloed. In 454 liep deze rebellie op niets uit, maar in 412 slaagde de stad erin zich definitief te onttrekken van het Atheense juk, om vervolgens even de belangrijkste Peloponnesische machtsbasis in Ionië te worden. De stad kwam echter vrij snel wederom onder Perzische heerschappij te staan. Aangezien Miletos in de vijfde eeuw driemaal had gerebelleerd tegen de machthebber – in 494, 454 en 412 – is het zeer waarschijnlijk dat de polis onder de Perzen een garnizoensstad werd. Met een vaste aanwezigheid van soldaten in de stad moest de gehoorzaamheid van Miletos ten opzichte van de Perzische heersers gewaarborgd blijven. Over Didyma in de klassieke periode zwijgen alle literaire bronnen. Dit kan betekenen dat na de verwoesting van het tempelcomplex in 494 de tempel noch het orakel werden opgebouwd. Pas toen Alexander in 334 het slapende orakel bezocht en de plaats daarmee in feite nieuw leven inblies, lijkt het erop dat Didyma na honderdvijftig jaar aan betekenis begon te winnen. Het zou echter nog een kleine dertig jaar duren voordat er een start werd gemaakt met de herbouw van de Apollotempel.
2.2 Alexanders inname van Miletos

Miletos verwelkomde de Alexander, koning van Macedonië, niet met open armen toen hij in 334 met zijn leger voor de poort en met zijn vloot voor de haven verscheen. Het pro-Perzische oligarchische bestuur liet het op een militaire confrontatie aankomen, maar tevergeefs. Na een gewonnen zeeslag bij het eilandje Lade, voor de havens van Miletos, nam Alexander de stad stormenderhand in. Anderhalve eeuw was de stad overgeleverd geweest aan de wil van Atheners, Spartanen en een Perzisch garnizoen, toen zij in 334 haar autonomie weer terugkreeg: Alexander verleende de stad demokratia en autonomia. Het garnizoen verdween en met de instelling van de democratie kreeg Miletos een volksvergadering (εκκλησια) en een democratische raad, de βουλη. Voortaan konden de burgers van Miletos, de demos, zich via deze instanties uitspreken over sociale, juridische, politieke en militaire kwesties. Miletos was geen uitzondering in Ionië als het gaat om de omslag van politiek bestel. Zo blijkt uit een passage in Arrianus (1.17) dat Alexander ook in Ephesos een oligarchisch bewind verdreef en er een democratie instelde. Een brief van Alexander aan de demos van Chios, een eiland voor de Ionische kust, uit 332 maakt duidelijk dat ook daar voor Alexanders komst een oligarchie de dienst uitmaakte. Welke motieven kan Alexander gehad hebben met het instellen van de democratie in Miletos?

Zijn constitutionele politiek ten opzichte van de stadstaten op de Ionische kust wordt vaak verklaard in het kader van zijn bevrijding van de Grieken die bijna twee eeuwen gezucht hadden onder de barbaarse overheersing. Waar de Perzen oligarchische stadsbesturen in het zadel hadden geholpen, zou Alexander met zijn democratische offensief zich bewust tegen de barbaarse Perzen af hebben willen zetten en een duidelijke omwenteling in het bestuur van ondermeer Ionië hebben willen laten zien. Dit is een zeer plausibele verklaring, aangezien zijn houding ten opzichte van de steden een onderdeel was van het invullen van het vacuüm dat de afbrokkeling van het Perzische imperium in Klein-Azië had gecreëerd. Daarnaast diende, zoals in de inleiding uiteen is gezet, de verhouding tussen stad en vorst opnieuw te worden afgebakend: een imperium verdween, een nieuwe imperium was in de maak. Dat had consequenties voor steden als Miletos, die zich geconfronteerd zagen met een nieuwe machtspretendent en dus hun verhouding met Alexander ten opzichte van zijn Perzische voorgangers moesten herdefiniëren. Miletos was als polis de facto een autonome staat. Alexanders omgang met deze polis zorgde ervoor dat zij ook de iure haar zelfstandigheid behield. Steden vormden de economische centra die de vorst geld leverden en naast oorlogsbuit en plundering de belangrijkste bron van inkomsten waren. Daarmee waren steden essentieel voor een oorlogvoerende Macedonische vorst als Alexander en dus wilde hij niets liever dan de steun van de steden. Echter, Alexander zou niet per se voor het democratische bestel gekozen hoeven hebben. Met andere woorden, de invoering van de democratie in Miletos zou hem ook concreet wat op hebben moeten leveren. Het was namelijk niet alleen een onderdeel van de onderhandelingspolitiek tussen twee machtseenheden, namelijk de stad Miletos en de potentaat Alexander. Het ging eveneens om de machtspresentatie van de laatste ten opzichte van de eerste, die ongetwijfeld anders moest zijn dan ten tijde van de door Alexander verdreven Perzen. In de bronnen lezen we dat de oligarchen Perzisch gezind waren, terwijl de democraten Alexander steunden. De hierboven aangehaalde brief van Alexander aan het volk (demos) van Chios uit 332 werd na een oligarchische coup een jaar eerder geschreven. Vier jaar daarvoor was een pro-Perzisch oligarchisch bestuur omver geworpen. Drie jaar later, in 333, werd het eiland echter al weer aan de Perzen overgeleverd door een groep oligarchen, waarna Alexander in 332 de democratie instelde. In een brief schrijft Alexander:
“[…] the constitution shall be democratic. Law drafters shall be appointed to record and correct the laws, to remove all obstacles to the democracy […]”.
Alexander wilde de weg vrijmaken voor een democratisch bestel. Alle oligarchische c.q. Perzische elementen dienden verwijderd te worden. Bovendien waren de Perzisch gezinde oligarchische bestuurders niet populair onder de bevolking. Een studie naar de Koningin van Ionië, Miletos, verschaft meer duidelijkheid over de beweegredenen van Alexander om democratieën in te stellen.
2.3 Alexander en de steden: autonomie en democratie

Een vorst als Alexander wilde drie dingen van een stad als Miletos: erkenning van zijn superieure macht, loyaliteit en hulp ten tijde van oorlog (tegen de Perzen) en tribuut of belastingen. Voor dat laatste was een gunstig economisch klimaat nodig en dat kwam het beste tot stand wanneer een stad als Miletos vrij was om haar eigen zaken te regelen. Een polis wilde op haar beurt eveneens drie dingen van een vorst: autonomie, bescherming en optreden als intermediair dan wel rechter in inter-stedelijke conflicten. Het moge duidelijk zijn dat beide partijen veel te winnen hadden bij een goede onderlinge verstandhouding om hun belangen te kunnen realiseren. Alexander had de Perzen uit Miletos verdreven en wilde van de polis een Macedonische bondgenoot maken. Het zou dus niet logisch zijn om het politieke bestel dat onder de Perzen gangbaar was geweest te continueren; een oligarchie was dus niet im Frage. Als hij van Miletos een garnizoensstad zou maken, zou dat betekenen dat volgens zijn propaganda betekenen – de Grieken bevrijden van de barbaren – dat zijn bevrijding van de stad niet als een bevrijding werd gezien. Immers, onder de Perzische heerschappij had de stad een garnizoen gehad. Het democratische bestel paste wat dat betreft het beste in zijn politieke ideologie, namelijk het creëren van loyale vazalsteden die zijn Macedonische imperium zouden gaan vormgeven. Met een democratisch stadsbestuur zou de polis bij monde van haar bevolking haar eigen bestuurlijke zaken regelen, waardoor ze een grote mate van zelfstandigheid ging genieten. Oftewel, om Miletos tot een trouwe bondgenoot te maken, bood Alexander de stad autonomie aan, terwijl met de instelling van een democratisch bestel deze autonomie tegelijkertijd zeer zichtbaar werd gemaakt.
2.4 De herleving van het orakel

Een direct gevolg van de instelling van een democratisch bestel in Miletos was de opleving van het orakel van Didyma. De demos kreeg voortaan de zeggenschap over het tempelcomplex. Alexander bezocht, net zoals hij eerder in Ilion had gedaan, het belangrijkste heiligdom van de stad. In de Athena-tempel bij het voormalige Troje schonk Alexander zijn wapenrusting aan een mythische strijder met wie hij zich graag vereenzelvigde: Achilles. Zijn komst te Didyma moet als een keerpunt in de geschiedenis van Didyma beschouwd aangezien het resulteerde in het herstel van het spreken van het orakel en de renovatie van het tempelcomplex. Alle religieuze ambten die tot 494 door leden van de Branchidai waren vervuld, kwamen nu democratisch verkozen Milesiërs toe. Het volk van Miletos, en niet een zelfstandige priesterfamilie, zou voortaan zorg dragen voor het orakel en de Apollotempel. De intermediair tussen de god en de mensen, het orakel zelf, was een vrouw: de prophetis. De belangrijkste functionaris van het orakel, de prophetes (mannelijk), vervulde een ambt dat, in tegenstelling tot bijvoorbeeld in Delphi, niet voor het leven was, maar ieder jaar door middel van democratische verkiezing door iemand anders werd ingevuld. Omdat de prophetes een functie was waarbij iemand ondermeer festivals als de Didymeia diende te financieren, bezetten in de praktijk voornamelijk welvarende burgers van de polis deze post. Het valt dan te betwijfelen of, toen de functies democratisch verkozen werden en uiteindelijk voor een klein groepje beschikbaar bleef, de situatie per saldo wel zoveel verschilde van de tijd dat de Branchidai het monopolie op de functies hadden.

De jaarlijkse verkiezing door middel van loting wijst op de Milesische zeggenschap over het orakel en op het democratische bestel dat deze polis vanaf 334 kende. De eponymenmagistraat van Miletos, de stephanophoros, stond onder de prophetes. Alexander zelf werd als eerste stephanophoros gekozen door het Milesische volk, als blijk van waardering voor het instellen van de democratie die het orakel nieuw leven inblies en voor zijn steun aan het Didyma-orakel door het na de inname van Miletos te bezoeken. Deze functie was dus niet voorbestemd voor een Milesische burger, maar kon ook worden vergeven aan niet-Milesiërs. Ook Antiochos I, de zoon en opvolger van Seleukos, zou deze eer drie decennia later ten deel vallen. Hij ontving deze functie eveneens uit handen van het Milesische volk, nadat hij zich een weldoener van Miletos had betoond. Alexander had Miletos in 334 autonomie en democratie geschonken. Het eerste bevestigde de zelfstandigheid van de polis terwijl het tweede ondermeer zorgde voor zichtbaarheid daarvan en de opleving van het Didyma-orakel. Er wordt vaak gezegd dat Alexander de propagandamogelijkheden van het orakel inzag en zich daarom als begunstiger ervan opstelde. De prophetis moest, immers aangesteld door het door hem gesteunde Milesische volk, wel gunstig uitlaten over Alexander en zijn campagne. Aan de ene kant wordt deze bewering afgezwakt door het feit dat Didyma na honderdvijftig jaar stilzwijgen alles behalve een gezaghebbend orakel in de Griekse wereld was; Delphi, Dodona en Delos waren de panhellenistische heiligdommen van dat moment en orakelspreuken uit Didyma hadden minder statuur dan de eerste drie. Aan de andere kant kan het herstel van het orakel door de Milesische democratie onderdeel zijn geweest van de nieuwe verhouding tussen deze Griekse polis en haar beschermheer, Alexander zelf. Het principe van demokratia en autonomia hield in dat de stad, in ruil voor steun van de vorst, loyaal was ten opzichte van hem, geen garnizoen zou krijgen, volgens haar eigen poliswetten en gebruiken zichzelf zou besturen en dat ze geen schatting hoefde af te dragen aan de heerser. Wat wel voorkwam, was dat de voortaan autonome polis volgens het principe “ ik (de vorst) geef, opdat jij (de polis) geeft” schenkingen aan de vorst deed. Met het Milesische volk als gezaghebber over het orakel, is het goed voorstelbaar dat Alexander min of meer verwachtte dan wel eiste dat het orakel hem gunstig gezind zou zijn. Het orakel als propagandamachine van en voor Alexander en zijn veldtocht kan de ‘vrijwillig verplichte’ schenking van de Milesische demos aan Alexander zijn geweest. De gift van autonomie en democratie aan de Griekse steden kan ook een tweede motief hebben gehad. Alexander was niet voornemens zijn veroveringstocht in Klein-Azië te beëindigen. Hij zou verder gaan. Hoe ver wist hij waarschijnlijk zelf niet eens, maar feit is dat hij zeer waarschijnlijk niet in staat zou zijn van dichtbij toezicht te houden op het bestuur van de door hem veroverde gebieden. Door de steden hun bestuurlijke zelfstandigheid te geven en daarboven satrapen in de verschillende gebieden van zijn veroverde gebied aan te stellen, delegeerde Alexander de bestuurlijke aspecten van zijn rijk aan anderen en was hij zelf vrij om te zijn veroveringstocht voort te zetten. Daarnaast hoefde hij zelf geen troepen in de stad achter te laten; een stadsleger, bestaande uit burgers, zou als beschermingsmacht op de been worden gebracht en zich op de akropolis vestigen.
2.5 Alexander en de Branchidai

Nadat de Veroveraar Miletos had verlaten, was zijn rol in de vernieuwing van het heiligdom nog niet uitgespeeld. In 329 was Alexander tot aan de noordgrenzen van het Perzische rijk doorgedrongen en had hij de twee grensrivieren, de Oxus en Jaxartes, bereikt. Een van de noordelijke provincies die aan de Oxus grensde, Baktrië, zou volgens Diodorus Siculus vanaf de jaren 480 de nieuwe leefomgeving van de voormalige priesterfamilie van Didyma zijn geworden. Deze familie had na het neerslaan van de Ionische opstand door de Perzen Didyma verlaten en zich met het Perzische expeditieleger naar Perzië teruggetrokken. De nakomelingen van de Branchidai leefden ten tijde van Alexanders komst nog altijd in een Baktrische nederzetting. Volgens Diodoros beval Alexander een dag na de overgave van de plaats waar de afstammelingen woonden tot het uitroeien van de gehele bevolking. Hoewel andere vooraanstaande bronnen over Alexanders campagne, waaronder Arrianus, zwijgen over dit schokkende voorval, is het uitroeien van de nakomelingen van de Branchidai-familie in veel wetenschappelijke studies naar Miletos en Didyma opgenomen. Er duiken twee verklaringen op voor zijn geweldsdaad. Volgens de meest voorkomende verklaring zou Alexanders brute bevel een vergelding zijn geweest voor het mogelijke samenwerken van deze priesterfamilie met de Perzische agressor in de Perzische oorlogen. Alexander zou zelfs Milesische soldaten in zijn leger opdracht tot de uitroeiing hebben gegeven om bij wijze van wraak het verraad te vergelden maar zij weigerden. Een tweede verklaring wordt door Parke gegeven: door de Branchidai uit te roeien zou een bedreiging voor het sinds kort hernieuwde orakel in Didyma worden weggenomen. Als Alexander de nakomelingen van de priesterfamilie in hun vroegere functie zou hebben hersteld, dan zou het orakel in handen zijn gevallen van semi-oriëntaalse figuren, die bovendien in het verleden met de Perzen hadden samengewerkt. Parke houdt rekening met de aanwezigheid van Milesiërs in Alexanders gevolg, die de koning zouden hebben kunnen aangezet de familie eens en voor altijd uit de weg te ruimen. Onder deze Milesische soldaten zou zich volgens Parke bijvoorbeeld Demodamas hebben kunnen bevinden, de latere succesvolle generaal van Seleukos en actieve volgeling van Apollo van Didyma. Het is natuurlijk goed mogelijk dat Miletos, net als andere Griekse steden, troepen leverde voor de expeditie van Alexander. Anderzijds kwam het ook voor dat een stad een epistates (vertegenwoordiger) of philos (vriend van de koning) in het gevolg van de vorst had, die namens de stad onderhandelde over de politiek aangaande vorst en polis. Het is echter speculeren om de afslachting van de nakomelingen van de Branchidai te beschouwen als een lepe actie van Milesiërs, die Alexander subtiel ertoe zouden hebben aangezet een rekening die honderdvijftig jaar openstond, te vereffenen. Het moet eerder in het licht van de bloedige strijd om de Macedonische hegemonie te vestigen worden gezien, die tussen 329 en 327 in Baktrië woedde.

