Verwant Verleden: Verloren thuis – weeskind in Vlaanderen in de 19e eeuw

Verwant Verleden: Verloren thuis – weeskind in Vlaanderen in de 19e eeuw

Verwant Verleden: Verloren thuis – weeskind in Vlaanderen in de 19e eeuw

Reacties uitgeschakeld voor Verwant Verleden: Verloren thuis – weeskind in Vlaanderen in de 19e eeuw

Primaire bronnen blijven essentieel voor geschiedkundig onderzoek, en wat is een mooiere primaire bron dan je eigen voorouder? Aan de hand van oude foto’s, oral history en familieverhalen plaatsen jonge historici de komende weken de ervaringen van hun voorouders in historische context. Vandaag vertelt Laure over haar betovergrootvader Charles, een weeskind in Vlaanderen in de 19e eeuw.

Ik vertel het verhaal van mijn betovergrootvader, Charles Cornelis Jespers, die op negenjarige leeftijd wees werd. Charles kon zijn levensverhaal zelf niet meer navertellen en binnen mijn familie was er weinig geweten over hem. De reconstructie van zijn leven was dus eerder een onderzoek op basis van vrij onpersoonlijke bronnen zoals bevolkingsregisters en huwelijksakten. Toch slaagde ik erin op die manier een deel van zijn leven te achterhalen en in verband te brengen met de wezenzorg in het Vlaanderen van de 19e eeuw.

Een bewogen start

Charles werd in 1855 geboren in Mechelen, als zoon van Cornelis Jespers en Elisabeth Van Den Berghe. Zijn moeder was huisvrouw, zijn vader mecanicien. Op vierjarige leeftijd verhuisde Charles met zijn jongere broertje Louis-Antoine en zijn ouders naar Breda, waar zijn vader geboren was. Een jaar later vertrok zijn vader naar Indonesië, een toenmalige Nederlandse kolonie, waar hij in 1861 overleed. Waarom Cornelis zijn familie achterliet en vertrok heb ik niet kunnen achterhalen. Ging hij op zoek naar een baan? Werkte hij als mecanicien op een boot richting Nederlands-Indië? De oorzaak van zijn vertrek blijft gissen.

Charles Jespers in het bevolkingsregister van Mechelen, 1856

Op hetzelfde moment dat zijn vader naar Indonesië vertrok, verhuisde Charles met zijn broer en moeder opnieuw naar Mechelen, waar zijn moeder geboren was. Ruim twee jaar later, toen Charles zeven jaar was, duikt zijn moeder op in het bevolkingsregister van Mechelen zonder haar kinderen. Zij staat op dat moment ingeschreven in de Nonnenstraat, gelegen in het groot begijnhof van Mechelen. Hoe zij hier terechtkwam en wat er met de kinderen was gebeurd weten we niet – wat we wel weten is dat in deze buurt zich rond die tijd de eerste beluiken vormden. Dit zijn kleine arbeidershuisjes gebouwd rond een kleine gemeenschappelijke binnenkoer. De gezinnen die er woonden behoorden vaak tot de onderste lagen van de samenleving en verdienden hun brood met hard werken in de fabriek. Mogelijk is Charles’ moeder na de dood van haar man werk gaan zoeken in de fabriek om zo een inkomen te hebben. Het is giswerk naar waar Charles en zijn broer op dat moment verbleven. Trokken zij bij familie in? Woonden ze wel degelijk bij hun moeder, maar werden ze niet opgeschreven in de registers? Woonden ze nog in Mechelen of gingen ze opnieuw naar Breda?

Verloren in de stad

In 1865 sterft Elisabeth. Charles, nog geen tien jaar oud, en zijn broertje komen er alleen voor te staan. Opnieuw is het niet duidelijk wat er met hen gebeurde. Het is mogelijk dat ze in een weeshuis terechtkwamen: er was een weeshuis in Mechelen, namelijk Godshuis Sint Hedwich of de Putterij. Een andere optie is dat de jongens werden uitbesteed. In de 19e eeuw gebeurde de opvang van weeskinderen immers op twee manieren: ofwel werden ze uitbesteed aan voedsters, ofwel werden ze in een weeshuis geplaatst. Er werd voorkeur gegeven aan de eerste optie. Kinderen werden dan vaak opgenomen in een landbouwgezin en het gezin in kwestie kreeg een vergoeding. Men dacht zo de kinderen een goede thuissituatie te geven, maar in realiteit was dat niet zo. Kinderen werden vernederd door behandeld te worden als dieren op een openbare veiling bij hun plaatsing, kwamen vaak terecht in de armste gezinnen, waardoor ze niet naar school konden en moesten meewerken om het gezinsinkomen aan te vullen, als ze zelf volwassen waren behoorden zij dus vaak ook tot de laagste klassen.

