Verwant Verleden: Hans-Joachim Gersch. Op de vlucht voor de Russen

Verwant Verleden: Hans-Joachim Gersch. Op de vlucht voor de Russen

Verwant Verleden: Hans-Joachim Gersch. Op de vlucht voor de Russen

Reacties uitgeschakeld voor Verwant Verleden: Hans-Joachim Gersch. Op de vlucht voor de Russen

Primaire bronnen blijven essentieel voor geschiedkundig onderzoek, en wat is een mooiere primaire bron dan je eigen voorouder? Aan de hand van oude foto’s, oral history en familieverhalen plaatsen jonge historici de komende weken de ervaringen van hun voorouders in historische context. Vandaag vertelt Michael over zijn grootvader Hans-Joachim, die in 1945 op de vlucht sloeg voor de Russen.

Januari 1945. De macht van Hitlers Derde Rijk is op zijn retour door de opmars van de geallieerden. Hoewel de Tweede Wereldoorlog nog maar enkele maanden zou duren, kwam deze plotseling heel dichtbij voor de toen dertienjarige Hans-Joachim (geboren 28 maart 1931), mijn opa. Zijn ervaringen en herinneringen, die hij de laatste jaren heeft uitgewerkt, en de gesprekken die ik hierover met hem heb gevoerd, zijn het uitgangspunt van deze column.

Hans-Joachim met zijn vriend Christian Appelt (links), circa eind 1944. Via Christian kreeg mijn opa informatie over het verloop van de oorlog, aangezien Christians ouders naar de BBC luisterden.

De oorlog dichtbij

Van het naderende einde was op 15 januari echter nog maar weinig te merken. In Trachenberg (het huidige Zmigrod, Polen) was het voor mijn opa en de andere scholieren tijd voor de eerste schooldag na de kerstvakantie. Niemand kon toen nog weten dat hen nog maar een paar lesdagen te wachten stonden. Donderdag 18 januari bleek de voorlopig laatste schooldag, maar van vluchten mocht nog niet gesproken worden. Vluchten was immers lange tijd verboden. Op 19 en 20 januari werd de burgerbevolking door de Bezirksregierung van Breslau (hedendaags Wroclaw, Polen) opgeroepen te vluchten, terwijl Breslau zelf tot vesting werd uitgeroepen en tot de laatste man verdedigd moest worden. Gehoor gevend aan deze oproep te vluchten, sloten veel inwoners van Trachenberg zich op 20-21 januari aan bij de enorme Treck van mensen die lopend, per fiets, per auto of met paard en wagen de Duitse Ostgebiete verlieten. In totaal probeerden eind 1944-begin 1945 zo’n vijf miljoen Duitsers op deze manier de razendsnelle opmars van het Rode Leger voor te blijven.[1]

Nadat mijn opa met zijn ouders en zusje op zondagochtend 21 januari van hun Pfarrer een Reisesegen hadden ontvangen, begonnen ook zij hun tocht westwaarts. Hun spullen gepakt hielden ze beurtelings wacht op het station, om als er een trein zou komen – wat overigens geheel onduidelijk was – de anderen te kunnen halen en zich uit de voeten te kunnen maken. Toen er tegen avond een trein kwam, stapte opa met zijn moeder, zusje en de apothekershulp in de koude wagon. Vader, die apotheker was, bleef achter om de vluchtelingen van medische hulp en medicijnen te voorzien en vluchtte de volgende dag. Hierover schreef hij in zijn herinneringen het volgende: ‘Am Nachmittag hiess es Abschied nehmen, einen Abschied wohl für immer. Mit dem letzten Güterzug verliess ich Trachenberg und fand die Meinen am nächsten Morgen in Liegnitz wieder.’[2]

Vanaf Liegnitz konden ze vervolgens via contacten bij de plaatselijke kazerne, waar zijn vader tijdens zijn dienstplicht gestationeerd was geweest, met vrachtwagens verder. Na circa 50 kilometer werden ze in Sagan am Bober afgezet, terwijl de vrachtwagens door reden naar Berlijn. In Sagan stapten ze vervolgens in een goederentrein die naar het Roergebied zou gaan. Tegen de verschrikkelijke kou in de open wagons kreeg opa toen voor het eerst Schnapps van zijn vader, wat echter net als het heen en weer springen in de wagon weinig warmte bood. Uit angst dood te vriezen stapten ze in Sorau (hedendaags Zary, Polen) uit. Hier konden ze – het geluk was blijkbaar aan hun zijde – in een personentrein stappen die ze naar Görlitz bracht, waar ze tweeëneenhalve week bij vrienden woonden. Alleen mijn overgrootvader Hans niet. Die werd opgeroepen voor de Volkssturm en moest zich als machinist bij een pantsergrenadiersregiment voegen.

Mijn opa (uiterst links) zat bij het Deutsche Jungvolk, hier vermoedelijk 1943-1944. Kinderen in de leeftijd van 10 tot 14 jaar waren vanaf maart 1939 verplicht tot het Deutsche Jungvolk toe te treden, waarna zij op 14-jarige leeftijd toetraden tot de Hitlerjugend. Door het einde van de oorlog hoefde mijn opa niet bij de Hitlerjugend, waar hij maar wat blij mee was. Al dat militaristische vond hij maar niks.

Bombardement op Dresden

Mijn overgrootvader wist vanaf dat punt dan ook niet meer hoe het zijn familie was vergaan. Opa, zijn moeder en zusje en de apothekershulp gingen immers verder. Vanuit Görlitz ging het op 13 februari per Lazarettzug verder richting Blankenau (gelegen aan de rivier de Weser, ten noordoosten van Frankfurt am Main) waar opa’s tante woonde. Over deze reis hebben ze vier dagen gedaan, maar het had veel slechter kunnen aflopen.