3: Antigonos Monophthalmos en de Griekse steden

All the Greeks should be free, exempt from garrisons, and autonomous. The soldiers carried the motion and Antigonos dispatched the messengers in every direction to denounce the resolution.
De Declaratie van Tyrus door Antigonos
Monopthalmos in 314

3.1 Antigonos’ komst in Klein-Azië

Alexander zette zijn strijd tegen de Perzen na de inname van Miletos in Klein-Azië en vervolgens in Syrië voort. Hij stelde drie satrapen aan in Klein-Azië, die de overgebleven Perzische verzetshaarden dienden uit te schakelen en de aanvoerlijnen van berichtgeving en militairen tussen Macedonië, Klein-Azië en zijn expeditieleger in Syrië open moesten houden. Naast de weinig bekende Kalas en Balakros was dit Antigonos de Eenogige (Μονοφθαλμοσ), een vooraanstaande generaal uit Alexanders leger, die tot 334/3 de Griekse bondgenoottroepen had aangevoerd. In 333 was Antigonos aangesteld als satraap van Phrygië, maar na de dood van de andere twee kreeg hij ook Lycië, Pamphylië en Pisidië onder zijn hoede. Daarmee werd hij voor tweederde van het Klein-Aziatisch schiereiland verantwoordelijk en één van Alexanders belangrijkste onderdanen. Hij zou deze post als een van de weinige door Alexander aangestelde satrapen tot diens dood in 323 bekleden, wat aangeeft dat Antigonos het vertrouwen van Alexander tot diens einde toe genoot. Doordat hij zijn machtige positie in Klein-Azië tot 323 vast had gehouden en geconsolideerd, was hij automatisch een van de sleutelfiguren in de opvolgingskwestie na Alexanders dood. Daar kwam bij dat de 59 jaar oude Antigonos na Antipatros de oudste en enige overgebleven Macedonische bevelhebber van Philippos’ generatie was. Naast zijn machtsgebied verschafte dit de nodige prestige.
Tijdens de Babylonische conferentie, die plaatsvond in de weken na Alexanders dood op 11 juni 323, was Antigonos samen met Krateros de belangrijkste afwezige. Zijn positie werd desalniettemin tijdens de conferentie min of meer gehandhaafd, maar hij kwam al vrij snel tegenover de chiliarch en belangrijkste Macedoniër van dat moment, Perdikkas te staan. Na een korte tijd in Macedonië te hebben verbleven en een samenwerkingsverband met Antipatros en Krateros te zijn aangegaan, keerde Antigonos in 321 terug naar Klein-Azië, waar hij door de Ionische steden onder leiding van Ephesos met open armen werd ontvangen. Asandros, de tijdens de Babylonische conferentie aangestelde satraap van Karië, waar Ionië bestuurlijk gezien onder viel, liep over naar Antigonos. Zijn rivalen, waaronder Kassander en Ptolemaios, lieerden zichzelf in de jaren na 321 met Asandros en probeerden Karië los te weken van Antigonos’ machtsgebied in Klein-Azië. Zij beseften dat Antigonos met Klein-Azië – als sleutelgebied tussen Azië en Europa – een sterke positie had. Macedonië en het Griekse vasteland lagen binnen handbereik, terwijl ook Syrië en de oostelijke provincies binnen afzienbare tijd te bereiken waren. Daarnaast herbergde Klein-Azië en de daaromheen liggende eilanden talloze goede havenplaatsen, waardoor Antigonos’ machtige vloot zijn landexpedities kon ondersteunen. Toen Antigonos in 314 na het anderhalf jaar durende beleg van Tyrus zelf naar Klein-Azië terugkeerde en Asandros inzag dat verder verzet zinloos was, opende hij onderhandelingen met Antigonos. Deze eiste dat Asandros de Griekse steden moest opgeven, hun autonomie teruggeven en voortaan als een ondergeschikte van Antigonos Karië besturen.
3.2 De vrijheid van de Griekse steden

Volgens de Milesische lijst van stephanophoroi werd Miletos in 312 bevrijd door Antigonos, waarmee de Declaratie van Tyrus ook voor Miletos werkelijkheid was geworden. Het feit dat Antigonos de autonomie van de Griekse steden eiste, paste enerzijds in zijn strategie naar aanleiding van de Declaratie van Tyrus, waarbij hij de (Griekse) steden autonomia en demokratia beloofde en garandeerde. Anderzijds betekende het dat de Griekse steden op de Ionische kust tussen 323 en 312 niet of niet altijd autonoom waren geweest, maar dat Antigonos het wel degelijk van belang vond dat de stadstaten voortaan als zelfstandige democratieën zouden gaan functioneerden. Waar het bij Alexander niet met zekerheid is vast te stellen of er Milesiërs in zijn gevolg waren, weten we dat dit bij Antigonos wel het geval was. Toen Antigonos, staande voor zijn leger, in 314 de Declaratie van Tyrus uitriep, hoorden wellicht ook Milesische soldaten van hun aanvoerder de belofte aan dat hij ook de vrijheid van hun stad garandeerde. Wat wel bekend is, is dat in 314 onder Antigonos een legeraanvoerder op het Griekse vasteland actief was, die afkomstig was uit Miletos. Deze Aristodemos behartigde de belangen van Antigonos in Griekenland. Vanaf 314 bracht hij Antigonos’ stedenpolitiek op de Peloponessos en bij de Aetoliërs in de praktijk door de steden aldaar te bevrijden en te ontdoen van de door Kassander gelegde garnizoenen in een poging van Antigonos om zich een machtsbasis in Griekenland te verwerven. Antigonos had met Aristodemos een Milesiër de belangrijke taak gegeven zijn declaratie in Griekenland te realiseren, door hem het commando over een huurlingenleger te geven dat de Griekse steden in Kassanders domein vrij moest maken. Aristodemos kweet zich redelijk van zijn taak door daadwerkelijk enkele van Kassanders garnizoenssteden voor Antigonos te winnen. Hij wist bovendien een bondgenootschap te sluiten met de Achaïsche Bond, een belangrijke speler op het Griekse vasteland en een fel tegenstander van Macedonische invloeden. Beide partijen vonden elkaar in hun strijd tegen Kassander. De bevrijdingspolitiek op het Griekse vasteland ging gepaard met veel geweld en bloedvergieten. Bovendien was lang niet iedereen blij met de komst van Aristodemos en diens bevrijdingspolitiek. Zo meende de stedelijke elite dat hun belangen het beste door Kassander behartigd werden. Op het moment dat de steden autonoom werden, betekende dat het Macedonische garnizoen verdween en daarmee de Macedonische (dat is Kassanders) invloed. Kassander bestuurde de door hem gecontroleerde steden door middel van de kleine stedelijke elite, een oligarchie. Deze kleine kring had de macht in de stad. Als een stad door één van Antigonos’ legeraanvoerders werd ingenomen, verdwenen naast het Macedonische garnizoen ook de Macedonische bestuurders uit de polis. Met andere woorden, de stedelijke elite besefte dat met de realisatie van Antigonos’ stedenpolitiek het met hun invloed gedaan was. Het is duidelijk dat Antigonos met zijn declaratie grootse aspiraties koesterde. Zijn stedelijke bevrijdingspolitiek omhelsde naast zijn eigen gebieden ook de eilanden (Delos) en het Griekse vasteland – delen van Alexanders voormalige rijk die in 314 nog niet tot Antigonos’ domein behoorden. Daarmee is dit een tweede argument voor Antigonos’ motief om zich met zijn Declaratie van Tyrus af te zetten tegen andere Diadochen. Voor het Griekse vasteland betekende het namelijk, dat Antigonos met een andere koers dan Kassander wilde onderscheiden als opvolger van Alexander. Zoals hierboven reeds uiteen is gezet, viel Miletos tot 313/12 ook nog niet binnen Antigonos’ machtsgebied, aangezien hij Karië nog niet binnen zijn invloedssfeer had. Er is aangegeven dat Ptolemaios, Seleukos en Kassander toenadering zochten tot de toenmalige satraap van Karië, Asandros. Zo probeerden zij om voet aan de grond te krijgen in westelijk Klein-Azië, waarna Antigonos in 313 zelf orde op zaken kwam stellen en ondermeer Miletos bevrijdde. Echter, met een zo hooggeplaatste Milesiër in Antigonos’ gevolg, die bovendien het voorgaande oorlogsseizoen behoorlijk succesvol de belangen van Antigonos in Griekenland behartigd had, rijst het vermoeden dat Antigonos’ bliksemcampagne tegen Karië geen toeval is geweest, maar ook een legitimatie van zijn stedelijke politiek ten opzichte van zijn aanvoerder in Griekenland. Aristodemos streed immers Antigonos’ strijd op vijandelijk terrein, terwijl zijn eigen stad op de Ionische kust ook nog altijd niet bevrijd was. Dat Aristodemos een belangrijk figuur aan het hof van de Antigoniden was en bleef, bewijst zijn rol in het uitroepen van het koningschap door Antigonos en Demetrios in 306 na de door de laatste gewonnen zeeslag bij Salamis op Cyprus. Volgens Plutarchos stuurde Demetrios Aristodemos in zijn eigen vlaggenschip naar Antigoneia bij de Orontes in Noord-Syrië, waar zijn vader op dat moment verbleef, om hem over de grandioze overwinning te berichten die Demetrios op Ptolemaios behaald had.
Nadat Aristodemos vanuit Cyprus overgestoken was […] ging hij naar Antigonos, die angstig in afwachting was over nieuws van de slag. […] Aristodemos antwoordde niemand, maar kwam stap voor stap en geheel geluidloos nader. […] toen hij naderbij was gekomen, strekte hij zijn hand uit en met luide stem riep hij uit: “Heil, Koning Antigonos, we hebben Ptolemaios in een zeeslag verslagen, en we hebben Cyprus, met 12.800 gevangengenomen soldaten!”
In zijn Antigonos the One-Eyed heeft Billows een lijst van philoi van Antigonos Monophthalmos opgenomen en daarin typeert hij Aristodemos als een van Antigonos’ oudste en meest vertrouwelijke vrienden en helpers. De Milesiër vervulde zowel vooraanstaande militaire als diplomatieke functies gedurende de lange carrière van de Eenoog. Na het koningsjaar, in 305, verbleef Aristodemos in zijn moederstad Miletos, waar hij door de demos geëerd werd met het ambt van stephanophoros, een eerbewijs dat Alexander en Antigonos voor hem ten deel waren gevallen. Daaruit blijkt de waardering voor zijn rol die deze burger van Miletos voor zijn stad aan het hof van een van de machtigste mannen van dat moment heeft gespeeld. Daarnaast geeft het eens te meer aan dat het de Milesische demos was die over de religieuze zaken aangaande de polis behandelde en besliste. Ten derde is deze eervolle vermelding van Aristodemos wederom een teken dat religie in de totstandkoming van de Macedonische imperia een vooraanstaande rol speelde, in dit geval in de vorm van de hoogste onderscheiding die inwoners van Miletos iemand konden verschaffen.
3.3 De situatie tussen 319 en 312

Net als Alexander ruim twintig jaar eerder had gedaan, streefde ook Antigonos autonomie en democratie in de Griekse steden na. Echter, tussen het jaar waarin Alexander Miletos autonomia en demokratia verschafte en Antigonos Miletos bevrijdde, zaten twintig roerige jaren, waarin de wereld er heel anders uit was komen te zien. Bovendien, Alexander was de koning van Macedonië, terwijl Antigonos de strategos van Azië was. Met andere woorden, het is zeer goed mogelijk dat Antigonos’ motivatie anders was dan die van Alexander twintig jaar eerder. De rol tussen stad en vorst was veranderd en nog steeds aan verandering onderhevig, omdat met name de Klein-Aziatische westkust voortdurend onderdeel was van de conflicten tussen de Diadochen en daardoor te maken kreeg met verschillende machthebbers en hun belangen. In tegenstelling tot het jaar waarin Alexander Miletos innam en hij daarmee de enige machthebber was waarmee de stad over de onderlinge verstandhouding kon onderhandelen, waren er na Alexanders dood vier machthebbers met wie de polis te maken kreeg. Antigonos noch een van de andere Diadochen was ten tijde van de Declaratie van Tyrus formeel koning. De jaren na Alexanders dood tot het ‘Jaar van de koningen’ (306/5) vormden echter wel de opmaat voor het Macedonische koningschap dat de Hellenistische wereld de ruim twee eeuwen daarop zou gaan beheersen en kenmerken. Een belangrijke stap in dit proces vormt het Verdrag van Triparadeisos in 319 waar Antipatros, Ptolemaios en Antigonos, de leidende potentaten van dat moment, elkaars toenmalige machtsgebied erkenden. Ook Seleukos maakte een grote sprong voorwaarts: hij kreeg als beloning voor zijn rol in het uit de weg ruimen van Perdikkas de satrapie Babylonië toegewezen. Ptolemaios’ positie in Egypte bleef gehandhaafd, terwijl Antipatros de functie van regent van de koning van Macedonië (de drie jarige zoon van Alexander de Grote) van Perdikkas overnam. Antigonos werd tot strategos van Azië benoemd, een ruim te definiëren titel, die hem in feite alle speelruimte tussen Ionië en Syrië (en tot 312 ook Iran) bood. Hierboven hebben we gezien dat zijn positie niet daadwerkelijk betekende dat hij de onbetwiste leider van Azië was. In feite was geen van de machtsposities van de Diadochen onbetwist: Ptolemaios en Antigonos bestreden elkaar in Phoenicië, Syrië, Egypte en het oostelijk bekken van de Middellandse Zee, terwijl Kassander, Lysimachos en Antigonos voortdurend conflicten hadden in en om Griekenland en de westkust van Klein-Azië. Seleukos en Antigonos bevochten elkaar in de oostelijke gebieden van Alexanders rijk. Het moge duidelijk zijn dat Antigonos Monophthalmos, gezien zijn rol in al deze onderlinge machtsstrijd, de hoofdrolspeler op het Hellenistische toneel was. Hoe probeerden de machthebbers van dat moment naast militaire middelen de ander te bestrijden? Op welke manieren legitimeerde men de aanspraak op een bepaald gebied? Met een toekomstige koning van drie jaar, die in 310 door Kassander vermoord werd, waren de Diadochen vanaf Triparadeisos de facto zelf bezig de legitieme opvolgers van Alexander te worden, ieder in zijn eigen machtsgebied. Dit valt ondermeer op te maken uit de vele dynastieke huwelijken die er in de eerste jaren na Alexanders dood werden gesloten. De (half)zussen van Alexander waren gewilde huwelijkspartners, aangezien een verbintenis met een bloedverwant van Alexander betekende dat er een dynastiek verband ontstond tussen hem en de opvolger in kwestie. Maar ook huwelijken met verwanten van de opvolgers onderling vonden veel plaats in het kader van coalitievorming en machtsversterking. Een andere manier om te laten zien dat iemand Alexanders waardige en rechtmatige opvolger was, geschiedde door het middel dat Alexander zelf tot een goddelijke status had gebracht: oorlogvoering. Alexanders rijk was door het zwaard tot stand gekomen, en zou in de Macedonische machtsideologie ook door het zwaard worden hersteld.
3.4 De bevrijding van de steden

Antigonos’ declaratie uit 314 moet allereerst in het kader van zijn machtslegitimatie gezien worden. Niet alleen liet hij de Griekse steden zien dat hij hun vrijheid garandeerde en zich daarmee opwierp als hun beschermer. Ook imiteerde hij daarmee de politiek van Alexander ten opzichte van de Griekse steden, waardoor hij aangaf zich op één lijn te willen stellen met diens succesvolle politiek. Daarnaast heeft zijn declaratie te maken met de machtslegitimering onder zijn soldaten. Volgens Diodorus riep Antigonos de autonomie en democratie voor de steden ten gehore van zijn leger uit, dat naast Macedoniërs uit Grieken bestond. De Griekse soldaten hoorden dus dat hun moedersteden onder Antigonos vrij zouden zijn en niet door een garnizoen onder de duim zouden worden gehouden. Tot slot was de Declaratie van Tyrus ook het afzetten tegen een belangrijke rivaal van Antigonos in het Egeïsche gebied, Kassander. Antigonos voer een geheel andere koers in casu de Griekse steden. Als satraap van grote delen van Klein-Azië had hij gezien hoe de verhoudingen tussen de steden en de vorst ten tijde van Alexander lagen en dat deze voor beide partijen gunstig hadden uitgepakt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Antigonos twintig jaar later hetzelfde met Miletos en de andere stadstaten op de Klein-Aziatische westkust deed, toen hij Asandros als satraap van Karië tot de orde riep en onder zijn heerschappij bracht. Wat destijds voor Alexander gold, ging ook op voor Antigonos: ook hij zou niet voortdurend in staat zijn met zijn aanwezigheid zijn macht en invloed te legitimeren; daarvoor was zijn machtsgebied te groot. Wat hij wel kon doen, was de steden iets te geven wat alleen hij, als machtspretendent kon aanbieden: autonomie. Daar zou hij de steden tevreden mee stellen. Door hun naast zelfstandigheid te verschaffen ook een democratisch staatsbestel voor te schrijven, zou bovendien het volk en mogelijke inwoners die zich in zijn leger bevonden hem als weldoener waarderen. Bosworth maakt in The legacy of Alexander duidelijk dat de mystiek rondom het koningschap, dat met name in de laatste jaren van de vierde eeuw aanwezig was na de immense veroveringen en tot de verbeelding sprekende daden van Alexander, door middel van euergetisme, dat is weldaden aan onderdanen, in stand werd gehouden. Om het anders duidelijk te maken: de Declaratie van Tyrus was in feite de ultieme weldaad die Antigonos de Griekse steden kon bieden, waarmee hij bovendien oninklijke aspiraties in een prachtig en voor de steden onweerstaanbaar geschenk verpakt had. Op die manier eiste hij de claim op Alexanders oninklijke erfenis op door de steden zijn geschenk aan te bieden, zonder dat Antigonos’ claim door de stadstaten als een dwangmatigheid gezien werd. Het uitroepen van de vrijheid voor alle steden was één, maar ze daadwerkelijk bevrijden een heel andere zaak. Zolang de steden buiten Antigonos’ machtsgebied niet door middel van militaire middelen door hem bevrijd werden, gold zijn Declaratie van Tyrus niet voor hen. Voordat Antigonos Miletos in 313/2 zelf autonoom maakte, had hij met de verovering van Delos in 314 de Griekse wereld laten zien dat zijn declaratie geen gebakken lucht was. Integendeel, door Delos in te lijven, had hij het prestigieuze geboorte-eiland van Apollo en Artemis deelgenoot gemaakt van zijn politieke programma. Voor zijn ‘bevrijding’ van Delos werd Antigonos door de eilandbewoners beloond in de vorm van een religieus festival dat zijn naam zou gaan dragen, de Antigoneia. Bovendien werd er vanuit Delos een nieuwe bond gecreëerd, de Nesiotai (de bond van de eilanders) waarin Antigonos’ bondgenoten in de Egeïsche Zee voortaan zouden gaan samenwerken. Dit is een ander voorbeeld van hoe de relatie tussen een machthebber en een door hem bevrijde onderdaan in de Diadochenperiode in de praktijk werkte, namelijk volgens het principe van ‘Ik (Antigonos) geef als vorst iets wat jij (Delos) niet uit jezelf kunt verkrijgen (vrijheid, een bondgenootschap en dus bescherming), opdat jij geeft (een festival, daarmee gepaard gaand religieus prestige, opgaan in een bondgenootschap en steun)’. Naast het overnemen van Alexanders succesvol gebleken stedenpolitiek en het afzetten tegen de politiek van andere Diadochen, is er nog een derde motief voor Antigonos’ houding ten opzichte van de steden te noemen. In Diodoros 19.77 staat hoe in 313 vredesonderhandelingen tussen Kassander en Antigonos spaak liepen. Het oorlogsseizoen was inmiddels ten einde en de winterkwartieren moesten worden opgezocht. Er is niet vermeld welke stadstaten als winterkwartier voor Antigonos’ soldaten dienden, maar het feit dat er specifiek polin staat, geeft aan dat het om (Griekse) steden gaat. Zouden dit de steden zijn die inmiddels autonoom en democratisch waren geworden onder Antigonos’ politiek? Verzekerde Antigonos zich met zijn bevrijding van de Griekse steden met andere woorden ook van goede, strategische winterkwartieren, zodat zijn soldaten snel op de been konden worden gebracht wanneer de gelegenheid zich voor zou doen? Dat de soldaten ’s winters in de steden ingekwartierd lagen, betekende niet dat ze als een garnizoen de orde bewaakten. Zij zouden hun functie als soldaat met het aanbreken van het oorlogsseizoen pas gaan vervullen.
3.5 Het belang van Miletos in de periode 323-301