Binnenkoer van de Putterij te Mechelen in 1790. In 1569 werd dit godshuis ‘enkelyk voor arme kinderen’ opgericht met de erfenis van Heilwich Van den Nieuwenhuysen. Op de poorten stond het volgende schrift: Dit Godtshuys om arme kinders te leeren ambachten – Stichte Heylwyck van Uyeffehuyse daer na eest vermeert – By Remy de Hallut haeren man saligher ghedachten – Hier worden knechtkens en meyskens onderhouwe gheleert – Tot ambagte en handwerck door Gods gracie – Die den wasdom will gheven van dese fundacie

De andere optie, het weeshuis, was evenmin ideaal. Het was een gesloten omgeving van permanente controle, er was weinig plek voor speelsheid en vrijheid. Kinderen werden vaak als fabrieksarbeiders te werk gesteld in de plaats van een degelijke opleiding te krijgen. Toen kinderen uit deze instelling kwamen, stonden ze alleen in een onbekende wereld. Eind 19e eeuw kwam er wel meer aandacht voor de opvoeding van het kind. Weeshuizen werden beter gecontroleerd en er kwam verzet tegen de uitbestedingen. Vanaf die tijd werd er ook langer en beter gezocht naar een gezin waar het kind een goede behandeling zou krijgen.

Uitzondering?

Zoals gezegd vormden voormalige weeskinderen later vaak de onderste laag van de samenleving. Mijn betovergrootvader lijkt te ontsnappen aan deze regel. Na een aantal jaren waar ik niets van terugvind, duikt Charles opnieuw op in de bevolkingsregisters van Lede, Oost-Vlaanderen. Hij woont er samen met zijn broertje, zijn vrouw Martina, hun kind, de vader van Martina en een dienster. Het feit dat ze zich een dienster kunnen veroorloven wijst erop dat Charles niet tot de laagste bevolkingsklasse behoorde. Bovendien staat bij zijn beroep ‘schrijver’ genoteerd, wat er ook op wijst dat hij kon lezen en schrijven en dus een degelijke basisopleiding had gekregen op school.

In 1877 slaat het noodlot echter opnieuw toe: Martina overlijdt in augustus, hun zoontje sterft een maand later, nog geen jaar oud. Twee jaar later sterft ook Charles’ broertje, dus alweer verliest Charles zijn familie. Na de dood van zijn vrouw en kind bleef Charles echter niet bij de pakken zitten en hertrouwde nog datzelfde jaar met Maria Lowie. Samen kregen ze acht kinderen, waarvan er twee stierven tijdens het eerste levensjaar en een op vijftienjarige leeftijd. Het hele gezin verhuisde in 1895 naar een dorp in Louploigne, in de Ardennen. De reden hiervoor is niet gekend, en wat er hierna met de familie Jespers gebeurde blijft een raadsel.

Er zitten nog heel wat gaten in het levensverhaal van mijn betovergrootvader. Wel kan ik voorzichtig stellen dat het overlijden van zijn ouders op zo’n jonge leeftijd zijn latere leven op economisch vlak althans waarschijnlijk niet negatief beïnvloed heeft. Hij kon lezen en schrijven, had een job en kon zijn gezin goed onderhouden. Tot het einde van de 19e eeuw behoorden wezen die in een weeshuis terechtkwamen of uitbesteed werden later vaak tot de armste laag in de samenleving. Indien Charles in een weeshuis terecht kwam of uitbesteed werd, was hij dus een gelukkige uitzondering op deze trieste regel.

Laure Lambert (Gent, 1996) is student Geschiedenis aan de Universiteit Gent. Ze zit momenteel in het 2e  jaar van de bachelor en heeft een Erasmus-uitwisseling naar Zweden in het vooruitzicht. Naast haar studie Geschiedenis is ze ook reeds 3 jaar leidster bij de Chiro.

About the author:

Nieuwsbrief

Back to Top