Omdat de trein namelijk moest wachten op een zwaargewonde, was de avond gevallen toen de trein Dresden bereikte en mocht hij de stad niet meer in. Wachtend buiten de stad maakten mijn opa en zijn medereizigers ’s avonds en ’s nachts de eerste nacht van het bombardement van Dresden (13-15 februari) mee: ze hoorden de bommen vallen en ontploffen en zagen de stad in vlammen opgaan. De volgende ochtend ging de trein verder, maar bij Pirna moest iedereen de trein verlaten vanwege de overvliegende vliegtuigen – wederom op weg naar Dresden. Iedereen ging op zijn buik tegen de verhoging van het spoor aan liggen, behalve mijn opa. Die besloot op zijn rug te gaan liggen en vliegtuigen te spotten. In zijn beleving maakte het namelijk niet uit of ze je nu van voren of van achteren zouden raken, in beide gevallen was je er geweest. Gelukkig was dit niet het geval en kon de reis voortgezet worden, waarna ze heelhuids in Blankenau aankwamen.

Hier in Blankenau werd vervolgens het einde van de oorlog afgewacht. Waar men voor de Russen echter grote angst had, was men in april 1945 blij toen de Amerikanen kwamen. Voor hen had men over het algemeen geen angst. Alleen voor de zwarte soldaten was men in eerste instantie bang, eveneens door nazipropaganda. Maar zoals te lezen is in mijn opa’s herinneringen waren de zwarte soldaten ‘richtig freundlich und scherzten mit den Kindern.’

Dit is koffer die mijn opa op de vlucht bij zich had. Daarnaast had zijn moeder voor het gezin uit grote linnen doeken rugzakken genaaid die als deken gebruikt konden worden en waarin ook zakken waren waarin plek was voor een stuk brood, spek, bestek, een soepbord en een mok. Op deze manier kon altijd snel gegeten, gedronken en geslapen worden als de gelegenheid zich voordeed.

Als adres schreef mijn opa Großer Ring 10 op het label in de koffer, hoewel zijn adres op het moment van de vlucht Adolf-Hitler-Ring 10 was. Aangezien de oorlog op zijn einde liep, leek hem de straatnaam van voor het nazitijdperk gepaster. Onder de nazi’s was de Großer Ring in 1933, zoals vele straten, pleinen etc., vernoemd naar Adolf Hitler.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een nieuw thuis

Vanuit Blankenau, waar mijn overgrootvader uiteindelijk te voet naartoe is gegaan en hier op 25 mei aankwam, voerde de reis verder naar Münster waar de familie een huis wist te bemachtigen en waar mijn opa en oma nog steeds wonen. Met hulp van familie, vrienden en bekenden werd hier vervolgens een nieuw leven opgebouwd. Een terugkeer naar Trachenberg was namelijk geen optie, zeker niet nadat op de Conferentie van Potsdam de verlegging van de Duits-Poolse grens naar het westen, de Oder-Neissegrens, was bevestigd. Trachenberg was vanaf nu Pools en alle Duitse inwoners van de voormalige Duitse gebieden werden gerepatrieerd. In totaal moesten tussen eind 1944 en 1948 minstens 12 miljoen Duitsers door vlucht of verdrijving hun huis in Oost-Europa verlaten.[3]

Hier in Münster werd hen het een en ander bekend over de situatie in Trachenberg. Hun oude Pfarrer vertelde in rondbrieven dat de Russen – en later de Polen – flink hadden huisgehouden in de stad. Slechts twee dagen na mijn opa’s vlucht, op 23 januari, reden Russische pantserwagens de stad binnen, al snel gevolgd door infanterie. Vrijwel meteen vonden er op grote schaal doorzoekingen, plunderingen en brandstichtingen plaats, werden vrouwen aangerand en verkracht, en werden in Trachenberg Duitse mannen uit de regio geïnterneerd en gedeporteerd naar het Russische achterland – om dwangarbeid te verrichten in de goelags. De angst die mijn opa en zijn familie, zoals veel Duitsers, voor de Russen en hun gruweldaden hadden, bleek dus niet ongegrond.

Michael Bremmers (1992) studeerde Geschiedenis (BA) en Internationale Betrekkingen in Historisch Perspectief (MA) in Utrecht. Hij is breed geïnteresseerd, maar heeft vooral belangstelling voor militaire onderwerpen en conflictsituaties. Hij werkte als stagiair aan de Nederlandse heruitgave van Sigurd von Ilsemann, Wilhelm II in Nederland, 1918-1941 (2015) en schreef zijn masterscriptie over de Afghaanse warlord Abdul Rashid Dostum. Momenteel is hij Junior Directeur bij Museum Wierdenland, redacteur bij Jonge Historici, hoofdredacteur bij ‘Onze Indische Buurten’ en recensent bij Plan Your Visit NL.

[1] Tomasz Kamusella, ‘The Expulsion of the Population Categorized as “Germans” from the Post-1945 Poland’ in: Steffen Prauser en Arfon Rees (eds.), ‘The Expulsion of the “German” Communities from Eastern Europe at the End of the Second World War’, EUI Working Paper HEC No. 2004/1, 21-32, 22.

[2] Zijn memoires, geschreven in november 1946, noemde Hans Gersch Eine verlorene Heimat.

[3] Steffen Prauser en Arfon Rees, ‘The Expulsion of the “German” Communities from Eastern Europa at the End of the Second World War’, EUI Working Paper HEC No. 2004/1, 4.

About the author:

Nieuwsbrief

Back to Top