Met uitmuntende zeehavens, iets wat in een periode waarin een grote vloot een belangrijk onderdeel van de Hellenistische oorlogsvoering was, en de zeggenschap over Didyma, had Miletos een vooraanstaande positie. De polis was daarmee samen met Ephesos de belangrijkste van Ionië en dus een van de hoofdrolspelers op de Klein-Aziatische westkust. Didyma fungeerde als een tegenhanger van het gerenommeerde Apolloheiligdom op Delos. Wanneer een machthebber geen zeggenschap over Delos en haar heiligdom had, dan kon het Apolloheiligdom van Didyma meer status worden gegeven door bemoeienis, euergetisme en steun van de machtigen der aarde. Het was de demos van zowel Miletos als Delos die de Apollo vereerden door middel van culten en festivals. Wilde een machthebber als Alexander, Antigonos of Seleukos de steun van hetzij Delos, hetzij Miletos – wat gezien de strategische ligging van beide plaatsen en de aanwezigheid van twee gerenommeerde Apollotempels het geval was – dan moest men ook de goden van beide plaatsen gunstig gezind zijn. Mede daardoor zochten zij toenadering tot de bevolking in een poging haar voor zich te winnen en hun status van een goddelijk aureool te voorzien. De macht van de eenogige opvolger van Alexander groeide explosief in het Middellandse Zeegebied, een ontwikkeling die met name Ptolemaios vanuit Egypte argwanend gadesloeg. De invloed van de satraap van Egypte strekte zich vanuit Alexandrië uit over zuidelijk Syrië (Koile-Syrië) en de kustplaatsen van het oostelijk Middellandse Zeegebied. Antigonos’ militaire potentieel bestond uit zijn enorme troepenmacht, die hij financierde uit de grote geldvoorraden in onder meer Klein-Azië, Babylon en Susa, in combinatie met een enorme vloot. Zijn machtsgebied bestreek de gehele noordoost-strook van de Middellandse Zee, waardoor Antigonos talloze goede havenplaatsen, scheepsbouwers en –materialen tot zijn beschikking had. Cyprus, Phoenicië en de Egeïsche eilanden behoorden tot zijn domein, alhoewel Ptolemaios Antigonos enkele malen succesvol weerhield van vestiging in de genoemde gebieden. Wilde Antigonos een poging doen zijn positie te consolideren en uit te breiden, dan zou hij ook op de westkust van Klein-Azië uitvalsbases voor zijn militaire macht moeten krijgen. Daarmee was Miletos voor hem een gewilde stad. De polis lag op steenworp afstand van Macedonië, het Griekse vasteland en de eilanden. Dat betekende dat Antigonos met Miletos in staat zou zijn zijn legermacht en vloot flexibel in te zetten waar en wanneer hij maar wilde. Ptolemaios zag het belang van Miletos eveneens in, en hij stuurde in 315 een vloot naar de Ionische kust, die daar tot 312 actief zou blijven. De vlootcommandant was niemand minder dan Seleukos. Tot slot ondernam ook Kassander vanuit Europa pogingen Ionië uit handen van Antigonos te houden. Het gebied viel binnen de satrapie Karië en was nog geen onderdeel van het domein van een van de Diadochen. In 314 voelde de bestuurder van Karië de hete adem van Antigonos in zijn nek, toen deze zelf naar Karië optrok om zijn macht aldaar te bekrachtigen. Ptolemaios, die de succesvolle en aantrekkelijke stedenpolitiek van Antigonos zoveel mogelijk wilde ondermijnen, stuurde zijn vloot naar Miletos en Asandros riep de hulp van de Egyptische schepen in. Kassanders offensief leidde nergens toe en ook Ptolemaios’ poging Miletos voor zich te winnen strandde. Seleukos’ aanwezigheid ten spijt, in 313 vestigde Antigonos ook in Karië en Ionië zijn suprematie. Na die gebeurtenis zwijgen de bronnen tot aan de slag bij Ipsos in 301 wat er met Miletos en Didyma gebeurde. Überhaupt wordt het Apolloheiligdom niet genoemd in de politieke gebeurtenissen die zich in die periode afspeelde. Dat Didyma niet voorkomt in de periode tot 301, kan heel goed te maken hebben met het feit dat naast Miletos en Didyma Antigonos zeggenschap had over Delos en haar Apolloheiligdom. Het eiland was na Delphi de belangrijkste locatie waar Apollo huisde; Didyma stond lager in de pikorde van Apollotempels en kreeg dus ook minder aandacht van de Antigoniden. Daarnaast stond Delos aan het hoofd van Antigonos’ Eilandenbond, wat het Cycladische eiland nog meer statuur en een meer vooraanstaande positie in het Antigonidenrijk verschafte. Delphi was van iedereen, de Delische Apollo van de Deliërs, de Apollo van Didyma van Miletos. Zowel Delos als Miletos waren bevrijd door Antigonos, waren bondgenoten van hem en genoten daardoor zijn bescherming. Dat het eiland meer aandacht kreeg dan Miletos is niet verwonderlijk, gezien de rol die beide plaatsen door hun ligging speelden in de totstandkoming van het imperium van de Antigoniden. Het lijkt er op dat Antigonos en zijn zoon Demetrios tot 301 de dienst uitmaakten in zuidwest Klein-Azië, alhoewel de ster van Lysimachos in Thracië en noordwest Klein-Azië rijzende was. In 311 werd de toenmalige politieke situatie op initiatief van Antigonos geconsolideerd in een nieuw verdrag. In 312 was Seleukos er in geslaagd Babylonië te ontdoen van de troepen van Antigonos om zo zijn oude satrapie te heroveren. Dit betekende dat de komende jaren met name Seleukos en Antigonos bittere gevechten zouden voeren om de macht in Azië, terwijl de situatie in het westelijke deel van de Hellenistische wereld, waaronder Ionië, stabiel zou blijven. Antigonos was voornemens orde op zaken te stellen in de oostelijke provincies. Strijd in het westen kon hij daardoor niet gebruiken. Eén aspect aangaande de verhouding tussen machthebber en steden moet hier nog worden genoemd, namelijk het jaar 306. In dat jaar, dat bekend zou worden als het ‘Jaar van de koningen’, riepen achtereenvolgens Antigonos en Demetrios, Seleukos, Lysimachos, Kassander en tot slot Ptolemaios zich uit tot basileus. De eerste twee kozen een voor hun succesvol moment uit voor hun proclamatie, namelijk na een gewonnen zeeslag op Ptolemaios bij Salamis op Cyprus. De anderen kopieerden deze methode toen eenzelfde succesvolle gelegenheid zich voor hen voordeed. Dat betekende dat iedere stad in de Hellenistische wereld, Miletos incluis, vanaf dat jaar formeel met koningen te maken had. Hoewel in het optreden van de Macedoniërs ten opzichte van de steden, maar ook op het grotere politieke domein in de voorgaande jaren al de nodige koninklijke intenties zichtbaar waren geweest, waren zij in 306 ook formeel in naam koningen.

4: Miletos in de periode na Ipsos, 301-287

Meestal zijn zij die de gunst van een heerser willen verwerven gewoon hem tegemoet te treden met dingen die ze zelf als hun kostbaarste bezit beschouwen of waarin ze hem behagen zien scheppen.
Niccolo Machiavelli, De Heerser, 1.1.1.

4.1 Het belang van Miletos na Ipsos

Nadat Antigonos Monophthalmos in 301 door een leger onder leiding van Lysimachos en Seleukos bij Ipsos verslagen en gedood was, brak er voor de steden in het Antigonidische imperium een turbulente periode aan. De stadstaten in Ionië in het bijzonder kregen te maken met vele machtspretendenten, strijd, diplomatieke onderhandelingen en verschuivende Macedonische invloedssferen omdat deze streek zich in het centrum van het strijdgewoel bevond en het brandpunt van de verschillende imperia vormde. Iedere speler op het Hellenistische schaakbord wilde na Ipsos zoveel mogelijk profiteren dan wel de schade beperken van de dood van Antigonos: Lysimachos en Seleukos verdeelden de buit in Klein-Azië, terwijl Antigonos’ zoon Demetrios zoveel mogelijk van zijn gebied voor zich probeerde te behouden. Ptolemaios, die niet actief had deelgenomen aan de campagne tegen Antigonos, maar wel gebaad was geweest bij diens nederlaag, probeerde de maritieme macht van de Antigoniden in te dammen en realiseerde zijn eigen imperiale politiek – het creëren van een Mediterraan rijk – door machtsbases op de gehele kuststrook en de eilanden van het oostelijk bekken van de Middellandse Zee van de Antigoniden over te nemen. Daarbij was ook voor Ptolemaios en zijn opvolgers de Ionische kust, met Miletos en Ephesos als voornaamste stadstaten, een gewild machtsobject. Met al deze belangen is het daarom goed om stil te staan hoe de verhoudingen tussen Miletos en de verschillende Macedonische heersers lagen en tot stand kwamen na 301. Hoe gingen de Milesiërs om met de onderlinge strijd onder de Diadochen? Hielden zij zich staande in een wereld van elkaar bestrijdende Macedoniërs en zo ja, hoe wisten zij dat te bewerkstelligen? Waren zij bijvoorbeeld in staat hun zelfstandigheid en autonomie, die zij onder Antigonos genoten hadden, te behouden, of gingen zij ten onder aan de druk van de leidende potentaten van dat moment? Het zal duidelijk worden dat Didyma in deze periode wel degelijk een rol speelde, maar dat de Milesiërs zich tot de Seleuciden wendde om het herstel van het Apolloheiligdom te bespoedigen. Daar zal in hoofdstuk vijf uitvoerig bij worden stilgestaan. Wapens en de gunst van de steden moesten gaan uitmaken wie van de Diadochen aanspraak mocht maken op Ionië. Die erkenning werd afgedwongen door veel wapengekletter, euergetisme en diplomatie. De Ionische steden speelden wederom een sleutelrol in de creatie en legitimatie van Macedonische imperia in de Diadochenoorlogen. Om die strijd om de gunst van de steden te voeren en vol te houden, hadden de vorsten geld nodig. Zij waren voor hun inkomsten ondermeer afhankelijk van de opbrengsten van de steden.

The main revenues of cities were customs duties for imports and exports, revenues from the leasing of public land or other communal resources (e.g. fees for fishing permits), fines payable to the city’s treasury, and occasionally war booty.
In de periode vanaf Alexanders komst in Klein-Azië valt een toenemende urbanisatie te onderscheiden: men ging zich meer in steden vestigen, met name in kustplaatsen. De kuststeden waren de handelscentra van westelijk Klein-Azië, de economische brandpunten waar het geld circuleerde en werd geslagen in muntslagerijen, het gebied met de hoogste bevolkingsdichtheid, waar volgens de berekeningen van Aperghis tussen de drie en vier miljoen mensen woonden. Niet alleen vervulden de stadstaten een sleutelrol in de machtslegitimiteit van de koning, maar ook onttrokken de Macedonische koningen (basileis) geld aan de steden voor hun kostbare oorlogvoering. Geld was de spil in de Macedonische politiek omdat geld de diesel was waar de oorlogsmachine op draaide en dus waren de steden waar de geldstromen bij elkaar kwamen, de spil in de totstandkoming van de Macedonische imperia. De enorme hoeveelheid manschappen moesten regelmatig worden betaald en de vorst die het meeste te bieden had, kon rekenen op de meeste soldaten. Diodorus Siculus schrijft:
Een aanzienlijke hoeveelheid geld is in de oorlogvoering de sleutel tot succes, aangezien hij die de beschikking heeft over geld nooit soldaten te kort komt.
De Macedonische legers bestonden voor een groot deel uit huurlingen, die hun legeraanvoerder niet uit politiek oogpunt maar uit financieel gewin volgden. De vorst die hen het meeste te bieden had, kon rekenen op hun steun. Het kwam voor, dat na een overwinning grote delen van het verslagen leger werden overgenomen door de overwinnaar. Demetrios had geen beschikking meer over de opbrengsten uit de rijke gebieden van Klein-Azië en de oostelijke provincies, waar Antigonos dat wel had gehad. Hij was voor de instroom van geld en manschappen aangewezen op de steden in en rondom de Egeïsche Zee. Lysimachos verkreeg het leeuwendeel van zijn gelden via de stadstaten op de Ionische, Pontische en Thracische kust. Dat betekende strijd en oorlog om de steden van de Klein-Aziatische westkust. Voor een stad als Miletos hield dat in dat ze zich niet alleen geconfronteerd zag met elkaar bestrijdende Macedonische machthebbers, maar dat zij ook voor een deel van kosten van de oorlogsinspanning diende op te draaien. Dit resulteerde in een hoge financiële druk op de polis. Steden zonden dan ook regelmatig gezantschappen naar de verschillende hoven met het verzoek om deze lasten te verlagen. Dat betekende tegelijkertijd dat een polis als Miletos weinig tot geen financiële middelen had om op eigen kracht het Didymaheiligdom te herstellen. Daarvoor was de (financiële) steun van de vorsten nodig. Het zal blijken dat Seleukos en zijn huis het meeste insprong op de behoefte van Miletos om Didyma te herstellen en daarenboven van hun euergetisme in Miletos en Didyma in imperiaal opzicht profiteerden.
4.2 Demetrios Poliorketes en de strijd om Ionië

Als zoon, opvolger en daarmee in zijn ogen de enige rechtmatige erfgenaam van Antigonos en zijn gebieden probeerde Demetrios Poliorketes het imperium dat zijn vader bezeten had – en na hun gezamenlijke nederlaag bij Ipsos in hoog tempo van meerdere kanten werd aangetast – zoveel mogelijk voor zich te behouden. In Azië en Syrië had hij op Tyrus en Sidon na geen invloed meer; Seleukos en Lysimachos verdeelden de buit in Klein-Azië, terwijl Seleukos en Ptolemaios in Syrië en Azië bezit namen van de voormalige Antigonidische gebieden. In Griekenland wist Demetrios zich staande te houden. De door hem in 302 hernieuwde Korintische bond – een door Phillipos II en Alexander ingestelde en eveneens door hen geleide stedenbond, waarin Macedonisch gezinde stadstaten op het Griekse vasteland zich hadden verenigd – werd samen met de nog altijd loyale Eilandenbond de machtsbasis van het Antigonidische rijk waar Demetrios koning van was. Het is opvallend dat net als Phillipos en Alexander ruim drie decennia eerder ook Antigonos en Demetrios als vader en zoon de leiders van de bond waren. Dat hield in beide gevallen in dat de steden die zich aansloten bij de bond, een bondgenootschap aangingen met een dynastie – in het geval van Phillipos en Alexander de Argeaden, in het geval van Antigonos en Demetrios de Antigoniden. Met andere woorden, de zoon zou bij het wegvallen van de vader automatisch de nieuwe leider van de bond worden, waardoor de legitimiteit van de zoon automatisch van vader op zoon overging. Eenzelfde constructie vinden we terug in het koningsjaar 306, toen zowel Antigonos als zijn zoon Demetrios zichzelf tot koning (βασιλευσ) uitriepen, maar ook in 293, toen Antiochos door zijn vader Seleukos tot mederegent en koning in de oostelijke provincies van het Seleucidenrijk werd aangesteld. Deze drie voorbeelden getuigen van hetzelfde doel, namelijk dat er een dynastieke legitimiteit in een imperium werd gecreëerd. Er speelden ook twee andere belangrijke motieven mee: ten eerste dat de opvolging geen machtsstrijd en opvolgingsconflicten teweeg zou brengen, maar automatisch van vader op zoon over zou gaan en ten tweede, dat de zoon al de nodige ervaring zou hebben op het moment dat hij zijn vader op zou volgen. Ondanks deze constructie was de positie van Demetrios in het voormalige imperium van zijn vader verre van stabiel. Tot 301 had Ionië deel uitgemaakt van Antigonos’ imperium. Echter, met een machtswisseling zoals na Ipsos, waarin Antigonos en zijn zoon Demetrios verslagen werden, betekende dat de verhoudingen in het voormalige Antigonidenrijk anders kwamen te liggen. Ook aangaande de Ionische steden werden de kaarten opnieuw geschud, omdat niet alleen Demetrios, maar ook Lysimachos, Ptolemaios en Seleukos als zijn overwinnaars zich actief met Miletos en de rest van Ionië gingen bemoeien. De ondergang van Antigonos creëerde een machtsvacuüm in Ionië, dat vergelijkbaar was met toen de Perzen door Alexander in 334 werden verdreven. Miletos was nog altijd van strategisch belang wegens haar ligging en haar havenmogelijkheden. Gezien de vele potentiële machthebbers in dit gebied gold dit na Ipsos meer dan ooit. Demetrios probeerde met zijn machtige vloot de eilanden en de kustgebieden rondom de Egeïsche Zee binnen zijn invloedssfeer te houden. Toch bleek dat een koning zonder land en zonder leger in Klein-Azië, want dat was Demetrios, weinig kon uitrichten. Door een huwelijksverbintenis van zijn dochter Stratonike met Seleukos probeerde Demetrios zijn verloren potentieel te compenseren en raakte Seleukos in politiek opzicht betrokken bij de strijd om Ionië. Het huwelijk tussen Stratonike en Seleukos voorzag daarmee in ieders behoefte: Demetrios lieerde zich met de machtigste speler op het land, terwijl Seleukos vóór zijn huwelijk met Stratonike geen beschikking had gehad over een maritieme macht. De huwelijksverbinding tussen Demetrios en Seleukos bood eveneens nieuwe perspectieven voor Miletos. Leden van haar demos waren al enkele jaren aanwezig in de krijgsmacht van Seleukos, de Milesiër Demodamas was een vooraanstaand figuur aan zijn hof, terwijl Seleukos voortaan middels Demetrios een nog interessantere bondgenoot voor Miletos werd. De wederzijdse belangen van Miletos en de Seleuciden waren groot. Miletos bevond zich in een machtsvacuüm dat de verdwijning van Antigonos met zich mee had gebracht, zuchtte onder het conflict tussen Lysimachos en Demetrios, terwijl door de verbintenis van de laatste met Seleukos zich een nieuwe partner voor Miletos aandiende. Seleukos op zijn beurt zou met Miletos een voet aan de grond in het Egeïsche gebied krijgen, een machtsbasis die door zijn nieuwe bondgenootschap met Demetrios te handhaven zou zijn. In zijn jaren als vlootcommandant van Ptolemaios had hij reeds kennisgemaakt met Miletos en haar belang als havenplaats en hoofd van de Ionische bond ingezien. Desalniettemin bleken de militair-strategische belangen veel minder een rol te spelen dan de religieuze belangen. In het vijfde hoofdstuk zal worden betoogd waarom Seleukos meer geïnteresseerd was in Miletos als de polis die zeggenschap had over het Didymaorakel dan Miletos als (militaire) uitvalsbasis voor het Egeïsche Zeegebied. Ondanks zijn verbond met Seleukos slaagde Demetrios er niet in de westkust van Klein-Azië te behouden; Lysimachos wist het in 294 aan zijn Pontisch-Egeïsche imperium toe te voegen. In dat jaar was er echter wel succes voor Demetrios: hij eiste de vacante Macedonische troon op en als koning van Macedonië probeerde hij in 287 nog eenmaal de Antigonidische macht in Klein-Azië te herstellen. Hoewel Demetrios door de Milesiërs met geopende poorten werd ontvangen, lukte het niet om Lysimachos blijvend buiten de deur te houden. Nog in datzelfde jaar werd Miletos heroverd door Lysimachos, terwijl Demetrios – na een onsuccesvolle tocht door de binnenlanden van Klein-Azië – in handen van Seleukos viel en in 283 in gevangenschap stierf.
4.3 Lysimachos en de creatie van zijn imperium

Lysimachos zag zijn machtsgebied danig uitgebreid worden na zijn overwinning op Antigonos. Hij was de overwinnaar die het meest in aanmerking kwam om de plaats van Antigonos in westelijk Klein-Azië in te nemen. De steden in het noordwesten van de Anatolische vlakte en Ionië kwamen tussen 301 en 294 binnen de grenzen van zijn imperium. Toen in 287 Demetrios nabij Miletos aan wal ging en de Milesiërs de poorten voor hem openden, kwam de Miletos voor korte tijd onder Antigonidisch gezag te staan. Echter, Demetrios’ campagne in Klein-Azië ging als een nachtkaars uit en Lysimachos kon vrij snel zijn macht in Ionië herstellen. De Milesiërs kwamen hier niet ongeschonden uit, omdat zij voor Demetrios en daarmee tegen Lysimachos hadden gehandeld toen de eerste in 287 op de Ionische kust verscheen. De tweede behandelde hen zoals elke Hellenistische vorst een opstandige polis zou hebben behandeld: de stad verloor enkele (fiscale) privileges die haar door Lysimachos in de periode 294-287 waren verschaft en de polis moest een aanzienlijke som geld als schadeloosstelling betalen. Hoewel het erop lijkt dat Ionië – en daarmee Miletos – tussen Ipsos en Koroupeidion (301-281) voornamelijk onderdeel van het Pontisch-Egeïsche imperium van Lysimachos was, laten inscripties desalniettemin een ander beeld inzien. Ook Demetrios, Ptolemaios en Seleukos onderhielden nauwe contacten met Miletos, met name in de periode 294-287. De Ptolemaën streefden een maritiem, Mediterraan imperium na. Kuststroken in het gehele oostelijk bekken van de Middellandse Zee probeerden zij binnen hun invloedssfeer te krijgen: van Syrië en Phoenicië tot Cyprus, de gehele Klein-Aziatische kust en de Egeïsche eilanden voeren de Ptolemaïsche vloten uit om machtsbases te verwerven. Een inscriptie laat zien dat ook Miletos één van deze maritieme bases was in het gewilde maritieme imperium van Ptolemaios I en zijn opvolgers. In deze inscriptie wordt vermeld dat Ptolemaios I Soter en zijn zoon en opvolger Ptolemaios Philadelphos Miletos bevrijdden van “harde en onderdrukkende phoroi en fiscale verplichtingen” en een verhouding aangingen van een vriendschapsband en een bondgenootschap. Hooggeplaatsten uit de kring van Ptolemaios, waaronder een zoon van Ptolemaios Philadelphos en een admiraal, verbleven in Miletos. Dit laat twee mogelijke conclusies open: óf Lysimachos liet de Milesiërs vrij om hun eigen buitenlandse politieke zaken te regelen – wat gezien de inscriptie aangaande de beide Ptolemaïsche vorsten onwaarschijnlijk is – óf Lysimachos’ macht in Miletos was niet dusdanig, waardoor de stad in de periode 294-287 autonoom en zelfstandig genoeg was om haar eigen bondgenootschappen met de verschillende Macedonische machthebbers aan te gaan. Dit laatste is de meest logische optie, zeker gezien de situatie waarin het westelijke deel van Klein-Azië zich na Ipsos in bevond. Het was een periode waarin een machtsvacuüm aanwezig was, kenmerkend voor een tijd waarin de vorige heerser (Antigonos Monophthalmos) was verslagen en de nieuwe machtsverhoudingen werden bepaald. Er moeten in dat geval vraagtekens worden gezet bij de daadwerkelijke zeggenschap die Lysimachos over Miletos had. Zoals we zagen, maakten zowel Demetrios, Lysimachos als Ptolemaios aanspraak op de Ionische kust, wat resulteerde in de nodige militaire en diplomatieke strijd tussen de vorsten onderling alsmede tussen de stadstaten en de machthebbers. Pas met Lysimachos’ herovering van Miletos in 287 kwam een einde aan een periode van relatieve Milesische zelfstandigheid en viel de stad definitief binnen Lysimachos’ imperium.

5: Drie inscripties, drie Seleuciden. Seleukos, Apama en Antiochos I: weldoeners van Miletos’ Apolloheiligdom te Didyma

Zo ziet men vaak dat hem paarden, wapens, goudbrokaten, stoffen, edelstenen en andere geschenken worden aangeboden, die met zijn grootheid in overeenstemming zijn.
Niccolo Machiavelli, De Heerser 1.1.2.

5.1 De oorsprong van het Seleucidische euergetisme

De Seleucidische overdadige geschenken aan Didyma zijn een interessante kwestie: waarom steunde het huis van Seleukos Miletos en haar tempelcomplex, zonder dat de polis binnen het imperium viel? Immers, tot 281 hadden de Seleuciden geen direct zeggenschap over de Ionische kust. Pas toen Seleukos zijn Klein-Aziatische rivaal Lysimachos in dat jaar bij Koroupeidion versloeg, werd zijn heerschappij voor een korte periode realiteit. Het Seleucidische euergetisme in de eerste twee decennia van de derde eeuw ten opzichte van Didyma en Miletos lijkt op het oog enigszins problematisch. Er zijn drie grote inscripties uit Miletos overgeleverd, die blijk geven van Seleucidisch euergetisme in Miletos en Didyma in de eerste twintig jaar van de derde eeuw. De eerste twee stammen uit 300/299, de derde uit 287. Een van de inscripties uit 300/299 is een raadsvoorstel om Apama, de Iraanse vrouw van Seleukos, door het Milesische volk te laten eren voor haar bewezen steun aan Milesiërs in het leger van haar man. De tweede is een eredecreet voor Antiochos, naar aanleiding van zijn wijgeschenk aan de Apollo van Didyma. De zoon van Seleukos en Apama had een stoa in Miletos laten bouwen. De derde inscriptie is afkomstig van Seleukos, de grondlegger van de dynastie, die een enorme hoeveelheid exotische geschenken, offerdieren en geld aanbood aan het volk en de raad van Miletos om aan de Apollo van Didyma te schenken.
In het vervolg van het onderzoek naar de verhoudingen tussen stad, vorst en heiligdommen bij de totstandkoming van de Macedonische imperia, zal de creatie van het Seleucidenrijk en de rol van de steun van de Seleuciden aan Miletos centraal staan. Waarom steunden de drie belangrijkste leden van het huis van Seleukos Nikator, namelijk hijzelf, zijn vrouw en zijn zoon en opvolger, de Apollo van Didyma? Immers, in 300/299 en in 287 maakten Demetrios ‘de Belegeraar’ (Poliorketes) dan wel Lysimachos de dienst uit op de westkust van Klein-Azië, terwijl de Seleuciden zich met name in Iran en Syrië ophielden. Met andere woorden, welke motieven hadden Seleukos, Apama en Antiochos om een stad en haar heiligdom te steunen die buiten hun traditionele machtsgebied lag? Daarnaast is de houding van het volk van Miletos opvallend, namelijk dat zij – hoewel niet deel uitmakend van het Seleucidenrijk – de Seleucidische weldoeners in de vorm van standbeelden, eredecreten en festivals dankten voor hun weldaden. Welke motieven hadden de Milesiërs om openlijk blijk te geven van hun dankbaarheid voor het euergetisme van de Seleuciden? Na de slag bij Ipsos in 301, waarin de gecombineerde legers van Lysimachos en Seleukos de troepen van Antigonos Monophthalmos en Demtrios Poliorketes versloegen, werd het gebied dat Antigonos had toebehoord onder zijn overwinnaars verdeeld. Lysimachos nam bezit van grote delen van Klein-Azië ten westen van het Taurusgebergte, terwijl Seleukos het gebied ten oosten daarvan inlijfde. Hoewel Antigonos verslagen en gedood was, was zijn zoon Demetrios na de slag bij Ipsos wel degelijk een machtsfactor waar rekening mee gehouden moest worden. De macht van de Antigoniden op het land was weliswaar een flinke klap toegebracht, hun enorme vloot was nog altijd intact. Ondermeer de Eilandenbond in de Egeïsche zee, het eiland Cyprus, de steden Ephesos, Miletos, Tyrus en Sidon en enkele locaties op het Griekse vasteland waren nog altijd onderdeel van Demetrios’ machtsgebied. De strijd om de westkust van Klein-Azië zou zich toespitsen op Lysimachos en Demetrios, terwijl ook Ptolemaios met zijn vloot in de Egeïsche Zee opereerde. Des te verwonderlijker is het, dat in het jaar na Ipsos twee vooraanstaande leden van het huis van Seleukos schenkingen deden aan de Miletos. Een studie naar het eredecreet dat bij het wijgeschenk van Antiochos hoort, geeft een helder beeld waaruit de Seleucidische steun aan Miletos en Didyma bestond.

Volgens de inscriptie was Antiochos’ wijgeschenk een stoa, een zuilengalerij voor de god die in de polis zelf gebouwd moest worden. Het geheel moest de afmetingen van een stadion krijgen. Een stoa kon dienen als markthal of als een onderkomen voor bezoekers van een religieus festival. Daarnaast vormden stoa’s slaapplaatsen bij een heiligdom, waar de god in een droom iemand kon bezoeken om een antwoord op zijn of haar vraag te geven. Het is dus goed mogelijk dat de stoa bij het tempelcomplex in Didyma werd gebouwd. Echter, archeologische vondsten wijzen uit dat de stoa op de zuidelijke markt van Miletos heeft gestaan. De opgravingen tonen aan dat de zuilengalerij 190 meter lang was en plaats bood aan maarliefst 78 marktstalletjes. In de inscriptie staat dat Antiochos’ stoa de afmetingen van een stadion moest hebben; de lengte van de blootgelegde vondsten komen hiermee overeen. Dat betekent dat de stoa vooral als markt gediend heeft. Het was uit de pachtopbrengsten van deze marktkraampjes waar de herbouw en het herstel van de Apollotempel moest worden bekostigd. Uit de inscriptie blijkt dat het wijgeschenk van Antiochos aan Apollo uiteindelijk bestond uit deze geldelijke opbrengsten die in de stoa werden gegenereerd. Deze gelden moesten worden verzameld en beheerd door de schatmeester en de Prytanen van het heiligdom. Zij konden het vervolgens aanwenden om het tempelcomplex te herstellen. Antiochos I ging zich actief bemoeien met het herstel van het Apolloheiligdom van Didyma. Volgens de inscriptie deed hij dit in navolging van zijn vader Seleukos, die zich daarvoor al ‘op elke mogelijke manier bemoeid had met het heiligdom van Didyma’. Met andere woorden, de Seleuciden zagen er voor 300 al op toe dat het tempelcomplex werd herbouwd. Wanneer Seleukos hiermee begonnen is en waar zijn steun uit bestond, is niet bekend. Er zijn enkele mogelijkheden. Het kan zijn dat hij in 334 al een eerste schenking aan het heiligdom heeft gedaan, toen hij in het gevolg van Alexander de tempel bezocht. Dit is echter niet waarschijnlijk. Pas na de instelling van de democratie in Miletos begon het orakel weer te werken. Bovendien trok Alexander verder na de inname van Miletos, waardoor er nauwelijks tijd kan zijn geweest om de herleving van het orakel af te wachten en het vervolgens te kunnen raadplegen. Een tweede mogelijkheid kan zich hebben voorgedaan toen Seleukos als vlootcommandant van Ptolemaios zich drie jaar lang voor de Ionische kust ophield. In 313 werd hij bovendien door Asandros, de satraap van Karië, te hulp geroepen in diens verzet tegen Antigonos. Dit kan de gelegenheid zijn geweest waarbij Seleukos Miletos en Didyma bezocht heeft. Verder zijn er twee enigszins legendarische orakelspreuken van de prophetis van Didyma bekend, die voor Seleukos bestemd waren, waarin zij min of meer vooruitwees op zijn dood. De ene orakelspreuk wordt vermeld in Appianus’ Syriaca (Syrische oorlogen) uit het begin van de tweede eeuw na Christus, de andere in Diodorus Siculus uit de eerste eeuw voor Christus. De eerste luidt:
Haast je niet naar Europa: Azië is veel beter voor jou.
De tweede, uit Diodorus, gaat als volgt:
Door Argos te vermijden zul je je lotsbestemming bereiken. Echter, als je Argos nadert, zul je voortijdig ten onder gaan.
In 281 keerde Seleukos terug naar Europa, nadat hij in de slag bij Koroupeidion zijn Klein-Aziatische rivaal Lysimachos had verslagen en gedood. Nog geen maand na zijn aankomst in Europa werd Seleukos door Ptolemaios Keraunos vermoord, vlakbij een altaar dat ook wel als ‘Argos’ bekend stond. Dat zou de vervulling van de dubbele profetie zijn geweest: toen Seleukos Azië verruilde voor Europa en hij Argos naderde, werd hij op hoge leeftijd en op het hoogtepunt van zijn macht om het leven gebracht. De historiciteit van beide orakels is zeer dubieus. Desalniettemin geeft de overlevering ervan en het algemene plaatje dat ze schetsen aan, namelijk dat Seleukos zich bovenmatig verbonden heeft en verbonden werd met de Apollo van Didyma. Deze verbondenheid wordt bevestigd door de epigrafische bewijzen uit 300/299 en 287. Om achter de verifieerbare oorzaken van Seleukos’ verbintenis met Miletos en Didyma te komen, is het wederom zaak om het epigrafische bewijs nogmaals onder de loep te nemen. Daaruit zal een ander motief naar voren komen, waarom Seleukos en zijn huis Miletos en Didyma begunstigden. Daarnaast zullen ook argumenten worden aangedragen om aan te tonen waarom Miletos in plaats van Seleukos initiatief nam om een verbintenis tot stand te brengen tussen de Koningin van Ionië en het Seleucidische hof.
5.2 De zichtbaarheid van een wijgeschenk

Zoals aan het begin van het eerste hoofdstuk is uiteengezet, stamt het tempelcomplex van Didyma uit de Archaïsche periode. Met Alexanders komst beleefde de Apollotempel een wedergeboorte, terwijl zij als gevolg van Seleucidisch euergetisme aan het begin van de derde eeuw pas tot volle bloei zou komen. In de Hellenistische periode steunden heersers regelmatig heiligdommen vanwege hun ligging in het landschap of hun zichtbaarheid voor de mensen, waardoor de verbondenheid van de weldoener met dat heiligdom getoond werd. Dat zorgde voor een visualisering van de macht en status van de vorst, omdat hun steun zich uitte in de door hun gefinancierde bouwwerken, inscripties waarin hun euergetisme werd vermeld, standbeelden en andere zichtbare tekenen van hun weldaden. Het wijgeschenk van Antiochos en het bijbehorende eredecreet, is hiervan een goed voorbeeld. Het eerste teken van Antiochos’ invloed in Miletos dat door steun aan een heiligdom zichtbaar werd, was zijn wijgeschenk an sich, namelijk de stoa. De zuilengalerij werd namelijk in het centrum van Miletos op de zuidmarkt opgericht. Het was voor iedere Milesiër, iedere passant en iedere marktbezoeker duidelijk zichtbaar dat deze stoa als een wijgeschenk voor Apollo opgericht was door Antiochos. Door in het centrum van Miletos een stoa voor de Apollo van Didyma te laten bouwen, plaatste Antiochos zichzelf door zijn steun aan de god eveneens in het centrum van deze Ionische polis. De zichtbaarheid van zijn invloed ging echter verder. Uit het eredecreet blijkt namelijk dat er een inscriptie op de stoa moest worden aangebracht, waaruit duidelijk moest worden dat Antiochos, de oudste zoon van Seleukos, de financierder van de stoa was. Wat opvalt, is dat de dynastieke banden worden benadrukt, alsof men duidelijk wilde maken dat het niet zomaar iemand was die een wijgeschenk voor Apollo in Miletos neerzette, maar de zoon van de machtige Seleukos die recentelijk de basiloi Antigonos en Demetrios had verslagen en (dus) heer van Azië was. Het was het huis van Seleukos dat Miletos en hun god zo welgezind was. De stoa stond er als stille getuige van Antiochos’ wijgeschenk aan Apollo, terwijl de inscriptie de leesbare bevestiging ervan was. Voorafgaand aan het hierboven weergeven gedeelte staat dat de inscriptie – en alle dankuitingen die volgden – zouden worden gerealiseerd nadat het bij wijze van volksbesluit de goedkeuring van de Milesische demos heeft gekregen. Met andere woorden, het geschenk van Antiochos werd allereerst behandeld in de volksvergadering. Zijn weldaden werden benoemd en de argumenten om hem daarvoor te bedanken passeerden de revue om de aanwezige burgers ervan te overtuigen dat Antiochos geëerd moest worden, waarmee zijn geschenk nog meer in de openbaarheid kwam te staan. Het bleef niet bij een inscriptie. Op kosten van de polisgemeenschap werd er een bronzen ruiterstandbeeld van Antiochos vervaardigd, die bij de stoa zou worden geplaatst. Een bronzen gietsel van Antiochos te paard was een kostbare uiting van dank, gevisualiseerd in het beeld van een legeraanvoerder die zich verheft boven het gewone volk. Daarmee bleek direct de oninklijke status van Antiochos die de Milesiërs hem toedichtten. Oorlogvoeren was de essentie van het Macedonische koningschap en een ruiterstandbeeld bevestigde dit in het geval van Antiochos. Er viel de zoon van Seleukos ook religieuze eer ten deel, vergelijkbaar met de eer die Antigonos ontving van de Deliërs toen hij hun eiland in 314 bevrijdde. Bij de cultische festiviteiten in zowel Miletos als Didyma rondom de Dionysia en de Didymeia, respectievelijk het festival ter ere van Dionysos en de Apollo van Didyma, kon Antiochos rekenen op ereplaatsen en het meest uitgelezen voedsel. In Didyma had hij direct toegang tot de prophetis om haar te raadplegen. Het is goed om elk van deze eerbewijzen uiteen te zetten en te verklaren.
5.3 De cultische eerbewijzen

Het eerste religieuze privilege dat Antiochos ontving, was een ereplaats bij de twee belangrijkste festivals, namelijk de Dionysia in Miletos en de Didymeia in Didyma. Ook was hij geoorloofd de offerspijzen in de Prytaneion te nuttigen. Een eerste aspect dat opvalt, is dat de Milesische demos in staat was te besluiten dat Antiochos zowel in de polis als in Didyma een ereplaats bij religieuze festivals zou krijgen. Dat geeft wederom de zeggenschap van de Milesiërs over zowel Miletos als het tempelcomplex in Didyma aan, maar ook hun zeggenschap over de culten. De zaken aangaande de polis (Miletos, Didyma) en de zaken aangaande de goden (culten, festivals, tempeldienst, wijgeschenken) zijn daarmee onlosmakelijk met elkaar verbonden en in handen van de Milesische demos. Het tweede opvallende punt is dat een wijgeschenk zoals Antiochos’ stoa dus niet alleen een devote gift aan een god was, maar eveneens een succesvolle manier om hen die zorgdroegen voor die god voor zich te winnen. Dat een dergelijk geschenk in de nodige zichtbaarheid van de gulle gever resulteerde, wat bijdroeg aan Antiochos’ status als lid van een van de machtigste dynastieën en de status van zijn familie die aan het hoofd van een groot imperium stond, was een bijkomend voordeel waarmee de verbondenheid tussen vorst en polis(bewoners) bekrachtigd werd. De Milesiërs boden Antiochos in ruil voor zijn wijgeschenk hoogwaardige religieuze eerbewijzen aan. De ereplaatsen, het eten van het offervlees, maar ook het tweede privilege – de voorrang bij het raadplegen van het orakel – waren niet alleen enorm eervol, maar ook uitnodigend. Met juist deze privileges wilden de Milesiërs Antiochos uitnodigen om hun culten bij te wonen, om Didyma te bezoeken, met andere woorden: om zich te verzekeren van zijn blijvende steun en aanwezigheid in hun polis. Met het creëren van een ereplaats maakten zij duidelijk dat zij een plaats voor Antiochos gereed hielden bij hun belangrijkste religieuze festivals en dat een bezoek van Antiochos aan het orakel geen tijdsverlies zou opleveren omdat hij voorrang had. Antiochos was ten allen tijde meer dan welkom. Het verschaffen van deze privileges was niet alleen bedoeld om Miletos te garanderen van de blijvende steun van Antiochos, maar ook van toekomstige steun van de Seleuciden. Het decreet meldt namelijk:
“Ειναι δε ταυτα και τοισ εγγονοισ τοισ Αντιοχου.”
Oftewel: alle privileges bleven ook voor Antiochos’ nakomelingen van kracht. Als het aan de Milesiërs lag, dan bleven de banden tussen hen en de Seleuciden ook in de toekomst van kracht. Deze wens blijkt ook uit de hoeveelheid en de waarde van de giften van de Milesiërs aan Antiochos. De laatste moet vereerd zijn geweest met dergelijke materiële en religieuze eerbewijzen, waardoor hij – als Seleucidische prins en het toekomstige hoofd van een imperium – en met hem zijn huis de stad met koninklijke gunsten zou moeten blijven overladen. Dat was althans de insteek van de Milesiërs. Zoals al eerder uiteen is gezet, werkte de rol tussen vorst en stad volgens het principe ‘Ik geef, opdat jij geeft’. Alleen werd er van Antiochos verwacht dat hij als prins dan wel koning rijkere geschenken aan de stad zou geven dan andersom; dat was hij aan zijn stand als Seleucidische vorst verplicht.
5.4 Het eredecreet van Apama

Naast de inscriptie over Antiochos’ wijgeschenk is er een tweede uit datzelfde jaar afkomstig, waarin de Iraanse vrouw van Seleukos, koningin Apama geëerd wordt. Het eredecreet is niet alleen een bewijs van de aanwezigheid van Milesiërs in het leger van Seleukos, maar biedt eveneens inzicht in de verhouding tussen de stad Miletos, de vorst Seleukos en de rol van het Didymaheiligdom daarin. Er wordt namelijk melding gemaakt van een Milesisch gezantschap aan het Seleucidische hof, dat op uitnodiging van Seleukos overleg voerde over het herstel van Didyma. Later zal er op dit gezantschap worden ingegaan. Allereerst is het zaak om te kijken naar de openingsregels van de inscriptie. Het decreet is volgens de inscriptie opgesteld uit naam van de raad en het volk van Miletos en is een verzoek om Apama te eren voor haar bewezen diensten aan Milesische soldaten in dienst van Seleukos:
Ευνοιαν και προθυμιαν παρειξετο περι Μιλησιοον τουσ στρατευομενουσ συν τωι βασιλει Σελευκωι.
Het feit dat het eredecreet tot stand is gekomen uit naam van het volk (demos) en de raad (boulè) van Miletos, geeft aan dat in 299 de democratie, die onder Antigonos in 313 ingevoerd was, nog altijd het politieke bestel van de stad was. Ook nadat Antigonos van het toneel was verdwenen en de stad afwisselend onder Demetrios en Lysimachos viel, bleef het democratische bestel intact. Immers, de boulè was een democratisch instituut, dat de besluitvorming van de polis formuleerde, waarna het volk door middel van stemming besliste of een bepaalde kwestie uitgevoerd werd. Iedere burger kon zaken aandragen in de boulè. Bij de Milesische eredecreten voor Antiochos en Apama en de brief van Seleukos uit 287 weten we wie dat waren en het is frappant dat in alle gevallen dezelfde twee namen opduiken: Demodamas en Polianthes. Op de tweede zal bij de behandeling van de brief van Seleukos nader worden ingegaan. De eerste speelt een zeer belangrijke rol in de verhouding tussen Seleukos, Miletos en Didyma en in de loop van dit onderzoek zal hij vaker naar voren komen. In het eredecreet voor Apama staat het volgende in de tweede en derde regel: “[…] het punt, dat Demodamas, de zoon van Aristeides, heeft ingebracht bij de dagzitting van de raad, met het doel dat Apama, de vrouw van koning Seleukos, geëerd wordt.” Demodamas vond het van belang dat Apama geëerd zou worden voor haar bewezen diensten aan de Milesiërs in het leger van Seleukos; anders zou hij het punt niet hebben aangekaart. Dan rijst direct de vraag, waarom Demodamas het eren van Apama als een wezenlijke zaak beschouwde. Waarom stelde hij in de raad voor om een Iraanse koningin te eren? En waarom stemde de Milesische bevolking hiermee in? Zoals in hoofdstuk één al uiteengezet is, bevonden zich in het gevolg van de Macedonische Diadochen afgezanten van de steden. Zij traden op als intermediair tussen stad en vorst en onderhandelden tussen beide partijen over allerhande kwesties die de polis betroffen. Aangezien uit het decreet voor Apama blijkt dat er zich in Seleukos’ leger Milesiërs bevonden, ligt het voor de hand dat deze stad ook een dergelijke afgezant in Seleukos’ gevolg had. Omdat Demodamas in zowel het decreet voor Antiochos als voor Apama genoemd wordt en hij later opduikt als een weldoener van de Apollo van Didyma toen hij in Sogdië en Baktrië op campagne was voor de koningen Seleukos en Antiochos, moet deze zoon van Aristeides als één van de belangrijkste hovelingen van Seleukos worden beschouwd. Demodamas was één van de philoi (vrienden) van Seleukos. Een zogenaamde philos tou basileōs behoorde tot de kring van adviseurs van de koning. De philoi waren de Hellenistische ministers van financiën, maar ook de generaals, admiraals, de vertegenwoordigers van de koning in de steden en de ambassadeurs aan de andere hoven. Zij vormden geen kring van ambtenaren rondom de koning, maar het waren zijn naaste helpers in alle taken die het besturen van een Macedonisch imperium met zich meebracht. Demodamas was zo’n philos van Seleukos en hij fungeerde als de tussenpersoon tussen het hof van Seleukos en zijn eigen stad, Miletos, en later ook als generaal van de stichter van de dynastie en zijn zoon Antichos I. Milesiërs aan het hof van Macedonische machthebbers waren geen uitzondering. In de behandeling van Antigonos’ houding ten opzichte van Miletos, zoals beschreven in hoofdstuk één, werd Aristodemos genoemd. Hij was een Milesische bevelhebber van Antigonos, die Antigonos’ belangen op het Griekse vasteland behartigde. Het is goed mogelijk dat Aristodemos’ aanwezigheid in het gevolg van Antigonos heeft bijgedragen aan diens campagne tegen de satraap van Karië in 313, dat tot de bevrijding van Miletos leidde. Ook in latere perioden, vanaf de tweede helft van de derde en met name in de tweede eeuw, speelden Milesiërs een belangrijke rol aan de Macedonische hoven, met name aan het hof van de Seleuciden. In zijn eerste casus over Milesiërs aan het hof van Antiochos IV Epipahenes noemt Peter Hermann in zijn artikel Milesier am Seleukidenhof twee broers, een zekere Timarchos en Herakleides. In vergelijking met de situatie in de beginjaren van de derde eeuw, toen Antiochos I een stoa liet bouwen in Miletos, hebben ook zij meegewerkt aan de totstandkoming van het door de Seleucidische vorst bekostigd bouwproject van een bouleuterion. En net als Demodamas in een later stadium een belangrijke legeraanvoerder van Seleukos Nikator en Antiochos I in de oostelijke provincies Sogdië en Baktrië was, bekleedde Timarchos onder Antichos IV Epiphanes een vooraanstaande post in het oosten van het Seleucidenrijk. Welnu, welke rol speelde Demodamas in de verhoudingen tussen de eerste Seleuciden, Miletos en Didyma?
5.5 De verhoudingen: hof, philos, stad en heiligdom

Het was Demodamas die in de raad van Miletos pleitte voor een eerbetoon aan Apama. In de derde tot en met de vijfde regel van het eredecreet staat dat Seleukos een delegatie uit Miletos had uitgenodigd om over het herstel van Didyma onderhandelingen te voeren. Maakte Demodamas deel uit van die Milesische delegatie? Vermoedelijk wel, gezien zijn vermelding in zowel het decreet voor Apama als voor Antiochos. Zeker in het geval van de laatste, die over het wijgeschenk van de zoon van Seleukos gaat, bedoeld om gelden te genereren voor het Apolloheiligdom, ligt het voor de hand dat Demodamas betrokken was bij de onderhandelingen aan het Seleucidische hof. Zetten we alle factoren – het hof van Seleukos, de Milesische soldaten, Demodamas, Miletos en Didyma – in een schema, dan ziet dat er als volgt uit:

(Hof van) Seleukos

Milesische soldaten Demodamas (Miletos)

Didyma

Als de beide machtseenheden – de stad Miletos of de vorst Seleukos – iets van elkaar wilden, dan fungeerde Demodamas als de intermediair; via hem liep het contact tussen vorst en polis. Uit het schema wordt eveneens duidelijk dat Miletos zeggenschap voerde over het heiligdom van Didyma. Wilde een van de Seleuciden het heiligdom steunen, dan diende het volk van Miletos benaderd te worden. Vandaar dat Seleukos’ geschenk uit 287 gericht is aan het volk en de raad van Miletos. De Milesische demos was namelijk de zorgdrager voor het tempelcomplex. En belangrijker, de Milesiërs droegen zorg voor de god van Didyma, Apollo. In het klassieke Athene uit de vijfde en vierde eeuw werd het burgerschap gedefinieerd op basis van de zorg voor de goden en datgene wat aan de goden toebehoord (m.n. wijgeschenken). Leden van de demos, oftewel de hele burgergemeenschap, waren verantwoordelijk voor de zorg voor de goden van de polis. Miletos, als Griekse stad en door haar verbindingen met het Griekse vasteland eeuwenlang beïnvloed door met name Athene, kende hetzelfde principe. Met de instelling van de democratie in 334 kreeg de Milesische demos zeggenschap over Didyma. Zij verkozen de religieuze ambten en zij droegen zorg voor Apollo. Dus, wilde een van de Seleuciden iets van Apollo van Didyma, ook dan dienden zij het volk van Miletos te benaderen. Dat betekent ook, dat het mogelijk was dat het Milesische volk wilde dat het complex werd hersteld en dat het initiatief om banden aan te knopen met het Seleucidische huis van hen uitging. Ook dan zou het contact tussen polis en vorst via mensen als Demodamas lopen. Hij was een hooggeplaatste Milesiër die in de kring verkeerde van een van de machtigste mannen van zijn tijd. Demodamas was in staat namens zijn stad ‘binnenlandse’ aangelegenheden – zoals de renovatie van het Milesische heiligdom in Didyma – aan te kaarten. Hij moet ongetwijfeld beseft hebben dat met de aanwezigheid van Milesiërs in Seleukos’ leger, de status van Didyma en uiteraard zijn eigen positie hij een sterke onderhandelingspositie had. Het epigrafische materiaal wijst erop dat Seleukos de delegatie liet komen om over het herstel van Didyma te onderhandelen. Bosworth noemt het aanhoren van gezantschappen één van de factoren die meespeelden bij het legitimeren van de macht van de vorst. Immers, een gezantschap aan het hof van de vorst maakte de verhouding tussen stad en basileus duidelijk, namelijk onderdaan ten opzichte van heerser. Het moge desalniettemin wel duidelijk zijn, dat er ook op religieus gebied wederzijdse belangen aanwezig waren, die daarmee resulteerden in het vormgeven van de politieke verhoudingen tussen een stad en een Macedonische vorst. De Milesische demos was verantwoordelijk voor de herbouw en het herstel van het tempelcomplex. Daarvoor waren zij afhankelijk van donaties van Macedonische heersers. De vorsten op hun beurt waren voor de creatie en legitimatie van hun imperia afhankelijk van de erkenning van de steden. Bovendien lieerden zij zich met goddelijke goedkeuring en soms zelfs met goddelijk gezag. Alexander bezocht niet voor niets de tempels in Ilion, Didyma en Siwah. Daarmee liet hij zien dat hij zich bewust was van de goddelijke superioriteit en – en daar was het hem om te doen – dat zijn hoedanigheid als legeraanvoerder, koning van Macedonië en bevrijder van de Grieken de goedkeuring van de goden genoot. Oftewel, de steun van heiligdommen en hun goden was een belangrijke factor in zijn propaganda en machtslegitimatie. Hetzelfde gold voor de Seleuciden, die een sterke band met Apollo claimden te hebben en zich daarom met hem associeerden. In het leger bevonden zich Milesiërs die, hoewel ze niet in Miletos waren, wel degelijk deel uit bleven maken van de Milesische burgergemeenschap. Ook de Milesische soldaten die onder Seleukos dienden, bleven dus hun verplichtingen ten opzichte van de goden van Miletos houden. Demodamas, als intermediair tussen de polis en het hof van Seleukos, onderhandelde daarmee niet alleen namens de inwoners van Miletos, maar ook namens de Milesiërs die zich in de troepenmacht van Seleukos bevonden over het herstellen van de religieuze activiteiten in Didyma. Dat heeft ook consequenties voor het begrip ‘polis’, dat in dit licht bezien niet langer een strikt geografische connotatie kan hebben, maar breder moet worden getrokken, namelijk tot daar waar de culten van de polis in stand worden gehouden. Omdat Apama expliciet geëerd wordt voor haar zorg voor de Milesische militairen, is het goed mogelijk dat deze soldaten er op hebben aangedrongen haar in hun moederstad te danken met religieuze eerbewijzen. Wellicht heeft haar achtergrond als Sogdische prinses in combinatie met de campagne van Seleukos in de periode 307-305 in de oostelijke provincies van zijn rijk – haar moederland – waar de Milesische soldaten uit het eredecreet ongetwijfeld hebben meegevochten, meegespeeld in hun verzoek Apama voor haar zorg voor de Milesiërs in Seleukos’ leger in Miletos te eren. In ieder geval speelden hun aanwezigheid en de positie die Demodamas bekleedde een beslissende rol in de houding van Seleukos ten opzichte van Miletos en Didyma.
5.6 Het belang voor Seleukos van een Apolloheiligdom

Als het Seleukos daadwerkelijk om militaire doeleinden te doen was geweest toen hij zich in velerlei opzicht ging verbinden met Miletos, dan had hij veel eerder dan in 282 pogingen ondernomen om heel westelijk Klein-Azië te veroveren en zo daadwerkelijk zeggenschap te krijgen over de Griekse steden op de westkust. Zijn campagne tegen Lysimachos in 282/1 liet zien dat hij zich in korte tijd met zijn legermacht vanuit Syrië naar de Klein-Aziatische westkust kon verplaatsen. Toch zou het na Ipsos bijna twintig jaar duren voordat Seleukos Lysimachos op het slagveld ging bestrijden. Als het geen militair-strategisch motief was dat aan Seleukos’ steun aan Miletos en Didyma te grondslag lag, wat dan wel? Miletos had de zeggenschap over een vooraanstaand Apolloheiligdom en –orakel. Om zijn verbondenheid met Miletos en Didyma te bekrachtigen schonk Seleukos, in hetzelfde jaar waarin zijn huwelijk met Stratonike werd gesloten, het cultusbeeld van Apollo, dat in 494 door de Perzen uit de tempel geroofd was, terug aan de Milesiërs. Hij had het beeld aangetroffen in Ekbatana, waar het door Dareios bij wijze van onderwerping van de Ioniërs in een tempel was neergezet. Deze gift was niet zomaar een presentje van Seleukos aan Miletos, maar had een diepere imperiale connotatie. Het gevangennemen en teruggeven van een cultusbeeld was een veelvoorkomend procedé in de imperia van de Oudheid. Het roven van het cultusbeeld betekende de totale onderwerping van een stad aan de veroveraar. Door het beeld terug te schenken, liet Seleukos blijken Miletos tegemoet te willen komen. Dat de teruggave plaatsvond in het jaar waarin hij met Demetrios een verbond was aangegaan, is dan ook niet toevallig. Het is in dat licht bezien niet verwonderlijk dat Seleukos, Miletos en Didyma elkaar vanaf 300 vonden. In verschillende antieke bronnen komt de relatie tussen het huis van Seleukos en de god Apollo naar voren. Appianus (56.237), Diodorus Siculus (19.90) en Justinianus (15.4.5) noemen met betrekking tot Seleukos de al eerder genoemde orakelspreuken, maar ook dromen en zelfs goddelijke afstamming van Apollo. Zo zou volgens Justinianus Seleukos de zoon van Apollo zijn. Nadat de god Seleukos’ moeder Laodike in een droom bezocht had, vond zij de volgende morgen een ring met daarop een ankerteken in haar bed. Negen maanden later werd Seleukos geboren. Hoewel de orakelspreuken en de dromen over goddelijke afstamming een sterk legendarisch karakter hebben, zit er wel een kern van waarheid in. Zowel de associatie met Apollo als het ankerteken waren namelijk in een vrij vroeg stadium van Seleukos’ koningschap aanwezig. Vanaf 300 werden er Seleucidische munten geslagen met daarop de beeltenis van Seleukos en een met laurier bekroonde Apollo of de profetische drievoet. Het vereenzelvigen met goddelijke of heroïsche voorgangers was een veelvoorkomend verschijnsel in de Hellenistische periode. Zo identificeerde Alexander zich – en werd hij in later tijden geïdentificeerd – met de Griekse krijger Achilles en de mythische held Heracles. In de bronnen over Alexanders’ campagne lezen we dat hij zelfs met de Ilias onder zijn kussen sliep. De vereenzelviging van de Seleuciden met een god was dus geen uitzondering maar eerder een bevestiging van zowel een Griekse als Oosterse traditie. Naast Apollo kwam ook onder de Seleuciden associatie met Herakles voor, onder andere op munten. De Griekse wereld kende enkele beroemde Apolloheiligdommen: Delphi was als panhelleens heiligdom de belangrijkste, Delos was als het geboorte-eiland van Apollo eveneens gerenommeerd, en vanaf 334 gold ook Didyma als een vooraanstaand cultuscentrum van Apollo. Het panhelleense Delphi was in feite van iedereen, terwijl Delos als hoofd van de Antigonidische eilandenbond buiten het Seleucidische rijk viel. Desondanks schonk Seleukos ook wijgeschenken aan de Delische Apollo. Zijn giften aan Miletos, Delos en mogelijk Athene staan niet op zichzelf, maar moeten in het kader van Seleukos’ politiek ten opzichte van het westelijke deel van de Hellenistische wereld na Ipsos worden gezien. Tot 301 reikte zijn imperium niet tot de Middellandse Zee, maar had hij zich met name in de oostelijke gebieden opgehouden. Met zijn deelname aan de coalitieoorlog tegen Antigonos, zijn huwelijk met Demetrios en zijn stedenstichtingen in Syrië grensde Seleukos’ imperium aan het Middellandse Zeegebied. Door middel van schenkingen aan heiligdommen en het teruggeven van (goden)beelden wilde Seleukos zijn zojuist verkregen macht zichtbaar maken.

5.7 De derde inscriptie: de brief van Seleukos

Uit het jaar 287 is er op een marmerblok een brief overgeleverd van Seleukos aan de raad en het volk van Miletos. In dit schrijven belooft Seleukos de Milesiërs binnen niet al te lange tijd een enorme zending aan wijgeschenken, offerdieren en kostbaarheden voor Didyma. Dat Seleukos de burgers van Miletos opdraagt zijn geschenken naar Didyma te brengen, is wederom een bevestiging van datgene wat al eerder duidelijk werd, namelijk dat de Milesiërs zorgdroegen voor zowel het tempelcomplex als de god van Didyma. Daar komt bij dat Seleukos hen expliciet opdraagt in zijn naam offers te brengen aan Apollo, opdat het hem en zijn huis welgaat. Seleukos was zelf niet in staat wij- en offergeschenken aan te bieden, hij kon dit alleen via de zorgdragers van Didyma doen: de Milesiërs. Een van deze zorgdragers was de al eerder aangehaalde Polianthes, die ook in de andere inscripties werd genoemd. Net als Demodamas behoorde deze Polianthes, gezien zijn prominente aanwezigheid in de eredecreten en deze brief van Seleukos, als burger van Miletos tot de kring van philoi aan het hof van de Seleuciden. Seleukos droeg hem op, zo lezen wij in zijn brief, namens hem talloze offergeschenken en –dieren aan de Milesiërs aan te bieden om als wijgeschenk en offer aan de Apollo van Didyma te worden geschonken. Waar bestond Seleukos’ gift uit? Seleukos schonk gouden en zilveren ornamenten en enkele kostbare specerijen. Voor een totaalgewicht van 3248,5 gouden drachmen leverde hij fialai (drinkschaaltjes) van Tyche, Osiris, Leto en Hekate; een dubbele drinkhoorn met op de ene hoorn ‘Artemis’ en op de andere ‘Apollo’; een hoorn voor Zeus Soter (de redder); een wijnkan voor de Theoi Soteroi; een ‘barbaars’ (barbarikos) koelvat met de inscriptie Theoi Soteroi. Daarnaast schonk hij voor 9380 zilveren drachmen aan vergelijkbare kostbaarheden; verder tien talenten wierrookhars; een talent mirre; twee minen kaneel; twee minen van een andere soort kaneel en twee minen pepers. Aan offerdieren zou hij duizend schapen en twaalf stieren zenden. Naast de enorme waarde van deze geschenken, vallen meer aspecten op. Allereerst zijn dat de drinkschaaltjes, die voor vier bijzondere godheden bestemd waren. Tyche was de goddelijke personificatie van het lot. Seleukos draagt in zijn brief de Milesiërs op de god van Didyma te vragen dat het de Seleuciden wel mag gaan. Een specifiek wijgeschenk voor het lot zou deze wens kracht bij kunnen zetten. Osiris was de Egyptische god van de dood, de opstanding en de farao. Gedurende de Hellenistische periode raakten Egyptische goden – met name Isis en Sarapis – verspreid over de Griekse wereld. Dat Seleukos een wijgeschenk van Osiris aan Didyma schenkt, kan heel goed een erfenis zijn uit zijn tijd als commandant onder Ptolemaios tussen 317 en 312. Met name zijn periode als vlootcommandant op de Ptolemaeïsche vloot in de Egeïsche zee tussen 315 en 313, waarbij Seleukos als ‘Egyptische commandant’ mogelijk Miletos en Didyma bezocht, kan hebben meegespeeld bij het schenken van een drinkschaaltje van Osiris. Leto heeft als de moeder van Apollo en Artemis en haar Karische oorsprong een duidelijkere link met Didyma. Hekate was een driekoppige titane en de zus van Leto, die vaak op driesprongen vereerd werd en geassocieerd werd met de maan. Didyma was geen knooppunt waar meerdere wegen samenkwamen. De link die er tussen Artemis en Hekate wegens hun beider associatie met de maan bestond, waarbij Artemis de maangodin op aarde en Hekate in de onderwereld was, kan echter wel een verklaring zijn voor het schenken van een drinkschaaltje voor Hekate, maar zeker is dit allerminst. De gouden drinkhoornen waren hetzij voor de tweelinggoden Apollo en Artemis, hetzij voor ‘reddende’ goden bestemd: Zeus Soter en de Theoi Soteroi (meestal Zeus en Athena, maar ook Apollo of Dionysos). De geschenken voor Apollo en Artemis waren voor de goddelijke tweeling die in Miletos en Didyma vereerd werden. Na Seleukos’ dood in 281 werden hij en zijn huis steeds meer met een goddelijke oorsprong geassocieerd: de Seleuciden zouden van Apollo afstammen. Antiochos I begon hier aan het begin van zijn alleenheerschappij mee. Daarmee heeft hij ongetwijfeld zijn dynastieke verwantschap met Seleukos en dus met Apollo willen benadrukken. Seleucidische muntslagerijen beeldden vanaf Antiochos’ troonsbestijging naast het koningsportret aan de andere zijde Apollo af. Daar kwam bij dat het Seleucidische koningskoppel zich ging associëren met de goddelijke tweeling, waarbij uiteraard de vorst Apollo en de vorstin Artemis representeerde. Dit blijkt ondermeer ook uit Seleucidische munten, die in het imperium circuleerden. De kiem van deze associatie moet in de oorsprong van de Seleucidische steun aan Didyma worden gezocht, waar zowel de god met de boog als de godin van de jacht heiligdommen hadden, culten kenden die door de Milesiërs in stand werden gehouden en die gesteund werden door de Seleuciden. Door expliciet geschenken aan te bieden in de vorm van een brief die in marmer werd vastgelegd en door enkele kostbare figuren met de namen van Apollo en Artemis daarin geïnscribeerd te wijden, maakten de Seleuciden duidelijk dat zij verwant waren aan de tweelinggoden. Een tweede opvallend punt is de hoeveelheid specerijen die Seleukos als geurige offers meezond. Door deze exotische producten, die uit India en het Rode Zeegebied afkomstig waren – grensgebieden van het Seleucidisch imperium en in dat licht bezien de grenzen van de bekende en dus beschaafde wereld – in Didyma te offeren, maakte Seleukos duidelijk dat hij zowel aan de oosterse grens van de beschaving (India) als de westerse grens (Didyma) de macht en invloed bezat om daar allereerst kostbare specerijen te verkrijgen en ze vervolgens aan het andere uiteinde van zijn rijk te offeren. Zijn specerijenoffer is niet alleen een demonstratie van exotische welvaart, maar ook van een wereldomvattend imperialisme. Deze gift past in de universele imperiale ideologie die elk van de Hellenistische koninkrijken kenmerkte. Iedere vorst claimde de wereldheerschappij te hebben, dan wel toe te komen. In 306/5 had elk van de Diadochen een eerste poging gedaan duidelijk te maken dat zij de nieuwe Grote Koning en dus rechtmatige opvolger van de vorige Grote Koning waren en in de lijn van grootheden als Dareios, Xerxes en Alexander zelf stonden. Door zichzelf uit te roepen tot basileus claimden zij niet zomaar een koning te zijn, maar de Koning der Koningen. Seleukos liet met zijn specerijenschenking zien dat hij in dat opzicht aanspraak maakte op deze hoogste en meest gezaghebbende titel. Zijn imperium strekte zich uit tot de uiterste oostgrenzen van de bekende wereld, tot het gebied waar zelfs Alexander zich genoodzaakt voelde om te stoppen, waar Seleukos in 305 een verdrag met de Indische vorst Chandachuptra had gesloten, waar in een mythisch verleden Herakles en Dionysos waren geweest. Dat Seleukos Indische specerijen aanwende om een religieuze schenking te doen aan de Apollo van Didyma, is een bewijs dat voor hem religie en heiligdommen een essentiële factor waren in de creatie van zijn imperium. Dit zal met één laatste argument worden onderbouwd, waaruit nogmaals zal blijken dat voor de Seleuciden heiligdommen – en Didyma in het bijzonder – meespeelden in de totstandkoming en de legitimatie van hun imperium. Daarvoor zal nogmaals worden stilgestaan bij die vooraanstaande hoveling en philos van Seleukos en Antiochos, de Milesiër Demodamas.
5.8 Verder dan de Jaxartes

De rivier de Jaxartes (de huidige Syr Darya, zie Appendix V) vormde de geografische noordgrens van Alexanders imperium. In 329 had Alexander Baktrië bereikt bij zijn achtervolging van Bessos, de satraap van Baktrië, de moordenaar van Dareios III en daarmee pretendent van de Perzische kroon. Nadat Bessos uit de weg was geruimd en Alexander Baktrië en Sogdië incorporeerde, volgden twee jaar van bloedige strijd in deze noordelijke streek. In 327 wist Alexander de stabiliteit te herstellen. Tijdens de Seleucidische campagnes in de oostelijke provincies tussen 307 en 305 hadden ook de troepen van Seleukos de Jaxartes aangedaan. In hun handboek over het Seleucidenrijk schrijven Sherwin-White en Kuhrt over Baktrië en Sogdië:
Under the Seleucids the frontier zone to the north was not a cut-off point of no contact between the empire and a ‘remote beyond’ of barbarian nomads: that lay to the north of Sogdiana – the river Syr Darya [Jaxartes], beyond which stretched the vast steppes of Central Asia and Siberia, far distant.
Het gebied dat op de zuidoever van de Jaxartes lag, gold als beschaafd gebied en viel binnen het imperium. Baktrië en Sogdië waren vruchtbare streken, waar oases en grasvlakten het landschap bepaalden. Stak men de rivier over, dan belandde men in een onmetelijk en oneindig steppelandschap. Een van de Seleucidische generaals die in de oostelijke provincies actief was, was Demodamas, de philos van Seleukos en burger van Miletos. Het is goed mogelijk dat de Milesische soldaten – met Demodamas als hun commandant? – die in het eredecreet voor Apama genoemd worden, tijdens deze campagnes hun gunst van de Seleucidische koningin ontvingen waar de laatste door de eersten voor werd geëerd. Ook in de jaren 290 en 280 was Demodamas als militaire commandant van Seleukos en Antiochos actief in deze streek. Het was in die periode waar Plinius Maior in de eerste eeuw na Christus in zijn De Naturalis Historia aan refereert. Getuige de passage in Plinius was Antiochos al koning, dus het moet na 293 zijn geweest wanneer Plinius op het moment dat hij over Alexandrië Eschate (het verste Alexandrië; de meest noordelijke door Alexander gestichte en naar hem genoemde stad) en de Jaxartes schrijft:
[…] maar Demodamas, de generaal van koning Seleukos en koning Antiochos, stak de Jaxartes over en zette daar [aan de overzijde van de rivier] altaren voor de Apollo van Didyma op.
Dit is een uitzonderlijk fragment, dat in feite de kern vormt van de rol die het heiligdom Didyma speelde bij de totstandkoming van het Seleucidische imperium. Allereerst is deze passage een bevestiging van twee al eerder vastgestelde zaken: ten eerste hoe belangrijk de figuur van Demodamas voor de Seleuciden was en visa versa, en ten tweede hoe belangrijk Didyma voor Miletos en de Seleuciden was en omgekeerd. De grenzen van beide aspecten werden zelfs verlegd, zo blijkt uit Plinius. Maar wat wil het zeggen dat een Milesische generaal van Seleukos heiligdommen voor de god van zijn moederstad opzet voorbij de grenzen van de beschaafde wereld? Al in de Archaïsche periode markeerden tempels en heiligdommen de grenzen van de polisgemeenschap. Deze cultische grenspalen bevonden zich meestentijds op natuurlijke grenzen, zoals heuvels en kustplaatsen. Voor het Griekse vasteland is Athene een goed voorbeeld van een polis waarvan haar grenzen door heiligdommen werden afgebakend, in het geval van Ionië geldt dat evenzo voor Miletos. In de polis Athene bevond zich een tempel voor Artemis. In Attika werd deze godin op tenminste twee andere locaties vereerd, namelijk in Brauron op de Attische oostkust en in Piraeus op de zuidkust. Deze plaatsen van verering creëerden als het ware een religieus netwerk, met Athene en haar Artemisheiligdom als hart daarvan. De plaatsen waar de cultus voor Artemis in ere werd gehouden, markeerden tot waar de invloed van de polis zich uitstrekte. Anders gezegd: de grenzen van het gebied waar de polis Athene zeggenschap over had, waren door middel van heiligdommen zichtbaar gemaakt. In hoofdstuk twee is kort aangestipt dat er in archaïsch Miletos, net als in Didyma, een tempel voor Apollo stond. Hoewel tot 494 de Branchidai een behoorlijke zelfstandige en autonome positie genoten in Didyma, bestond er een religieus verband tussen beide plaatsen, omdat in zowel Miletos als in Didyma dezelfde god werd vereerd en verzorgd. Een tweede overeenkomst tussen Athene en Artemis enerzijds en Miletos, Didyma en Apollo anderzijds, is de locatie van de heiligdommen. Net zoals de Artemistempels in Piraeus en Brauron bevonden de Apolloheiligdommen van Miletos en Didyma zich aan de kust, in de nabijheid van een goede, natuurlijke zeehaven. De fysiek-geografische grens van een gebied (een bergketen, rivier, heuvel of – in het geval van Piraeus, Brauron en Didyma – de kust) en tevens de politieke grens van een polis werd met tempels gemarkeerd. Waar land en zee elkaar ontmoetten, stond een religieus symbool, dat aangaf dat daar – in het geval van Athene: Artemis, voor Miletos haar tweelingbroer – vereerd werd. Een ieder die per schip in Brauron, Piraeus, Panormos bij Didyma of de Leeuwenhaven in Miletos binnenliep, zag de tempels van Artemis dan wel Apollo als een van de eerste zichtbare tekenen van aanwezigheid van de polis. Bovendien, als men vanuit één van deze havens zich naar de betreffende polis begaf, dan voerde de weg langs de heiligdommen of liep men over de Heilige Weg tussen de polis en de tempel, zoals op het Milesische schiereiland het geval was. De religieuze connectie tussen stad en tempel, tussen politiek en religie, was in allerlei facetten zichtbaar. De Atheners en de Milesiërs maakten door de heiligdommen zichtbaar dat door respectievelijk Artemis en Apollo te vereren, zij in staat waren dezelfde goden te vereren die aan de grenzen van land en zee vereerd werden. In een wereld waarin religie en politiek onlosmakelijk met elkaar verbonden waren, was een sterkere benadrukking van de politieke invloed dan door religie niet mogelijk. Het opzetten van heiligdommen voor de Apollo van Didyma door Demodamas moet in eenzelfde perspectief geplaatst worden. Door over de grens van het imperium, zelfs over de grens van de beschaafde wereld heen (“over de Jaxartes, verder dan het verste Alexandrië”) culten van Apollo in te stellen, markeerde Demodamas dat hij en zijn Milesische soldaten in onbeschaafd gebied hun polisculten in ere hielden. Tegelijkertijd betekent dit volgens de theorie van De Polignac (zie noot 204) ook, dat de grenzen van de Apollo van Didyma en dus van de Milesiërs en uiteindelijk ook van Seleukos en Antiochos – die Didyma en haar god materieel steunden en voor wie Demodamas vocht – waren verlegd. Net zoals Seleukos met de specerijen uit India, die in Didyma aan Apollo werden voorgelegd, wilde laten zien dat zijn imperium zich uitstrekte van India tot in Didyma, zo waren de heiligdommen van Didyma en die van over de Jaxartes imperiale grenspalen die aangaven tot waar de invloed van de Seleuciden reikte. Er rest nog één vraag omtrent de toepassing van de theorie van De Polignac op de Seleuciden en Didyma, namelijk welke plaats Didyma in het religieuze netwerk innam. Volgens de Franse historicus bestond een religieus netwerk van cultusplaatsen die de polis vormden uit een web, waarbij de grensheiligdommen de grenzen van het religieuze netwerk markeerden, terwijl er één centraal ‘moederheiligdom’ was. In het geval van de polis Athene en Artemis bevond het centrale heiligdom zich in Athene. Met de komst van Macedonische koninkrijken als voornaamste machtsfactoren, waardoor de positie van stadstaten als statelijke eenheden op een lager plan kwamen te staan, en in een wereld die door de veroveringen van Alexander de Grote veel groter was geworden, werden de religieuze netwerken die door heiligdommen werden gecreëerd ook vele malen groter. Zo liftte de Apollo van Didyma mee met de groei van het imperium van Seleukos. Feitelijk was in dit licht bezien de teruggave van het cultusbeeld, dat zich in Ekbatana bevond, al een teken dat Apollo’s aanwezigheid zich tot in Medië uitstrekte. Indische specerijen die als wijgeschenk in Didyma werden aangeboden, vormden een tweede verschuiving van de grens. Met het opzetten van heiligdommen aan de overzijde van de Jaxartes werd de grens nogmaals verlegd. Dat in het geval van de Apollo van Didyma de noordelijke oever van de Jaxartes een grenspost van het Seleucidische imperium was, behoeft geen nadere toelichting. Echter, welke plaats nam Didyma in dit religieuze web in? Vormde Didyma ook een grenspost, gezien haar periferieligging in het Seleucidische imperium, of was het juist het centrum, aangezien Didyma wel het cultische centrum van de Apollo van Didyma was? Beide aspecten zijn waar. Voor de Seleuciden was Didyma een grensplaats aan de westgrens van hun invloedsfeer, terwijl het het centrum van de verering van de Apollo van Didyma was. Men denke wederom aan de teruggave van het cultusbeeld en aan de weldadige geschenken van de Seleuciden in de periode 300-287 en het is duidelijk dat de Seleuciden er net zo over dachten. Er doet zich in de vroege Hellenistische periode echter een nieuwe ontwikkeling voor, namelijk dat de Seleuciden zich in meerdere mate gingen associëren met Apollo, met de Apollo van Didyma welteverstaan. Deze associatie heeft, met de theorie van De Polignac in het achterhoofd, verstrekkende gevolgen voor de Seleucidische imperiale ideologie. Met een toenemende gelijkstelling van Apollo en de Seleucidische koning, verplaatste het centrum zich van Didyma naar het hof van de Seleuciden. Alle plaatsen waar de Apollo van Didyma aanwezig was – de Jaxartes, India, daar waar de Milesiërs in Seleukos’ leger zich bevonden en Didyma zelf – verwerden tot grenspalen van het imperium van de Seleuciden, met het huis van Seleukos als het hart ervan. Daarmee moet ook de associatie van Seleukos, Antiochos en hun opvolgers met Apollo in een imperiaal kader worden geplaatst. Tevens komen Miletos en Didyma in een ander licht te staan, als men bedenkt wat voor een prominente rol beiden speelden in de periode waarin het Seleucidische imperium gecreëerd en vormgegeven werd. In plaats van belangrijke plaatsen in Ionië verwerden zij tot imperiale factoren, die bijdroegen aan de totstandkoming van het rijk van Seleukos.

CONCLUSIE

De plaatsen Miletos en Didyma bevonden zich in de vijftig jaar tussen Alexanders komst in Klein-Azië in 334 en de dood van Seleukos in 281 voortdurend in het vuur van de strijd om de macht in de Hellenistische wereld. Gelegen op de Ionische kust, met uitstekende zeehavens en met de zeggenschap over het Apolloheiligdom en –orakel in Didyma, maakte Miletos een gewilde bondgenoot van de Macedonische vorsten, die vanaf Alexander de Grote hun imperia creëerden rondom het oostelijk bekken van de Middellandse Zee. In de halve eeuw tussen de Granikos (334) en Koroupeidion (281) zag Miletos veel vorsten komen en gaan. Ieder van hen wenste Miletos vanwege haar strategische positie binnen zijn invloedssfeer. De constante factor in de eerste vijftig jaar van de Hellenistische periode was, dat iedere Macedoniër die de macht en de invloed op de Ionische kust wilde – en dat wilden zij uiteindelijk allemaal – de gunst van steden als Miletos nodig hadden om hun macht daadwerkelijk te kunnen legitimeren en consolideren. Daarnaast zorgden loyale steden voor rust, stabiliteit en daarmee economische bloei in het rijk. Stadstaten waren de handelscentra waar het geld circuleerde. Omdat oorlogsvoering het voornaamste aspect van het Macedonische koningschap was, waren Alexander en zijn opvolgers gebaad bij een zo gunstig mogelijk economisch klimaat in de steden. Een goede verstandhouding met een stad was daarom essentieel. De stadstaten hadden evenwel belang bij een goede relatie met een vorst. Hij was voor de steden zowel patroon als beschermer, die hen in oorlogstijd beschermde, in conflicten als scheidsrechter optrad en in ruil voor hun loyaliteit schenkingen deed in de vorm van fiscale privileges, autonomie (geen garnizoen) en ondersteuning van bouwprojecten. Het wederzijdse belang tussen Macedonische vorsten en Griekse steden loopt als een rode draad door de vroege Hellenistische periode, toen achtereenvolgens de imperia van Alexander de Grote en zijn belangrijkste opvolgers Antigonos Monophthalmos, Lysimachos, Ptolemaios en Seleukos werden gevormd. De stadstaten zagen zich geconfronteerd met deze heersers, terwijl de heersers op hun beurt de steden op wilden nemen in hun invloedssfeer om hun imperium gestalte te kunnen geven. Ieder van hen ging daar op een eigen wijze mee om. In deze studie zijn twee pionnen centraal gesteld die in de hier behandelde halve eeuw op het bord bleven staan, terwijl om hen heen de machtigen der aarde een voor een ten onder gingen en van het schaakbord verdwenen. Alexander ging een andere relatie met Miletos aan dan zijn Perzische voorgangers hadden gehad. Waar de Perzen in Miletos een oligarchisch bewind hadden gesteund, dat door een garnizoen haar positie kon vasthouden, stond Alexander de Grote in 334 een democratie voor. Aan zijn keuze voor het democratische bestel liggen twee oorzaken ten grondslag. Allereerst wilde Alexander als nieuwe machthebber die de Perzen verdreven had een koersverandering ten opzichte van zijn voorgangers aangaande de verhouding tussen Miletos en vorst. Een democratisch bestel in Miletos was zo’n breuk met het oligarchische verleden en markeerde het verdwijnen van het Perzische en de komst van Alexanders imperium. Ten tweede had de Macedoniër veel belang bij een goede verstandhouding met Miletos: stabiliteit, rust en een gunstig economisch klimaat waren gezien zijn militaire campagne en de totstandkoming van zijn eigen imperium gewenst. Door de Milesiërs autonomie te verschaffen, erkende hij hun vermogen zelfstandig te regeren en gaf hij bovendien aan dat hij zich, in tegenstelling tot de Perzen, in de toekomst niet actief wilde gaan bemoeien met het stadsbestuur door bijvoorbeeld een Macenonisch garnizoen achter te laten. Met een democratisch staatsbestel zouden de Milesiërs zichzelf daadwerkelijk zelfstandig kunnen besturen. De democratische raad en de volksvergadering, en niet een Macedonischgezind oligarchisch bestuur bepaalden de interne aangelegenheden. Dit betekent echter niet, dat het democratische bestuur niet Macedonischgezind zou zijn. Integendeel, Alexander verwachtte een loyale polis. Door autonomia en demokratia aan te bieden, kon hij de loyaliteit van Miletos waarborgen. Een opmerkelijk gevolg van de instelling van de democratie in Miletos was de heropleving van het orakel van Didyma. Het nieuwe politieke bestel resulteerde hierin, dat het volk van Miletos de zeggenschap over Didyma kreeg, waar in de Archaïsche periode de priesterfamilie van de Branchidai dat had gehad. Een daarmee samenhangende belangrijke verandering met het verleden was dat Didyma vanaf 334 binnen de Milesische polis werd geïncorporeerd, doordat de Milesiërs de religieuze ambten in Didyma verkozen en zo de verantwoording over het tempelcomplex kregen, terwijl Didyma in de Archaïsche periode tot en met de Ionische opstand buiten de polis viel en een zelfstandige plaats was doordat de priesterfamilie van de Branchidai het monopolie op het orakel en het tempelcomplex had gehad. Echter, met de instelling van de democratie kregen de Milesiërs zeggenschap over Didyma. Alexander bezocht na zijn verovering van Miletos het tempelcomplex. Hij werd door de democratisch verkozen cultische ambtenaren en het volk van Miletos geëerd met de functie van stephanophoros, het hoogste religieuze eerbewijs dat Miletos kon bieden, waarmee Alexander feitelijk een Milesische ereburger werd. Alexanders komst naar Didyma luidde tevens de renovatie en herstel van het in de Ionische opstand verwoeste tempelcomplex in. Daarmee is die gebeurtenis een keerpunt in de geschiedenis van het Apolloheiligdom. De prophetis moet Alexander ongetwijfeld gunstig gezind zijn geweest in haar orakelspreuken over de Veroveraar. Antigonos, de eenogige satraap en opvolger van Alexander in Klein-Azië, lijfde omgeven door sterke vijanden als Ptolemaios en Seleukos Ionië in 312 bij zijn immense imperium in. Zijn campagne tegen de satraap van Karië, waar Miletos destijds onder viel, moet in het licht worden gezien van Antigonos’ stedenpolitiek. Twee jaar daarvoor had de Eenoog in de Declaratie van Tyrus de Griekse steden autonomie en democratie beloofd. Op het Griekse vasteland bracht een van de belangrijkste hovelingen en philoi van Antigonos, Aristodemos van Miletos, deze declaratie in de praktijk, terwijl Antigonos zelf de Ionische steden bevrijdde. De declaratie was een duidelijk signaal dat Antigonos de succesvolle stedenpolitiek van Alexander de Grote, die de meeste Griekse steden immers ook autonomie en democratie had verleend, wilde voortzetten. Hij zette zich tevens af tegen Kassander, die de steden met garnizoenen en oligarchieën binnen zijn imperium hield. Ook was het een koninklijke aspiratie van hem door uit te roepen en in praktijk te brengen dat hij in staat was de Griekse steden te bevrijden van hun tegenstanders, hun het zelfbestuur (terug) te geven en hun vrijheid te garanderen. De verhouding die er in de vroeg-Hellenistische periode tussen stad en vorst bestond, wordt ook duidelijk: de vorst Antigonos bood de steden vrijheid en democratie aan, opdat de stad de vorst loyaal zou zijn en hem als machthebber zou erkennen. Ruim een decennium later lag Antigonos Monophthalmos geveld op het slagveld van Ipsos, waarna zijn zoon Demetrios en zijn overwinnaars Lysimachos, Ptolemaios en Seleukos om de hand van Miletos dongen. Het was in deze roerige tijd dat het tempelcomplex van Didyma met haar Apollotempel en -orakel opbloeide. Ondanks dat Demetrios dan wel Lysimachos in de periode tussen Ipsos en 287 de dienst uitmaakten in Ionië, werden er tussen Miletos enerzijds en Ptolemaios en Seleukos anderzijds betrekkingen aangeknoopt. Dit geeft aan dat noch Demetrios noch Lysimachos tussen 301 en 287 volledige zeggenschap over Miletos had en dat de Milesiërs in hun buitenlandse politiek een aanzienlijke vrijheid genoten om contacten te leggen met vorsten uit Syrië en Egypte. Didyma bloeide met name als gevolg van het Seleucidische euergetisme in de periode na Ipsos op, toen de drie meest vooraanstaande leden van het huis van Seleukos – hijzelf, zijn vrouw Apama en zijn zoon en troonopvolger Antichos – zich weldoeners van Miletos, de Milesiërs en Didyma betoonden. Omdat Milesiërs erg belangrijk waren voor de Seleuciden, als soldaten in het leger (eredecreet Apama) en als philos en hoveling (m.n. Demodamas), begunstigden Seleukos en zijn naasten het verdere herstel van Didyma. Daartoe zochten zij toenadering tot de verantwoordelijken van het tempelcomplex, de Milesische demos. Het contact liep via de Milesische philoi van Seleukos, Demodamas en Polianthes, die vanwege hun vooraanstaande positie aan het Seleucidische hof en hun afkomst een cruciale rol speelden in de verhoudingen tussen Miletos en de Seleuciden. Milesiërs bleven echter ook buiten hun polis burgers van de polisgemeenschap, die hun culten bijvoorbeeld op campagnes in ere hielden. De Apollo van Didyma werd vereerd door de Milesische soldaten uit het eredecreet van Apama en toen Demodamas als generaal in de oostelijke gebieden bij de Jaxartes verbleef. Seleukos ging mee in deze grensverleggende ontwikkelingen: hij bood Indische specerijen als offergeschenk aan de Apollo van Didyma aan middels de Milesische demos. Daarmee maakte Seleukos van zijn imperium een wereldomvattend geheel, welke grenzen aan werden gegeven tot daar waar de Apollo van Didyma aanwezig was. Apollo groeide uit tot de Seleucidische patroongod.
In deze studie is onderzocht welke positie heiligdommen innamen in de verhouding tussen vorst en stad én welke rol zij speelden in de totstandkoming van de Macedonische koninkrijken in de periode 334-281, door te kijken naar de houding van Alexander de Grote en zijn opvolgers ten opzichte van Miletos en Didyma. Er is door middel van Miletos en Didyma aangetoond dat de onderlinge verhouding tussen stad en vorst bepalend was bij de creatie van de Macedonische imperia in de vroege Hellenistische periode. Ook is duidelijk geworden dat met Alexanders instelling van de democratie in Miletos en zijn bezoek van Didyma het tempelcomplex na honderdvijftig jaar verval herleefde als gevolg van de nieuwe Milesische zeggenschap over Didyma en dat daardoor Didyma voortaan binnen de polis Miletos viel. Ten derde is beargumenteerd dat Antigonos de stedenpolitiek van Alexander voortzette, maar daarbij niet specifiek inspeelde op de Milesische zeggenschap over Didyma. Vervolgens is betoogd dat, toen Demetrios en Lysimachos afwisselend de dienst uitmaakten in Ionië, Miletos desondanks een grote mate van zelfstandigheid genoot, waardoor ondermeer de Seleuciden middels de Milesische zeggenschap over Didyma toch hun macht en invloed tentoon konden spreiden in een polis die niet binnen hun machtsgebied viel. Tot slot is vastgesteld dat de Seleuciden bij de creatie en legitimatie van hun imperium gebruik maakten van de aanwezigheid van Milesiërs in hun gevolg en met de cultus voor de Apollo van Didyma, die zou uitgroeien tot hun patroongod, hun imperiale grenzen konden afbakenen. Dit allemaal door de invloed van het Apolloheiligdom en -orakel, ook wel de ‘Koningin van Ionië’.

APPENDICES

Appendix I
De verovering van het Perzische rijk door Alexander

Appendix II – Het eredecreet voor Antiochos

[1] Das Volk hat beschlossen. Vorlage der Synedroi. Demodamas, der Sohn des Aristeides, sagte: Antiochos, der älteste Sohn des Königs Seleukos, hat früher [5] dem Volk der Milesier ohne Unterlass viel Wohlwollen und Gunst erwiesen, und sieht jetzt, dass sein Vater sich in jeder Weise um das Heiligtum in Didyma bemüht, und verspricht, da er es für gut halt, der Einstellung seines Vaters zu folgen, er werde dem [10] Gott in der Stadt eine Stoa von einem Stadion Länge bauen, deren zu erwartende jährliche Einkünfte seiner Ansicht nach für Bauten im Heiligtum von Didyma aufgewendet werden sollen. Die Gebäude, die von diesem Geld vollendet werden, sollen dann seine Weihgeschenke sein. [15] Daher haben die Milesier beschlossen, den Antiochos wegen seiner Frömmigkeit betreffs des Gottes und seines Wohlwollens den Griechen Gegenuber zu loben. Es soll ihm der Platz für die Stoa gegeben werden, den der gewählte Architekt zusammen mit den Männern, die Antiochos ernannt hat, bezeichnet. Die Schatzmeister … und die jeweils im Amt befindlichen [20] Prytanen sollen das von ihr stammende Einkommen in Empfang nehmen; sie sollen dafür ein eigenes Konto einrichten und eine Verpachtung vornehmen, wie es vom Volk beschlossen wird. Wenn das beschlossene vollendet sein wird, so sollen sie eine Inschrift anbringen, [25] dass Antiochos, der älteste Sohn des Königs Seleukos, es geweiht hat. Damit nun auch andere, wenn sie sehen, dass die Wohltäter [30] des Heiligtums vom Volk geehrt werden, sich entscheiden, Eifer für das Heiligtum in Didyma und die Menge der Milesier zu zeigen, haben die Milesier beschlossen, eine eherne Statue des Antiochos zu Pferde an dem Ort aufzustellen, den der Rat hierfür zur Verfugung zu stellen beschließt. Das Geld für die Statue sollen die Antaktai im Jahr nach dem [35] Stephanephoren Athenaios ausgeben, wenn sie auch das Geld für die anderen Aufwendungen auszahlen. Er soll zur Proedrie in Milet bei den Dionysien und in Didyma bei den kyklischen Agonen der Didymeia eingeladen werden; es soll ihm auch Speisung im Prytaneion und jegliche Steuerfreiheit und Sicherheit wahrend [40] Friedens – und Kriegszeiten gewahrt werden, ohne dass dafür Pfänder genommen würden und ohne dass hierfür eigens ein Vertrag geschlossen werden musste. Auch soll er Promantie im Heiligtum von Didyma haben. Das soll auch für die Nachkommen des Antiochos gelten. Damit die Statue so schnell wie möglich fertiggestellt wird, soll das Volk sofort drei Männer wählen, die die Aufsicht über [45] die Herstellung führen.
Appendix III – ‘Het eredecreet voor Apama’

Rat und Volk haben beschlossen. Lykos, Sohn des Apollodotos, sagte: Betreffs der Dinge, derenthalben Demodamas, Sohn des Aristeides, den Antragsvorschlag im Rat eingebracht hat, dass Apame, die Frau des Königs Seleukos, geehrt werde, haben Rat und Volk beschlossen: [5] Die Königin Apame hat auch schon früher denjenigen Milesiern, die mit dem König Seleukos zu Felde ziehen, Wohlwollen und Gunst gezeigt, und als jetzt die Gesandten, die Seleukos zu sich gebeten hatte, um mit ihnen über den Bau des Heiligtums in Didyma zu reden, dort waren, [10] hat sie mehr als den üblichen Eifer gezeigt; zudem hat ihr Sohn Antiochos im Wetteifer mit der Vorliebe seines Vaters Seleukos für das Heiligtum, versprochen, eine Halle in der Länge eines Stadions für den Gott zu bauen, damit das Heiligtum aus den daraus erwachsenden Einkünften geschmückt werde. Damit alle wissen, [15] dass das Volk der Milesier ständig seinen Wohltätern die gebührende Sorgfalt widmet, sollen die Milesier beschließen … die Anatakten unter dem [20] Spephanephorat des Apollon nach dem des Athenaios sollen aus dem ganzen Einkommen der … das Geld für die Statue nehmen. Man soll diesen Beschluss auf eine steinerne Stele schreiben und im Heiligtum der Artemis in Didyma aufstellen. Die Stele und die Aufschrift sollen die Teichopoioi ausschreiben ohne dabei in Verzug zu geraten. [25] Die Schatzmeister sollen das Geld aus den Fonds bereitstellen, die für die Unkosten, die aus Beschlüssen entstehen, vorgesehen sind. Dieser Beschluss soll auch auf eine weise Tafel geschrieben werden. Aufseher für die Statue: Demodamas, Sohn des Aristeides, Lykon, Sohn des Apollodotos, Aristophon, Sohn des Minnion.

Appendix IV – Het wijgeschenk van Seleukos

Unter dem Stephanephoren Poseidippos, den Verwaltern der heiligen Gelder Timeas, Sohn des Phyrson, Aristagoras, Sohn des Philemon, Kleomedes, [5] Sohn des Kreson, Philipp, Sohn des Sosistratos, Alexander, Sohn des Lochegos, Polyxenos, Sohn des Babon, haben die Konige Seleukos und Antiochos das, was in dem Brief genannt ist, geweiht. [10] Konig Seleukos grüßt Rat und Volk von Milet. Wir haben euch den Polianthes geschickt, der den großen Leuchter und goldene und silberne Trinkgefäße mit Aufschriften zur Weihung fur die rettenden Götter [15] ins Heiligtum des Apollon in Didyma bringt. Wenn er kommt, nehmt sie – zum guten Gluck – und gebt sie ins Heiligtum, damit ihr sie für die Trankopfer habt und sie benutzt, [20] es uns gut geht und wir Erfolg haben und die Stadt fortdauert, wie ich es wünsche und ihr es erbittet. Was aber dem Polianthes aufgetragen ist, stellt die entsandten Geschenke auf und vollzieht das Opfer, das wir ihm aufgetragen haben. Tragt ihr nun mit Sorge dafür, [25] dass es nach den Vorschriften ausgeführt wird. Ich habe auch unten eine Aufstellung der in das Heiligtum geschickten Gold- und Silbergeräte gegeben, damit ihr sowohl die Art als auch das Gewicht eines jeden Stucks kennt. Lebt Wohl. [30] Aufstellung der entsandten goldenen Gerate: eine Phiale mit nüssformiger Verzierung für Agathe Tyche, Gewicht: 247 Drachmen; eine andere mit nüssformiger Verzierung für Osiris, Gewicht: 190 Drachmen; eine andere mit nüssformiger Verzierung fur Leto, Gewicht: [35] 198 Drachmen; ein Service von Doppeltrinkhornern mit Ziegenhirschprotome und der Aufschrift „(Eigentum) des Apollon“, Gewicht: 318 Drachmen, 3 Obolen; [40] ein anderes Doppeltrinkhorn mit Ziegenhirschprotome und der Aufschrift „(Eigentum) der Artemis“, Gewicht: 161 Drachmen; ein Horn mit der Aufschrift „dem Zeus Soter“ im Gewicht von 173 Drachmen und 3 Obolen [45]; eine Weinkanne für die rettenden Götter, Gewicht: 386 Drachmen; ein barbarischer, mit kostbaren Steinen besetzter Psykter bei dem sieben nüssformige Verzierungen abgefallen sind mit der Aufschrift „(Eigentum) der Soteira“, Gewicht: 372 Drachmen; ein goldenes Tablett für Gerstenkuchen, [50] Gewicht: 1088 Drachmen; zusammen an goldenen Geräten: 3248 Drachmen und 3 Obolen. Ein silberner, mit Tierfigurenim Relief [55] versehener Skyphos mit einem Band, Gewicht: 380 Drachmen; ein großer silberner Psykter mit zwei Griffen, Gewicht: 9000 Drachmen; 10 Talente Weihrauch; ein Talent Myrrhe; 2 Minen Kasienlorbeer; zwei Minen Zimt; zwei Minen Kostospfeffer; [60] eine große Lampe aus Erz. Er brachte dem Gott auch ein Opfer von 1000 Schafen und zwölf Rindern.
Appendix V – Bactrië en Sogdië, de grenzen van de beschaafde wereld

Centraal Azië in de tweede eeuw voor Christus. Hoewel het geen weergave is van centraal Azië ten tijde van Seleukos I en Antiochos I, geeft het wel een goed beeld van de grenzen van de Hellenistische wereld: de Syr Darya (Jaxartes) in het noorden en de Himalaya en de Indus in het oosten.

LITERATUURLIJST

Ager, S.L., Civic identity in the Hellenistic world: the case of Lebedos, Greek, Roman and Byzantine studies, 1998, 39 (1), 5-21.
Aperghis, G.G., The Seleukid royal economy. The finances and financial administration of the Seleukid empire (Cambridge 2004).
Austin, M.M., The Hellenistic world from Alexander to the Roman conquest (Cambridge 1981).
Badian, E., Harpalus, Journal of Hellenic Studies, 81 (1961) 16-43.
Bagnall, R.S., Derow, P., Greek historical documents: the Hellenistic period (Chico 1981).
Baker, P., Warfare, in A. Erkshine e.d, A Companion to the Hellenistic World (Oxford 2003) 373-88.
Balot, R., Greek political thought (Malden, Oxford, Carlton 2006).
Bilde, P., Engberg-Pedersen T., Hannestad L., Zahle J., (eds.), Religion and religious practice in the Seleucid kingdom (Aarhus 1990).
Billows, R.A., Antigonos the One-eyed and the creation of the Hellenistic state (Berkeley 1990).
Blok, J.H., Oude en nieuwe burgers, Lampas 36 (2003) 5-26.
Bosworth, A.B., Conquest and empire. The reign of Alexander the Great (Cambridge 1988).
Bosworth, A.B., The legacy of Alexander: politics, warfare and propaganda under his successors (Oxford 2002).
Bringmann, K., Steuben, von H., Schenkungen hellenistischer Herrscher an griechische Städte und Heiligtümer. Teil I. Zeugnisse und Kommentare (Berlin 1995).
Bringmann, K., Geben und nehmen: monarchische Wohltätigkeit und Selbstdarstellung im Zeitalter des Hellenismus (Berlin 2000).
Broek, van der R., Apollo in Asia. De orakels van Clarus en Didyma in de tweede en derde eeuw na Chr. (Leiden 1981).
Buraselis, K., Das hellenistische Makedonien und die Ägäis. Forschungen zur Politik des Kassandros und der drei ersten Antigoniden (Antigonos Monophthalmos, Demetrios Poliorketes und Antigonos Gonatas) im Ägäischen Meer und in Westkleinasien (Munchen 1982).
Burstein, S.M., The Hellenistic Age from the battle of Ipsos to the death of Kleopatra VII (Cambridge 1985).
Burstein, S.M., Lysimachos and the Greek cities of Asia: the case of Miletus, The Ancient World, 3, vol. 3 (1980) 73-9.
Burstein, S.M., Lysimachos and the cities. The early years, The Ancient World, 1986, vol. 14, 19-24.
Camp, J.M., The archaeology of Athens (New Haven en Londen 2001).
Carpdetrey, L., Le pouvoir séleucide. Territoire, administration, finances d’un royaume hellénestique (312-129 avant J.-C.) (Rennes 2007).
Chamoux, F., La civilization hellénistique (Parijs 1981).
Chaniotis, A., War in the Hellenistic World. A social and cultural history (Oxford 2005).
Cohen, G.M., The Hellenistic settlements in Europe, the islands and Asia Minor (Berkely 1995).
Cohen, G.M., The Hellenistic settlements in Syria, the Red Sea basin, and North Africa (Berkely 2006).
Davies, J.K., Social and economic features of the Hellenistic World, in F.W. Walbank, The Cambridge Ancient History. Volume 7.1: The Hellenistic World (Cambridge 1984) 257-320.
Errington, R.M., A history of the Hellenistic world 323-30 BC (Oxford 2008).
Emlyn-Jones, C.J., States and cities of Ancient Greece. The Ionians and Hellenism. A study of the cultural achievement of the early Greek inhabitants of Asia Minor (Londen, Boston en Henley 1980).
Funck, B., Seleukos Nikator und Ilion, HZ, 1994, 258 (2), 317-337.
Ferguson, W.S., The leading ideas of the new World, in S.A. Cook, F.E. Adcock, and M.P. Charlesworth eds., The Cambridge Ancient History. Volume 7: the Hellenistic Monarchies and the rise of Rome (Cambridge, Londen, New York, Melbourne 1928), 1-40.
Freeman, C., Egypt, Greece and Rome. Civilizations of the Ancient Mediterranean (Oxford 2004).
Greaves, A., Miletos. A history (Londen en New York 2002).
Green, P., Alexander to Actium. The historical evolution of the Hellenistic Age (Berkeley en Los Angeles 1990).
Günther, W., Das Orakel von Didyma in hellenistischer Zeit. Eine Interpretation von Stein-Urkunden (Tübingen 1971).
Guenther, W., Textkritische Nachträge zur Seleukos-Stiftung in Didyma, Mitteilungen des Deutschen Archäeologisches Instituts, XXVII (1913) 261-266.
Hammond, Three historians of Alexander the Great. The so-called Vulgate authors, Diodorus, Justin and Curtius (Cambridge 1983).
Herda, A., Der Apollon-Delphinios-Kult in Milet und die Neujahrsprozession nach Didyma (Mainz 2006).

Herman, G., The “friends” of the early hellenistic rulers: servants or officials?, Talanta 12-3 (1980/81) 103-9.
Hermann, P., Milesier am Seleukidenhof, Chiron CVII (1987) 171-192.
Hexter, O., Fowler R. (eds.), Imaginary kings. Royal images in the Ancient Near East, Greece and Rome (Munchen 2005).
Hintzen-Bohlen, B., Herrscherrepräsentation im Hellenismus. Untersuchungen zu Weihgeschenken, Stiftungen und Ehrenmonumenten in den mutterländischen Heiligtümern Delphi, Olympia, Delos und Dodona (Keulen, Weimar, Wenen 1992).
Hommel, H., Ein König aus Milet. Fragment einer milesischen Weihinschrift, Chiron, 1976, VI, 319-327.
Holt, F.L., Alexander the Great and Bactria. The formation of a Greek frontier in Central Asia (Leiden 1988).
Kleiner, G., Die Ruinen von Milet (Berlijn 1968).
Mehl, A., Seleukos Nikator und sein Reich. 1. Teil. Seleukos’ leben und die Entwicklung seiner Machtsposition (Lovanii 1986).
Morford, M.P.O., Lenardon, R.J., Classical mythology (New York, Oxford 2007).
Morgan, C., Divination and society at Delphi and Didyma, Hermathena CXLVII (1989) 17-42.
Newell, E., The coinage of the Eastern Seleucid Mints: from Seleukos I to Antiochos III, Numismatic Studies 1 (New York 1938).
Ogden, D., ed., The Hellenistic World. New Perspectives (Londen 2002).
Orth, W., Königlicher Machtsanspruch und städtische Freiheit. Untersuchungen zu den politischen Beziehung zwischen den ersten Seleukidenherrschern (Seleukos I., Antiochos I., Antiochos II.) und den Städten des westlichen Kleinasien (München 1977).
Parke, H.W., The oracles of Apollo in Asia Minor (Beckenham 1985).
Parke, H.W., The temple of Apollo at Didyma, Journal of Hellenic Studies CVI (1986) 121-131.
Pedech, P., Historiens, compagnons d’Alexandre: Callisthène, Onésicrite, Néarque, Ptolémée, Aristobule (Parijs 1984).
Polignac, de F., Cults, territory and the creation of the Greek city state (Chigago 1995).
Price, S., Religions of the ancient Greeks (Cambridge 1999).
Rehm, A., Kawerau, G., Das Delphinion von Milet, Milet: Ergebnisse der Ausgrabungen und Untersuchungen seit dem Jahre 1899, edited by Th. Wiegand, vol. I (Berlijn 1914).
Rhodes, P.J., The Greek city states. A Sourcebook (Cambridge 2007).
Roebuck, C., The organization of Naukratis, Classical Philology 46, 4 (1951) 212-20.
Schneider, P., Zum alten Sekos von Didyma, Istanbuler Mitteilungen 46 (1996) 146-52.
Sherwin-White, S., Kuhrt, A., From Samarkhand to Sardis. A new approach to the Seleucid empire (Londen 1993).
Shipley, G., The Greek World after Alexander, 323-30 BC., Routledge History of the Ancient World, 4 (Londen en New York 2000).
Simon, E., Charites. Studien zur Altertumswissenschaft (Bonn 1957) 38-46.
Strootman, R., The Hellenistic Royal court. Court culture, ceremonial and ideology in Greece, Egypt and the Near East, 336-30 BCE (Utrecht 2007).
Strootman, R., Kings and cities, in press.
Strootman, R., ‘Men to whose rapacity neither sea nor mountain sets a limit’: The aims of the Diadochs, in press.
Tarn, W.W., The Greeks in Bactria and India (Cambridge 1951).
Tuchelt, K., Drei Heiligtumen von Didyma und ihre Grundzüge, RA (1991) 85-98.
Tuchelt, K., Vorarbeiten zu einer Topographie von Didyma, Deutsches Archäologisches Institut. Istanbuler Mitteilungen 9 (1973)
Vial, P., Délos indépendante (314-167 avant J.-C.) (Parijs 1984).
Williamson, C., Rational rituals in landscapes of power. The use of sanctuaries by rulers to transform space in Karia (Zeus at Labranda) and Pergamon (Meter Theon at Mamurt Kale) (Groningen 2010) in press.
Winnicki, J.K., Carrying off and bringing home the statues of the gods: on an aspect of the religious policy of the Ptolemies towards the Egyptians, Journal of Juridic Papyri 24 (1994) 149-190.

Posts created 948

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven